Winnetou

Part 15

Chapter 154,142 wordsPublic domain

Mochten de beide aanvoerders verdwijnen, dan zou de wachter onmiddellijk alarm maken en dan moest ik mij niet in de nabijheid bevinden. Zoo snel ik kon, kroop ik dieper in het kreupelhout, tot ik niet meer gezien kon worden, toen stond ik uit mijn liggende houding op en liep, wel zeer voorzichtig, maar toch veel sneller dan zooeven, naar onze legerplaats terug. Eerst toen ik dicht in de nabijheid was, ging ik weer op den grond liggen, om het laatste gedeelte van den weg kruipend af te leggen. Mijn drie metgezellen waren zeer bezorgd over mij. Toen ik weer veilig in hun midden lag, fluisterde Sam mij toe:

—Wij maakten ons zeer ongerust over u, sir! Weet gij wel hoelang gij weg zijt geweest?

—Bijna twee uur.

—Dat komt uit, een half uur heen, een half uur terug en een uur daar gebleven.

—Waarom moest gij zoolang daar blijven?

—Om te zien of de hoofdman sliep.

—En hoe hebt ge dat aangelegd?

—Wel, ik heb zoolang naar hem gekeken, en toen hij zich niet bewoog, kon ik overtuigd zijn dat hij sliep.

—Zoo, zoo. Hoort ge dat, Dick en Will? Om te weten of de hoofdman waakt of slaapt heeft hij hem een uur lang aangekeken, hihihihi! Hij is en blijft toch een greenhorn, een onverbeterlijke greenhorn! Hebt gij dan geen hersenen in uw hoofd, dat gij geen ander middel kondt bedenken! Hebt gij dan onderweg geen kleine stukjes hout of zoo iets gevonden?

—Ja,—antwoordde ik.

—Wel, dan hadt gij immers, toen gij dicht bij hem waart, een klein stukje hout of een kluitje aarde naar hem moeten werpen. Als hij wakker was geweest, zou hij zich zeker oogenblikkelijk hebben bewogen. En gij hebt hem een uur lang aangegaapt, hihihihi!

—Dat mag zijn, maar ik heb dan toch de proef glansrijk doorstaan!

Terwijl ik sprak, hield ik mijn oogen onafgewend gericht op de beide Apachen. Ik verwonderde mij er over, dat zij nog altijd in dezelfde houding tegen de boomen stonden, zij hadden reeds lang weg kunnen zijn. Later vernam ik, wat het geval was geweest. Winnetou had gedacht, dat ik hem eerst had losgesneden en daarop naar zijn vader geslopen was en wachtte nu op een teeken van mij. Omgekeerd had zijn vader hetzelfde gedacht. Toen geen van beiden evenwel een teeken van mij kreeg, wachtte Winnetou een oogenblik af, dat de wachter de moede oogen een oogenblik sloot en bewoog toen zijn arm, om zijn vader te toonen, dat hij niet meer gebonden was; de hoofdman gaf hem hetzelfde teeken terug. Een seconde later waren beiden van hun plaatsen verdwenen.

—Ja, gij hebt de proef doorstaan,—stemde Sam toe,—gij hebt den hoofdman een uur lang aangekeken, zonder dat gij gezien zijt geworden.

—Dus vindt gij ’t goed, dat ik mee ga naar Winnetou?

—Hm. Denkt gij, dat gij de beide aanvoerders kunt bevrijden, door hen ook een vol uur aan te kijken?

—Neen, wij moeten hen lossnijden.

—Dat zegt gij, alsof dit een kleinigheid is. Ziet gij dan niet, dat er een wachter bij hen zit?

—Dat zie ik zeer goed.

—Die doet net als gij, hij staart hen ook aan, en ’t zal een geduchte toer zijn, hen los te maken, zonder dat hij ’t ziet. Ik weet zelfs niet of het mij zal gelukken. ’t Is al een meesterstuk op zich zelf, om daar te komen en als men er dan is, da.... Good lack, wat is dat?

Hij had zijn oogen op de Apachen gericht en hield nu plotseling in zijn redevoering op, want juist op dit oogenblik verdwenen de beide mannen van het tooneel. Ik deed, alsof ik dit niet gezien had, en vroeg:

—Wat is er? Waarom spreekt gij niet verder?

—Waarom? Omdat.... omdat.... is het dan werkelijk zoo of bedrieg ik mij?

Hij streek zich met de hand over de oogen en vervolgde:

—Ja, bij God ’t is waar. Dick, Will, ziet toch eens, ziet gij Winnetou en Intschu Tschuna nog?

Zij keerden hun hoofd om en wilden juist hun verbazing in woorden lucht geven, toen de wachter opsprong, de beide verlaten boomen een oogenblik ontzet aanstaarde en daarop een luiden, doordringenden kreet uitstiet, welke de slapers wekte. De wachter schreeuwde hun het gebeurde in zijn taal toe en nu volgde een onbeschrijfelijk tumult.

Alles liep naar de boomen, de blanken evengoed als de roodhuiden. Ik volgde hen ook, want ik moest doen, alsof ik van niets wist, maar onderweg keerde ik mijn zak om en liet het zand op den grond vallen.

Jammer, dat ik alleen Winnetou en Intschu Tschuna had kunnen bevrijden. Hoe gaarne had ik nog meerderen, liefst allen gered, maar het zou krankzinnigenwerk geweest zijn, dat te beproeven!

Meer dan tweehonderd menschen verdrongen zich om de plaats, waar nog zooeven de beide gevangenen hadden gestaan. Daarbij klonk een geschreeuw of liever een gehuil van woede, dat mij duidelijk zeide wat mij wachtte, wanneer de waarheid aan ’t licht mocht komen. Eindelijk gebood Tangua stilte en deelde zijn bevelen uit, waarop ongeveer de helft van zijn krijgers wegsnelden, om, ondanks de duisternis buiten op de savanna naar de vluchtelingen te zoeken. Den hoofdman stond het schuim op den mond van woede. Hij sloeg den wachter met de vuist in ’t gezicht, scheurde hem den medicijnbuidel van den hals en vertrapte dien onder zijn voeten; een daad, waarmee de arme man voor eerloos werd verklaard. Men moet namelijk bij het woord medicijn niet bepaald aan geneesmiddel denken. Dit woord is bij de Indianen eerst in gebruik gekomen, nadat de blanken zich in hun streken hebben neergezet. De geneesmiddelen der bleekgezichten waren hun onbekend, en zij hielden de uitwerking daarvan, voor het gevolg van een toovermiddel of voor een geheim, dat in verband stond met het bovennatuurlijke. Sedert dien tijd betitelen zij alles wat zij voor tooverij houden, wat voor hen onverklaarbaar is, of wat zij voor de gevolgen van een hooger ingeving aanzien, met het woord medicijn.

Ieder volwassen man, ieder krijgsman heeft zijn medicijn. De jongeling die onder de krijgers wenscht te worden opgenomen, verdwijnt plotseling en zoekt de eenzaamheid op. Daar vast hij en lijdt zelfs honger en ontzegt zich een teug water.

Hij peinst over zijn toekomst en wenschen. Deze geestesinspanning, verbonden met de lichamelijke ontberingen, welke hij zich oplegt, brengt hem in een overspannen toestand, waarin hij den schijn van de werkelijkheid niet meer weet te scheiden. Hij meent hoogere ingevingen en openbaringen te krijgen. Heeft hij dit stadium bereikt, dan wacht hij op het eerste, het beste voorwerp, dat hem door zijn droom of wat dan ook wordt voorgespiegeld, en dit voorwerp blijft hem zijn gansche leven door „heilig”, het is zijn medicijn. Is dit voorwerp bijvoorbeeld een vleermuis, dan rust hij niet, voor hij er een vangt. Gelukt hem dit, dan keert hij naar zijn stam terug, en geeft het dier aan den medicijnman, die het de een of andere bewerking laat ondergaan. Daarna komt het in den eigenaardigen medicijnbuidel, welke altijd moet worden gedragen en het kostbaarste kleinood is van den Indiaan. Medicijn verloren, eer verloren. Zulk een ongelukkige wordt alleen dan in zijn eer hersteld, wanneer hij een beroemd vijand doodt en diens medicijnbuidel kan toonen. Men kan dus denken welk een straf het voor den armen wachter was, dat hem zijn medicijn werd ontnomen. Hij zeide geen woord tot zijn verontschuldiging, maar nam zijn geweer op en verdween tusschen de boomen. Van dit oogenblik af was hij dood voor zijn stam en kon alleen in het zooeven beschreven geval weer worden opgenomen.

De woede van het opperhoofd keerde zich niet alleen tot dezen schuldige, maar ook tot mij. Hij kwam op mij toe en schreeuwde:

—Gij wildet deze honden voor u hebben, welnu, loop ze na en vang ze!

Ik wilde mij afwenden, zonder hem te antwoorden, maar hij greep mij bij den arm en vervolgde:

—Hebt gij gehoord, wat ik u bevolen heb! Achtervolgen zult ge ze!

—Bevolen? hebt gij mij te bevelen?

—Ja, want ik ben het opperhoofd van deze legerplaats en gij hebt mij te gehoorzamen!

Nu haalde ik mijn sardinenbus te voorschijn en zeide:

—Moet ik u met al uw krijgers in de lucht laten springen? Spreek nog een woord, dat mij niet bevalt, en ik verdelg u allen met deze medicijn.

Ik was nieuwsgierig of deze grap de gewenschte uitwerking had. En zie! Tangua week verschrikt achteruit en riep:

—Oef, oef! Houd uw medicijn voor u en wees een hond, evenals alle Apachen!

Dit was een beleediging, die ik mij niet zoo kalm zou hebben laten welgevallen, ware het niet verstandiger geweest, rekening te houden met de overmacht zijner krijgers. Wij, blanken, keerden naar onze legerplaats terug, waar deze gebeurtenis natuurlijk druk werd besproken, zonder dat iemand eenige opheldering kon geven. Ik zweeg, niet alleen tegen de anderen, maar ook tegen Sam, Dick en Will, want ik had er heimelijk plezier in, dat ik de oplossing van ’t geheim in handen had, terwijl alle anderen er tevergeefs naar zochten. De haarlok van Winnetou heb ik op al mijn zwerftochten door ’t verre Westen bij mij gedragen en nog heden is zij in mijn bezit....

HOOFDSTUK IV.

TWEE GEVECHTEN OP LEVEN EN DOOD.

De houding, welke de Kiowa’s tegen ons aannamen, deed ons bezorgd zijn voor onze veiligheid en daarom spraken wij af, dat wij niet allen tegelijk zouden gaan slapen, maar beurtelings wacht zouden houden. Dit geschiedde en toen de roodhuiden bemerkten dat wij deze voorzorgmaatregelen hadden genomen, werd hun houding nog vijandiger.

Toen de dag aanbrak, zagen wij, dat zij druk bezig waren te zoeken naar het spoor der vluchtelingen, dat zij in den nacht niet hadden kunnen vinden. Zij vonden dit en volgden het; het voerde naar de plaats, waar de Apachen vóór den overval hun paarden natuurlijk onder bewaking hadden achtergelaten. Intschu Tschuna en Winnetou waren met deze wachters weggereden en hadden de overige paarden allen laten staan. Toen wij dit hoorden zag Sam mij even van ter zijde aan en vroeg:

—Begrijpt gij wel, waarom de beide aanvoerders dit hebben gedaan?

—Ja, dat is gemakkelijk te raden.

—Oho sir, zulk een greenhorn als gij zijt, behoeft zich niet te verbeelden, dat hij dadelijk ’t rechte van de zaak weet. Er behoort ervaring toe.

—Nu die heb ik.

—Gij, ervaring? Ik zou wel eens willen weten, waar gij die hebt opgedaan.

—In mijn boeken.

—Al weer die boeken, het kan zijn, dat gij wel eens iets hebt gelezen, dat u hier van pas komt, maar daarom behoeft ge u nog niet te verbeelden, dat gij overal verstand van hebt. Ik zal u zoo dadelijk bewijzen, dat gij eigenlijk nog niets weet. Zeg mij eens waarom de vluchtelingen alleen hun eigen paarden hebben meegenomen en die van de anderen hier hebben gelaten?

—Omdat de gevangenen ze nog noodig kunnen hebben.

—Wel, waarvoor hebben gevangenen nu paarden noodig?

Ik was niet in ’t minst gekwetst door deze vragen, het was nu eenmaal zoo zijn manier van doen. Daarom antwoordde ik:

—Er zijn twee dingen mogelijk. Ten eerste kunnen de aanvoerders met een voldoend aantal Apachen terugkeeren, om de gevangenen te bevrijden. Waarom zouden zij dan eerst de paarden meevoeren en daarna terugbrengen? Ten tweede is het mogelijk, dat de Kiowa’s de terugkomst der Apachen niet afwachten en met hun gevangenen deze streek verlaten. In dit geval kunnen de gevangenen althans rijden, terwijl zij anders moesten loopen. Het is te hopen dat zij naar de dorpen der Kiowa’s worden gevoerd, want dan bestaat er kans, dat zij onderweg bevrijd kunnen worden. Moesten zij loopen, dan zou hun transport vele moeilijkheden opleveren en de Kiowa’s zouden licht op de gedachte kunnen komen, hen voor ’t gemak, hier op de plaats zelf, om te brengen.

—Hm, dat is werkelijk zoo kwaad niet bedacht! Maar gij hebt nog een derde mogelijkheid vergeten. De Kiowa’s kunnen immers ook hun gevangenen dooden, ondanks hun paarden.

—Neen, dat is niet mogelijk.

—Niet? sir, hoe komt gij op de gedachte, iets voor onmogelijk te verklaren, wat Sam Hawkins voor licht mogelijk houdt.

—Omdat Sam Hawkins schijnt vergeten te hebben, dat ik hier ben.

—Ah zoo, houdt gij dat voor zulk een gewichtige omstandigheid?

—Neen, ik wil alleen zeggen, dat de gevangenen, zoolang ik hier ben en ik mij kan weren, niet vermoord zullen worden.

—Werkelijk, wat zijt gij toch voor een veelbeteekenend man? De Kiowa’s zijn tweehonderd man sterk en gij wilt hen verhinderen te doen wat hen belieft?

—Ik zal hoop ik, niet alleen staan?

—Niet? wie zal u dan helpen?

—Gij, Sam Hawkins, Dick Stone en Willy Parker, ik reken er vast op, dat gij zulk een moord op groote schaal niet zult dulden.

—Zoo, zoo, gij rekent dus op ons; dank u zeer voor uw vertrouwen, want het is werkelijk geen gekheid, zich het vertrouwen waardig te maken, van een man als gij zijt, ik ben er wat trotsch op, hihihihi!

—Hoor eens Sam, ik spreek in vollen ernst, en ik heb werkelijk geen lust gekheid te maken over zulk een onderwerp. Nu er zooveel menschenlevens op het spel staan, moet men alle scherts achterwege laten.

Toen zag hij mij met zijn kleine, listige oogjes aan en zeide:

—Thunder-storm! Is het u werkelijk ernst? Ja, dan moet ik een ander gezicht zetten. Maar hoe stelt gij u de zaak dan eigenlijk voor, sir? Op de anderen daar valt niet te rekenen en wij met ons vieren staan dus alleen, tegenover tweehonderd Kiowa’s. Hebt gij dat wel bedacht? Dat zal wel nooit goed voor ons afloopen.

—Daar vraag ik niet naar. Ik duld niet, dat in mijn tegenwoordigheid zulk een moord geschiedt.

—Maar die zal toch evengoed gebeuren, met dit onderscheid alleen, dat ook ons levenslampje wordt uitgebluscht. Of hebt gij uw hoop gevestigd op uw naam van Old-Shatterhand? Denkt gij, dat gij tweehonderd krijgers met uw vuisten kunt neervellen?

—Onzin, ik heb mijzelf dezen naam niet gegeven, en weet evengoed als gij, dat vier niet tegen tweehonderd opgewassen zijn. Maar moet men dan altijd geweld gebruiken, is list niet dikwijls beter dan geweld?

—Dat hebt gij misschien ook wel eens gelezen?

—Zeker.

—Zoo, gij zijt daardoor ook zoo’n bijzonder knappe kerel geworden. Maar ik zeg u, dat hier met al uw list niets te doen valt. De roodhuiden zullen doen wat zij verkiezen en er zich weinig om bekommeren, of wij list of geweld gebruiken.

—Welnu dan, ik zie, dat ik op uw steun niet behoef te rekenen en ik zal dus, wanneer de nood dringt, alleen handelen.

—Om Gods wil, doe geen dwaasheden! Gij behoeft niets alleen te doen. Ik heb immers niet gezegd, dat ik niet voor de Apachen in de bres wilde springen, maar het is nooit mijn gewoonte geweest, met den kop tegen den muur te loopen, ik zeg u, de muren zijn altijd harder dan de koppen.

—En ik heb evenmin gezegd, dat ik het onmogelijke mogelijk wil maken. Wij weten nog in ’t geheel niet, wat de Kiowa’s met hun gevangenen voorhebben en wij behoeven ons dus nog nergens ongerust over te maken. Laat ons afwachten en dan handelen, zooals ons het beste voorkomt.

—Een voorzichtig man stelt zich daarmee niet tevreden. Wij hebben deze bepaalde vraag te beantwoorden: wat zullen wij doen, indien de Apachen gedood zullen worden?

—Wij dulden dit niet.

—Dat beteekent niets, niet dulden. Gij moet u duidelijker uitdrukken.

—Wij verzetten ons daartegen.

—Dat zal niets baten.

—Dan dwing ik den hoofdman zich naar mijn wil te voegen.

—Hoe zult gij dat doen?

—Ik zal hem persoonlijk aanvallen en hem het mes op de borst zetten.

—En hem doorsteken?

—Als hij niet gehoorzaamt, zeker.

—Drommels gij zijt een dappere kerel!—riep hij verschrikt.—Zoudt gij zoo iets durven?

—Ik verzeker u, dat ik het zou doen.

—Dat is.... dat is....—Hij hield even op, zijn gezicht nam een geheel andere uitdrukking aan en toen vervolgde hij:—Hoor eens, dat is niet zoo kwaad bedacht, den hoofdman het mes op de keel te zetten, is de eenige manier, om hem te dwingen te doen, wat wij willen. Het is waar, een greenhorn kan ook nog wel eens een schrandere gedachte hebben.

Hij wilde verder gaan, maar Bancroft kwam op ons toe en drong er op aan, dat wij aan het werk zouden gaan. De man had gelijk, wij mochten geen uur verliezen, wilden wij met ons werk gereed zijn, voor Intschu Tschuna en Winnetou hier terug konden zijn.

Tot aan den namiddag waren wij druk bezig, toen evenwel kwam Sam op ons toe en zeide:

—Ik moet u helaas storen, sir, want de Kiowa’s schijnen iets voor te hebben met hun gevangenen.

—Iets? dat is zeer onbepaald, weet gij niet wat?

—Ik heb wel eenig vermoeden, zij schijnen de arme kerels aan den folterpaal te willen laten sterven.

—Wanneer? later of nu dadelijk?

—Natuurlijk nu, anders was ik niet bij u gekomen. Ik heb allerlei voorbereidselen zien maken.

—Maar dat mag niet gebeuren. Waar is het opperhoofd?

—Bij zijn krijgers.

—Wij moeten zien hem hierheen te lokken. Wilt gij dat op u nemen, Sam?

—Ja, maar hoe zal ik dat aanleggen?

Ik zag eens om mij heen. De Kiowa’s waren niet meer daar, waar zij gisteren gelegerd hadden. Zij waren ons gevolgd en hadden zich neergezet aan den rand van een klein boschje. Rattler en zijn lieden waren bij hen gebleven en Sam Hawkins had, om een oogje op hen te kunnen houden, tot nu toe in hun nabijheid rondgeloopen, terwijl Parker en Stone bij mij waren gebleven. Tusschen de roodhuiden en de plaats, waar ik op dit oogenblik stond, lag eenig kreupelhout, dat de Kiowa’s verhinderde te zien, wat bij ons gebeurde. Ik antwoordde op Sam’s vraag:

—Zeg hem eenvoudig, dat ik hem iets heb te zeggen, maar dat ik om mijn werk niet van hier kan, dan zal hij wel komen.

—Ik hoop het. Maar wanneer hij anderen meebrengt?

—Die laat ik dan aan u, Stone en Parker over. Ik neem hem voor mijn rekening. Houd riemen gereed om hem te binden. De zaak moet vlug, maar zoo mogelijk zonder leven maken afloopen.

—Welnu, ik weet niet of wat gij voorhebt, goed is, maar ik weet niets beters en daarom moet gij uw zin maar hebben. Wij wagen ons leven, maar wij zullen het duur verkoopen, hihihihi!

Zoo op zijn eigenaardige wijze lachend, verwijderde hij zich. Mijne heeren collega’s bevonden zich niet ver van ons, maar zij hadden ons gesprek toch niet kunnen hooren. Ik dacht er ook niet aan, hun iets mede te deelen van mijn plannen, want ik wist, dat zij mij stellig zouden tegenwerken. Hun eigen leven was hen meer waard dan dat der Apachen.

Ik was mij hetgeen ik waagde volkomen bewust. Mocht ik Dick Stone en Will Parker aan zulk een groot gevaar blootstellen, zonder hen vooraf op de hoogte te brengen? Neen. Ik vertelde hen dus alles en vroeg, of zij misschien liever niet mee wilden helpen. Stone antwoordde evenwel dadelijk:

—Waar denkt gij aan, sir! Ziet gij ons aan voor schurken, die hun vriend in den steek laten, wanneer deze zich in nood bevindt? ’t Is een waagstuk wat gij voorhebt, en wij, als echte prairiejagers, verheugen er ons reeds op, niet waar, Will?

—Ja,—knikte Parker,—ik zou wel eens willen zien, of wij met ons vieren het niet tegen tweehonderd Indianen zouden kunnen houden. Ik verheug er mij reeds op, hen al brullend te zien aankomen, terwijl zij ons toch niets durven doen.

Ik werkte rustig door, tot Stone na eenigen tijd riep:

—Houd u gereed, sir, zij komen.

Nu keerde ik mij om. Sam kwam met Tangua, doch helaas gevolgd door drie roodhuiden.

—Ieder een man,—zeide ik—ik neem den aanvoerder, gij de anderen, maar neem hen bij de keel, opdat zij niet kunnen schreeuwen en wacht tot ik het voorbeeld geef.

Ik ging Tangua langzaam tegemoet, Stone en Parker volgden mij. Wij stonden zoo, dat de andere Kiowa’s ons door het kreupelhout niet konden zien. De aanvoerder zette een allesbehalve vriendelijk gezicht en zeide:

—Het bleekgezicht, dat Old-Shatterhand wordt genoemd, heeft mij laten komen. Heeft hij vergeten, dat ik de aanvoerder der Kiowa’s ben?

—Neen, dat weet ik zeer goed,—antwoordde ik.

—Dan hadt gij bij mij moeten komen, in plaats van ik bij u. Daar ik echter weet, dat gij nog maar kort in dit land zijt en dus nog moet leeren beleefd te zijn, zal ik u deze fout vergeven. Wees kort, want ik heb geen tijd.

—Wat hebt gij dan voor gewichtigs te doen?

—Wij willen die honden van Apachen eens laten kermen.

—Wanneer?

—Zoo aanstonds.

—Waarom nu reeds? Ik dacht, dat gij de gevangenen mee wildet nemen naar uw wigwams en ze daar, in tegenwoordigheid van uw vrouwen en kinderen, aan den folterpaal wildet laten sterven.

—Dat was ook ons plan, maar zij zouden ons maar hinderen bij den krijgstocht welken wij ondernomen hebben, daarom zal ik ze nu maar laten sterven.

—Ik verzoek u, dit niet te doen.

—Gij hebt niets te verzoeken,—was het antwoord.

—Wilt gij niet even beleefd jegens mij zijn, als ik tegen u? Ik deed slechts een verzoek. Had ik u een bevel gegeven, dan hadt gij misschien reden, om lomp tegen mij te zijn.

—Ik wil van u niets hooren, geen bevel en ook geen verzoek. Ik zal, ter wille van een bleekgezicht, geen verandering brengen in een eens genomen besluit.

—Misschien zult gij dit toch doen. Hebt gij het recht, de gevangenen te dooden? Ik wil uw antwoord niet hooren, want ik ken dit, maar men kan een mensch snel dooden en ook langzaam doodmartelen. Wij zullen niet toestaan, dat dit laatste in onze tegenwoordigheid geschiedt.

Nu rekte hij zich uit en zeide op minachtenden toon:

—Niet toestaan? Wat verbeeldt gij u! Gij zijt tegenover mij niet meer dan een pad, die tegen een beer wil vechten. De gevangenen behooren mij en ik zal met hen doen, wat ik verkies.

—Zij zijn in uw handen gekomen door onze hulp en wij hebben evenveel recht op hen, als gij. Wij wenschen, dat zij in leven zullen blijven.

—Wensch wat gij wilt, blanke hond, ik lach om uw woorden!

Hij spuwde op den grond en wilde zich omkeeren, maar terzelfder tijd trof hem mijn vuist, zoodat hij neerviel. Hij was evenwel niet geheel bewusteloos en wilde weer opstaan. Daardoor moest ik mij bukken, om hem nog een slag te geven en kon dus niet op de anderen letten. Toen ik hem den tweeden slag had gegeven, en mij weer oprichtte, zag ik Sam Hawkins op een der roodhuiden knielen, Stone en Parker worstelden met den tweede en de derde, liep luid schreeuwend weg.

Ik kwam Sam te hulp. Toen wij zijn Kiowa hadden gebonden, waren ook Dick en Will met hun gevangene gereed.

—Dat was niet heel handig van u,—zeide ik tot hen,—waarom hebt gij den derden laten ontkomen?

—Omdat ik toevallig juist op denzelfden los ging als Stone,—antwoordde Parker,—daardoor gingen niet meer dan twee seconden verloren, maar de schurk heeft ze gebruikt om te ontkomen.

—Het doet er niets toe,—troostte Sam Hawkins ons,—alleen verhaastten wij den loop der dingen wat. Binnen een paar minuten zullen de roodhuiden hier zijn, laat ons zorgen, dat wij ruimte hebben.

Terwijl wij den aanvoerder stevig bonden, kwam de hoofdingenieur, die met grooten schrik gezien had, wat er was gebeurd, op ons toeloopen:

—Wat begint ge toch,—schreeuwde hij—wat hebben de Indianen u gedaan? Zij zullen ons vermoorden.

—Zeker zal dat gebeuren, als gij u niet spoedig bij ons voegt,—antwoordde Sam.—Roept uw makkers en komt mee. Wij zullen u beschermen.

—Gij ons beschermen.—Dat is....

—Zwijg—viel de kleine Sam hem in de rede,—wij weten zeer goed wat wij willen, wanneer gij niet bij ons blijft, zijt gij verloren, vlug wat!

Wij namen de drie gebonden Indianen op, en droegen ze, zoo vlug wij konden, een eind de prairie in, waar wij hen nederlegden. Bancroft en zijn drie opzichters waren ons gevolgd. Wij hadden deze plaats uitgekozen, omdat wij op vrij terrein veiliger waren dan op een plaats, welke wij niet geheel konden overzien.

—Wie zal met de roodhuiden spreken, als zij komen, ik misschien?—zoo vroeg ik aan Sam.

—Neen sir,—was het antwoord,—laat dat aan mij over, gij zijt het half-indiaansche mengelmoes niet voldoende machtig. Kom mij echter op het geschikte oogenblik te hulp, door te doen, alsof gij den hoofdman wilt doorsteken.

Nauwelijks had hij dit gezegd, of wij hoorden het woedend gehuil van de Kiowa’s en eenige oogenblikken laten zagen wij hen bij het zooeven genoemde kreupelboschje. Zij sprongen er om- en doorheen, en kwamen eindelijk op ons toe, maar daar de een sneller liep dan de andere, vormden zij geen aaneengesloten troep, maar een lange rij van enkele personen. Dit was voor ons gemakkelijker, een geordende schaar zou niet zoo licht tot staan zijn gebracht.