Part 17
—Gij hebt dus nog nooit iemand omgebracht?
—Neen.
—Dus hebt gij dan vandaag voor ’t eerst iemand dood gemaakt? Hoe is het u dan te moede? dat wilde ik wel eens weten.
—Hm, een prettig gevoel is het nu wel juist niet, ik doe het voor de tweede maal niet graag weer. ’t Is alsof mijn geweten mij niet weinig plaagt.
—Bekommer u daarover niet. Het kan u hier elken dag overkomen, dat gij een mensch het leven moet benemen, om u zelf te redden. In zulk een geval moet men.... heavens, daar hebben wij reeds zulk een geval!—viel hij zichzelf in de rede.—Daar zijn waarachtig de Apachen reeds hier. Nu zullen er menschenlevens genoeg vallen. Maakt u gereed tot den strijd, vrienden!
Werkelijk weerklonk van den kant waar de gevangenen met hun bewakers zich bevonden, de hooge en schelklinkende oorlogskreet der Apachen, Intschu Tschuna en Winnetou waren, tegen aller verwachting in, reeds terug, zij overvielen de legerplaats der Kiowa’s. De enkele mannen, die zich bij ons bevonden, luisterden een oogenblik verschrikt, toen riep de hoofdman:
—Vijanden, daarginds bij onze broeders! Laat ons hen ter hulp snellen!
Hij wilde haastig heengaan, maar Sam trad hem in den weg en riep:
—Gij kunt niet daarheen, blijft hier, want wij zijn reeds omsingeld. Denkt gij, dat deze beide aanvoerders zoo dom zijn, alleen de wachters aan te vallen en niet weten waar gij u bevindt? Zij zullen zoo aanstonds....
Hij had snel en haastig gesproken, maar kon den zin niet ten einde brengen, want nu weerklonk het vreeselijke, door merg en been dringende krijgsgeschreeuw ook in onze nabijheid. Wij bevonden ons wel, zooals reeds is vermeld, op de open prairie, maar daar wij zoozeer met ons zelf bezig waren geweest, hadden de Apachen gelegenheid gehad, zich onopgemerkt achter de hier en daar verspreid liggende kreupelboschjes te verschuilen. Wij waren geheel omsingeld en in groote sprongen kwamen de aanvallers van alle kanten op ons toe. De Kiowa’s schoten op hen, maar troffen slechts weinigen.
—Dood geen Apache, geen enkele!—riep ik Sam, Dick en Will toe. Wij vieren namen dan ook geen deel aan den strijd, maar de hoofdingenieur en drie opzichters verweerden zich, zij werden eenvoudig neergeschoten. Dit was een vreeselijk gezicht. Ik was er geheel van ontdaan en daardoor zag ik niet, wat achter mij gebeurde. Wij werden van daar door een talrijke schare aangevallen en van elkander gescheiden, wel riepen wij deze lieden toe, dat wij vrienden waren, maar tevergeefs, zij drongen met messen en tomahawks op ons aan, zoodat wij ons wel moesten verdedigen. Verscheidenen van hen vielen neer onder onze kolfslagen, zoodat de overigen ontzag voor ons kregen en ons verder met rust lieten. Ik maakte van dit vrije oogenblik gebruik om eens om mij heen te zien. Er was geen Kiowa, of hij had meerdere Apachen om zich heen. Sam zag dit ook en riep:
—Laat ons vluchten! Daarginds in de struiken!
Hij wees naar het meermalen vermelde boschje dat tusschen ons en de legerplaats lag en liep, zoo vlug hij kon, daarheen. Dick Stone en Will volgden hem. Ik aarzelde een oogenblik en kon niet nalaten, nog eens te zien naar de plek, waar de opzichters een oogenblik van te voren hadden gestaan. Zij waren blanken en ik zou hen zoo gaarne hebben gered, helaas, het was nu te laat. Toen keerde ik mij om en liep eveneens naar het boschje, ik had het echter nog lang niet bereikt, of Intschu Tschuna versperde mij den weg.
Hij was met Winnetou bij de afdeeling der Apachen geweest, die opdracht had gekregen, de legerplaats te overvallen en de gevangenen te bevrijden. Toen dit gebeurd was, waren de beide aanvoerders weggegaan om te zien, hoever de grootere afdeeling, waarmee wij het te kwaad hadden gekregen, gevorderd was. Intschu Tschuna was zijn zoon een eind vooruit en nu, terwijl hij om het boschje heenkwam, zag hij mij.
—De landdief!—riep hij mij tegemoet en kwam met zijn zilverbuks op mij toe om mij met de kolf dood te slaan. Ik riep hem wel is waar eenige woorden toe, die hem moesten beduiden, dat ik geen vijand van hem was, maar hij luisterde niet naar mij. Er was niets aan te doen, wilde ik niet als een hond worden dood gemaakt, dan moest ik mij wel verweren. Ik wierp dus mijn beredooder, waarmee ik den eersten slag gepareerd had, weg en sloeg in ’t volgend oogenblik den linkerarm om zijn hals terwijl ik met de rechtervuist hem eenige hevige slagen tegen de slapen gaf. Hij liet de buks vallen, steunde even en viel toen bewusteloos neer. Daar weerklonk achter mij een jubelende stem.
—Dat is Intschu Tschuna, de aanvoerder der Apachen. Ik moet zijn scalp hebben.
Mij omkeerend, zag ik Tangua, den hoofdman der Kiowa’s, die om de een of andere reden, dezelfde richting had ingeslagen, als ik. Hij wierp zijn geweer weg, trok zijn mes en wilde zich op den bewusteloozen Apache werpen. Ik greep hem bij den arm en beval:
—Raak hem niet aan, ik heb hem neergeveld, hij behoort dus mij en niet u!
—Zwijg, blanke hond!—antwoordde hij.—Wat heb ik met u te maken. De hoofdman is van mij. Laat mij los, anders....
Hij stak met zijn mes naar mij en trof mij in het linkerpolsgewricht. Ik wilde hem niet dooden en liet dus mijn mes in den gordel zitten, maar wierp mij op hem en deed moeite hem weg te trekken. Daar dit mij niet gelukte, drukte ik hem de keel toe, totdat hij zich niet meer bewoog, toen boog ik mij over Intschu Tschuna heen, wiens gelaat met het bloed uit mijn wonde was bevlekt. Op dit oogenblik hoorde ik een geritsel achter mij en keerde mij om, om te zien, wat dit beteekende. Deze beweging redde mij het leven, want ik ving een vreeselijken slag die voor mijn hoofd bestemd was op mijn schouders op. Het was Winnetou die mij dien gaf.
Hij was, zooals reeds vermeld een weinig achtergebleven. Toen hij om het kreupelbosch kwam, zag hij mij bij zijn vader neerknielen. Dadelijk wilde hij wraak nemen, en mij den doodelijken slag geven, die gelukkig slechts mijn schouder trof. Dit ziende liet hij zijn geweer vallen, trok zijn mes en snelde op mij toe.
Mijn toestand was zoo gevaarlijk mogelijk. Ik was bijna verlamd door den slag. Gaarne zou ik Winnetou een opheldering hebben willen geven, maar hij liet mij niet den tijd daartoe. Zijn mes was op mijn borst gericht. Ik maakte een gelukkige wending en het mes kwam in mijn linkerborstzak, trof het sardinenbusje waarin ik mijn papieren bewaarde, stuitte op het blik af en drong mij langs hals en kakebeen in den mond en door de tong. Onmiddellijk trok hij het mes terug, om mij een tweeden steek te geven. De doodsangst verdubbelde mijn krachten, ik kon slechts één arm, ééne hand gebruiken en hij lag half op mij, het gelukte evenwel, mij om te keeren en zijn rechterhand te grijpen, die ik zoo sterk vasthield dat hij het mes van pijn liet vallen, teen nam ik snel zijn linkerarm bij den elleboog vast en duwde dien zóó naar boven, dat hij mijn hals wel moest loslaten. Nu hief ik mijn knie op en ging plotseling opstaan en slingerde hem van mij af. In ’t volgend oogenblik lag ik op zijn rug, zooals hij even te voren op den mijne had gelegen.
Nu was het zaak, hem zoo vast te houden, want, gelukte het hem weer op te komen, dan was ik verloren. Eén knie over zijn beide beenen en de andere op zijn arm zettend, nam ik hem met mijn ééne bruikbare hand bij den hals, terwijl hij intusschen, gelukkig tevergeefs, met zijn vrije hand naar zijn mes zocht. Nu volgde een vreeselijk worstelen. Men stelle zich Winnetou voor, die nog nooit te voren overwonnen werd en later ook nooit meer overwonnen is geworden, met zijn slangachtige lenigheid, zijn ijzeren spieren en stalen zenuwen. Nu zou ik tijd hebben gehad, om te spreken, eenige ophelderende woorden zouden voldoende zijn geweest om aan dezen strijd een einde te maken, maar het bloed stroomde mij steeds uit den mond en als ik met mijn doorstoken tong trachtte te spreken, bracht ik niets anders voort, dan eenige onverstaanbare klanken. Hij spande al zijn krachten in om mij af te werpen, maar ik lag als een blok op hem. Hij begon steeds sterker te kreunen, ik drukte mijn vingertoppen nog vaster tegen zijn keel. Zou ik hem worgen? Neen, in geen geval. Ik liet dus voor een oogenblik zijn hals los en onmiddellijk richtte hij het hoofd op, daardoor had ik gelegenheid, hem een paar flinke vuistslagen toe te dienen.
Winnetou was bewusteloos, ik had hem, den onoverwinbare, overwonnen.
Ik haalde diep adem, waarbij ik geducht moest oppassen, het bloed niet in te slikken, dat mij den mond vulde. Ook uit de wonde aan den buitenkant vloeide een bijna vingerbreede straal. Juist wilde ik opstaan, daar hoorde ik een toornigen Indiaanschen uitroep achter mij en meteen kreeg ik een kolfslag op het hoofd die mij bewusteloos deed neerzinken.
Toen ik weder tot mij zelf kwam, was het avond. Eerst was het of ik droomde: ik was in een diepe molenbeek gevallen, maar de molen kon niet gaan, omdat ik tusschen het rad en den muur was gevallen. Het water ruischte en bruiste om mij heen en de kracht, waarmee het op het rad moest werken, drukte mij al vaster en vaster tegen den muur, zoodat ik bijna werd verpletterd. Al mijn ledematen deden mij pijn, maar het meest van alles mijn hoofd en mijn schouder. Langzamerhand begreep ik, dat dit geen droom, maar werkelijkheid was. Het ruischen en bruisen kwam niet van het water, het zat in mijn hoofd en was het gevolg van den kolfslag, dien ik had gekregen. De pijnen in mijn schouder werden niet veroorzaakt door het molenrad, maar door den houw, dien Winnetou mij had gegeven. Het bloed liep mij nog steeds uit den mond, het drong mij in de keel en dreigde mij te doen stikken, ik hoorde een vreeselijk gerochel en ontwaakte geheel. Dit rochelen had ik zelf gedaan.
—Hij beweegt zich! Goddank, hij beweegt zich!—hoorde ik Sam roepen.
—Ja, ik heb ’t ook gezien—antwoordde Dick Stone.
—Hij doet de oogen open! Hij leeft, hij leeft!—voegde Will Parker er bij.
Ik had werkelijk de oogen geopend, maar wat ik zag, was weinig opwekkend. Wij bevonden ons nog steeds op de plek, waar de strijd had plaats gehad. Er brandden meer dan twintig legervuren, tusschen welke zich een vijfhonderd Apachen bewogen. Velen van hen waren gewond en ik zag ook een groot aantal dooden liggen, in twee afdeelingen verdeeld. De eene afdeeling bestond uit Apachen, de andere uit Kiowa’s. De eersten hadden elf, de laatsten dertig krijgers verloren. Rondom ons lagen de gevangen Kiowa’s, allen stevig gebonden. Geen enkele was ontkomen. Ook Tangua, de hoofdman, bevond zich onder hen. Ik miste den hoofdingenieur en de drie opzichters. Zij waren afgemaakt omdat zij zich hadden verzet.
Op een kleinen afstand van ons zag ik een mensch liggen, wiens lichaam als een ring was te zamen gebonden, ongeveer op de wijze zooals men dat vroeger in de middeleeuwen placht te doen bij den zoogenaamden Spaanschen bok. Het was Rattler. De Apachen hadden hem zoo gebonden, om hem te pijnigen. Hij kreunde zoo erbarmelijk, dat men, ondanks alles, medelijden met hem moest hebben. Zijn metgezellen leefden niet meer, zij waren bij den eersten aanval neergeschoten. Men had hem gespaard, omdat hij, als moordenaar van Kleki-Petra een langzamen en pijnlijken dood moest ondergaan.
Ook ik was aan handen en voeten gebonden, evenals Parker en Stone, die aan mijn linkerzijde lagen. Sam Hawkins zat rechts van mij. Zijn voeten waren vastgebonden, zijn rechterhand eveneens, maar men had de linker vrijgelaten, opdat hij, naar ik later vernam, mij zou kunnen helpen.
—Den hemel zij dank, dat gij weer tot u zelf komt, sir,—zeide hij, terwijl hij mij met zijn vrije hand liefkoozend over ’t gezicht streek.
—Hoe is het zoo gekomen, dat gij zoo zijt toegetakeld?
Ik wilde antwoorden, maar kon niet, omdat ik den mond vol bloed had.
—Spuw het uit!—zeide hij.
Ik deed dit, maar kon toch slechts enkele onduidelijke woorden uitbrengen. Tengevolge van het groote bloedverlies was ik bovendien doodmoe en uitgeput. Zeer zacht, zoodat Sam mij nauwelijks kon verstaan, stamelde ik:
—Intschu Tschuna gestreden.... Winnetou kwam er bij.... tong doorstoken.... kolfslag op het hoofd.... van.... weet ik niet.
De daartusschen behoorende woorden waren niet te verstaan.
—Voor den drommel! Wie kon dat ook weten! Wij hadden ons gaarne overgegeven, maar die Apachen wilden niet naar ons luisteren. Daarom vluchtten wij in de struiken, tot hun woede wat was bekoeld, als ik mij niet vergis! Wij dachten, dat gij dat ook hadt gedaan en zochten naar u. Toen ik u evenwel niet vond, kroop ik naar den rand van het struikgewas, om eens naar u te zien. Daar stond een heele troep huilende Apachen, rondom Intschu Tschuna en Winnetou die voor dood neerlagen, maar spoedig weer tot zichzelf kwamen. Gij laagt er naast, eveneens schijnbaar dood. Dit deed mij zoo schrikken, dat ik onmiddellijk Dick Stone en Parker haalde, om te zien, of er misschien nog leven in u was. Wij werden natuurlijk dadelijk gevangen genomen. Ik zeide Intschu Tschuna, dat wij vrienden der Apachen waren en gisteravond het plan hadden gehad, de beide aanvoerders te bevrijden. Hij lachte mij evenwel uit en ik heb het alleen aan Winnetou’s voorspraak te danken, dat mij deze ééne hand is vrijgelaten, om u te helpen. Hij heeft ook uw wond aan den hals verbonden, anders waart gij stellig en zeker doodgebloed. Is de wond diep?
—Door.... de.... tong,—stamelde ik.
—Dat is gevaarlijk. Gij zult een hevige wondkoorts krijgen, ik wenschte dat ik die van u kon overnemen, want ik denk, dat zoo’n oude waschbeer als ik, die beter kan doorstaan dan zulk een greenhorn, die nog zoo weinig bloed heeft gezien. Zijt gij ook nog ergens anders gewond?
—Kolfslagen.... hoofd en.... schouder,—antwoordde ik.
—Gij zijt dus neergeveld. Ik dacht, dat ge enkel een steek hadt gekregen. Ja, dan begrijp ik wel, dat uw hoofd erg pijn zal doen. Maar, dat gaat wel over, ’t is alleen te hopen, dat het weinige verstand, dat ge hebt, er niet is uitgeslagen. Zoo’n doorgestoken tong is gevaarlijk en niet te verbinden.—Ik zal....—Meer hoorde ik niet, daar ik weer opnieuw in onmacht viel.
Toen ik ontwaakte, gevoelde ik, dat ik in beweging was, ik hoorde den hoefslag der paarden en sloeg de oogen op. Ik lag, stel u voor—op het vel van den Grizzlybeer, dien ik verslagen had. Het was opgebonden in den vorm van een hangmat en hing tusschen twee paarden, die mij op deze wijze moesten dragen. Ik zat zóó diep in het vel, dat ik alleen de koppen der beide paarden en den hemel boven mij kon zien. De zon wierp haar gloeiende stralen op mij neer en mijn bloed joeg onstuimig door de aderen. Mijn mond was opgezwollen en vol van geronnen bloed. Ik wilde het uitspuwen, maar kon de tong niet bewegen.
—Water, water!—wilde ik roepen, want ik had een bijna onuitstaanbaren dorst, maar ik bracht geen klank, zelfs geen hoorbaren zucht uit. Ik zeide tot mij zelf, dat het met mij gedaan was en wilde, als ieder stervende aan God en hiernamaals denken, maar verloor wederom het bewustzijn.
Toen streed ik met Indianen, buffels en beren, maakte een rit op leven en dood door de steppen, zwom maandenlang over onbegrensde zeeën en meren.... alles in de wondkoorts, waarin ik lang tegen den dood worstelde. Zoo nu en dan hoorde ik Sam Hawkins’ stem, als uit de verte, tusschenbeide zag ik twee donkere oogen, die van Winnetou, dan was het weer, of lag ik in een doodkist en werd ik begraven, ik hoorde de aardkluiten op het deksel vallen, en lag geruimen tijd stil in de donkere aarde tot dat opeens het deksel van de kist werd opengedaan. Ik zag den hemel boven mij, ik werd uit het graf opgeheven. Was dit waar? Kon dit gebeuren? Ik streek met de hand over mijn voorhoofd en....
—Halleluja, hij ontwaakt uit den dood, hij ontwaakt! jubelde Sam.
Ik keerde het hoofd om.
—Ziet ge, dat hij met de hand naar zijn hoofd heeft gegrepen, dat hij nu zelfs het hoofd heeft omgedraaid?—riep de kleine. Hij boog zich over mij heen. Zijn gezicht straalde letterlijk van verrukking, ik zag dit, ondanks den dichten baard, welke het bijna geheel bedekte.
—Ziet ge mij, beste vriend?—vroeg hij.—Gij hebt de oogen open en hebt u bewogen. Gij leeft dus weer. Ziet ge mij?
Ik wilde antwoordden, maar kon niet van vermoeidheid en uitputting.
—En hoort gij mij?—ging hij voort.
Ik knikte.
—Komt hier en ziet!
Zijn gezicht verdween en in de plaats daarvan verschenen die van Stone en Parker. De brave kerels hadden tranen in de oogen van blijdschap. Zij wilden iets tegen mij zeggen maar Sam duwde hen weg en zeide:
—Neen, laat mij met hem spreken, ik wil het doen.
Hij nam mijn beide handen in de zijne, drukte die tegen zijn mond en vroeg:
—Hebt gij honger sir? Hebt gij dorst? Zoudt gij iets kunnen eten of drinken?
Ik schudde het hoofd, want ik voelde niet de minste behoefte, iets te gebruiken. Ik was te zwak, om zelfs een droppel water tot mij te kunnen nemen.
—Niet, werkelijk niet? Hoe is het mogelijk! Weet gij wel, hoelang gij hier zoo gelegen hebt?
Ik schudde wederom met het hoofd.
—Drie weken, volle drie weken! Denk eens aan! Gij weet zeker ook niet, wat er na uw verwonding is gebeurd en waar gij u bevindt? Gij hebt een vreeselijke wondkoorts gehad en daarna een soort verstijving. De Apachen wilden u reeds begraven, maar ik kon niet aan uw dood gelooven en heb zoolang gesmeekt, tot Winnetou met zijn vader sprak en deze verlof gaf, u eerst dan te begraven, wanneer ontbinding intrad. Dat hebben wij aan Winnetou’s voorspraak te danken. Ik moet naar hem toe, ik moet hem hier halen!
Ik sloot de oogen en lag nu weer stil, maar nu in een kalme en rustige sluimering. Ik wenschte, dat ik zoo eeuwig kon blijven liggen. Daar hoorde ik evenwel voetstappen, een hand betastte mij, en toen hoorde ik Winnetou zeggen:
—Heeft Sam Hawkins zich niet vergist. Is Selki lata (Old-Shatterhand) werkelijk ontwaakt?
—Ja, ja, wij drieën hebben het duidelijk gezien. Hij heeft zelfs met knikken en hoofdschudden op mijn vragen geantwoord.
—Dan is een groot wonder geschied. Maar misschien was het beter geweest, dat hij gestorven ware; want hij is slechts in het leven teruggekeerd om te sterven. Hij zal, evenals gij allen, gedood worden!
—Maar hij is de beste vriend der Apachen,
—En hij heeft mij tweemaal verslagen?
—Omdat hij moest!
—Dat was niet noodig.
—Zeker, de eerste maal deed hij het om u te redden. Gij zoudt u hebben verzet en waart dan door de Kiowa’s vermoord geworden. En de tweede maal heeft hij zijn eigen leven tegen u moeten verdedigen. Wij hadden ons vrijwillig aan u willen overgeven, maar uw krijgers wilden niet naar ons luisteren.
—Dat zegt Sam Hawkins maar om zich te redden.
—Neen, ik zeg de waarheid.
—Uw tong liegt. Alles, wat gij mij verteld hebt, heeft ons nog vaster overtuigd, dat gij nog grooter vijanden van ons zijt, dan die honden van Kiowa’s. Gij zijt ons tegemoet geslopen en hebt ons beluisterd. Waart gij werkelijk onze vriend geweest, dan zoudt gij ons hebben gewaarschuwd, dan zouden wij daar ginds bij de beek niet overvallen zijn geworden en aan de boomen zijn gebonden.
—Maar dan hadt gij den dood van Kleki-Petra op ons gewroken, en was dit uit dankbaarheid niet gebeurd, dan zoudt gij ons ten minste verhinderd hebben, onze werkzaamheden voort te zetten en ten einde te brengen.
—Dat hebt ge nu evenmin kunnen doen. Gij hebt allerlei uitvluchten, maar een kind kan ze doorzien. Houdt gij Intschu Tschuna en Winnetou voor zoo dom?
—In ’t geheel niet. Old-Shatterhand is opnieuw in onmacht gevallen, anders zou hij kunnen zeggen, dat ik niets dan de waarheid gezegd heb.
—Ja, hij kan evengoed liegen als gij, de bleekgezichten zijn allen leugenaars en bedriegers. Ik heb slechts een blanke gekend, dien men kon vertrouwen, dat was Kleki-Petra, dien gij vermoord hebt. In Old-Shatterhand had ik bijna een dergelijke man meenen te leeren kennen. Ik zag zijn dapperheid en zijn lichaamskracht en bewonderde hem. Zijn oogen schenen mij den zetel van oprechtheid en ik dacht hem te kunnen hoogachten. Maar helaas, hij is een landroover, evenals gij allen, hij belette u niet, ons in den val te lokken en heeft mij tweemaal met zijn vuist op het hoofd geslagen. Waarom heeft de Groote Geest toch zulk een man geschapen en hem zulk een valsch hart gegeven?
Ik had hem gaarne willen aanzien, toen hij mij aanraakte, maar ik kon niet. Het was of mijn lichaam uit ether bestond, of ik door mijn zinnen niets kon waarnemen. Evenwel het gelukte mij toch eindelijk de oogleden op te slaan. Ik zag hem naast mij staan. Hij droeg een licht linnen kleed, had geen wapens bij zich maar een boek en wel een, waarop in gouden letters stond: Hiawatha. Deze Indiaan, deze zoon van een volk, dat men tot de „wilden” rekent, kon dus niet alleen lezen, maar hij bezat zin en smaak voor het hoogere! Longfellows beroemd gedicht in de hand van een Apache-Indiaan! Zoo iets had ik niet kunnen droomen!
—Hij heeft de oogen weer open!—riep Sam en onmiddellijk keerde Winnetou zich naar mij toe. Lang bleef zijn oog op het mijne rusten, toen vroeg hij:
—Kunt gij spreken?
Ik schudde het hoofd.
—Hebt gij pijnen in uw hoofd?
Hetzelfde antwoord.
—Wees oprecht tegenover mij! Als men ontwaakt uit den dood, moet men geen onwaarheid zeggen. Hebt gij vier mannen ons werkelijk het leven willen redden?
Ik knikte tweemaal.
Toen maakte hij een minachtende beweging met de hand en riep op diep gekrenkten toon:
—Leugen, leugen, leugen! Zelfs leugen bij het geopende graf! Hadt gij mij de waarheid bekend, dan zou ik misschien hebben kunnen hopen, dat gij u kondt verbeteren en ik zou Intschu Tschuna mijn vader hebben gesmeekt, uw leven te sparen. Maar gij zijt zulk een bede niet waard en moet sterven. Wij zullen u goed verplegen opdat gij spoedig weer gezond en krachtig zult worden en de folteringen, die u wachten, langer weerstand zoudt kunnen bieden. Te sterven als een zieke, zwakke man is geen straf.
Langer kon ik mijn oogen niet openhouden. Had ik maar kunnen spreken! Sam, de anders zoo schrandere Sam Hawkins, verdedigde ons op zulk een onhandige wijze, ik zou geheel anders hebben gedaan. Het was, alsof hij mijn gedachten had geraden, want nu begon hij opnieuw tegen den Apachen-hoofdman:
—Maar wij hebben u immers bewezen, duidelijk en onwederlegbaar bewezen, dat wij op uw zijde waren. Uw krijgers zouden gemarteld worden en om dit te verhinderen, heeft Old-Shatterhand met het Bliksemmes gestreden en hem overwonnen. Hij heeft dus zijn leven voor u in de waagschaal gesteld en zal nu tot belooning gemarteld worden!
—Gij hebt niets bewezen, want ook dit verhaal was een leugen!
—Vraag dan Tangua, den hoofdman der Kiowa’s, die zich nog in uw handen bevindt.
—Ik heb het hem gevraagd.
—Wat zeide hij?
—Dat gij liegt. Old-Shatterhand heeft niet met het Bliksemmes gestreden, maar deze is, toen wij u overvielen, door onze krijgers gedood geworden.
—Dat is al zeer slecht van Tangua. Hij weet, dat wij heimelijk op uw zijde waren en wil ons uit wraak daarover in ’t verderf storten.
—Hij heeft mij de waarheid zijner woorden bezworen bij den Grooten Geest en ik geloof dus hem en niet u. Ik zeg u hetzelfde wat ik zooeven tegen Old-Shatterhand heb gezegd: hadt gij mij eerlijk alles bekend, dan zou ik uw voorspraak zijn geweest bij mijn vader. Kleki-Petra, die mijn vader, mijn vriend en leermeester is geweest, heeft de neiging tot vrede, zachtheid en vergevensgezindheid in mijn hart gelegd. Ik wensch geen onnoodig bloed te vergieten en mijn vader doet alles, wat ik van hem vraag. Daarom is er, van al de Kiowa’s, die wij gevangengenomen hebben, nog geen enkele gedood, zij kunnen alles, wat zij hebben gedaan, afkoopen met paarden en wagens, tenten en dekens. Wij zijn het nog niet volkomen met hen eens over den prijs, maar dat zal wel in orde komen. Rattler is de moordenaar van Kleki-Petra, hij moet sterven. Gij zijt zijn kameraden, toch zouden wij u hebben gespaard, wanneer gij slechts oprecht waart geweest, nu gij dit niet zijt, zult gij zijn lot moeten deelen.