Part 19
Na deze bede snelde zij heen. Ik ging in de deur staan om haar na te zien, maar onmiddellijk werden de loopen van twee geweren op mij gericht, de wachters deden hun plicht. Had ik één schrede verder gedaan, dan was ik neergeschoten geworden of ten minste zoo verwond dat ik niet verder kon. Aan vluchten behoefde ik dus niet te denken en snel trok ik mij in mijn gevangenis terug.
Wat zou ik doen? Het beste was in elk geval kalm af te wachten en in het gegeven oogenblik de uitwerking van de haarlok te beproeven. De blik dien ik zooeven naar buiten had geworpen was voldoende geweest om mij te overtuigen dat elke gedachte aan vluchten een dwaasheid was. Ik had wel is waar van Indiaansche Pueblos gelezen, maar er nog nooit een gezien. Zij zijn gebouwd ter verdediging en beantwoorden volkomen aan hun bestemming. Gewoonlijk vullen zij diepe rotsspleten, bestaan doorgaans uit vast muurwerk en vormen verschillende verdiepingen. Ieder hoogere verdieping springt een stuk achteruit, zoodat er een platvorm voor ligt, dat weer de zolder is van een lagere verdieping. Het geheel geeft den indruk van een pyramide met trappen. Het parterre springt dus het verst vooruit en is het breedst, terwijl de volgende étages telkens smaller worden.
Deze étages zijn niet, gelijk bij ons van binnen door trappen verbonden, maar men bereikt ze van buiten door middel van ladders, welke neergezet en weer weggenomen kunnen worden. Nadert de vijand dan worden deze ladders verwijderd en ook al had deze zelf ladders meegebracht, dan nog zou hij die verdieping afzonderlijk moeten bestormen en zich blootstellen aan de geweerschoten der op een hooger platvorm staande verdedigers, die van hun kant volkomen veilig zijn voor de wapens der aanvallers.
Op zulk een pyramide-achtigen Pueblo bevond ik mij nu en wel zooals ik nu gezien had, op de achtste of negende verdieping daarvan. Hoe zou men hieruit kunnen vluchten, daar zich op alle lager gelegen platformen Indianen bevonden! Neen, ik moest blijven! Ik ging dus op mijn legerstede liggen en wachtte.
De uren die nu volgden waren verschrikkelijk, de tijd scheen niet voorbij te gaan en het werd middag voor er iets gebeurde van wat de Indiaansche mij had voorspeld. Ik hoorde buiten naderende voetstappen en Winnetou kwam binnen met vijf Apachen. Ik bleef kalm liggen. Hij zag mij lang en onderzoekend aan en zeide toen:
—Old-Shatterhand moet mij zeggen of hij zich nu weder geheel gezond gevoelt.
—Nog niet geheel, antwoordde ik.
—Maar gij kunt nu weer spreken, naar ik hoor?
—Ja.
—En ook loopen?
—Dat denk ik wel.
—Hebt gij leeren zwemmen?
—Een weinig.
—Dat is goed, want gij zult moeten zwemmen. Herinnert gij u nog, op welken dag gij mij zoudt weerzien?
—Op den dag van mijn dood.
—Gij hebt het goed onthouden. Deze dag is aangekomen. Sta op; gij zult worden gebonden.
Het zou onzinnig geweest zijn aan dezen eisch niet te gehoorzamen. Er stonden zes roodhuiden voor mij en ik alleen kon dus niets tegen hen doen. Ik had wel eenigen van hen kunnen neerslaan, maar ik zou hiermede niets anders hebben bereikt dan dat men mij nog strenger zou behandelen. Ik stond dus van mijn legerstede op en stak mijn handen uit, zij werden gebonden en bovendien kreeg ik twee riemen om de beenen en wel zoo, dat ik slechts langzaam kon gaan, maar onmogelijk in snelle sprongen kon ontkomen. Toen bracht men mij naar buiten op het platform.
Van hier voerde een ladder naar de étage daarbeneden, het was niet een ladder zooals wij hebben, maar een sterke houten paal met diepe inkervingen, die als treden dienst doen. Eerst gingen drie roodhuiden naar beneden, dan moest ik volgen, wat mij, ondanks mijn banden niet moeielijk viel, dan kwamen de anderen. Op deze wijze ging het van de eene verdieping naar de andere, steeds naar beneden. Op alle platformen stonden vrouwen en kinderen die mij zwijgend, maar met nieuwsgierige blikken aanstaarden en dan achter ons aankwamen. Zij telden te zamen, toen wij eindelijk beneden waren, zeker wel honderd personen en vormden ook later het publiek, dat van het schouwspel van onzen dood zou genieten.
Het was zooals ik had vermoed: de Pueblo lag in een smal zijdal, dat op het breede dal van den Rio Pecos uitliep.
Naar dit dal werd ik heengevoerd. De Pecos is over ’t geheel geen waterrijke rivier en heeft in den zomer en in den herfst nog minder water dan in den winter en in het voorjaar, maar er zijn diepe plaatsen, waar men in het warme jaargetijde bijna geen verschil van waterstand kan zien. Bij deze plaatsen vindt men grasrijke weiden, welke de Indianen er toe doen besluiten hier hun tenten op te slaan. Zulk een plek zag ik voor mij liggen.
Het dal was wel een goed half uur breed en aan beide oevers, links en rechts van ons met bosch en kreupelhout begroeid, waaraan groene weiden grensden. Juist voor ons evenwel was een plek waar geen boom was te zien, maar ik had geen tijd over de oorzaak hiervan na te denken. Daar, waar het zijdal uitliep in het groote dal, was op beide oevers een strook zand, en wel vijfhonderd pas breed, het geleek in de verte een lichte streep, welke dwars over het groene dal van den Rio Pecos was getrokken. Op deze breede, zandige vlakte was geen gras, geen boom, geen struik te zien, behalve een reusachtige ceder, welke aan den overkant midden op deze onvruchtbare vlakte stond.
Hij stond op geruimen afstand van den oever, en was door Intschu Tschuna bestemd een rol te spelen bij de gebeurtenissen van dezen dag.
Aan den eenen oever heerschte leven en beweging. Hier zag ik den ossenwagen, dien de Apachen hadden buitgemaakt en meegenomen. Aan den anderen kant van de zandvlakte weidden de paarden, door de Kiowa’s meegebracht om de gevangenen los te koopen. Daar waren ook de tenten opgeslagen en de verschillende wapens neergelegd, welke eveneens als losprijs dienst deden. Daartusschen zag ik Intschu Tschuna met enkelen van zijn lieden, die deze oorlogsschatting hadden te taxeeren. Tangua was bij hen, want men had hem en de overige gevangenen reeds vrijgelaten. Een enkele blik op het gewoel van deze roode, fantastisch gekleede gestalten zeide mij, dat hier zeker meer dan zeshonderd Apachen bijeen waren. Toen zij ons aan zagen komen, vormden zij snel een half cirkelvormigen kring om den ossenwagen, waarheen ik gevoerd werd. De Kiowa’s plaatsten zich bij hen.
Toen wij den wagen hadden bereikt, zag ik Hawkins, Stone en Parker, die daar gebonden stonden, niet evenwel aan den wagen, maar aan palen, welke vast en stevig in den grond waren geslagen. Een vierde paal was nog onbezet en aan dezen werd ik vastgebonden. Dit waren dus de folterpalen, aan welke wij ons leven op een ellendige, pijnlijke en schandelijke wijze zouden eindigen! Zij waren naast elkander geplaatst en wel met zulke kleine tusschenruimten, dat wij gemakkelijk met elkander konden spreken. Sam was naast mij, dan volgden Stone en Parker. In onze nabijheid lagen hoopen droog hout, bestemd om ons heen te worden gestapeld, wanneer wij na allerlei martelingen te hebben doorstaan ten slotte verbrand zouden worden.
Mijn drie metgezellen schenen gedurende hun gevangenschap ook geen gebrek te hebben geleden, want zij zagen er wel doorvoed uit. Hun gezichten stonden echter niet erg opgewekt.
—Zoo sir, zijt gij daar ook?—zeide Sam.—’t Is een mooie operatie, welke zij met ons voorhebben en ik vrees, dat wij ze wel niet zullen doorstaan. Het sterven en doodgeslagen worden, grijpt het lichaam zóó aan dat men het maar zelden overleeft. Wij zullen ook nog verbrand worden, als ik mij niet vergis. Wat zegt gij daarvan, sir?
—Hebt gij hoop op redding, Sam?—vroeg ik hem.
—Ik zou niet weten waar redding vandaan moest komen. Ik heb drie weken lang mijn hoofd er mee gebroken, maar ik heb geen enkele mogelijkheid kunnen bedenken. Wij zaten in een duister rotshol, waren stevig gebonden en werden bovendien goed bewaakt. Hoe zal men dan vluchten? Hoe hebt gij het gehad?
—Zeer goed.
—Ik geloof het, gij ziet er goed uit. Gij zijt zeker gevoed als een gans, die op St. Martinus gebraden moet worden.
—Spreken kan ik gelukkig weer en het gezwel in den mond zal ook wel spoedig geheel genezen zijn.
—Daarvan ben ik overtuigd. Dat gezwel zal vandaag radicaal genezen worden, er zal niets van overblijven, evenmin als van u, zelf niets dan een hoopje asch. Ik zie nergens uitkomst en toch heb ik een gevoel alsof ik niet zal sterven. Gij moogt het gelooven of niet, maar ’t is mij alsof er plotseling de een of andere redder zal komen opdagen.
—’t Is mogelijk! Ook ik heb alle hoop nog niet opgegeven. Ik zou zelfs durven wedden dat wij ons vanavond in den besten welstand zullen bevinden.
—Dat kunt gij alleen zeggen, zoo’n greenhorn! In den besten welstand bevinden! Ik zal blij zijn als ik nog besta en niet reeds ter ziele ben!
—Ik heb u immers dikwijls gezegd en ook bewezen dat ik wel weet wat ik zeg.
—Zoo? Wat wilt ge daarmee zeggen? Gij zegt dat op zulk een eigenaardigen toon. Is u misschien de een of andere gelukkige gedachte ingevallen.
—Ja.
—En welke? en wanneer?
—Op den avond dat het Winnetou en zijn vader gelukte te ontvluchten.
—Kwam u toen een gedachte in den zin? Zonderling. Dat zal ons nu niet veel helpen, want toen wist gij nog niet, dat wij binnenkort hier terecht zouden komen. En wat zou dat dan zijn? Vertel ons dat eens.
—Haarlok.
—Haarlok?—herhaalde hij verbaasd.—Zeg mij eens, sir, hoe staat het met uw bovenverdieping? Is het daar niet pluis?
—Ik geloof van wel.
—Maar wat bazelt gij dan van een haarlok? Heeft een vroeger liefje u misschien eens een vlecht gegeven en wilt gij die nu den Apachen aanbieden?
—Neen, zij is van een man.
Hij zag mij aan als twijfelde hij aan mijn verstand, schudde het hoofd en zeide:
—Luister eens, het is werkelijk niet pluis in uw bol, dat is zeker het gevolg van uw ziekte. Waarschijnlijk zit die haarlok in uw hoofd en niet in uw zak, want ik zou niet weten, hoe wij door een haarlok van den folterpaal vrij zouden kunnen komen.
—Hm ja, misschien is het ook maar een dwaasheid van een „greenhorn” en wij moeten kalm afwachten of het iets geeft of niet. Wat het vrijkomen van den martelpaal betreft, ik ben vrij zeker dat ik voor mijn persoon er niet aan zal blijven hangen.
—Natuurlijk! als men u heeft verbrand, blijft gij er niet aanhangen.
—Ja, maar ik word losgemaakt voor men met martelen begint.
—Zoo? Welke reden hebt gij om dat te denken?
—Ik moet zwemmen.
—Zwemmen?—vroeg hij mij, terwijl hij mij weer aanzag als een dokter zijn krankzinnigen patiënt.
—Ja, zwemmen en dat kan ik toch aan dezen paal niet doen? Men moet mij dus wel losmaken.
—Zoo en wie heeft u gezegd dat gij moet zwemmen?
—Winnetou.
—En wanneer?
—Vandaag natuurlijk en wel zoo aanstonds.
—’t Is alsof er een zonnestraal door de wolken breekt, gij moet dus om uw leven kampen.
—Dat denk ik ook.
—Dan zullen wij dit eveneens moeten doen, want ik geloof niet, dat men u anders zal behandelen dan ons. In elk geval is onze toestand dan niet zoo hopeloos als ik vermoedde.
—Misschien kunnen wij ons nog redden.
—Oho. Verbeeldt u nu niet in eens zooveel! Als men ons om ons leven laat kampen dan zal men ’t ons zoo moeilijk mogelijk maken. Maar er zijn voorbeelden, dat in zulke gevallen blanken zich hebben weten te redden. Hebt gij zwemmen geleerd, sir?
—Ja.
—Maar hoe?
—Zoo, dat ik geloof door geen Indiaan te kunnen worden overtroffen.
—Verbeeldt u dat toch niet. Die kerels zwemmen als waterratten, als visschen.
—En ik als een vischotter, die de visschen vangt en opeet.
—Wat een pochhans!
—Neen, het zwemmen is een mijner liefhebberijen geweest, hebt gij wel eens gehoord van watertrappen?
—Ja.
—Kunt gij dat.
—Neen, ik heb het ook nog nooit gezien.
—Dan zult ge dat wellicht vandaag kunnen bijwonen. Geeft men mij werkelijk gelegenheid mijn leven door zwemmen te redden, dan ben ik vast overtuigd dat ik dezen dag zal overleven!
—Ik help het u wenschen, sir! Ik hoop dat men ook ons in de gelegenheid stelt; dat is ten minste altijd beter dan hier aan den paal te blijven hangen. Ik wil liever vallen in den strijd, dan mij dood laten martelen.
Wij hadden ongehinderd met elkander kunnen spreken; Winnetou stond met zijn vader en Tangua niet ver van ons af, maar scheen niet op ons te letten en de overige Apachen waren druk bezig de orde te bewaren in den kring van toeschouwers, welke zich om ons vormde. Binnen in dien kring zaten de kinderen en achter dezen de meisjes en vrouwen bij wie ook Nscho-tschi zich bevond, die naar ik bemerkte zelden den blik van mij afwendde.
Dan kwamen de jonge knapen en daarachter stonden de volwassen krijgers. Nu verhief Intschu Tschuna die met Winnetou en Tangua tusschen ons en de toeschouwers stond, zijn stem en zeide zoo luide dat allen het konden hooren:
—Mijn roode broeders, zusters en kinderen en ook de mannen van den stam der Kiowa’s mogen hooren, wat ik hun te zeggen heb!
Hij hield even op en toen hij zag dat aller aandacht op hem gevestigd was, ging hij voort:
—De bleekgezichten zijn de vijanden der roode mannen. Er is slechts zelden een onder hen, wiens oog als vriend op ons heeft gerust. De edelste onder deze weinige bleekgezichten kwam tot het volk der Apachen om voor hen een vriend en broeder te zijn. Daarom gaven wij hem den naam van Kleki-Petra (blanke vader). Mijn broeders en zusters hebben hem allen gekend en liefgehad. Laat hen dat getuigen!
—Howgh!—klonk het in den kring.
De hoofdman vervolgde:
—Kleki-Petra heeft ons onderricht in alle dingen, welke wij niet kenden, maar goed en nuttig voor ons zijn; hij heeft ook gesproken van den godsdienst der bleekgezichten en van den Grooten Geest die de Schepper en Weldoener aller menschen is. Deze Groote Geest heeft bevolen, dat de roode en de blanke menschen elkander als broeders zullen liefhebben. Hebben de bleekgezichten dit gedaan, hebben zij ons liefdevol bejegend? Neen! Mijn broeders en zusters mogen dit getuigen!
—Howgh!—klonk het in koor.
—Zij zijn veel meer hier gekomen om ons eigendom te ontrooven en ons uit te roeien. Dit gelukt hun, omdat zij sterker zijn dan wij. Daar, waar de buffels en mustangs graasden, hebben zij groote steden gebouwd, van welke al het kwaad uitgaat dat over ons komt. Waar eens de roode jager door het woud en over de savanna zwierf, daar loopt nu het dampende vuurros met de groote wagens, waarin het onze vijanden naar hier brengt. En wanneer de roode man voor hem vlucht en zich terugtrekt in de gronden en oerwouden, die men hem nog heeft gelaten, dan duurt het niet lang of hij ontmoet er bleekgezichten die hem gevolgd zijn om nieuwe wegen aan te leggen op den rechtmatigen grond van den roodhuid. Wij hebben zulke bleekgezichten ontmoet en vriendschappelijk met hen gesproken. Wij hebben hun gezegd, dat dit land ons eigendom was en hun niet toebehoorde. Zij hebben niets daartegen kunnen inbrengen en hebben het moeten erkennen. Maar toen wij van hen eischten dat zij heen zouden gaan en er van afzagen door onze legerplaatsen een weg te maken voor het vuurros, toen hebben zij aan dezen wensch niet voldaan en Kleki-Petra, dien wij liefhadden en vereerden, doodgeschoten. Mijn broeders en zusters mogen bevestigen dat ik de waarheid heb gesproken.
—Howgh!—klonk het luid en eenstemmig.
—Wij hebben het lijk van den vermoorde hierheen gebracht en bewaard tot op den dag der wraak; deze dag is nu aangebroken. Kleki-Petra zal heden begraven worden en met hem degene, die hem vermoord heeft. Met dezen hebben wij ook hen gevangen genomen, die bij dezen daad tegenwoordig waren. Zij zijn zijn vrienden en bondgenooten en hebben ons in de handen der Kiowa’s overgeleverd, maar zij ontkennen dit. Bij alle andere roode mannen zou, wat wij van hen weten, voldoende zijn om hen den marteldood te doen ondergaan, maar wij willen de leer van Kleki-Petra volgen en rechtvaardige rechters zijn. Daar zij niet wilden toegeven, dat zij onze vijanden zijn geweest, willen wij hen in verhoor nemen en daarna hun lot bepalen. Mijn broeders en zusters mogen hun toestemming geven.
—Howgh!—klonk het rondom.
—Luister sir, dat klinkt nog al gunstig voor ons,—zeide Sam tot mij,—als zij ons willen verhooren, staan de zaken niet zoo slecht voor ons als wij dachten. Ik hoop dat het ons zal gelukken, onze onschuld te bewijzen. Ik zal dezen lieden alles zóó duidelijk maken, dat zij ons wel vrij zullen laten.
—Sam, dat gelukt niet,—antwoordde ik.
—Niet, waarom niet? Meent gij dat ik niet kan praten?
—O, het praten heeft men u als kind wel zoo wat geleerd, maar wij zijn nu al zes weken hier gevangen geweest en in al dien tijd is het u toch maar niet gelukt de Apachen tot andere gedachten te brengen.
—U ook niet, sir!
—Evenmin Sam; maar den eersten tijd kon ik niet spreken en sedert het mij weer mogelijk was de tong te bewegen, heb ik geen enkele roodhuid gezien. Gij zult dus wel moeten toegeven dat ik onmogelijk een poging heb kunnen doen om een van de aanvoerders te overtuigen.
—Doe het dan nu ook maar niet meer.
—Waarom niet?
—Omdat het u niet zal gelukken. Gij zijt als greenhorn veel te onervaren in zulke dingen en kunt er van overtuigd zijn dat gij ons niet zult helpen, integendeel, ons verder achteruit zult brengen. Gij zijt wel sterk, maar dat helpt ons niet veel, het komt nu vooral op scherpzinnigheid en listigheid aan en deze bezit gij niet. Gij kunt het niet helpen dat gij nu eenmaal zonder deze eigenschappen geboren zijt, maar daarom moet gij er u niet mee bemoeien en de verdediging aan mij overlaten.
—Dan wensch ik u beter succes dan gij tot nu toe gehad hebt, Sam.
—Gij zult hooren dat ik de zaak tot een goed einde breng!
Deze woordenwisseling had ongestoord kunnen plaats vinden, omdat ons verhoor niet dadelijk begon. Intschu Tschuna en Winnetou onderhielden zich zacht met Tangua en zagen ons daarbij nu en dan aan. Zij spraken dus over ons. De blikken der beide eersten werden hoe langer hoe duisterder en strenger en uit de houding van den Kiowa bleek duidelijk dat hij zijn best deed om ons bij de anderen verdacht te maken. Wie weet wat hij voor leugens van ons vertelde, om ons in ’t verderf te storten! Eindelijk kwamen zij op ons toe. De beide Apachen gingen rechts van ons staan terwijl Tangua zich links van mij posteerde. Nu zeide Intschu Tschuna tot ons met luider stem, zoodat allen het konden hooren:
—Gij hebt gehoord, wat ik zooeven heb gesproken, gij moet ons nu de waarheid zeggen en moogt u verdedigen. Beantwoordt dus de vragen welke ik tot u richt! Behoort gij tot de bleekgezichten die den nieuwen weg voor het ijzeren ros aanleggen?
—Ja, maar toch moet ik u zeggen dat wij drieën den weg niet hebben opgemeten, maar enkel zijn meegekomen om de anderen te beschermen,—antwoordde Sam—en wat de vierde van ons betreft, Old-Shatterhand genoemd, zoo....
—Zwijg!—viel de hoofdman hem in de rede. Gij hebt alleen mijn vragen te beantwoorden en behoeft verder geen woord te spreken. Doet gij dit toch, dan laat ik u geeselen, tot u de huid openspringt! Dus, gij behoort tot deze bleekgezichten? Antwoord kort met ja of neen.
—Ja,—zeide Sam, bang voor de slagen die hem anders wachtten.
—Heeft Old-Shatterhand mee opgemeten?
—Ja.
—En gij drieën beschermdet deze lieden?
—Ja.
—Dan zijt gij nog meer strafbaar dan zij, want wie dieven en moordenaars beschermt, heeft een dubbele straf verdiend. Was Rattler de moordenaar, een van uw kameraden?
—Ja, maar toch moet ik u zeggen, dat wij nooit vrienden van hem zijn ge....
—Zwijg, hond!—begon Intschu Tschuna weer,—gij hebt mij alleen te zeggen, wat ik wil weten, en meer niet. Kent gij de wetten van de Far-West?
—Ja.
—Hoe wordt een paardendief gestraft?
—Met den dood.
—Wat is meer waard een paard of het groote land, dat aan de Apachen toebehoort?
Sam antwoordde niet om niet zelf zijn doodvonnis uit te spreken.
—Spreek, anders laat ik u met de lasso tot bloedens toe geeselen!
Toen bromde de kleine moedige Sam:
—Sla dan maar toe! Sam Hawkins laat zich niet tot spreken dwingen, als hij dit nu eenmaal niet wil!
Nu zag ik hem aan en verzocht:
—Spreek Sam, het is beter voor ons!
—Welnu,—antwoordde hij,—als gij het wilt, zal ik spreken, waar ik eigenlijk wilde zwijgen.
—Dus wat is meer waard, een paard of dit land?
—Het land.
—Dus heeft een landroover nog eerder den dood verdient dan een paardendief en gij hebt ons het land willen ontrooven. Daarbij komt nog, dat gij metgezel zijt van den man, die Kleki-Petra heeft vermoord. Dit maakt uw straf zwaarder. Als landroovers zoudt gij doodgeschoten worden, zonder vooraf martelingen te ondergaan, nu gij evenwel moordenaars zijt, zult gij voor uw dood aan den martelpaal worden geslagen. Wij zijn echter nog niet gereed met de opsomming van uw misdaden. Hebt gij ons in de handen der Kiowa’s, onze vijanden overgeleverd?
—Neen.
—Gij liegt!
—Ik zeg de waarheid.
—Zijt gij ons niet met Old-Shatterhand gevolgd nadat wij u hadden verlaten?
—Ja.
—Dat is toch een bewijs van vijandschap?
—Neen. Gij hadt ons gedreigd en nu moesten wij weten of gij u werkelijk hadt verwijderd of niet. Gij hadt u ergens kunnen verbergen en op ons willen schieten. Daarom alleen reden wij u na.
—Waarom ging gij dan niet alleen? Waarom naamt gij dien Old-Shatterhand mee?
—Om hem te onderrichten in het lezen van sporen, hij is nog een nieuweling.
—Als gij zulke vreedzame bedoelingen hadt en ons enkel uit voorzichtigheid volgdet, waarom riept gij dan de hulp der Kiowa’s in?
—Omdat wij zagen, dat gij weggegaan waart en uw krijgers wildet halen om ons te overvallen.
—Was het dan noodig, u tot Kiowa’s te wenden?
—Ja.
—Was er geen andere uitweg?
—Neen.
—Gij liegt alweer. Om ons te ontkomen, hadt gij niet anders te doen dan wat ik u bevolen had, namelijk ons gebied te verlaten. Waarom hebt gij dat niet gedaan?
—Omdat wij niet konden gaan, vóór ons werk geëindigd was.
—Gij wildet dus den roof, dien ik u had verboden, geheel volvoeren en riept daarom de hulp der Kiowa’s in. Wie echter onze vijanden op ons afstuurt, is zelf ook onze vijand en moet gedood worden. Dat is een tweede reden, om u het leven te benemen. Maar gij hebt het niet aan de Kiowa’s alleen overgelaten, om ons te ontvangen, aan te vallen en te overwinnen, gij hebt hen daarbij geholpen. Stemt gij dit toe?
—Wat wij gedaan hebben, dat hebben wij alleen gedaan, om bloedvergieten te voorkomen.
—Wilt gij, dat ik u zal uitlachen? Zijt gij niet op ons afgegaan, toen wij kwamen?
—Ja.
—Hebt gij ons beluisterd?
—Ja.
—En een geheele nacht in onze nabijheid doorgebracht? Is dit zoo of niet?
—Het is zoo.
—Hebt gij de bleekgezichten niet naar het water gebracht, om ons daarheen te lokken, en toen de Kiowa’s in het bosch verborgen, opdat zij ons gemakkelijk konden overvallen?
—Dat is waar, maar ik moet....
—Zwijg! Ik wil een kort antwoord, maar geen lange redevoeringen. Wij werden in een val gelokt, wie heeft die uitgedacht?
—Ik.
—Ditmaal zegt gij de waarheid. Velen van ons werden gewond, enkelen gedood, de overigen gevangengenomen. Dat is uw schuld, dit vergoten bloed komt over u en is een derde reden om u te laten sterven.
—Ik was van plan, om....
—Zwijg, ik heb u niets meer gevraagd. De Groote, Goede Geest zond ons een onbekenden, onzichtbaren redder. Ik kwam met mijn zoon Winnetou vrij. Wij slopen naar onze paarden, namen alleen die mee welke wij noodig hadden, opdat onze gevangen makkers, wanneer wij ze zouden hebben bevrijd, dadelijk hun paarden terug konden krijgen. Wij reden heen, om onze krijgers te halen, die tegen de Kiowa’s waren opgetrokken. Zij hadden hun spoor gevonden en waren hen gevolgd, vandaar, dat ik hen op mijn weg ontmoette en reeds den volgenden dag weer terug kon zijn. Toen is er wederom veel bloed vergoten, wij hebben in ’t geheel zestien dooden, nog daargelaten het groote aantal gewonden, al weer een reden om u te doen sterven. Gij hebt noch genade noch erbarmen te verwachten en....
—Genade verlangen wij niet, maar alleen rechtvaardigheid,—viel Sam hem in de rede,—ik kan....