Winnetou

Part 16

Chapter 164,209 wordsPublic domain

De dappere Sam ging hun een eind weegs tegemoet en gaf hun met beide armen een teeken, te blijven staan. Ik hoorde, dat hij hun iets toeriep, maar verstond niet wat. Eerst schenen zij er geen acht op te slaan, maar toen hij zijn woorden herhaalde, bleven de voorste Kiowa’s staan en de anderen volgden hun voorbeeld. Toen wenkte ik Stone en Parker, om met mij, den aanvoerder overeind te helpen en toen hij stond, ging ik met een mes dreigend voor hem staan. De roodhuiden huilden van schrik en angst. Sam sprak tot hen en wij zagen, dat een die onderbevelhebber scheen te zijn, onder Sam’s geleide langzaam naar ons toe kwam. Zoodra hij bij ons was, wees Sam op de drie gevangenen en zeide tot hem:

—Gij ziet, dat ik u de waarheid heb gezegd, ze zijn geheel in onze macht.

De onderbevelhebber, die nauwelijks zijn woede kon verbergen, zag de drie gevangenen aan en antwoordde:

—Deze beide gebonden krijgers zijn nog in leven, maar het opperhoofd schijnt dood te zijn.

—Hij is niet dood. Old-Shatterhand heeft hem met zijn ijzeren vuist neergeveld, hij is bewusteloos, maar zijn bewustzijn zal weldra terugkeeren. Wacht maar een oogenblik en ga zoolang bij ons zitten. Zoodra de hoofdman weder tot zichzelf gekomen zal zijn, zullen wij met hem en u beraadslagen. Zoodra echter één der Kiowa’s een wapen tegen ons opheft, doorboort het mes van Old-Shatterhand Tangua’s hart, dat verzeker ik u.

—Durft gij uw hand opheffen, tegen ons, die uw vrienden zijn?

—Vrienden? gij meent zelf niet wat gij zegt.

—Hebben wij dan de vredespijp niet met u gerookt?

—Ja maar wij vertrouwen u niet.

—Waarom niet?

—Is het de gewoonte der Kiowa’s hun vrienden en broeders te beleedigen?

—Neen.

—Welnu, uw hoofdman heeft Old-Shatterhand beleedigd en daarom kunnen wij u niet als vrienden beschouwen. Zie, Tangua begint zich te bewegen!

Tangua, die door Stone en Parker weer was neergelegd, bewoog zich werkelijk, hij sloeg de oogen op, zag van den een naar den ander, als moest hij zich even bedenken wat er gebeurd was; langzamerhand scheen het bewustzijn terug te keeren en hij riep uit:

—Oef, oef, Old-Shatterhand heeft mij neergeveld, wie heeft mij gebonden?

—Ik,—antwoordde ik.

—Neem mijn riemen af, ik beveel het.

—Zooeven wildet gij niet hooren naar mijn verzoek, nu let ik niet op uw bevel; gij hebt ons niets te bevelen!

Hij zag mij woedend aan en zeide knarsetandend:

—Zwijg knaap, of ik verpletter u!

—Het zwijgen past u beter dan mij. Gij hebt mij zooeven beleedigd en ik heb u daarom tegen den grond geslagen. Old-Shatterhand laat zich niet ongestraft een pad en een hond noemen. Als gij niet beleefd zijt, zal ik u nog beter straffen.

—Ik wil vrij zijn. Als gij mij niet gehoorzaamt, laat ik u door mijn krijgers van de aarde verdelgen.

—Gij zelf zoudt daarbij het slechtst er aan toe zijn, want luister: daar staan uw mannen, zoodra een van hen ook maar den voet opheft, om ons te naderen, stoot ik u dit mes in het hart. Howgh!

Ik zette hem de punt van het mes op de borst. Hij moest wel inzien, dat hij zich in onze macht bevond en begrijpen, dat ik mijn bedreiging waar zou maken; hij gaf zich dus moeite, zijn toorn te beheerschen en vroeg op kalmeren toon:

—Wat wilt gij dan eigenlijk van mij?

—Niets anders, dan wat ik u zooeven reeds gezegd heb, ik wil niet dat de Apachen aan den folterpaal zullen sterven.

—Gij verlangt misschien, dat zij in ’t geheel niet gedood zullen worden?

—Doe later met hen wat ge wilt, maar zoolang wij hier zijn, mag hun geen leed geschieden.

Hij zag een tijdlang zwijgend voor zich. Ondanks de kleuren, waarmee zijn gezicht beschilderd was, zag ik dat het afwisselend rood en bleek werd, daarom verwonderde het mij niet weinig, dat hij zoo spoedig met zijn antwoord gereed was.

—Uw wensch zal vervuld worden,—zeide hij,—ja, ik zal nog meer doen, als gij het voorstel aanneemt, dat ik u ga doen.

—En welk voorstel is dat?

—Eerst wil ik u nog zeggen, dat ik volstrekt niet bang ben voor uw mes. Gij zult u wel wachten, mij te doorsteken, want als gij dit deedt, zoudt gij door mijn krijgslieden in stukken worden gescheurd. Gij moogt nog zoo dapper zijn, tegen tweehonderd man zijt gij niet opgewassen. Ik lach dus om uw bedreiging. Ik kan gerust zeggen, dat ik niet aan uw verzoek voldoe en toch zoudt gij mij niets doen. Maar de honden van Apachen zullen niet aan den folterpaal sterven, ik beloof u zelfs, dat wij in ’t geheel niet zullen dooden, als gij voor hen op leven en dood wilt vechten.

—Met wien?

—Met een mijner krijgers, dien ik zal uitkiezen.

—Met welk wapen?

—Het mes. Als hij u doorsteekt, moeten ook de Apachen sterven, doorsteekt gij hem, dan blijven zij leven.

—En zijn vrij?

—Ja.

Ik begreep zeer goed, dat hij de een of andere bijbedoeling had met dit voorstel. Waarschijnlijk hield hij mij voor den gevaarlijkste onder de aanwezige blanken en wilde hij mij onschadelijk maken, want natuurlijk zou hij een der uitnemendste vechtersbazen als tegenpartij voor mij kiezen. Zonder mij evenwel lang te bedenken, antwoordde ik:

—Ik neem uw voorstel aan; wij zullen de verschillende voorwaarden bespreken en onder het rooken van een pijp ons plan bezweren en dan kan de strijd dadelijk een aanvang nemen.

—Wat begint gij, sir?—viel nu Sam Hawkins in.—Ik kan onmogelijk toestaan, dat gij zulk een dwaasheid begaat.

—Het is geen dwaasheid, beste Sam.

—De grootste dwaasheid, welke gij bedenken kunt. Bij een eerlijken strijd moeten de kansen gelijk staan, maar dit is hier niet het geval.

—Zeker wel.

—Neen, zeker niet. Hebt gij dan wel ooit te voren met iemand gevochten op leven en dood en enkel met het mes als wapen?

—Neen.

—Welnu, gij krijgt natuurlijk een tegenstander, die een meester is in het snijden en steken. En bedenk dan toch de gevolgen, wanneer hij overwinnaar wordt. Dan worden de Apachen vermoord. En als uw tegenstander valt, wie sterft dan? Niemand?

—Maar dan worden de Apachen in vrijheid gesteld.

—Gelooft gij dat werkelijk?

—Ja, want wij rooken eerst een pijp samen, en dit geldt voor een eed.

—Vertrouw dien eed toch niet, de schelmen hebben allerlei bijbedoelingen. En zelfs al was die eed eerlijk gemeend, gij zijt een greenhorn en....

—Houd u toch stil met uw greenhorn, beste Sam!—viel ik hem in de rede,—gij hebt nu reeds meermalen ondervonden dat deze greenhorn zeer goed weet, wat hij wil.

Hij bleef nog geruimen tijd in zichzelf brommen; ook Dick en Parker rieden mij af het te doen, maar ik bleef bij mijn eensgenomen besluit en Sam riep dan ook eindelijk mismoedig uit:

—Welnu dan, loop dan voor mijn part met den kop tegen den muur, ik zal er geen woord meer van zeggen, ik zal evenwel zorgen, dat bij dit gevecht alles eerlijk toegaat en wee dengene die u of ons wil bedriegen! Dien schiet ik met mijn Liddy in de lucht, dat hij in duizend stukken in de wolken blijft hangen!

Nu werd het volgende afgesproken: op een kale ruimte, welke in de nabijheid lag, werd in het zand een acht (8) getrokken, dus twee cirkels op elkaar. De beide tegenstanders zouden elk in een van deze cirkels gaan staan en gedurende het gevecht deze plaats niet mogen verlaten. De strijd zou niet beslist zijn, voor een van beiden gedood was, doch de doode mocht niet door zijn makkers gewroken worden.

Toen wij het over deze voorwaarden eens waren geworden, werd de aanvoerder van zijn banden ontdaan en ik rookte met hem de calumet. Daarop werden ook de beide anderen vrijgemaakt en de vier roodhuiden begaven zich nu naar hun makkers terug, om hen voor te bereiden op het schouwspel dat hen wachtte.

De hoofdingenieur en de andere opzichters deden mij het eene verwijt na het andere, ik stoorde er mij niet aan. Ook Sam, Dick en Will keurden mijn besluit af, maar spraken er verder niet met mij over. Hawkins alleen zeide op bezorgden toon:

—Gij hadt wel iets anders kunnen bedenken, sir! Maar ik heb het altijd gezegd en zeg het ook nu weer: gij zijt een lichtzinnig mensch. Wat hebt ge er eigenlijk aan te worden doodgestoken, vertel mij dat eens!

—Wat ik er aan heb? Den dood natuurlijk, meer niet!

—Meer niet? Maak daar toch geen gekheid over. De dood is ’t laatste wat een mensch kan overkomen, als men eenmaal gestorven is, is ’t uit.

—Toch niet.

—Zoo? wat gebeurt er dan?

—Dan wordt men nog begraven!

—Houd uw mond, sir, als gij niets beters weet, dan mij ook nog te plagen, wou ik wel dat ik mijn vriendschap aan een waardiger persoon had verspild.

—Plaag ik u werkelijk, beste Sam?

—Ja, natuurlijk, wees toch niet zoo dom! Het is zoo goed als zeker, dat gij zult sterven. Wat zal ik dan doen op mijn ouden dag? Ik moet zoo’n greenhorn hebben, met wien ik zoo nu en dan eens kan redetwisten. En als gij er nu niet meer zijt, wat zal ik dan doen?

—Wel, dan neemt gij een anderen greenhorn.

—Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan, want zulk een onverbeterlijken greenhorn als gij zijt, vind ik mijn leven lang niet weer. Maar ik zeg u, als u iets kwaads overkomt, zullen de roodhuiden nog lang aan mij denken. Ik vlieg als een razende Roland op hen aan. Maar vertel mij eens, waar blijft uw gevoel van menschelijkheid waarover gij ’t altijd zoo druk hebt? Ik weet dat gij een goed hart hebt en niet gaarne een mensch doodt. Gij zijt toch niet van plan, den kerel met wien gij moet vechten te sparen?

—Hm, hm.

—Hm, hm? doe dat toch niet, het gaat op leven en dood!!

—Als ik hem nu alleen verwond?

—Dat geldt niet, zooals gij hebt gehoord.

—Ik bedoel, dat ik hem zoo verwond, dat hij niet meer kan vechten.

—Dat geldt evenmin, dan wordt gij niet als overwinnaar beschouwd en moet weer opnieuw den strijd met een ander beginnen. Gij hebt wel gehoord, dat de overwonnene moet sterven, hoort gij ’t wel, dat moet! Gij moet hem dus dooden! Maak daarover geen bezwaar. Voor gij een goed prairiejager zult worden, zal uw mes nog menigmaal met een stuk menschenvleesch in aanraking moeten komen. Bedenk toch, dat al deze Kiowa’s roovers en moordenaars zijn, dat zij alleen schuld dragen aan alles, wat thans geschiedt, want zij hebben het eerst de paarden der Apachen gestolen. Als gij zulk een schurk doodt, redt gij het leven van vele brave Apachen, spaart gij hem, dan zijn zij verloren. Beloof mij dus, dat gij u zult gedragen als een echte prairiejager, die niet van schrik in onmacht valt bij den eersten den besten druppel bloed, welke hij ziet vloeien!

—Als u dat gerust kan stellen, wil ik u wel beloven, dat ik hem niet zal sparen, hij zal het mij ook niet doen. Het is een tweegevecht op leven en dood en ik heb niet te doen met een nobel en eerlijk mensch, maar met een spitsboef en moordenaar.

—Goed zoo, nu ben ik weer gerustgesteld, maar toch heb ik een gevoel, alsof een zoon van mij ter slachtbank wordt gevoerd. Het liefst zou ik in uw plaats willen vechten. Wilt gij mij dat niet toestaan, sir?

—Neen, beste Sam. Ten eerste heeft, dunkt me het leven van een greenhorn minder waarde dan dat van zulk een flinke prairiejager als gij zijt en ten tweede....

—Houd toch uw mond, aan zoo’n ouden kerel als ik, ligt niet veel gelegen, maar zoo’n jonge, veelbelovende....

—Kom, houdt gij nu ook uw mond!—viel ik hem in de rede—en ten tweede zou het laf en eerloos zijn, als ik mij terugtrok en een ander voor mij liet vechten. Trouwens, de aanvoerder zou daarmee geen genoegen nemen, want hij heeft het juist op mij voorzien.

—Dat is het juist, wat ik mij niet kan verklaren, hij heeft het op u gemunt, juist op u, ik hoop, dat alles anders uitvalt, dan hij het zich voorstelt. Pas op, daar komen ze aan!

De Indianen naderden langzaam. Zij waren niet zoo talrijk, want velen waren als bewakers van de Apachen achtergebleven. Tangua voerde ze aan ons voorbij, tot aan de plaats, welke ik zooeven beschreef. Daar aangekomen, gingen zij staan in een driekwartcirkel, het laatste kwart moest door de blanken worden aangevuld. Wij deden dit. Op een wenk van den aanvoerder trad nu uit de rijen der krijgers een roodhuid naar voren, van werkelijk herculische gestalte. Hij legde al zijn wapenen af en behield alleen het mes. Toen ontkleedde hij zich tot aan de heupen. Wie zijn spieren zag, moest wel beven van angst en vrees voor zijn leven. De aanvoerder begon nu, met een stem, welke getuigde van de zekerheid der overwinning.

—Hier staat Metan-akva (Bliksemmes), de sterkste krijger der Kiowa’s, wiens mes niemand nog heeft weerstaan, de vijand stort neer onder zijn steek, als door den bliksem getroffen. Hij zal vechten met het bleekgezicht, genaamd Old-Shatterhand.

—Drommels!—fluisterde Sam mij toe,—hij is een ware Goliath! Mijn beste sir, het is met u gedaan!

—Kom, kom!

—Werkelijk, ik heb weinig hoop. Er is maar één mogelijkheid om dezen kerel te overwinnen!

—En die is?

—Laat de strijd zoo kort mogelijk zijn, want als gij moe wordt zijt gij verloren. Hoe staat het met uw pols?

Hij voelde dien en ging voort:

—God zij dank, niet meer dan zestig slagen, dus zoo kalm mogelijk. Hebt gij geen angst?

—Dat zou niet best zijn. Angst in een oogenblik, waarin alles afhangt van een kalmen blik en een koel hoofd. De aanvoerder heeft mij voorgesteld met het mes te vechten, omdat hij wist, dat deze man onoverwinnelijk heette. Welnu, wij zullen zien of dit werkelijk zoo is.

Ik had mij onder het spreken eveneens ontkleed. Dit was wel is waar, niet tot voorwaarde gesteld, maar ik wilde niet, dat men aanmerkingen daarop zou maken. Ik gaf den berendooder en de revolver aan Sam, en ging toen in het midden van den kring staan. Den goeden Sam klopte het hart in de keel, ik zelf evenwel gevoelde in ’t geheel geen vrees.

Nu werd met den steel van een tomahawk een tamelijk groote acht in het zand getrokken en de aanvoerder noodigde ons uit, onze plaatsen in te nemen. Bliksemmes zag mij met een minachtenden blik aan en zeide toen met luider stem:

—Het lichaam van dezen zwakkeling beeft van angst. Zou hij het durven wagen deze figuur te betreden?

Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of ik stapte in de zuidelijke helft van de acht. Daarvoor had ik twee redenen. Ik kreeg namelijk daardoor de zon in den rug, terwijl zij daardoor den roodhuid in het gezicht scheen. Men mag dit een oneerlijk voordeel noemen, maar hij had mij bespot en bovendien gelogen, toen hij beweerde dat mijn lichaam beefde van angst, en daarom was dit nu zijn straf. Het zou al te grootmoedig van mij zijn geweest, hem de plaats te laten kiezen. Ik zeg hier nog eens, het was verschrikkelijk op leven en dood te moeten vechten, maar de minste toegeeflijkheid kon mij zelf het leven kosten en ik was dus vast besloten dezen Goliath te doorsteken. Ondanks zijn herculische kracht en zijn ontzaginboezemenden naam gevoelde ik mij kalm, hoewel ik nu voor ’t eerst in mijn leven met het mes in de hand tegenover een medemensch stond.

—Waagt hij het werkelijk?—hoonde hij,—mijn mes zal hem treffen, de Groote Geest geeft hem in mijn macht!

Bij de Indianen zijn dergelijke redeneeringen gebruikelijk en ik zou voor laf uitgescholden worden indien ik zweeg, daarom antwoordde ik:

—Gij strijdt met den mond, ik echter sta hier met het mes. Neem uw plaats in, als gij niet bang zijt!

Nu was hij met één sprong in de andere helft der acht en schreeuwde:

—Bang zijn? Metan-akva bang? Hebt gij het gehoord, gij krijgers der Kiowa’s? Ik zal dezen blanken hond met den eersten stoot dooden!

—Mijn eerste stoot zal u dooden! Maar zwijg, gij moest eigenlijk niet Metan-akva, maar Avat-ya (grootspreker) heeten.

—Avat-ya, avat-ya! deze vervloekte hond waagt het, mij te beschimpen. Welaan, de gieren zullen zijn ingewanden vreten!

Deze laatste bedreiging was een groote onvoorzichtigheid, ja een groote domheid van hem, want ik werd daardoor opmerkzaam gemaakt op de wijze, waarop hij van plan was, zijn wapen te gebruiken. Mijn ingewanden! Dus waarschijnlijk niet een steek in ’t hart, maar een stoot van onderen op, om mij het lijf open te rijten.

Wij stonden zoo dicht bij elkander, dat wij ons slechts voorover behoefden te buigen, om dan elkaar met het mes te raken. De roodhuid scheen mij met zijn blik te willen doorboren. Zijn rechterarm hing langs zijn lichaam, hij hield het mes zóó in de hand, dat het heft op den pink rustte en het lemmet tusschen duim en wijsvinger met den scherpen kant naar boven gekeerd lag. Mijn vermoeden was dus juist, hij wilde een snede van beneden naar boven doen.

De richting van den aanval kende ik dus, nu was de hoofdzaak het oogenblik te weten, waarop deze zou geschieden. Ik moest dit aan zijn blik zien. Ik sloeg dus schijnbaar de oogleden neer, maar gluurde des te scherper naar hem.

—Steek dan, hond!—riep hij mij toe.

—Verspil niet zooveel woorden, maar doe zelf wat, roode kwajongen, antwoordde ik.

Dit was een grove beleediging, waarop of een toornig antwoord, of een aanval moest volgen, het laatste geschiedde. Een lichte opflikkering in zijn oogen bereidde mij daarop voor en in het volgende oogenblik hief hij den rechterarm op, om mij het lijf open te scheuren. Had ik den messteek van boven verwacht, dan ware ik verloren geweest, nu echter pareerde ik den stoot en trof hem met mijn mes in den bovenarm, welk ik geheel openreet!

—Schurftige hond!—brulde hij, terwijl hij den arm terugtrok en van den schrik en van pijn het mes liet vallen.

—Niet spreken, maar vechten! antwoordde ik, wederom mijn arm opheffend en meteen.... zat mijn mes hem tot aan het heft in het hart. Ik trok het oogenblikkelijk terug.

Een warme roode bloedstraal spoot uit de diepe wonde. De reus waggelde heen en weer, wilde schreeuwen, maar bracht alleen een kermenden zucht uit, daarop stortte hij dood ter aarde.

De Indianen hieven een woedend gehuil aan, alleen Tangua stemde hiermee niet in. Hij kwam naderbij, bukte zich over den doode, betastte de wond, richtte zich weer op en zag mij aan met een blik, dien ik niet licht zal vergeten.

Er lag daarin een mengsel van woede, ontzetting, angst, bewondering en goedkeuring, en zonder een woord te spreken wilde hij zich verwijderen.

Ik hield hem evenwel tegen en zeide:

—Ziet gij, dat ik nog op mijn plaats sta? Metan-akva heeft de zijne verlaten en ligt buiten de figuur! Wie is overwinnaar?

—Gij—antwoordde hij woedend en wilde heengaan, maar nauwelijks had hij vijf of zes passen gedaan, of hij keerde terug en zeide:—Gij zijt een blanke zoon van den boozen zwarten geest. Onze medicijnman zal u uw toovermiddel ontnemen en dan zult gij ons uw leven moeten geven.

—Doe wat gij wilt, maar houd de belofte welke gij mij gedaan hebt.

—Welke belofte?—vroeg hij hoonend.

—Dat de Apachen niet gedood zullen worden.

—Wij zullen hen niet dooden, ik heb het eenmaal gezegd en zal mijn woord houden.

—Dus zullen zij vrij zijn?

—Ja, zij zullen hun vrijheid terug hebben. Wat Tangua de hoofdman der Kiowa’s zegt, dat doet hij.

—Dan zal ik nu met mijn vrienden heengaan, om de gevangenen hun boeien af te nemen.

—Dat zal ik zelf doen, als de tijd daartoe gekomen is.

—Die is gekomen, want ik ben overwinnaar.

—Zwijg! Hebben wij ooit over den tijd gesproken?

—Niet bepaald, maar het spreekt toch vanzelf, dat....

—Zwijg!—klonk het opnieuw. Den tijd heb ik te bepalen. Wij zullen de honden van de Apachen niet dooden, maar wat kunnen wij er aan doen, als zij sterven, indien zij niets te eten of te drinken krijgen? Kan ik helpen dat zij verhongeren en verdorsten, vóór ik hen vrijlaat?

—Schurk!—siste ik hem tegemoet.

—Hond, zeg nog één woord en anders....

Hij hield plotseling stil, want hij zag op mijn gezicht een uitdrukking welke hij niet vertrouwde. Ik daarentegen ging voort,—en anders sla ik u met mijn vuist ter aarde, gij schandelijke bedrieger!

Hij week eenige schreden achteruit, trok zijn mes en dreigde:

—Kom mij niet weer te na met uw vuist, want voor gij mij met uw hand kunt bereiken, zal ik u doorsteken.

—Dat heeft het Bliksemmes ook gezegd, en toch ligt hij daar. Het zou u ook zoo vergaan. Ik zal met mijn blanke broeders overleggen, wat met de Apachen zal geschieden, maar ik zeg u, als gij hen een haar krenkt, dan zijt gij allen verloren. Gij weet, dat wij u allen in de lucht kunnen laten springen.

Eerst na deze woorden keerde ik mij om en ging naar Sam. Deze had, door het geschreeuw der roodhuiden, niet kunnen hooren wat er tusschen mij en den hoofdman werd verhandeld. Hij kwam mij haastig tegemoet, greep mijn beide handen en riep, vol vreugde en bewondering.

—Welkom, welkom, sir! Dat roep ik u toe, want gij komt terug uit het doodenrijk. Mensch, vriend, schat, jongeling, greenhorn, wat zijt gij toch voor een schepsel! Dat heeft nog nooit een buffel gezien en schiet den sterkste uit de kudde neer. Heeft nog nooit een Grizzly gezien en doodt hem met het mes. Heeft nog nooit een mustang gezien, en haalt het beste paard uit de horde. En nu staat hij tegenover den sterksten roodhuid en steekt hem het mes in het hart, zonder zelf een druppel bloed te verliezen! Dick en Will komt toch eens hier en ziet dezen kerel eens aan. Wat moeten wij met hem doen.

—Wij benoemen hem tot gezel,—lachte Stone.

—Gezel?—wat bedoelt ge daarmee?

—Hij heeft nu bewezen, dat hij geen „greenhorn” meer is, geen leerling. Wij willen hem gezel maken, later kan hij opklimmen tot den rang van „meester”.

—Geen greenhorn meer? Hem gezel maken? Vertel toch niet zulke dwaasheden. De kerel is groen van top tot teen, anders zou hij het niet gewaagd hebben met zulk een reus, als deze Indiaan te vechten, maar Hans komt door zijn domheid voort, dat ziet ge weer aan hem! Mijn hart stond stil van angst toen de strijd begon, ik kon geen adem krijgen en ziet, een houw, een stoot en de roodhuid valt ter aarde. Nu hebben wij ten minste ons doel bereikt, de Apachen zullen vrij zijn!

—Dat kondt ge wel eens mis hebben,—antwoordde ik, zonder boos te worden over deze wijze, waarop hij over mij sprak.

—Mis hebben?—hoe dan?

—De hoofdman heeft, toen hij ons deze belofte deed, zich in stilte iets voorbehouden, dat hij eerst nu laat gelden.

—Ik dacht wel, dat hij de een of de andere bijbedoeling had. Wat heeft hij zich voorbehouden?

Ik herhaalde wat Tangua gezegd had. Sam was daarover zoo vertoornd, dat hij oogenblikkelijk naar hem toeging, om hem ter verantwoording te roepen. Ik maakte van dezen tijd gebruik om mij weer aan te kleeden en mijn wapens weer bij mij te steken.

De Kiowa’s waren volkomen zeker geweest van de overwinning van het Bliksemmes. De uitslag van den strijd was voor hen zulk een teleurstelling en nederlaag, dat zij met woede en haat tegen mij vervuld waren. Het liefst zouden zij op ons zijn aangevallen, maar dit mochten zij niet, omdat het niet alleen afgesproken, maar zelfs met het rooken van een pijp bezworen was, dat de onderliggende partij den dood van den overwonnene niet op den overwinnaar zou wreken. Er was dus voorloopig niets aan te doen, en zij troostten zich met het denkbeeld dat er zich wel spoedig eens weer een aanleiding tot vijandschap zou opdoen. Zij konden nu niets doen dan afwachten, verkropten hun toorn en begonnen het lijk van hun kameraad weg te brengen. Het opperhoofd was in hun midden en het laat zich dus denken, dat Sam Hawkins geen vriendelijk gehoor vond. Hij keerde dan ook hoogst verdrietig terug en zeide:

—De kerel wil werkelijk geen woord houden, hij schijnt de gevangenen te willen laten verhongeren. En dat noemt de schurk „niet dooden”. Wij zullen echter onze oogen openhouden, en den kerel een poets bakken, hihihihi!

—Als die poets maar niet op ons terugslaat!—merkte ik op,—het is moeielijk, anderen te beschermen, als men zelf nog bescherming noodig heeft.

—Ik geloof waarachtig, dat gij bang zijt voor de roodhuiden, sir!

—Nu dat weet ge wel beter.

—Ja, maar als ik bang ben, zijt gij niet bang, en als ik moed heb, laat gij dien zakken. Wat denkt ge u eigenlijk wel?

—Waarover?

—Over den strijd, dien gij hebt gewonnen.

—Zijt gij daarover niet tevreden?

—Ja, maar ik spreek over wat anders!

—Waarover dan?

—Mijn hemel, wat zijt ge toch traag van begrip. Zeg mij eens eerlijk, sir, zijt gij in uw vaderland misschien beul geweest?

—Dat geloof ik niet, ten minste ik herinner mij daarvan niets!—antwoordde ik op deze zonderlinge vraag!