Part 13
—Ja zeker. Wij maken natuurlijk een wachtvuur, opdat zij ons duidelijk kunnen zien. Zoolang dit brandt, houden de Apachen zich op een afstand. Wij laten het stil uitbranden en sluipen, zoodra het donker wordt, weg, om de Kiowa’s te halen. Nu werpen de Apachen zich op onze legerplaats en.... vinden geen mensch, hihihihi! Zij zijn natuurlijk zeer verbaasd en steken het vuur weer aan, om ons te zoeken! Wij zien hen dan even duidelijk, als zij ons zooeven zagen. De rollen worden dan omgekeerd, en nu zijn zij het, die overvallen worden. Dat wordt een slag, waarover men nog lang zal spreken en dan zal er bij gezegd worden: dat heeft Sam Hawkins kostelijk bedacht, als ik mij niet vergis!
—Ja, het zou prachtig zijn, als alles ging, zooals gij dacht.
—Het zal niet anders gaan, daarvoor zal ik wel zorgen.
—En dan verder? Zullen wij dan de Apachen heimelijk bevrijden?
—Intschu Tschuna en Winnetou in elk geval.
—De anderen niet?
—Voor zoover dit zonder ons zelf te verraden mogelijk is.
—Hoe zal het dan met de overigen gaan?
—Dat zal nog meevallen sir, dat verzeker ik u. De Kiowa’s zullen in de eerste oogenblikken meer aan de vluchtelingen denken, dan aan de anderen. En mochten zij al te bloeddorstig zijn, dan is Sam Hawkins er ook nog. Trouwens gij moet u niet het hoofd breken over wat later zal gebeuren, gij kunt uw tijd wel beter gebruiken. Komt tijd, komt raad. Er moet echter vóór alles een plaats gezocht worden, welke geschikt is voor de uitvoering van ons plan. Morgen vroeg zal ik mij daarmee onledig houden, vandaag hebben wij overlegd, morgen moeten wij handelen.
Hij had gelijk, verder spreken en plannen maken was overbodig, wij konden nu niets anders doen dan afwachten, wat er zou gebeuren.
De nacht was allesbehalve aangenaam. Er kwam een flinke wind opzetten, die langzamerhand tot een storm aanwakkerde en tegen den morgen begon het erg koud te worden. Sam Hawkins keek eens naar de lucht en meende:
—Vandaag zullen wij iets beleven, dat in deze streek zelden voorkomt; het zal regenen, als ik mij niet vergis. En dat zal de uitvoering van ons plan begunstigen.
—Hoe dat?—vroeg ik.
—Kunt gij dat niet begrijpen? Zie eens hoe het gras hier vertreden is. Wanneer de Apachen hier komen, zullen zij dadelijk zien, dat hier meer menschen en dieren zijn geweest, dan zij bij ons hebben gezien. Komt er nu regen, dan richt zich het gras weer op en worden de sporen van deze legerplaats uitgewischt. Ik zal zoo gauw mogelijk met de roodhuiden van hier gaan.
—En een plaats zoeken, geschikt om hen te verbergen?
—Ja. Ik zou de Kiowa’s wel eerst nog hier kunnen laten en ze later halen, maar hoe eerder ze weggaan, des te eerder verdwijnt het spoor. Gij kunt intusschen kalm doorwerken.
Hij deelde zijn plan aan het opperhoofd der Kiowa’s mee, en deze stemde daarmee in. Na korten tijd, reed Sam met Dick en Will dan ook weg. Het spreekt vanzelf, dat de plaats, welke zij zich wilden kiezen, moest liggen aan den weg, dien wij als landmeters hadden te volgen, en zeer langzaam, doch zoo snel echter als ons werk dit gedoogde, trokken wij hen achterna. Tegen den middag, werd Sam’s voorspelling bewaarheid, het begon te regenen en wel op een wijze, zooals het slechts in die streken regenen kan, wanneer dit eens een enkele maal gebeurt. Het was of het met emmers werd neergegooid.
Midden in dezen regen kwam Sam met de beide anderen terug. Wij zagen ze niet, voor ze misschien slechts twaalf of vijftien pas van ons af waren, zoo dicht viel de regen. Zij waren geslaagd in het vinden van een geschikte plaats, Parker en Stone zouden ons deze wijzen. Sam evenwel ging onmiddellijk weer weg, om zijn verkennersambt te aanvaarden. Hij wilde te voet gaan, omdat hij zich dan beter kon verbergen, dan wanneer hij zijn muildier bij zich had.
Toen hij achter het dichte regengordijn verdween, had ik een gevoel, alsof het ongeluk met snelle schreden naderde.
Even plotseling als de regen gekomen was, even snel hield hij weer op. De sluizen des hemels sloten zich en de zon straalde weer even warm als den vorigen dag. Wij konden den arbeid, dien wij hadden moeten staken, weer hervatten.
Het terrein, waarop wij ons bevonden, was een vlakke, niet groote savanna, aan drie zijden begrensd door dichte bosschen, en wij konden dus tamelijk snel vooruitkomen. Ik had daarbij gelegenheid op te merken, dat Sam de uitwerking van den regen juist had voorspeld, want waar wij ons nu bevonden, was geen spoor meer te zien van de hoeven der paarden. Indien de Apachen ons volgden, konden zij onmogelijk vermoeden, dat wij tweehonderd bondgenooten in onze nabijheid hadden.
Toen het donker begon te worden en wij den arbeid moesten neerleggen, hoorden wij van Stone en Parker, dat wij niet ver meer waren van den plek, welke Sam had uitgekozen.
Den volgenden morgen bereikten wij na korten tijd, een beek, welke een tamelijk groot vijverachtig bekken vormde, dat waarschijnlijk steeds met water was gevuld, terwijl het bed van de beek zelf meest droog lag. Tengevolge van den regen van gisteren was het water echter aanmerkelijk gezwollen. Een smalle, open grasstrook, rechts en links met boomen en struiken omzoomd, leidde naar dezen vijver. Een klein schiereiland, eveneens met boomen en struiken begroeid, strekte zich daarin uit; aanvankelijk was het smal, maar verder verbreedde het zich, zoodat het bijna geheel rond werd. Aan den anderen kant van den vijver lag een hoogte met dicht bosch bedekt.
—Dit is de plek, welke Sam heeft uitgekozen,—zeide Stone terwijl hij met een kennersblik om zich heen zag,—hij had geen betere kunnen vinden.
Deze opmerking noodzaakte mij, eens goed naar alle kanten rond te zien.
—Waar zijn nu de Kiowa’s Mr. Stone?—vroeg ik.
—Verborgen, goed verborgen!—antwoordde hij,—met de grootste moeite zoudt gij ze niet kunnen vinden, hoewel ik zeker weet, dat zij ons kunnen zien en gadeslaan.
—Waar zijn zij dan?
—Een oogenblik geduld, sir, eerst moet ik u vertellen, waarom de listige Sam, deze plaats gekozen heeft. De savanna, langs welke wij gekomen zijn, is bedekt met enkele alleenstaande kreupelboschjes. Dit maakt het den verkenners der Apachen gemakkelijk ons onopgemerkt te volgen. Zie nu verder deze open grastong, welke hierheen leidt. Een legervuur, dat wij hier branden, verspreidt zijn schijnsel over de geheele savanna; dat zal de Apachen lokken en zij kunnen ons dus gemakkelijk naderen, wanneer zij dekking zoeken achter de boomen en struiken, welke aan weerszijden van deze tong staan. Ik zeg u, heeren, wij konden geen betere plaats vinden, om door de roodhuiden overvallen te worden.
Zijn lang, mager, verweerd gezicht glom letterlijk van tevredenheid, maar de hoofdingenieur schudde het hoofd en zeide:
—Hoe komt ge er toch bij, Mr. Stone? verheugt gij u, dat wij overvallen zullen worden, ik zeg u, ik zal maken, dat ik voor dien tijd weg kom!
—Dan valt gij zeker in handen der Apachen, Mr. Bancroft. Natuurlijk verheug ik mij, want als de Apachen ons gemakkelijk kunnen overvallen, valt het ons later nog veel gemakkelijker hen te overvallen. Zie eens over dat water heen. Aan den anderen kant, daarginds op de hoogte zijn de Kiowa’s verborgen. Hun verkenners zitten in de toppen der boomen en hebben ons zien aankomen. Evenzoo zullen wij de Apachen zien aankomen.
—Maar,—viel de hoofdingenieur hem in de rede,—wat geeft het ons, dat de Kiowa’s daarginds in het bosch zijn, wanneer wij worden overvallen.
—Daar hebben wij ze maar vooreerst geborgen, omdat zij niet hier kunnen zijn, wanneer de verkenners der Apachen komen. Zijn deze evenwel weer vertrokken, dan brengen wij ze naar het schiereiland, waar zij niet gezien kunnen worden.
—Kunnen de verkenners daar niet komen?
—Dat gedoogen wij niet.
—Dan zoudt gij ze dus moeten verjagen, en toch moeten wij doen, alsof wij ze niet zien, hoe rijmt ge dat, Mr. Stone?
—Dat zal ik u zeggen. Wij moeten doen, alsof wij ze niet zien en kunnen hen dus ook niet verbieden, het schiereiland te betreden; maar dat is, waar het met den oever is verbonden, slechts dertig voet breed en langs deze geheele breedte, plaatsen wij paarden.
—Paarden als barricade? hoe is dat mogelijk.
—Wij binden de paarden aan de boomen vast, dan kunt ge zeker zijn, dat geen Indiaan nader komt, daar de paarden hen door hun snuiven zouden verraden. Wij laten de verkenners dus kalmpjes komen, op het schiereiland zullen zij geen voet zetten. Als zij weg zijn, om hun krijgers te halen, komen de Kiowa’s van gindsche hoogte en verbergen zich op het schiereiland. Dan komen de Apachen allen naderbij en wachten tot wij gaan slapen.
—Als zij nu echter eens niet zoolang wachten?—viel ik hem in de rede,—dan kunnen wij ons toch niet terugtrekken?
—Dat zou nog zooveel kwaad niet kunnen,—antwoordde hij,—want de Kiowa’s zouden ons dadelijk te hulp komen.
—Maar dat zou niet zonder bloedvergieten gaan en dat willen wij liefst vermijden.
—Ja, maar hier in ’t Westen moet men niet op een druppeltje bloed zien. Heb maar geen vrees! De Apachen zullen als ’t mogelijk is, hun eigen leven sparen, daarom zullen zij wel wachten, tot wij gaan slapen. Wij laten dan het vuur uitgaan en trekken ongemerkt naar het eiland.
—En wat doen wij nu, kunnen wij gaan werken?
—Ja, alleen moet gij zorgen, dat gij op tijd hier zijt!
—Laat ons dan geen tijd verliezen. Komt heeren, we kunnen nog heel wat uitvoeren!
Zij volgden mij, hoewel zij er weinig lust toe hadden. Ik was overtuigd, dat allen gaarne waren weggeloopen, maar dan kwam het werk niet af en volgens contract werd dan geen geld uitbetaald. En namen zij de vlucht, dan liepen zij nog kans door de Apachen te worden achterhaald. Neen, zij zagen in, dat zij hier nog ’t veiligst waren en daarom bleven zij.
Wat mij betreft, ik moet eerlijk bekennen, dat ik mij volstrekt niet op mijn gemak gevoelde. Ik bevond mij in een toestand welke zich moeielijk laat beschrijven. Was het vrees, of angst voor wat er waarschijnlijk zou gebeuren? Neen, daartoe had ik veel meer reden gehad, toen ik den buffel of den beer neervelde. Vandaag ging het om menschenlevens en dat was het, wat mij zoo onrustig maakte. Aan mijn eigen leven dacht ik niet, dat zou ik wel verdedigen, maar Intschu Tschuna en Winnetou! Ik had in de laatste dagen zooveel aan Winnetou gedacht, dat ik steeds meer belang in hem stelde, zonder dat ik hem nog nader gezien had. En, zonderling! Ik heb later van Winnetou gehoord, dat ook hij in die dagen dikwijls met zijn gedachten bij mij was geweest. Mijn innerlijke onrust verdween niet onder den arbeid, maar toch wist ik, dat ik in het beslissende oogenblik kalm zou zijn, daarom hoopte ik maar, dat dit niet te lang op zich zou laten wachten. Mijn wensch werd vervuld, want het was kort na den middag, dat wij Sam Hawkins op ons toe zagen komen. De kleine man was blijkbaar vermoeid, maar de listige oogjes fonkelden boven den donkeren baard.
—Is het gelukt?—vroeg ik,—me dunkt ik zie het aan uw gezicht, goeie, oude Sam!
—Zoo?—lachte hij,—wel, wel, wat een verbeelding!
—Verbeelding? neen, uw oogen verraden u!
—Zoo, goed dat ik dat weet voor een volgenden keer. Maar, gij hebt gelijk. Het is gelukt, veel beter dan ik had durven hopen.
—Hebt gij de verkenners gezien?
—Verkenners gezien? veel meer nog, niet alleen de verkenners, maar den geheelen troep, en niet alleen gezien, maar gehoord, beluisterd heb ik ze.
—Beluisterd? vertel ons gauw wat gij gehoord hebt.
—Nu niet en niet hier. Neemt uw instrumenten en gaat naar de legerplaats. Ik kom achter u aan, maar eerst moet ik naar de Kiowa’s om hun te zeggen, wat ik weet en hoe zij zich hebben te gedragen.
Hij liep opwaarts om den vijver op de beek toe, sprong er over en verdween toen tusschen de boomen van het bosch. Wij pakten onze instrumenten bijeen en gingen naar de legerplaats om daar Sam’s terugkomst af te wachten. Wij hadden hem niet zien komen en evenmin gehoord, maar plotseling stond hij weder voor ons en zeide op overmoedigen toon:
—Daar hebt ge mij, heeren! Hebt gij ooren noch oogen? U kan een ieder overrompelen, zelfs een olifant, wiens stappen men op een kwartier afstands hoort!
—Maar gij stapt in elk geval niet als een olifant—antwoordde ik.
—Dat is zoo, ik wilde u maar eens toonen, hoe men dicht bij de menschen kan komen, zonder dat zij ’t bemerken. Gij hebt kalmpjes gezeten, hebt niet gesproken, u doodstil gehouden en hebt toch niet gehoord, dat ik naderbij kwam. Ziet ge, zoo ging het gisteren ook toen ik de Apachen beloerde.
—Vertel ons nu alles!
—Goed, gij zult het hooren! Maar laat mij dan gaan zitten, want ik ben erg moe, mijn beenen zijn gewend aan rijden en niet aan loopen, ’t is ook voornamer om tot de cavalerie te behooren, dan tot de infanterie, als ik mij niet vergis.
Hij ging naast mij zitten, zag ons allen beurtelings aan en begon toen, veelbeteekenend met het hoofd knikkend:
—Dus vanavond begint de grap!
—Vanavond reeds?—vroeg ik, half verrast en half verheugd,—dat is maar goed!
—Hm, gij schijnt er zin in te hebben, in de handen der Apachen te vallen. Maar gij hebt gelijk, ’t is maar goed en ik verheug er mij ook over, dat wij niet langer behoeven te wachten. ’t Is nooit prettig op iets te moeten wachten, dat nog wel eens anders uit kan loopen, dan men denkt.
—Dan men denkt! Bestaat er reden tot bezorgdheid?
—Wel neen, in ’t geheel niet. Juist het tegendeel! Ik ben nu eerst recht overtuigd, dat alles goed zal afloopen. Een ervaren mensch weet echter, dat uit den braafsten knaap later een schelm kan groeien en zoo gaat het ook met andere dingen, men kan ’t nooit weten, niet waar? en het een of ander toeval kan ons den boel nog bederven.
—Zou dit mogelijk zijn?
—Ik ben vrij gerust, na alles wat ik gehoord heb.
—Wat hebt gij dan gehoord? Vertel dan toch wat!
—Kalm, mijn jongeman, alles op zijn tijd, wat ik gehoord heb kan ik nu nog niet zeggen, want gij moet eerst weten, wat er aan is vooraf gegaan. Ik ging midden onder de regenbui weg; ik behoefde het einde niet af te wachten, want zelfs de dichtste regen dringt niet door mijn jasje, hihihihi!—lachte hij hartelijk.—Ik liep bijna tot aan de plek waar wij legerden, toen de beide Apachen bij ons kwamen; toen evenwel moest ik mij verbergen, want ik zag drie roodhuiden, die daar rondsnuffelden. Dat zijn verkenners der Apachen, zeide ik bij mij zelf, zij zullen niet verder gaan. Zoo was het. Zij zochten den omtrek af, zonder mijn spoor te vinden en gingen toen onder de boomen zitten, omdat het in het gras te nat was. Daar bleven zij wel bijna twee uur lang zitten. Ik zat eveneens onder een boom en wachtte geduldig af, ik moest toch weten, wat dit beteekende. Eindelijk zag ik een troep ruiters naderen, met de oorlogskleuren beschilderd; ik herkende onder hen dadelijk Intschu Tschuna en Winnetou.
—Met hoevelen waren zij?
—Ik heb ongeveer vijftig man geteld. De verkenners waren opgestaan en deelden hun ervaringen aan de opperhoofden mee. Daarop gingen zij wederom vooruit en de anderen volgden langzaam. Gij kunt begrijpen, heeren, dat Sam Hawkins achter hen aansloop. De regen had de gewone sporen uitgewischt, maar uw palen in den grond geslagen, dienden als wegwijzers. De Apachen kwamen echter langzaam vooruit, zij moesten zeer voorzichtig zijn, want bij iederen hoek en bij ieder boschje konden zij immers onverwachts op ons stuiten. Ik heb mij verbaasd over hun overleg en ben meer dan ooit tot de overtuiging gekomen, dat de Apachen ver boven de andere roode stammen staan.
Intschu Tschuna is een flinke kerel en Winnetou eveneens. Elke beweging was berekend, en er werd geen woord gesproken, men wisselde slechts blikken van verstandhouding. Toen de avond aanbrak, stegen allen af en verdwenen met hun paarden in het bosch, om daar den ochtend af te wachten.
—En hebt ge hen daar beluisterd?—vroeg ik.
—Ja. Als verstandige lieden maakten zij geen vuur aan, maar aangezien Sam Hawkins even verstandig is als zij, begreep ik ook dat zij mij daardoor minder gemakkelijk zouden ontdekken. Daarom kroop ik eveneens onder de boomen en schoof op mijn buik vooruit, tot ik zoo dicht in hun nabijheid was, dat ik alles kon hooren wat zij spraken.
—Verstondt gij alles?
—Wat een vraag! Ik kon toch hooren wat er gezegd werd?
—Ja, maar ik bedoel of zij hun eigenaardig Engelsch-Indiaansch gebruikten?
—Zij spraken in het dialect der Mescalero’s, dat ik tamelijk goed ken. De beide opperhoofden zeiden weinig, maar wat zij zeiden was kernachtig. Ik weet wat wij te wachten hebben.
—Vertel ons dat dan,—verzocht ik, toen hij een oogenblik wachtte.
—Welnu, zij hebben het op ons gemunt, zij willen ons levend vangen.
—En niet dooden?
—O ja, dooden willen zij ons ook, maar niet zoo dadelijk. Zij willen ons eerst gevangennemen en ons naar de dorpen der Mescalero’s aan den Rio Pecos brengen, waar wij aan den martelpaal gebonden en levend gebraden zullen worden. ’t Zal mij eens verwonderen wat lekker hapje Sam Hawkins zal opleveren, vooral wanneer men verzuimt mij mijn jachtrok uit te trekken, hihihihi!
Hij lachte op zijn eigenaardige wijze en ging toen voort:
—Zij hebben het vooral op Mr. Rattler begrepen, die daar nu zoo stil in ons midden zit en mij aanziet, alsof hij zoo naar den hemel zal varen. Ja, Mr. Rattler, gij hebt u zelf wat op den hals gehaald, ik zou niet graag in uw schoenen willen staan. Gij wordt gebraden, vergiftigd, doodgeschoten, geradbraakt en opgehangen, alles achter elkaar en van alles een beetje, zoodat ge in ’t leven blijft. En als gij dan dit alles hebt doorstaan, wordt gij met Kleki-Petra, dien gij doodgeschoten hebt, in één kuil gelegd en levend begraven.
—Mijn hemel! zeiden zij dat?—vroeg Rattler, wiens gezicht doodsbleek was geworden.
—Zeker, dat zeiden zij. Gij hebt dit alles verdiend en niemand kan u helpen. ’k Wil maar hopen, dat gij, wanneer gij uw straf hebt ondergaan, nooit weer zoo’n slechte daad zult doen. Maar dat zult ge ook wel laten. Het lijk van Kleki-Petra is door een medicijnman naar huis gebracht. Gij moet weten, dat de roodhuiden hun dooden zoo weten te behandelen, dat zij nog lang goed blijven; ik heb mummiën gezien, die na honderd jaar er zoo frisch uitzagen, alsof zij gisteren nog geleefd hadden. Als wij allen gevangen worden genomen, zal men ons het genoegen gunnen te zien, hoe zij Mr. Rattler in zulk een mummie veranderen.
—Ik wil hier niet blijven!—riep Rattler uit.—Ik ga weg, zij krijgen mij niet.
Hij wilde opspringen, maar Sam hield hem terug en waarschuwde:
—Doe dat niet, als uw leven u lief is. Ik verzeker u, dat de Apachen reeds den ganschen omtrek hebben bezet, gij zoudt onmiddellijk in hun handen vallen.
—Denkt ge dat werkelijk, Sam?—vroeg ik.
—Ja, het is geen valsche bedreiging, maar ik heb werkelijk reden om dit te veronderstellen. Ook in een ander opzicht heb ik mij niet vergist. De Apachen zijn werkelijk ook reeds tegen de Kiowa’s opgetrokken, en wel met een groot leger, waarbij de beide opperhoofden zich willen aansluiten, zoodra zij hier met ons hebben afgerekend. Alleen daardoor was het mogelijk, dat zij zoo spoedig weer tot ons terug konden keeren. Zij behoefden om krijgslieden te halen, niet geheel naar hun dorpen te rijden, maar zij ontmoetten de tegen de Kiowa’s opgetrokken scharen onderweg, gaven het lijk van Kleki-Petra aan den medicijnman en zochten vijftig ruiters uit om ons te overvallen.
—Waar zijn de troepen, die tegen de Kiowa’s optrekken?
—Dat weet ik niet, er is geen woord over gesproken, en dat kan ons ook tamelijk onverschillig zijn.
Ditmaal had de kleine Sam toch ongelijk. Het was ons lang niet onverschillig, waar deze talrijke schare zich bevond; dat werden wij eenige dagen later gewaar. Sam ging voort:
—Toen ik genoeg had gehoord, had ik wel dadelijk naar u terug kunnen gaan, maar het is moeielijk ’s nachts het spoor te verbergen. Ik bleef dus tot aan den morgen in het bosch en ging eerst heen, nadat ook zij opgebroken waren. Ik volgde hen tot op ongeveer zes mijlen van hier, toen maakte ik een omweg om ongemerkt hier bij u te komen. Dat is alles, wat ik u zeggen kan.
—Zij hebben u dus niet gezien?
—Neen.
—En ook uw spoor niet ontdekt?
—Neen.
—Maar gij zeidet toch, dat gij u wildet laten zien en....
—Ja, ja, dat weet ik wel, ik zou het ook hebben gedaan, maar ’t was niet meer noodig, want.... halt, hebt gij dat gehoord?
Duidelijk hoorde men driemaal het krijschen van een adelaar.
—Dat zijn de spionnen der Kiowa’s,—zeide Sam,—zij zitten daarboven in de boomen. Ik heb met hen afgesproken, dit teeken te geven, wanneer ze Apachen zagen aankomen. Volg mij, sir, wij zullen zien of gij goede oogen hebt!
Dit laatste was tot mij gericht. Hij stond op om heen te gaan en ik nam mijn geweer, en wilde hem volgen.
—Halt,—zeide hij,—laat dat geweer hier. De prairiejager moet zich wel is waar nooit van zijn geweer scheiden, maar elke regel heeft een uitzondering. Wij moeten doen alsof wij aan geen gevaar denken, en kalmpjes wat hout willen gaan zoeken. Daaruit zullen de Apachen opmaken, dat wij hier ons nachtverblijf willen opslaan.
Wij slenterden, schijnbaar geheel zonder eenig kwaad te vermoeden, tusschen de boomen en struiken door, naar de grasvlakte, welke op de savanna uitliep. Daar verzamelden wij de dorre takjes, welke op den grond lagen, terwijl wij onder de hand heimelijk om ons heen zagen, of wij ook den een of anderen Apache konden ontdekken. Waren zij in de nabijheid, dan moesten zij verborgen zijn tusschen de struiken en boomgroepen, welke min of meer van ons verwijderd, over de savanna verspreid stonden.
—Ziet ge er een? vroeg ik aan Sam.
—Neen,—antwoordde hij.
—Ik ook niet.
Wij spanden nogmaals onze oogen in, maar konden niets ontdekken. En toch hoorde ik later van Winnetou zelf, dat hij hoogstens vijftig pas van ons af, in een kreupelboschje had gelegen en ons had gadegeslagen. Het is niet genoeg, dat men goede oogen heeft, maar zij moeten ook geoefend zijn en dat waren de mijne destijds nog niet. Thans echter zou ik Winnetou dadelijk kunnen ontdekken, al zou mijn eenige aanwijzing zijn de muggen, die, door zijn persoon aangetrokken, dichter boven het boschje zwermden, dan ergens anders.
Wij keerden dus onverrichter zake naar de anderen terug en hadden nu meer hout voor het legervuur dan noodig was.
—Dat is uitstekend,—meende Sam,—wij moeten een hoopje laten liggen voor de Apachen, want zij moeten, wanneer zij ons willen vangen en bemerken dat wij verdwenen zijn, gauw een vuurtje kunnen maken.
—Intusschen was het donker geworden. Sam, als de oudste, strekte zich uit aan den uitersten grasrand, daar, waar de eigenlijke savanna een aanvang nam. Hij wilde de spionnen beloeren, die wij met zekerheid konden verwachten. Het vuur werd aangestoken, de vlammen stegen weldra op en verlichtten de savanna tot op grooten afstand. Hoe onvoorzichtig moesten de Apachen ons wel vinden! Dit vuur was immers een wegwijzer voor elken vijand!
Wij gebruikten ons avondeten en gingen toen liggen, hier en daar verspreid, alsof wij in ’t minst niet aan een overval dachten. De geweren lagen een eind van ons af, en wel naar den kant van het schiereiland, opdat wij ze later gemakkelijk konden meenemen. De toegang tot het schiereiland zelf, was op Sam’s aanwijzing, door onze paarden gebarricadeerd.
Er waren meer dan drie uur voorbijgegaan, toen Sam zoo stil als een schaduw bij ons terug kwam en zachtjes vertelde:
—Ik heb twee verkenners gezien, de een komt van dezen, de andere van dien kant. Ik heb hen zelfs hooren spreken.
Hij ging kalm bij ons zitten, en vroeg met luider stem naar iets, dat hem toevallig in den zin kwam. Wij antwoordden en zoo ontspon zich een gesprek, dat door zijn levendigheid er op berekend was, de verkenners op een dwaalspoor te brengen. Wij wisten, dat zij er waren en ons scherp gadesloegen, maar wij wachtten ons wel, ook maar een enkelen wantrouwenden blik in het kreupelhout te werpen.