Part 14
Nu was het de eerste vraag, wanneer zij zich weder verwijderden! Hooren konden wij dit niet en zien evenmin, en toch mochten wij, wanneer zij eenmaal weg zouden zijn, geen oogenblik verliezen; want reeds spoedig daarop kon de geheele troep hier zijn. In dien tusschentijd evenwel moesten de Kiowa’s het schiereiland bezetten. Het was dus het beste, niet te wachten tot zij weggingen, maar hen daartoe te dwingen. Daarom stond Sam op, deed alsof hij hout wilde zoeken, en drong aan den eenen kant het kreupelboschje in, terwijl ik het van den anderen kant naderde. Wij konden nu zeker zijn, dat de verkenners zouden wegsluipen. Nu hield Sam de beide handen voor den mond en liet driemaal het geluid van een kikvorsch hooren. Dit was voor de Kiowa’s het teeken, dat zij konden komen. Daarop ging hij naar zijn eersten post terug, om ons de aankomst van den geheelen troep te kunnen melden.
Nauwelijks twee minuten later, kwamen de Kiowa’s aangeslopen, de een achter den ander aan. Zij hadden niet in het bosch het teeken afgewacht, maar waren reeds tot aan de beek vooruitgedrongen, om bij den eersten roep daarover te springen. Als slangen kropen zij over den bodem naar het schiereiland en zoo snel en handig ging dit, dat binnen drie minuten de laatste ons voorbij kroop.
Wij wachtten nu op Sam. Spoedig kwam deze en fluisterde ons toe:
—Zij komen en wel van twee kanten. Legt geen hout meer op het vuur; want wij moeten zorgen, dat, als de vlam dooft, er nog genoeg overblijft, waarmee de roodhuiden opnieuw het vuur kunnen doen opvlammen.
Wij stapelden onzen houtvoorraad zóó rondom het vuur, dat ons verdwijnen door het schijnsel niet kon worden verraden. Toen dit geschied was, moest ieder van ons meer of minder de rol van tooneelspeler op zich nemen. Wij wisten, dat er een vijftigtal Apachen in onze nabijheid was, doch wij mochten het niet laten merken. Het volgende oogenblik kon over veel, ja zelfs over ons leven beslissen. Wij hadden nu eenmaal uitgemaakt, dat zij zouden wachten, tot wij zouden zijn ingeslapen, maar hoe, wanneer zij dit nu eens niet deden? Dan hadden wij wel is waar tweehonderd Kiowa’s die ons te hulp zouden snellen, maar het zou tot een gevecht komen, waarbij zeker menig man van onze zijde het leven zou moeten inboeten. Het beslissende oogenblik was gekomen en ziet, wat ik had gedacht, bleek waarheid te zijn, ik was kalm, zóó kalm, alsof ik een partij schaak of domino zou spelen. ’t Was interessant de overigen gade te slaan. Rattler lag languit op den grond, met zijn gezicht naar de aarde, en deed alsof hij sliep. Zijn beroemde metgezellen zagen elkaar met doodsbleek gelaat aan en stamelden slechts eenige onverstaanbare klanken. Will Parker en Dick Stone zaten zoo gemoedelijk naast elkaar, alsof er in de geheele wereld geen Apache was. Sam Hawkins verkocht den eenen kwinkslag na den anderen en ik lachte luidkeels over zijn grappen. Toen er op deze wijze een half uur was verstreken, konden wij gerust zijn, dat de overval eerst zou geschieden, wanneer wij sliepen, anders was zij nu reeds lang gebeurd. Het vuur was bijna uitgedoofd en ik vond het dus geraden de beslissing niet langer uit te stellen. Daarom gaapte ik enkele malen, rekte mij uit en zeide:
—Ik ben moe en ’k zou wel willen slapen, gij ook niet, Sam Hawkins?
—Ik heb er niets tegen,—antwoordde hij.—Het vuur gaat uit, goeden nacht!
—Goeden nacht!—zeiden ook Parker en Stone, en nu schoven wij zoover mogelijk van het vuur af, en deden toen, alsof wij gingen slapen.
De vlam werd al kleiner en kleiner, tot zij eindelijk doofde, alleen de asch gloeide nog, maar door het rondom opgestapelde hout konden wij dit niet zien. Wij lagen allen in het donker, en nu was het de kunst, zoo zacht mogelijk verder te kruipen en ons op deze wijze in veiligheid te brengen. Ik greep mijn geweer en kroop langzaam verder. Sam bleef dicht bij mij en de anderen volgden. Het gelukte ons werkelijk de Kiowa’s te bereiken, die reeds als roofgierige panters op de loer lagen.
—Sam,—fluisterde ik,—als de beide hoofdmannen gespaard zullen worden, dan moeten wij er voor zorgen, dat geen Kiowa hen aanraakt. Zijt gij dat met mij eens?
—Ja.
—Ik neem Winnetou voor mijn rekening, gij, Stone en Parker moeten voor Intschu Tschuna zorgen.
—Gij één alleen en wij één met ons drieën? dat gaat niet, als ik mij niet vergis.
—Het is toch het beste, geloof mij. Ik ben met Winnetou spoedig klaar, maar gij moet met uw drieën zijn, want wanneer zijn vader tijd en gelegenheid krijgt, om zich te verdedigen, kan dit voor hem leelijke gevolgen hebben.
—Gij hebt gelijk! Maar, dan moeten wij de eersten zijn, laat ons dus een beetje vooruitgaan, kom mee!
Wij kropen iets nader bij het vuur en wachtten nu in de grootste spanning op het krijgsgeschreeuw der Apachen, want wij wisten, dat zij zonder dit geen aanval zouden doen.
Het is de gewoonte, dat de aanvoerder door een schreeuw het teeken geeft en de anderen vallen dan met een helsch lawaai in. Dit huilen geschiedt met het doel, de aangevallenen den moed te benemen, zich te verdedigen.
De Kiowa’s waren, evenals wij, in spanning. Ieder van hen, wilde ook gaarne de eerste zijn en daarom drongen zij naar voren, zoodat wij al verder en verder vooruitgeschoven werden. Dit was gevaarlijk en daarom hoopte ik vurig, dat de aanval niet te lang op zich zou laten wachten.
Deze wensch werd eindelijk vervuld. Daar weerklonk het bekende hiiiiiiih! op zoo luiden en doordringenden toon, dat het mij door merg en been ging en daarop volgde een gehuil, als uit duizend kelen tegelijk.
Wij hoorden, ondanks den zachten bodem, snelle schreden en sprongen. Toen was plotseling alles weder stil. Eenige oogenblikken bewoog zich niets, men had, om zoo te zeggen, een muis kunnen hooren loopen. Toen hoorden wij Intschu Tschuna het enkele korte woord „ko” roepen.
Dit woord beteekent vuur; er moest dus vuur aangemaakt worden. Onze asch gloeide nog, en het dorre hout dat er omheen lag, zou gemakkelijk branden. Het duurde dan ook maar enkele minuten of de vlam sloeg uit en de geheele omgeving was verlicht.
Intschu Tschuna en Winnetou stonden naast elkaar en er vormde zich spoedig een kring van krijgers om hen heen, toen de Apachen tot hun verwondering zagen, dat wij verdwenen waren.
—Oef, oef, oef!—riepen allen verbaasd.
Winnetou toonde toen reeds, ondanks zijn jeugd, die omzichtigheid, welke ik later zoo dikwijls in hem heb bewonderd. Hij maakte bij zich zelf ongetwijfeld de opmerking, dat wij ons nog in de nabijheid moesten bevinden en dat de om het vuur staande Apachen, zich bijzonder bloot gaven, en licht door ons geweervuur zouden worden getroffen. Daarom riep hij:
—Tatischa, tatischa!
Dit beteekent: „verwijdert u, verwijdert u.” Hij wilde zelf het voorbeeld geven, maar ik was hem te vlug af. Met vier of vijf schreden was ik bij den kring, welke zich om hem had gevormd. De mij in den weg staande Apachen wegduwend, snelde ik op hem toe, op den voet gevolgd door Hawkins, Stone en Parker. Juist toen Winnetou zijn luid: tatischa! had geroepen, stond ik voor hem en wij zagen elkander een oogenblik diep in de oogen. Zijn hand greep naar het mes, dat hij in den gordel droeg, maar reeds had mijn vuistslag zijn slaap getroffen en bewusteloos zonk hij neer. Tegelijkertijd hadden Sam, Will en Dick zijn vader vastgegrepen.
De Apachen huilden van woede, maar hun gehuil werd overstemd door het verschrikkelijke brullen der Kiowa’s, die zich nu op hen wierpen.
Ik stond, daar ik in de rij der Apachen was gedrongen, midden tusschen het kluwen van strijdende en huilende menschen, die met elkander worstelden. Tweehonderd Kiowa’s tegen vijftig Apachen, dus vier tegen een! De brave krijgers van Winnetou weerden zich dapper. Ik had heel wat moeite, ze van mij af te houden, en moest mij als een tol in het rond draaien. Daarbij gebruikte ik alleen mijn vuisten, want ik wilde, indien mogelijk, niemand verwonden of dooden. De overmacht was te groot; na vijf minuten was de strijd ten einde. De hoofdman Intschu Tschuna lag gebonden op den grond, naast hem lag Winnetou bewusteloos, en ook hem werden handen en voeten gebonden. Geen enkele Apache was ontkomen, vooral omdat het dezen dapperen lieden niet in het hoofd was opgekomen, hun beide aanvoerders in den steek te laten.
Velen van hen waren gewond en ook enkelen der Kiowa’s en jammer genoeg hadden deze drie en de Apachen vijf dooden. Dit had weliswaar niet in ons plan gelegen, doch tengevolge van den krachtigen tegenstand der Apachen, waren de slagen natuurlijk harder aangekomen.
De overwonnen vijanden werden allen gebonden, de lijken van de enkelen, die helaas gedood waren, werden weggebracht en wij begonnen de gewonde Apachen te onderzoeken en te verbinden. Wij ondervonden daarbij soms heftig verzet, want de meesten van hen, waren te trotsch om een dienst van den vijand aan te willen nemen. Toen dit werk was afgeloopen, overlegden wij, hoe de gevangenen den nacht zouden doorbrengen. Ik wilde het hen zoo gemakkelijk mogelijk maken, maar Tangua, het opperhoofd der Kiowa’s, voer mij tegemoet:
—Deze honden behooren niet u, maar mij, en ik alleen heb te beslissen, wat met hen zal gebeuren.
—En wat beslist gij dan?—vroeg ik.
—Wij zouden hen kunnen bewaken, tot wij in onze dorpen terugkomen, maar daar deze zoo ver af zijn, en wij eerst nog de rest van hun troep willen overvallen, zullen wij maar korte wetten met hen maken. Zij komen aan den folterpaal.
—Allen?
—Allen!
—Dat geloof ik niet.
—Waarom niet!
—Omdat gij u vergist, gij zegt dat de Apachen u toebehooren, dat is niet juist.
—Dat is juist!
—Neen.—Volgens de prairiewetten behoort de gevangene, aan hem, die hem gevangengenomen heeft. Houd dus de Apachen, die gij overwonnen hebt, daar heb ik niets tegen, maar die, welke wij gevangen hebben, behooren ons.
—Oef, oef, wat praat gij verstandig. Gij wilt dus Intschu Tschuna en Winnetou behouden.
—Natuurlijk.
—En als ik dat niet toesta?
—Dat moet gij!
Hij sprak op vijandigen toon, ik evenwel was kalm en bezadigd. Toen trok hij zijn mes, stak het tot aan het heft in de aarde en zeide terwijl hij mij met fonkelende oogen aanzag:
—Raakt gij met uw hand, ook maar een enkelen Apache aan, dan zal uw lichaam zijn als deze plaats waarin ik mijn mes steek. Ik heb gezegd! Howgh!
Hij sprak in vollen ernst, maar ik zou hem toch te kennen hebben gegeven, dat ik mij niet door hem liet bedreigen, indien Sam Hawkins niet zoo verstandig was geweest, mij een waarschuwenden blik toe te werpen, die mij tot kalmte en voorzichtigheid aanmaande. Ik vond het dus beter, te zwijgen.
De gebonden Apachen lagen rondom het vuur en het was dus het eenvoudigste geweest, hen stil daar te laten liggen, waar zij zonder eenige moeite bewaakt konden worden. Tangua evenwel, wilde mij bewijzen, dat hij hen werkelijk als zijn eigendom beschouwde en naar willekeur met hen kon handelen, daarom gaf hij bevel, hen staande aan de nabijzijnde boomen vast te binden.
Dat geschiedde en wel, naar te begrijpen is, op niet al te zachte wijze. De Kiowa’s waren ruw en spaarden de arme overwonnenen niet, maar wat leed hun ook geschiedde, geen der Apachen vertrok daarbij het gezicht. Het ruwst was men nog tegen de beide opperhoofden, wier banden zoo stijf werden aangesnoerd, dat het bloed uit het opgezwollen vleesch scheen te willen springen.
Het was bepaald onmogelijk, dat een der gevangenen zich zelf los kon maken of ontvluchten, maar toch zette Tangua wachten om de legerplaats heen.
Ons vuur, dat intusschen weer was aangewakkerd, brandde zooals reeds gezegd, aan het verste einde van de grasstrook, welke naar het water voerde. Wij gingen daar liggen en hadden afgesproken geen Kiowa in onze nabijheid te dulden, daar hun tegenwoordigheid de bevrijding van Winnetou en zijn vader onmogelijk zou kunnen maken, maar deze afspraak was overbodig, want het scheen hun in ’t geheel niet in den zin te komen, zich bij ons te voegen. Reeds van den aanvang af waren zij allesbehalve vriendelijk tegen ons geweest, en na mijn laatste woordenwisseling met hun hoofdman werd het er niet beter op. De koele, bijna minachtende blikken, welke zij ons toewierpen, zeiden ons, dat wij blij mochten zijn, indien wij zonder verderen twist van elkander konden scheiden.
Zij ook hadden vuren aangelegd, een weinig verder de savanna in, en lagen kalm daaromheen, terwijl zij met elkander spraken, niet in de taal, welke gebruikelijk is tusschen blanken en roodhuiden, maar in de taal van hun volk. Wij moesten hen niet kunnen verstaan en ook dit was een ongunstig teeken. Zij beschouwden zich hier als meester van het terrein en de houding welke zij aannamen, geleek op die van een leeuw, die een hondje bij zich duldt.
Het was daarom juist zoo moeielijk, ons plan ten uitvoer te brengen, omdat slechts vier personen daarvan mochten weten, namelijk Sam Hawkins, Dick Stone, Will Parker en ik. De anderen wilden en mochten wij niet in ’t geheim nemen, want waarschijnlijk zouden zij zich tegen ons voornemen verzetten, ja ’t kon zelfs mogelijk zijn, dat zij dit aan de Kiowa’s zouden verraden. Wij hoopten dus maar, dat zij spoedig in slaap zouden vallen en daar wij daarop toch moesten wachten, ried Sam ons aan, zelf ook maar eens een uiltje te knappen. Wij gingen dus liggen, en ik was, ondanks den opgewonden toestand waarin ik verkeerde, weldra ingeslapen. Een poos later wekte Sam mij. Ik wist destijds nog niet den tijd te bepalen naar den stand der sterren, maar het moet kort na middernacht zijn geweest. Onze metgezellen sliepen en het vuur was uitgedoofd. De Kiowa’s brandden ook slechts één vuur. Wij konden zachtjes met elkaar spreken en Sam fluisterde mij toe:
—Wij moeten een keus doen uit ons vieren, allen kunnen wij niet weg.
—Ik ga natuurlijk!—antwoordde ik zeer beslist.
—Oho, niet zoo haastig, sir, ’t kan u uw leven kosten!
—Dat weet ik.
—En wilt gij dit wagen?
—Ja.
—Komaan, gij zijt een brave kerel. Maar er is iets anders; het welslagen van ons plan hangt af van den persoon, die het uitvoert.
—Natuurlijk.
—’t Verheugt mij, dat gij dit ook inziet, en daarom, denk ik, zult gij er wel van afzien, dit op u te nemen.
—Ik denk er niet aan!
—Wees verstandig, sir! laat mij met Dick Stone gaan.
—Neen.
—Gij zijt er niet voor berekend, gij weet nog niet, hoe men dat besluipen doet.
—’t Is mogelijk, maar laat mij vandaag u dan eens bewijzen, dat men ook wel eens tot een goed einde kan brengen, wat men nog nooit van te voren heeft gedaan, als men er maar lust in heeft.
—En handig is, sir, vergeet dat niet, en gij zijt niet geoefend.
—Mag ik een proef leveren?
—Wilt gij dat?
—Zeker.
—Welke proef?
—Welnu, weet gij of Tangua slaapt of waakt?
—Neen.
—En toch is het voor ons van groot belang dit te weten, niet waar Sam?
—Ja, ik zal zoo straks eens naar hem gaan zien.
—Neen, dat zal ik doen.
—Gij, waarom?
—Om u het bewijs te leveren, dat ik de kunst van besluipen ook versta.
—Zoo, maar als men u ontdekt?
—Dan is ’t nog niets, want dan zeg ik, dat ik mij heb willen overtuigen, of de wachten op hun post waren.
—Dat is goed bedacht, maar waarom staat gij daar zoo op?
—Om uw vertrouwen te winnen en als dit goed afloopt, zult gij toch niet weigeren mij mee te nemen naar Winnetou, niet waar, Sam?
—Nu, dat zullen wij dan later wel zien.
—Goed; kan ik dan nu naar den hoofdman gaan?
—Ja, maar wees voorzichtig. Als men u betrapt, zal later, wanneer Winnetou weg is, de verdenking op u vallen, en men zal stellig vermoeden dat gij hem hebt losgesneden!
—En dan niet ver van de waarheid zijn.
—Blijf steeds achter de boomen en struiken en pas op, dat gij niet op een plaats komt, waar het schijnsel van het vuur valt, blijf steeds in donker.
—Ik zal in het donker blijven, Sam!
—Ik hoop het, er zijn minstens dertig Kiowa’s, die waken, de wachten niet meegerekend. Als gij het er goed afbrengt, zal ik u prijzen en denken, dat er in een jaar of tien, wel een goede prairiejager uit u zal te maken zijn, hoewel gij nu nog, ondanks al mijn lessen, een echte greenhorn zijt, hihihihi.
Ik schoof het mes en de revolver zoo diep mogelijk in den gordel en verwijderde mij al kruipende van het vuur. Heden, jaren nadat ik dit beleefde, gevoel ik het gewicht van de groote verantwoordelijkheid, welke ik destijds zoo gemakkelijk op mij nam, de groote brutaliteit van het plan, dat ik had opgevat. Wilde ik namelijk den hoofdman niet besluipen?
Ik had voor Winnetou genegenheid opgevat en wilde hem dit zoo mogelijk bewijzen door een daad, waarbij ik mijn leven waagde. Daarvoor bood zich nu de gelegenheid aan, ik kon hem bevrijden, maar ik wilde dit zelf doen en geheel alleen. En nu kwam Sam dit plan verstoren, en wilde dit doen met Dick Stone. Zelfs al gelukte het mij, den hoofdman te besluipen, zonder opgemerkt te worden, dan nog zou Sam zijn bedenkingen niet laten varen. Daarom was ik op de gedachte gekomen, er niet langer met hem over te spreken en mijn eigen gang te gaan. Neen, ik wilde niet naar den hoofdman, maar naar Winnetou!
Ik zette evenwel niet alleen mijn eigen leven op het spel, maar ook dat van mijn makkers, want werd ik ontdekt, dan was het met ons gedaan. Ik wist dit toen zeer goed, maar ging in jeugdigen overmoed, licht daarover heen.
Ik had dikwijls van besluipen gelezen en sedert ik in het Westen was, ook dikwijls daarvan gehoord. Sam had mij ook gezegd en voorgedaan, hoe men dit moet aanleggen, maar hoewel ik het hem had nagedaan, was er geen sprake van, dat ik er even vaardig in was als hij. Dit belette echter niet, dat ik vol vertrouwen was op het welslagen van mijn onderneming.
Ik lag in het gras en kroop voort naar het kreupelhout. Van onze legerplaats, waar Winnetou en Intschu Tschuna ieder aan een boom waren gebonden, was ik nu ongeveer vijftig schreden verwijderd. Ik had mij nu eigenlijk zóó voort moeten schuiven, dat alleen mijn vingertoppen en mijn teenen den grond raakten, maar om dit vol te houden, heeft men een kracht en volharding noodig, welke men zich alleen door langdurige oefening eigen kan maken, destijds bezat ik die nog niet. Daarom schoof ik mij op de knieën en ellebogen vooruit, vooraf de plaats waar ik mijn lichaamsdeelen neerzette, goed met de hand betastend, of er soms ook een dor takje lag, waaraan het gekraak mij kon verraden, en langzaam, zeer langzaam kwam ik vooruit.
De Apachen waren gebonden aan de boomen, welke aan weerskanten van de smalle grasstrook groeiden. De beide aanvoerders bevonden zich, van onze legerplaats gezien, aan den linkerkant. Vier of vijf passen van hen af, zat, met het gezicht naar hen toegekeerd, een Indiaan, die hen te bewaken had. Dit maakte mijn werk moeielijk, ja bijna onmogelijk, en ik had al vooruit bedacht op welke wijze ik zijn opmerkzaamheid kon afleiden, al was het dan ook slechts voor enkele seconden. Ik had echter daartoe kleine steentjes noodig, en die waren, helaas! hier niet te vinden.
Ongeveer de helft van den weg was afgelegd, en daarvoor had ik meer dan een half uur noodig gehad! Daar zag ik iets wits schemeren en tot mijn groote vreugde bemerkte ik een kleine, misschien twee meter breede spleet, die met zand gevuld was. Ik vulde haastig mijn zakken daarmee en kroop verder.
Na wederom een half uur bevond ik mij eindelijk achter Winnetou en zijn vader, misschien vier pas van hen af. De boomen aan welke zij, met den rug naar mij toe, waren vastgebonden, waren niet zeer dik en ik zou hen niet hebben kunnen naderen, wanneer aan den voet niet eenig kreupelhout had gestaan, dat mij voor de blikken van den schildwacht kon verbergen. Bovendien stond, zijwaarts achter den wachter, een stekelige struik, welke mij van dienst kon zijn.
Ik schoof mij voort, tot juist achter Winnetou en bleef hier eenige minuten stilliggen, om den wachter nauwkeurig gade te slaan. Hij scheen vermoeid te zijn, want hij had de oogen gesloten en opende ze slechts van tijd tot tijd met groote moeite. Dit kwam mij goed van pas.
Eerst moest ik nu nazien, op welke wijze Winnetou gebonden was. Ik reikte dus voorzichtig met mijn hand om den stam heen en betastte zijn voet en scheenbeen. Hij moest dit natuurlijk voelen en ik was een oogenblik bang, dat hij een beweging maken zou, welke mij verraden kon hebben; dit geschiedde evenwel niet, hij was daartoe te bezonnen en had te veel tegenwoordigheid van geest.
Ik bevond dat zijn voeten eerst aan elkaar waren gebonden en dan met een riem aan den boom vastzaten. Hier waren dus twee messneden noodzakelijk.
Toen zag ik naar boven. Bij het flikkerende vuur bemerkte ik, dat men zijn handen om den boom had getrokken en daar met een riem had samengebonden. Hier behoefde ik dus maar één snee te doen.
Nu echter kwam mij iets in den zin, waaraan ik nog niet gedacht had. Als ik Winnetou lossneed, zou hij naar ik dacht onmiddellijk de vlucht nemen en dit zou mij in groot gevaar kunnen brengen. Ik peinsde en dacht, maar kon geen uitweg vinden, ik moest het er op wagen en mij, indien de Apache dadelijk wegliep, ook uit de voeten zien te maken.
Hoe had ik mij echter in Winnetou vergist! Ik kende hem nog niet. Toen wij later eens over zijn bevrijding spraken, deelde hij mij mee, wat toen zijn gedachten waren geweest. Toen hij mijn tastende hand gevoeld had, had hij gemeend, dat het die van een Apache was. Wel waren allen, die hij bij zich had, gevangengenomen, maar het kon toch zijn, dat de een of andere verkenner of bode hen ongemerkt gevolgd was. Hij had toen begrepen, dat men hem wilde bevrijden en had kalm gewacht, tot men de riemen zou doorsnijden. Hij dacht er niet aan zijn houding oogenblikkelijk te veranderen, want hij zou in geen geval zijn gevlucht, zonder zijn vader en bovendien wilde hij dengene, die hem bevrijdde, niet in gevaar brengen.
Ik sneed eerst de onderste riemen los, de bovenste kon ik, zoo liggend, niet bereiken. En zelfs al had ik dit kunnen doen, dan was nog de grootste voorzichtigheid noodig, om Winnetou niet in de handen te snijden. Ik moest dus wel opstaan, maar dan was ik bijna zeker dat de wachter mij zou zien. Om zijn aandacht af te leiden, had ik het zand meegebracht, ik nam dus een weinigje in de hand en wierp dit aan Winnetou voorbij, tegen den stekeligen struik, waardoor eenig ritselen ontstond. De roodhuid keerde zich om, en zag naar den struik, maar maakte zich verder niet ongerust. Ik herhaalde, wat ik zooeven gedaan had. Nu werd hij toch eenigszins wantrouwend, stond op en doorzocht het struikje. Daarbij keerde hij ons den rug toe en van dit oogenblik maakte ik gebruik, om op te staan en den riem, welke Winnetou’s handen vasthield, los te snijden. Ik raakte daarbij het prachtige haar van Winnetou aan, dat op het hoofd als een pluim was opgebonden en dan nog zwaar en lang op den rug neerhing, en snel sneed ik met mijn mes een lange lok af, voordat ik mij weer op den grond liet vallen. Waarom ik dit deed? Om, indien ’t noodig was, een bewijs te hebben, dat ik het was, dien hem had losgesneden.
Tot mijn groote blijdschap, maakte Winnetou niet de geringste beweging, hij bleef stokstijf staan. Ik wond het haar om mijn vinger en stak het bij mij. Toen kroop ik naar Intschu Tschuna, wiens banden ik eveneens lossneed. Hij was op dezelfde wijze gebonden als Winnetou en bleef, toen hij mijn aanraking voelde, evenals zijn zoon, onbeweeglijk staan. Nu kwam het mij in de gedachte, dat het beter was, de op den grond gevallen riemen niet te laten liggen. De Kiowa’s behoefden immers niet te weten, op welke wijze de gevangenen bevrijd waren geworden. Vonden zij de riemen, dan zouden zij zien, dat zij doorgesneden waren en de verdenking zou op ons vallen. Ik nam dus eerst bij Intschu Tschuna de riemen weg, kroop toen weer naar Winnetou om daar hetzelfde te doen, stak ze bij mij en begaf mij toen op den terugweg.