Part 18
Dit was een redevoering zoo lang als ik ze later slechts zelden en alleen bij de allergewichtigste gebeurtenissen uit den mond van den zwijgzamen Winnetou heb gehoord. Ons lot ging hem dus meer aan het hart dan hij wilde bekennen.
—Wij kunnen toch onmogelijk zeggen dat wij uw vijanden zijn, als het tegenovergestelde het geval is,—begon Sam weer.
—Zwijg! Ik zie wel in dat gij met deze groote leugen op de lippen zult sterven. Wij hebben u tot nu toe meer vrijheid toegestaan dan den anderen, opdat gij Old-Shatterhand zoudt kunnen verplegen. Gij zijt deze toegevendheid niet waard geweest en zult van nu af aan strenger worden behandeld. De zieke heeft u niet meer noodig, volg mij dus. Ik zal u de plaats aanwijzen, die gij niet meer zult mogen verlaten.
—Dat niet, Winnetou, dat slechts niet!—riep Sam verschrikt uit.—Ik kan onmogelijk van Old-Shatterhand scheiden!
—Gij moet, ik beveel het u! Wat ik wil, dat gebeurt!
—Maar wij smeeken u ten minste....
—Zwijg,—viel de Apache hem op strengen toon in de rede.—Ik wil geen woord meer hooren! Gaat gij met mij, of moet ik u door mijn krijgslieden laten binden en wegbrengen?
—Wij zijn in uw macht en zijn dus genoodzaakt u te gehoorzamen. Wanneer mogen wij Old-Shatterhand terugzien?
—Op den dag van uwen en zijnen dood.
—Niet eerder?
—Neen.
—Laat ons dan voor wij met u gaan afscheid van hem nemen. Sam greep mijn handen en ik voelde zijn baard op mijn gezicht, want hij gaf mij een kus op het voorhoofd. Parker en Stone deden hetzelfde, toen gingen zij met Winnetou heen en ik lag een tijd lang alleen tot eenige Apachen kwamen en mij wegdroegen, waarheen dat wist ik niet. Ik was te zwak de oogen nog weer op te slaan en terwijl zij mij wegbrachten viel ik in slaap.
Hoelang ik geslapen heb weet ik niet. Toen ik eindelijk ontwaakte viel het mij volstrekt niet moeielijk mijn oogen te openen en ik was lang niet meer zoo zwak als ik geweest was. Ik kon mijn tong weer een weinig bewegen en met mijn vinger in den mond komen om deze te reinigen van het geronnen bloed.
Tot mijn verbazing bevond ik mij in een soort van vierkant vertrek, welks wanden uit steenen muren bestonden. Het kreeg zijn licht door de ingangsopening die door geen deur was afgesloten. Mijn legerstede bevond zich in den achtersten hoek waar men verscheidene berenvellen op elkander had gestapeld, terwijl een mooie Indische deken over mij heen was gespreid. In den hoek naast de deur zaten twee Indiaansche vrouwen, een jonge en een oude. De oude was leelijk als de meeste oude, roode squaws, een gevolg van overwerken, want de vrouwen moeten alles, zelfs het zwaarste werk verrichten, terwijl de mannen alleen leven voor den oorlog en voor de jacht en den overigen tijd met nietsdoen doorbrengen. De jonge vrouw was mooi, heel mooi zelfs. Ware zij Europeesch gekleed geweest dan zou zij in elk salon bewondering hebben opgewekt. Zij droeg een lang, lichtblauw gewaad aan den hals gesloten en om het middel door een slangenhuid te zamen gebonden. Haar eenig sieraad was haar lang, prachtig haar dat in twee blauw-zwarte vlechten tot ver over de heupen neerviel. Dit haar herinnerde mij aan dat van Winnetou. Ook haar gelaatstrekken deden mij aan hem denken. Zij had dezelfde donkere, zachte oogen die onder de lange, zware wimpers verborgen lagen. Van de breede Indiaansche kakebeenen was niets bij haar te zien. De zachte, volle wangen vereenigden zich tot een kin, waarin een schalksch kuiltje. Zij sprak, zeker om mij niet te wekken, zacht met de oude vrouw en toen zij den mooi gevormden mond tot een glimlach plooide, blonken de witte tanden als ivoor tusschen de volle roode lippen. De fijngevormde neus had eerder op Grieksche, dan op Indiaansche afkomst kunnen wijzen. De kleur van haar huid was koper brons met een glans van zilver. Het meisje moest ongeveer achttien jaar zijn en ik zou een weddenschap hebben willen aangaan dat het een zuster van Winnetou was.
De beide vrouwen waren bezig een wit gelooide lederen gordel met roode stiksels en arabesken te versieren.
Ik richtte mij op, ja werkelijk, ik richtte mij op en dit viel mij niet zwaar, terwijl ik, voor ik was ingeslapen van zwakte nauwelijks de oogen had kunnen openen. De oude vrouw hoorde mij, keerde zich om en riep terwijl zij naar mij wees:
—Oef! Agnan tinta!
Dit beteekent: hij is wakker. Het jonge meisje stond onmiddellijk op en kwam naar mij toe.
—Gij zijt wakker geworden,—zeide zij tot mijn verbazing in tamelijk vloeiend Engelsch.—Verlangt gij iets?
Ik opende wel den mond om te antwoorden, maar sloot dien weer want ik wist dat ik niet kon spreken. Misschien evenwel zou het beter gaan wanneer ik opzat. Ik deed dit en nu kon ik zeggen:
—Ja.... ik heb zelfs.... veel te vragen.
Wat was ik blij dat ik mijn eigen stem weer hoorde! Zij klonk mij wel is waar wat vreemd, de woorden kwamen er stootend en piepend uit, maar het waren toch woorden, nadat ik drie weken lang niet in staat was geweest een lettergreep uit te spreken.
—Spreek zacht of spreek door gebaren,—zeide zij.—Nscho-tschi hoort dat het spreken u pijn doet.
—Nscho-tschi is uw naam?—vroeg ik.
—Ja.
—Dank dengeen, die u dien gegeven heeft. Gij kondt geen beteren naam dragen, want gij zijt als een mooie voorjaarsdag waarop de eerste bloemen des jaars beginnen te geuren.
Nscho-tschi beteekent namelijk: „mooie dag”.
Zij bloosde een weinig en vroeg:
—Vertel mij wat gij verlangt.
—Zeg mij eerst of gij misschien voor mij hier zijt.
—Ja, het is mij opgedragen u te verplegen.
—Wie heeft u dat opgedragen?
—Winnetou, mijn broeder.
—Ik dacht wel dat hij uw broeder was, gij gelijkt op dien jongen, dapperen krijgsman.
—Gij hebt hem willen dooden!
Dit klonk half als een verwijt, half als een vraag en zij zag mij daarbij zoo onderzoekend in de oogen, alsof zij in mijn hart wilde lezen.
—Neen, antwoordde ik.
—Hij meent het en houdt u voor zijn vijand. Gij hebt hem, dien nog niemand te voren heeft overwonnen, tweemaal verslagen.
—Eenmaal om hem te redden en eenmaal omdat hij mij wilde dooden. Ik had reeds genegenheid voor hem opgevat toen ik hem voor de eerste maal zag.
Wederom rustte haar blik langen tijd op mij, toen zeide zij:
—Hij gelooft u niet en ik ben zijn zuster. Hebt gij pijn in den mond?
—Nu niet meer.
—Zoudt gij niet kunnen slikken?
—Ik zou het wel eens willen beproeven. Moogt gij mij water te drinken geven?
—Ja en ook wel om te wasschen, ik zal het gaan halen.
Zij ging met de oude vrouw weg. Wat moest ik hiervan denken? Winnetou hield ons voor zijn vijanden, sloeg geen geloof aan onze verzekeringen van het tegendeel en gaf mij toch zijn eigen zuster tot verpleegster! De redenen daarvan zouden mij misschien later duidelijk worden.
Na eenigen tijd kwamen de beide vrouwen terug. De jongste had een soort bruin aarden nap in de hand, zooals de Pueblo-Indianen ze plegen te maken, vol helder koud water. Zij scheen mij nog te zwak te vinden om alleen te drinken en hielp mij dus. Het slikken deed mij pijn, veel pijn, maar het ging toch, het moest en in kleine slokjes en met lange tusschenpoozen dronk ik den nap leeg. Hoe verkwikte mij dit! Nscho-tschi scheen mij dit aan te zien, want zij zeide:
—Dat heeft u goedgedaan, ik zal u straks nog wat anders brengen. Gij zult wel veel honger en dorst hebben. Wilt gij u wasschen?
—Zou ik het kunnen?
—Probeer het.
De oude vrouw had een uitgeholde kalebas vol water meegebracht. Nscho-tschi zette dit naast mijn bed neer en gaf mij een uit fijne, zachte weefsels gevlochten handdoek. Ik probeerde mij te wasschen maar het ging niet, ik was te zwak. Nu doopte zij een tip van den doek in het water en begon mijn gezicht en handen te reinigen, mij, den vermeenden doodsvijand van haar broeder en haar vader. Toen zij gereed was, vroeg zij mij met een zachten maar medelijdenden glimlach:
—Zijt gij altijd zoo mager geweest als nu?
Mager? Daaraan had ik nog in ’t geheel niet gedacht! Drie weken lang wondkoorts en verstijvingskramp en in al dien tijd geen eten en drinken! Dat kon natuurlijk niet zonder uitwerking blijven! Ik bevoelde mijn wangen en antwoordde toen:
—Ik ben nooit mager geweest!
—Bekijk dan nu eens uw gezicht in het water!
Ik zag in de kalebas en week verschrikt achteruit, want ik zag in het water het beeld van een skelet, een spook!
—Wat een wonder, dat ik nog leef!—riep ik uit.
—Ja, dat zeide Winnetou ook. Gij hebt zelfs den langen rit naar hier doorstaan. De Groote, Goede Geest heeft u een buitengewoon sterk lichaam gegeven, want een ander zou het geen vijf dagen hebben volgehouden.
—Vijf dagen? Waar zijn wij dan nu?
—In onzen Pueblo (steenen bouwwerken der Indianen) aan de Rio Pecos.
—Zijn al uw krijgers, die ons gevangen namen hierheen teruggekeerd?
—Ja, allen, zij wonen in de nabijheid van de Pueblo.
—En zijn de gevangen Kiowa’s ook hier?
—Zij ook. Eigenlijk moesten zij gedood worden. Ieder andere stam zou hen dood martelen, maar de goede Kleki-Petra is onze leermeester geweest en heeft ons verteld van de goedheid van den Grooten Geest. Als de Kiowa’s de boete betalen, mogen zij huiswaarts keeren.
—En mijn drie vrienden? weet gij ook, waar zij zijn.
—Zij zijn in een soortgelijke ruimte als deze, maar daar is geen licht en zij zijn gebonden.
—Hoe gaat het hen?
—Zij lijden geen gebrek, want wie aan den folterpaal sterven zal, moet krachtig en sterk zijn, opdat hij het lang kan volhouden anders is het geen straf voor hem.
—Dus moeten zij sterven—werkelijk sterven?
—Ja.
—Ik ook?
—Gij ook.
In den toon waarop zij dit zeide, lag geen zweem van medelijden. Was dat mooie meisje zóó gevoelloos, dat de pijnlijke dood, dien wij zouden ondergaan haar geheel onverschillig liet?
—Zeg mij, of ik hen misschien nog eens mag spreken.
—Dat is verboden.
—Mag ik hen ook niet zien, zelfs niet uit de verte?
—Ook dat niet.
—Mag ik hun dan een boodschap zenden?
—Dat evenmin.
—Hun niet laten weten hoe het met mij gaat?
Zij bedacht zich een oogenblik en antwoordde toen:
—Ik zal Winnetou, mijn broeder vragen of ik hun van tijd tot tijd bericht mag zenden hoe het u gaat!
—Komt Winnetou niet eens bij mij?
—Neen.
—Maar ik moet hem spreken.
—Hij u niet.
—Wat ik hem te zeggen heb is van zeer veel gewicht.
—Voor hem?
—Voor mij en mijn kameraden.
—Hij zal niet komen, maar ik kan het hem zeggen als het ten minste iets is, dat gij mij kunt toevertrouwen.
—Neen, ik dank u! Ik zou het u wel kunnen zeggen, ik zou u alles wel kunnen toevertrouwen, maar als hij te trotsch is met mij te komen spreken, dan ben ik op mijn beurt te trotsch om door tusschenkomst van een derde met hem te spreken.
—Gij zult hem niet eerder zien, dan op den dag van uw dood. Wij gaan nu heen. Als gij iets noodig hebt, geef dan een teeken. Wij hooren dit wel en dan zal er onmiddellijk iemand bij u komen.
Zij haalde een klein steenen fluitje uit haar zak en gaf het mij, toen verwijderde zij zich met de oude vrouw.
Was het niet een vreemde positie waarin ik mij bevond? Ik was doodziek en werd goed verzorgd om krachten te verkrijgen voor het ondergaan van een langzamen, pijnlijken dood. Hij, die mijn dood eischte liet mij door zijn eigen zuster verplegen in plaats van door een oude, onzindelijke, leelijke Indiaansche squaw! Het behoeft niet gezegd te worden, dat mijn gesprek met Nscho-tschi niet zoo vlot ging als ik dit heb opgeschreven. Het spreken deed mij zeer veel pijn en ging met groote moeilijkheden gepaard; ik sprak zeer langzaam en moest meermalen een oogenblik wachten om nieuwe krachten te verzamelen. Het vermoeide mij niet weinig en ik viel dan ook in slaap zoodra het jonge meisje was heengegaan. Toen ik eenige uren later wakker werd, had ik een vreeselijken dorst en een waarlijk onuitstaanbaren honger. Ik beproefde het toovermiddel en blies op mijn fluitje. Onmiddellijk stak de oude vrouw, die voor de deur had gezeten, het hoofd naar binnen en vroeg of ik wilde eten of drinken. Ik knikte toestemmend. Eenigen tijd daarna kwam Nscho-tschi met een aarden schotel en een lepel. Zij knielde naast mijn bed en voerde mij met den lepel evenals een klein kind, dat nog niet alleen kan eten. De Indianen hebben anders geen dergelijke gereedschappen, Kleki-Petra had hun het gebruik hiervan geleerd.
De schotel bevatte een zeer dikke brij van vleesch met maïsmeel, dat de Indianen tusschen twee steenen fijn wrijven. Kleki-Petra had evenwel voor de huishouding van Intschu Tschuna een soort van handmolen gemaakt, die mij later als een groote bezienswaardigheid werd gewezen. Het eten viel mij natuurlijk nog veel moeielijker dan het drinken, ik kon het bij elken lepelvol wel van pijn uitgillen, maar de natuur eischte haar rechten en als ik niet wilde verhongeren moest ik wel eten. Ik liet dus zoo weinig mogelijk merken van de pijn die ik leed, maar kon niet verhinderen dat de tranen mij in de oogen kwamen. Nscho-tschi zag dit wel en zeide toen ik den laatsten lepel vol had opgehapt:
—Gij zijt doodelijk zwak, maar toch een sterke man, een held! Waart gij toch maar als Apache geboren en niet als een leugenachtige blanke!
—Ik lieg niet, ik lieg nooit; dat zult gij nog eenmaal inzien!
—Ik zou u zoo gaarne willen gelooven; maar ik heb nog maar één blanke gezien, die nooit loog en dat was Kleki-Petra dien wij zóó hoog vereerden. Zijn lichaam was misvormd, maar hij had een helderen geest en een eerlijk liefdevol hart. Gij hebt hem vermoord, zonder dat hij u iets kwaads had gedaan, daarom zult gij sterven en met hem begraven worden.
—Hoe? Is hij nog niet begraven?
—Neen.
—Maar zijn lijk kan toch onmogelijk zoolang bewaard blijven!
—Hij ligt in een stevige kist door welke geen lucht kan heendringen, gij zult deze kort voor uw dood te zien krijgen.
Na deze troostvolle verzekering verwijderde zij zich. Ik kon mij evenwel niet eigen maken met het denkbeeld, dat ik werkelijk zou sterven. Integendeel, ik was bijna overtuigd dat ik zou blijven leven; ik bezat immers een onfeilbaar middel om onze onschuld te bewijzen in de haarlok, die ik Winnetou had afgesneden, den nacht toen ik hem bevrijdde.
Maar bezat ik die werkelijk nog? Had men haar mij niet afgenomen? Ik schrikte onwillekeurig toen ik mij zelf deze vragen stelde, ik had gedurende de weinige oogenblikken dat ik bij kennis was geweest er niet aan gedacht, dat de Indianen hun gevangenen geheel plegen uit te plunderen. Ik moest dus mijn zakken onderzoeken.
Men had mij mijn kleeren laten behouden en men kan zich voorstellen wat het wil zeggen, drie weken lang met een hevige wondkoorts te liggen in dezelfde kleeren welke men reeds eenigen tijd droeg. Er zijn dingen die men kan beleven en doorstaan, maar die men in een boek niet kan neerschrijven. De lezer van zulk een boek benijdt wel eens den man die zooveel heeft gereisd en beleefd, maar als hij alles eens wist, zou hij zich wel wachten zijn voorbeeld te volgen. Hoe dikwijls krijg ik brieven van lezers die mij vol geestdrift schrijven dat zij dergelijke reizen willen ondernemen. Zij vragen mij naar de kosten, naar de uitrusting, weinigen echter naar de kennis die men daarvoor noodig heeft, of de talen, welke men vooraf moet leeren. Deze jonge avonturiers genees ik dikwijls van hun plannen door oprecht allerlei dingen te vertellen, welke ik hier maar liever wil verzwijgen.
Ik doorzocht dus mijn zakken en vond tot mijn groote verbazing dat ik alles en alles nog bezat, men had mij alleen mijn wapens afgenomen. Ik deed mijn sardinendoos open, de papieren zaten er nog in en daartusschen lag de haarlok van Winnetou. Ik deed hem weer in de doos en legde mij kalm te slapen. Nauwelijks was ik tegen den avond weer ontwaakt of Nscho-tschi kwam zonder voorafgaand teeken bij mij met voedsel en frisch water. Ik at ditmaal zelf en deed haar intusschen verschillende vragen, welke zij naar haar beste weten beantwoordde. Er waren echter vele dingen, die ik niet mocht weten. Zoo vroeg ik haar ook, waarom men mij alles had laten behouden.
—Winnetou, mijn broeder heeft het bevolen,—antwoordde zij.
—Weet gij ook waarom?
—Neen, ik heb er niet naar gevraagd. Maar ik kan u iets anders vertellen.
—Wat dan?
—Ik ben bij de drie blanken geweest die met u gevangen zijn genomen.
—Gij zelf?—vroeg ik verheugd.
—Ja, ik heb hun gezegd dat gij u beter gevoelt en spoedig weer gezond zult zijn. Toen verzocht mij de oude man, die Sam Hawkins heet, u iets te geven dat hij gedurende de drie weken, waarin hij u verpleegde, voor u heeft gemaakt.
—Wat is dat?
—Ik heb Winnetou gevraagd of ik het u mocht geven en hij heeft het toegestaan. Hier is het. Gij moet een sterk en dapper man zijn, dat gij het waagt den grijzen beer enkel met een mes aan te vallen. Sam Hawkins heeft het mij verteld.
Zij gaf mij een ketting, door Sam gemaakt van de tanden en klauwen van den beer, ook de beide ooren waren er bij.
—Hoe heeft hij dat kunnen maken?—vroeg ik verwonderd.—Niet alleen met de handen. Heeft men hem zijn mes en zijn andere gereedschappen laten behouden?
—Neen, gij zijt de eenige dien men niet alles heeft afgenomen. Maar hij vertelde aan mijn broeder, dat hij dezen ketting wilde maken en verzocht de klauwen en tanden terug te mogen hebben. Winnetou voldeed aan dezen wensch en gaf hem ook de gereedschappen welke hij noodig had. Draag hem nu dadelijk, gij zult er niet lang pleizier van hebben.
—Omdat ik nu spoedig moet sterven?
—Ja.
Zij nam mij den ketting uit de hand en hing ze mij om den hals. Van dien dag af heb ik hem altijd gedragen. Daarop antwoordde ik de jonge Indiaansche:
—Dit aandenken hadt gij mij ook later kunnen brengen, want ik zal het naar ik hoop nog vele jaren dragen.
—Neen, maar kort, zeer kort.
—Dat geloof ik niet, uw krijgers zullen mij niet dooden.
—Zeker, het is in den raad der Ouden besloten.
—Maar zij zullen dit besluit veranderen als zij hooren dat ik onschuldig ben.
—Zij gelooven het niet!
—Zij moeten het gelooven, want ik kan het hun bewijzen.
—Bewijs het dan, bewijs het dan, ik zou er mij zoo over verheugen als ik hoorde, dat gij geen leugenaar en geen verrader zijt. zeg mij waarmee gij het kunt bewijzen, opdat ik het Winnetou, mijn broeder kan mededeelen.
—Hij kan hier komen om het te vernemen.
—Dat doet hij niet.
—Dan verneemt hij het ook niet. Ik ben niet gewend vriendschap af te smeeken of door een bode te onderhandelen met iemand, die zelf hier kan komen.
—Wat zijt gij krijgers toch stijfkoppige menschen. Ik zou u zoo gaarne Winnetou’s vergiffenis hebben willen brengen, maar zoo krijgt gij ze niet.
—Vergiffenis heb ik niet noodig, want ik heb niets gedaan wat moet worden vergeven. Maar ik wil wel een anderen dienst van u vragen.
—Welken dan?
—Wanneer gij weer eens bij Sam Hawkins komt, zeg hem dan dat hij geen zorg behoeft te hebben. Zoodra ik geheel genezen zal zijn, zullen wij vrij zijn.
—Geloof dat toch niet! Deze hoop kan niet worden vervuld.
—Het is niet enkel hoop, het is mijn vaste overtuiging. Gij zult later bekennen, dat ik gelijk heb gehad.
De toon, waarop ik dit zeide was zoo overtuigend, dat zij niet langer tegensprak en heenging.
Mijn gevangenis lag dus aan de Pecosrivier, of ten minste aan een zijtak daarvan, want wanneer ik door de deur zag, viel mijn oog op den tegenoverliggenden rotswand die niet ver van ons was verwijderd, terwijl het dal van de Rio Pecos veel breeder moest zijn. Gaarne had ik den Pueblo, in of op welken ik mij bevond gezien, maar ik kon niet van mijn legerstede opstaan en zelfs wanneer ik sterk genoeg was geweest om te loopen, wist ik nog niet of het mij geoorloofd zou zijn de ruimte te verlaten. Toen het donker werd, kwam de oude vrouw bij mij en zette zich in den hoek neer. Zij bracht een lamp mee, uit een uitgeholde kalebas gemaakt, die den geheelen nacht brandde. Deze oude vrouw had meer het grove werk te doen, terwijl Nscho-tschi om zoo te zeggen, als gastvrouw optrad.
Ik sliep dien nacht weer kalm en rustig en gevoelde mij den volgenden morgen weer sterker en gezonder dan den vorigen dag. Zesmaal werd mij dien dag eten gebracht, steeds dezelfde vleeschbrij met maïsmeel, een voedzame en lichtverteerbare kost. Mijn toestand werd van dag tot dag beter. Het skelet kreeg weer vleesch en het gevoel in den mond nam steeds af. Nscho-tschi bleef dezelfde voor mij, steeds vriendelijk bezorgd en daarbij vast overtuigd dat mijn einde naderde. Later bemerkte ik, dat haar oog, wanneer zij zich onopgemerkt waande met een weemoedigen stil vragenden blik op mij rustte. Het was alsof zij mijn lot begon te betreuren en ik had haar dus onrecht aangedaan, toen ik veronderstelde, dat zij geen gevoel had. Ik vroeg haar of het mij veroorloofd was, mijn kerker, waarvan de deur altijd openstond te verlaten, maar zij kon dit niet toestaan en vertelde mij, dat er dag en nacht twee wachters voor de deur waren gezeten, die mij ook nu nog bewaakten. Alleen aan mijn zwakheid had ik te danken dat ik niet gebonden was geweest en zij vreesde, dat men dit nu wel spoedig zou doen.
Ik diende dus voorzichtig te zijn. Wel vertrouwde ik op mijn haarlok, maar mocht het middel falen en men dit bewijs niet aannemen, dan moest mijn lichaamskracht mij redden en ik moest deze dus oefenen. Maar hoe?
Ik lag, alleen wanneer ik sliep, op de berenvellen, anders zat ik op of liep in het vertrek op en neer. Op een morgen vertelde ik aan Nscho-tschi, dat ik dat op de hurken zitten niet gewend was en vroeg haar of ik niet een steen mocht hebben, waarop ik kon zitten. Deze wensch werd aan Winnetou overgebracht en hij zond mij dadelijk steenen van verschillende grootte, de zwaarste woog ongeveer honderd pond. Met deze steenen oefende ik mij zoo dikwijls ik alleen was. Tegenover mijn verpleegsters wendde ik nog steeds zwakheid voor, in werkelijkheid evenwel viel het mij reeds na veertien dagen niet meer moeielijk den grooten steen eenige malen na elkander op te heffen. Langzamerhand ging dit nog beter en toen de derde week voorbij was, wist ik, dat ik mijn oude lichaamskracht weer geheel terug had gekregen.
Ik was nu zes weken hier en had nog niet gehoord dat de gevangen Kiowa’s ontslagen waren geworden. Het was een groote last voor de Apachen, ongeveer tweehonderd man zoolang te moeten voeden, maar ik vermoedde wel, dat de Kiowa’s daarvoor moesten betalen! Hun losgeld werd daardoor veel hooger.
Op een mooien zonnigen herfstmorgen bracht Nscho-tschi mij mijn ontbijt, maar in plaats van zich zooals zij in dien laatsten tijd steeds had gedaan, dadelijk te verwijderen, ging zij naast mij zitten terwijl ik at. Haar oog bleef met een vochtigen glans op mij rusten en eindelijk rolde een traan over haar wang.
—Gij weent?—vroeg ik,—wat is er gebeurd dat u zoo bedroefd maakt?
—Vandaag zal het gebeuren.
—Wat?
—De Kiowa’s worden vrijgelaten en gaan weg. Hun boden zijn vannacht aangekomen met al de voorwerpen die wij van hen hebben geëischt.
—En maakt u dat zoo bedroefd? Gij moest toch eigenlijk blij daarover zijn.
—Gij weet niet wat gij zegt en vermoedt niet, wat u wacht. Het afscheid der Kiowa’s zal hiermee gevierd worden, dat gij met uw drie blanke broeders aan den folterpaal wordt gebonden.
Ik had dit reeds lang aan zien komen en schrok toch, toen ik het hoorde. Dus vandaag was de beslissende dag, misschien mijn laatste! Wat zou er met mij gebeurd zijn, wanneer deze dag ten einde zou wezen? Ik huichelde onverschilligheid en at, schijnbaar kalm verder en toen ik klaar was, reikte ik haar den schotel over. Zij nam dien aan, stond op en ging heen. Bij de deur keerde zij zich om, kwam weer naar mij toe, reikte mij de hand en zeide, haar tranen niet langer bedwingend:
—Ik kan nu voor ’t laatst tot u spreken. Vaarwel! Gij wordt Old-Shatterhand genoemd en zijt een dapper krijgsman. Wees sterk wanneer zij u martelen! Nscho-tschi is zeer bedroefd over uw dood, maar zij zou zich zeer verheugen, wanneer geen pijn in staat was een enkele klacht over uw lippen te brengen. Doe mij dit genoegen en sterf als een held!