Part 12
Was hij niet een beste, brave kerel, die oude Sam Hawkins? Als ik „oud” zeg, dan is dit eigenlijk minder juist uitgedrukt, hij telde hoogstens veertig jaar, maar zijn dichte, reeds vergrijsde baard, zijn kolossale neus, die als een vuurtoren uit dien baard oprees, zijn stijve jachtrok deden hem veel ouder schijnen dan hij was. Het woord „oud” echter wordt ook dikwijls gebruikt, om kracht bij te zetten. Een der beroemdste prairiejagers bijv. was Old-Firehand. Nam hij eenmaal zijn geweer ter hand, dan kon men zeker zijn, dat de kogel doel trof, vandaar Firehand. Het voorgevoegde „Old” diende, om dit des te krachtiger te doen uitkomen. Ook ik kreeg later steeds bij mijn naam, Shatterhand, dit woordje „old.” Nadat Sam zich verwijderd had, beproefde ik te slapen, maar het wilde mij niet gelukken. Mijn metgezellen waren verrukt over de hulp, welke de Kiowa’s ons zouden brengen en spraken daarover op zulk een luiden toon, dat het een kunst zou geweest zijn om in slaap te komen, maar bovendien mijn eigen gedachten lieten mij niet met rust. Hawkins had over zijn plan gesproken, alsof dit onmogelijk kon mislukken, maar was dit werkelijk zoo? Wij wilden Winnetou en zijn vader bevrijden, over de andere Apachen was niet gesproken. Moesten zij in de handen der Kiowa’s blijven, terwijl de beide hoofdmannen gered werden? Dit zou immers een onrecht zijn? Maar inderdaad zou het voor ons vieren hoogst moeilijk zijn, zooveel Apachen te bevrijden, vooral omdat er niet de minste verdenking op ons mocht vallen. En op welke wijze zouden de Apachen in de handen der Kiowa’s geraken? Het was te voorzien, dat dit niet zonder heftigen strijd zou gaan en juist de beiden, die wij wilden redden, zouden zich ’t meest verweren en daardoor groot gevaar loopen, te worden gedood.
Ik dacht over dit alles na, terwijl ik mij op mijn legerstede heen en weer keerde, maar kon geen uitweg vinden. Het eenige, waarmee ik mij troostte, was dat de kleine, listige Sam er wel iets op zou weten te vinden, en ik nam mij ten slotte vast voor, de beide opperhoofden zoo noodig met gevaar van mijn eigen leven te verdedigen.
Den volgenden morgen ging ik met verdubbelden ijver aan het werk, en daar iedereen zooveel mogelijk zijn best deed, waren wij tegen den avond een flink eind gevorderd. Rattler bleef op een afstand, hij slenterde wat rond, maar werd door de andere prairiejagers even vriendelijk bejegend alsof er niets was gebeurd. Dit bracht mij tot de overtuiging, dat wij, mocht het wederom tot een botsing komen, niet veel steun van hen hadden te wachten. Door het vele werken waren wij ’s avonds erg vermoeid en na het avondeten gingen wij dan ook dadelijk onze tenten opzoeken.
Ook den volgenden morgen togen wij weer vlijtig aan den arbeid, maar tegen den middag kwamen de Kiowa’s. Onze legerplaats was een weinig verlegd, maar zij hadden ons gemakkelijk kunnen vinden.
De Indianen, die onze gasten zouden zijn, waren allen zeer krachtige mannen met een krijgshaftig uiterlijk; allen waren zeer goed bereden en voorzien van geweren, messen en tomahawks. Ik telde meer dan tweehonderd man. Hun aanvoerder had werkelijk een bijzonder knap figuur, strenge, sombere gelaatstrekken en een paar roofdieroogen, die niet veel goeds voorspelden. Hij heette Tangua, een naam, welke woordelijk hoofdman beteekent. Toen ik zijn gezicht en zijn oogen zag, werd het mij angstig te moede bij de gedachte aan Intschu Tschuna en Winnetou.
Hoewel deze man kwam als vriend en bondgenoot, gedroeg hij zich volstrekt niet vriendelijk tegen ons. Zijn optreden was, om mij van een vergelijking te bedienen, als dat van een tijger, die met een luipaard ter jacht gaat, met het voornemen, dezen na afloop daarvan ook meteen maar op te vreten. Hij steeg toen hij bij ons aankwam, niet af om ons te begroeten, maar maakte een bevelende beweging, waarop wij dadelijk door zijn lieden werden omsingeld. Daarop reed hij naar onze wagens en lichtte de zeilen op, om te zien wat zich daarin bevond. De inhoud scheen hem wel te bevallen, want hij steeg van zijn paard en klom in den wagen, om beter te kunnen snuffelen.
—Oho!—zeide Sam, die naast mij stond:—die schijnt ons eigendom voor goeden buit aan te zien, en hij heeft nog geen woord met ons gesproken. Wanneer hij meent, dat Sam Hawkins dom genoeg is om den bok als tuinman aan te stellen, dan vergist hij zich toch leelijk, dat zal ik hem toonen.
—Geen onvoorzichtigheid, Sam!—verzocht ik;—wat kunnen wij tegenover tweehonderd man doen?
—Jawel, hun aantal is grooter dan het onze, maar hun verstand is kleiner, hihihihi!—antwoordde hij.
—Maar zij hebben ons omsingeld!
—Wel, dat doe ik ook!—Of denkt gij, dat ik geen oogen heb? Wij hebben naar ’t schijnt, geen geschikte hulptroepen laten aanrukken, hij schijnt ons maar tegelijk met de Apachen te willen opeten. Dat hapje zou hem echter zwaar genoeg in zijn maag liggen, dat verzeker ik u. Kom mee naar dien wagen, dan kunt gij hooren hoe Sam Hawkins met zulke schelmen doet. Ik ben een goede bekende van deze Tangua, en al heeft hij mij hier nog niet gezien, hij weet heel goed dat ik hier ben. Zijn gedrag is allesbehalve vriendelijk! Ziet die gezichten eens van die kerels! Ik zal hun dadelijk toonen, wie Sam Hawkins is. Kom dus mee!
Wij hadden onze geweren in de hand en gingen naar den wagen in welken Tangua rondsnuffelde. Ik voelde mij niet erg op mijn gemak, maar Sam begon dadelijk op waarschuwenden toon:
—Heeft het beroemde opperhoofd der Kiowa’s lust om binnen enkele oogenblikken naar de eeuwige jachtvelden te gaan?
De aangesprokene, die met zijn rug naar ons toestond, richtte zich op, keerde zich om en antwoordde lomp:
—Waarom doet de blanke man deze dwaze vraag? Tangua zal eenmaal in de eeuwige jachtvelden als opperhoofd heerschen, maar er zal nog een lange tijd verloopen, voor hij zich daarheen begeeft.
—Deze tijd zal misschien slechts een enkele minuut zijn.
—Waarom?
—Kom van den wagen af, dan zal ik het u zeggen, maar een beetje vlug als ’t u belieft.
—Ik blijf hier!
—Goed, vlieg dan maar in de lucht!
Sam keerde zich bij deze woorden om en deed alsof hij zich wilde verwijderen. Nu sprong echter het opperhoofd vlug van den wagen, greep hem bij den arm en riep:
—In de lucht vliegen, waarom zegt Sam Hawkins dit?
—Om u te waarschuwen.
—Waarvoor?
—Voor den dood, die u zou hebben aangegrepen, als gij ook nog één minuut daar op dien wagen waart gebleven.
—Oef! was de dood op dien wagen?
—Ja.
—Waar? Laat hem mij zien.
—Later misschien. Hebben uw verkenners niet gezegd waarom wij hier zijn?
—Ja, zij hebben gezegd, dat gij een weg wildet maken voor het ijzeren paard der bleekgezichten.
—Juist; zulk een weg gaat over rivieren en afgronden en door rotsen, welke wij uit elkaar laten springen; ik denk dat gij dit wel zult weten.
—Ik weet dit, maar wat heeft dit met den dood te maken, die mij bedreigd heeft?
—Zeer veel, meer dan gij vermoedt. Hebt gij misschien gehoord, waarmee wij de rotsen laten springen, die ons bij het bouwen van een spoorweg in den weg staan? Meent gij dat wij daarvoor het kruit gebruiken, dat gij voor uw geweren noodig hebt?
—Neen, ik heb wel gehoord, dat de bleekgezichten een andere stof hebben uitgevonden.
—Juist, en deze stof ligt hier op dien wagen! Zij is, wel is waar goed ingepakt, maar die niet weet hoe hij zulk een pak moet aanvatten, is verloren, want zoodra hij het in de hand neemt, vliegt het uit elkaar en er blijft geen stukje meer van hem over.
—Oef, oef! riep Tangua zichtbaar geschrokken uit.—Ben ik dicht bij deze pakken geweest?
—Zoo dicht, dat gij, wanneer gij er niet afgesprongen waart, nu reeds in de eeuwige jachtvelden zoudt zijn. Maar wat zou er dan van u overgebleven zijn? Geen haarlok, geen medicijn, niets dan kleine stukjes vleesch en been. Uw overblijfselen waren door de vurige rossen der geesten vermorzeld en versplinterd.
Een Indiaan, die zonder haarlok en zonder medicijn in de eeuwige jachtvelden aankomt, wordt door de gestorven helden met minachting ontvangen, en moet zich steeds op den achtergrond houden. Zoo zegt het geloof der roodhuiden. Welk een ongeluk dus, in kleine verbrijzelde stukjes daar aan te komen! Men zag, ondanks de donkere gelaatskleur, dat al het bloed uit de wangen van het opperhoofd week, en hij riep uit:
—Oef, wat gelukkig, dat gij mij tijdig hebt gewaarschuwd! Waarom bewaart gij deze stof op dien wagen, waarop zich nog zooveel andere nuttige dingen bevinden?
—Moesten wij deze gevaarlijke pakken dan op den grond leggen, waar zij bij de minste aanraking groot onheil zouden aanrichten? Ik zeg u, ze zijn zelfs op den wagen reeds gevaarlijk genoeg; als zulk een pakket uit elkaar slaat, vliegt alles, wat zich in de nabijheid bevindt, in de lucht.
—De menschen ook?
—Natuurlijk, ook de menschen en dieren, die zich tweehonderd voet in den omtrek bevinden.
—Dan moet ik aan mijn krijgers zeggen, dat geen van hen dicht bij dezen gevaarlijken wagen komt.
—Doe dat, opdat wij niet allen te zamen om een onvoorzichtigheid, te gronde gaan! Gij ziet, hoe bezorgd ik voor u ben, omdat de krijgers der Kiowa’s onze vrienden zijn. Het schijnt evenwel, dat ik mij vergist heb, want wanneer vrienden elkander ontmoeten, begroeten zij elkander en rooken de vredespijp. Wilt gij dat vandaag niet doen?
—Gij hebt dit immers reeds met den Vos, mijn verkenner, gedaan?
—Ik alleen en de blanke krijgsman, die hier naast mij staat, maar de anderen niet. Als gij dezen niet wilt begroeten, moet ik wel aannemen, dat uw vriendschap niet oprecht is.
Tangua dacht een oogenblik na, en antwoordde toen ontwijkend:
—Wij zijn op een krijgstocht en hebben de kinnikinnik dus niet bij ons.
—De mond van den hoofdman spreekt anders dan zijn hart denkt, ik zie den buidel met kinnikinnik immers aan den gordel hangen, wij hebben die evenwel niet noodig, want wij hebben zelf tabak genoeg bij ons. Allen behoeven niet mee te rooken, gij rookt voor u zelf en voor uw krijgers, ik rook voor mij zelf en voor de hier aanwezige blanken, dan geldt de vriendschapsbond voor allen, die zich hier bevinden.
—Waarom zullen wij beiden rooken, wij zijn immers vrienden? Sam Hawkins mag gerust aannemen, dat wij de vredespijp voor allen hebben gerookt.
—Zooals gij wilt, maar dan zullen wij doen, wat wij noodig achten, en gij krijgt de Apachen niet in uw macht.
—Wilt gij ze misschien waarschuwen?—vroeg Tangua, terwijl zijn oogen fonkelden.
—Neen, want zij zijn onze vijanden en willen ons dooden. Maar ik zal u niet zeggen, op welke wijze gij ze kunt vangen.
—Dat behoeft niet, dat weet ik zelf wel.
—Oho! Weet ge soms, wanneer en van welken kant ze komen?
—Ik zal dat wel te weten komen, want ik zend hun mijn verkenners tegemoet.
—Dat zult ge niet doen, want gij zijt verstandig genoeg, om te begrijpen, dat de Apachen de sporen van uw verkenners zouden vinden en op uw ontvangst voorbereid zijn. Het zou dan zeer de vraag worden, of gij ze in handen krijgt, terwijl zij naar het plan, dat ik wil volgen, geheel onvoorbereid door u kunnen worden ingesloten en gevangengenomen.
Ik zag dat deze uitlegging indruk maakte en Tangua verklaarde dan ook na een korte pauze:
—Ik zal met mijn krijgers spreken.
Hij verwijderde zich, wenkte eenige andere roodhuiden en scheen met hen te overleggen.
—Door eerst met deze kerels te beraadslagen, levert hij het bewijs, dat hij ook tegenover ons niets goeds in ’t schild voert,—meende Sam.
—Dat is slecht van hem, want gij zijt zijn vriend en hebt hem niets gedaan—antwoordde ik.
—Vriend? Wat noemt gij vriend bij deze Kiowa’s? Zij zijn slechts vrienden, zoolang er voor hen niets valt te halen. Hier echter hebben wij een wagen, met victualiën en andere dingen, welke voor hen waarde hebben. Dat hebben de verkenners aan hun aanvoerder verteld, en sedert dat oogenblik was het een uitgemaakte zaak, dat wij bestolen zouden worden.
—En wat nu?
—Nu, hm, nu zijn wij veilig.
—Ik zou er blij mee zijn, als dat zoo was!
—’t Is zoo! Ik ken deze lieden. Een heerlijke inval van mij, om dezen kerel wijs te maken, dat wij een soort dynamiet hier op den wagen hebben, hihihihi! Hij verheugde zich reeds op al de heerlijkheden, en nu ben ik zeker, dat geen roodhuid meer in de nabijheid van den wagen zal komen. Ik hoop nog meer nut te trekken van dit kostelijke grapje. Ik zal een blikje sardinen in den zak steken, en hen wijsmaken, dat dit met deze helsche stof gevuld is. Doe gij dat ook, het kan u te pas komen.
—Goed, ik zal uw raad opvolgen. Wat denkt gij van de vredespijp?
—Wel, ’t was afgesproken, dat zij niet gerookt zou worden, maar nu zullen zij zich nog wel eens bedenken. Maar toch mogen wij hen nooit vertrouwen!
—Ziet gij wel, Sam, dat ik eergisteren gelijk had? Gij wildet uw plan uitvoeren, met behulp van de Kiowa’s en hebt ons daardoor in hun macht gebracht. Ik ben nieuwsgierig hoe dit zal afloopen!
—Niet anders, dan ik verwacht, daar kunt ge op rekenen. De hoofdman wilde ons van alles berooven en dan de Apachen op eigen houtje afwachten. Nu echter ziet hij wel in, dat zij te slim zijn, om zich zoo maar te laten vangen. Zooals ik hem zelf heb gezegd, zullen zij de sporen van de verkenners ontdekken en dan zouden zij zich wel wachten hier te komen. Zie, de beslissing is genomen.
Wij zagen reeds dadelijk, dat de roodhuiden eieren voor hun geld hadden gekozen, want op aanwijzing van de „Vos,” ging de kring der krijgers, die ons steeds omringde uiteen en allen stegen van hun paarden.
Tangua kwam nu naar ons toe en zeide op veel vriendelijker toon:
—Ik heb met mijn krijgers beraadslaagd en wij zijn overeengekomen, de calumet met u te rooken, dit geldt dan ook voor de anderen.
—Ik had dit besluit verwacht,—zei Sam,—want gij zijt niet alleen een dapper, maar ook een verstandig man. De krijgers der Kiowa’s mogen er getuigen van zijn, dat wij met elkander den bond der vriendschap hernieuwen.
Zoo geschiedde het. Tangua en Sam Hawkins rookten de calumet onder de reeds vroeger gemelde ceremoniën en daarop gaven wij, blanken, den roodhuiden een voor een de hand. Wij konden nu aannemen, dat wij, althans voor dezen dag, veilig waren, wat zij later zouden denken en doen, moesten wij afwachten.
Als ik zeg: calumet rooken, dan bedien ik mij van de uitdrukking, welke bij ons gebruikt wordt. De Indiaan zegt, tabak drinken, in plaats van rooken. Hij drinkt haar eigenlijk ook, want hij slikt den rook in, bewaart dezen een oogenblik in de maag en geeft ze dan in kleine hoeveelheden terug.
Na afloop van deze plechtigheid stelde Tangua voor een groote vergadering te houden, waaraan alle blanken zouden deelnemen. Dit paste ons in ’t geheel niet, want wij moesten noodzakelijk aan ’t werk. Ik verzocht daarom Sam, het daarheen te willen leiden, dat deze vergadering werd uitgesteld tot aan den avond, want ik had gehoord en gelezen, dat wanneer de roodhuiden eenmaal ter vergadering zijn gezeten, deze bijna geen einde neemt. Hawkins sprak dus met den Indiaan, maar keerde weldra terug met de boodschap:
—Als echte Indiaan, is hij niet van zijn eens genomen besluit af te brengen. De Apachen zijn nog in lang niet hier, en daarom verlangt hij een vergadering, in welke ik mijn plannen duidelijk zal uitleggen en na afloop waarvan er flink gegeten moet worden. Wij hebben voorraad genoeg en de Kiowa’s hebben ook gedroogd vleesch op hun paarden meegebracht. Gelukkig heb ik in zooverre mijn zin gekregen, dat alleen ik, Dick Stone en Parker van de partij behoeven te zijn, gij overigen, moogt dus aan het werk gaan.
—Mogen? Alsof wij daarvoor de toestemming van den Indiaan noodig hadden! Ik zal hem toonen, dat ik geheel onafhankelijk ben.
—Houd u als ’t u blieft kalm, sir! Doe liever alsof gij niets hebt gehoord. Wij moeten hen te vriend houden, indien alles goed zal gaan.
—Maar ik zou wel bij die vergadering tegenwoordig willen zijn!
—Dat is niet noodig.
—Niet? ik moet toch ook weten, wat besloten wordt?
—Dat zal ik u wel vertellen.
—Maar wanneer gij nu eens een besluit neemt, dat ik niet goedkeur?
—Goedkeuren? gij? hoor nu dien greenhorn eens aan! Hij verbeeldt zich waarempel, dat hij eerst moet goedkeuren, wat Sam Hawkins besluit. Moet ik u misschien ook vragen, of ik mijn nagels mag knippen of mijn laarzen mag oplappen?
—Zoo bedoelde ik het natuurlijk niet, Sam. Ik wilde alleen maar zeker zijn, dat er geen besluit werd genomen, dat het leven van onze beide Apachen in gevaar kan brengen.
—Wat dat betreft, verlaat u gerust op den ouden Sam Hawkins; ik geef u mijn woord, dat hun geen leed zal geschieden, is u dat genoeg?
—Ja, uw eerewoord is mij voldoende, ik weet dat gij het zult houden!
—Vooruit dan, maak dat gij aan uw werk komt, en wees verzekerd, dat de zaak evengoed zal gaan, zonder dat gij er uw neus insteekt.
Ik moest mij schikken, want er was mij alles aan gelegen, de opmetingen ten einde te brengen vóór de komst der Apachen. Wij begonnen dus met moed en kwamen flink vooruit, want ook Bancroft en zijn drie andere ondergeschikten spanden al hun krachten in. Ik had hun namelijk gezegd, dat, wanneer de Apachen kwamen, vóór wij gereed waren, het er voor ons leelijk uit zou zien, maar dat, wanneer wij ons werk voor hun komst af hadden, wij gelegenheid zouden hebben, stilletjes weg te trekken en zoo ons zelf en onze teekeningen te redden. Zij werkten dus zoo hard zij konden, en mijn doel was bereikt. Ik zelf dacht er echter geen oogenblik aan, mij zoo uit de voeten te maken. Winnetou lag mij veel te na aan het hart. De anderen mochten doen, wat zij wilden, ik was besloten, niet weg te gaan, voor ik vast overtuigd was, dat er voor hem geen gevaar meer bestond. Ik had werk te doen voor twee, want ik moest opmeten en meteen de berekeningen en teekeningen maken. Dit laatste deed ik in duplo. Eén exemplaar gaf ik aan den hoofdingenieur en een hield ik, om in geval van nood, te kunnen gebruiken. Onze positie was zoo gevaarlijk, dat deze voorzichtigheid wel noodig was.
De vergadering duurde werkelijk, zooals ik reeds had vermoed, tot aan den avond; zij werd juist gesloten, toen wij door de duisternis genoodzaakt waren, ons werk neer te leggen. De Kiowa’s waren in de vroolijkste stemming, want Sam Hawkins had de fout, of misschien ook wel den wijzen zet begaan, hun onze geheele rest brandewijn te geven. Er brandden verscheidene wachtvuren, waaromheen de smullende roodhuiden gelegerd waren, de paarden graasden rustig en verder buiten in de duisternis stonden de schildwachten, door den hoofdman uitgezet.
Ik ging bij Sam en zijn onafscheidelijke metgezellen Parker en Stone zitten, at mijn avondbrood en liet mijn oogen dwalen over de legerplaats, welke voor mij, nieuweling, een aardig gezicht aanbood. Geen van de roodhuiden, die ik daar zag, scheen mij vatbaar voor eenig gevoel van medelijden tegenover den vijand. Ik zag er geen een die dronken was, want de hoeveelheid brandewijn was niet zoo groot, of ieder had slechts een teug of vijf kunnen krijgen, maar daar zij dit nat zelden proefden was de opwindende uitwerking duidelijk merkbaar. De gebaren waren levendiger, de gesprekken luidruchtiger, dan gewoonlijk het geval placht te zijn.
Natuurlijk vroeg ik Sam dadelijk naar den afloop der vergadering.
—Wees maar tevreden,—meende hij,—er zal aan uw twee Apachen niets kwaads overkomen.
—Maar als zij zich verzetten?
—Zoover komt het niet, zij worden overvallen, en zullen reeds gebonden zijn, voor zij er aan denken.
—Zoo, hoe stelt gij u de zaak dan eigenlijk voor, Sam?
—Zoo eenvoudig mogelijk. De Apachen komen langs een bepaalden weg. Kunt gij dien misschien raden, sir?
—Ja, zij zullen natuurlijk gaan naar de plaats, waar zij ons hebben aangetroffen en van daar ons spoor verder volgen.
—Juist! Gij zijt werkelijk niet zoo dom, als gij er uitziet. Dus, het eerste, wat wij moeten weten, is ons bekend, namelijk de richting, van waar zij zullen komen. Het voornaamste is evenwel de tijd, waarop zij verwacht kunnen worden.
—Dien kan men niet nauwkeurig vooruit bepalen, maar toch wel eenigszins.
—Ja, maar dat geeft ons niets, wij moeten zekerheid hebben, volle zekerheid.
—Die kunnen wij alleen krijgen, door verkenners uit te zenden en dat wildet gij immers niet, beste Sam. Gij vreesdet toch, dat het spoor der verkenners ons zou verraden.
—Van de roode verkenners, zeker, let wel sir, van de rooden! De Apachen weten, dat wij in de nabijheid zijn; vinden zij dus het spoor van een blanke, dan kan het hun wantrouwen niet opwekken. Vinden zij evenwel het spoor van een roodhuid, dan is dat geheel iets anders, zij zouden gewaarschuwd zijn en zich in acht nemen. Daar gij zulk een knappe kerel zijt, sir, kunt gij dunkt mij, wel vermoeden wat zij daaruit zouden opmaken.
—Dat er Kiowa’s in de buurt zijn?
—Natuurlijk, gij hebt het geraden! Als ik mijn pruik niet een beetje moest sparen, zou ik den hoed voor u afnemen. Neem nu den wil voor de daad!
—Dank u, Sam! Maar om verder te gaan, meent gij dus, dat wij den Apachen geen roode, maar blanke verkenners tegemoet moeten zenden?
—Ja, maar niet meer dan een.
—Is dat niet te weinig?
—Neen, want die eene is een kerel op wien men kan vertrouwen, hij heet namelijk Sam Hawkins en pleegt veldmuizen te eten, hihihihi! Kent gij dien man misschien, sir?
—Ja,—knikte ik,—en als die man eenmaal iets op zich neemt, kunnen wij gerust zijn; hij zal zich niet door de Apachen laten vangen.
—Neen vangen niet, maar wel laten zien.
—Wat? moeten zij u zien?
—Ja.
—Maar dan pakken en dooden zij u.
—Zij zullen ’t wel laten, daarvoor zijn zij veel te verstandig. Ik richt het zoo in, dat zij mij moeten zien, opdat zij niet op het denkbeeld komen, dat er ook nog anderen bij ons zijn. Als ik daar zoo genoeglijk voor hen uit wandel, zullen zij meenen, dat wij ons zoo veilig wanen als in Abraham’s schoot. Zij zullen mij niets doen, daar gij ongerust zoudt kunnen worden, als ik niet in de legerplaats terugkeerde, later kunnen zij mij volgens hun meening immers toch wel krijgen.
—Maar Sam, is het niet mogelijk, dat zij u zien, maar gij hen niet?
—Sir,—barstte hij los,—als gij zulke opmerkingen durft maken, is het uit tusschen ons. Ik hen niet zien! De oogjes van Sam Hawkins zijn weliswaar klein, maar zien scherp. De Apachen komen niet in troepen, maar zij zenden een paar verkenners vooruit, en die zullen mij niet ontgaan, want ik zal mij zóó opstellen, dat ik hen moet zien. Weet ge, er zijn van die open plekken, waar men niet de geringste bedekking heeft. Zulke plaatsen zoekt men op, als men verkenners wil ontdekken. Zoodra ik ze gezien heb, breng ik u bericht, opdat gij, wanneer zij om de legerplaats heensluipen, voorbereid zijt.
—Maar dan zien zij toch de Kiowa’s en zullen dit aan hun hoofdman melden!
—Wie zien ze? de Kiowa’s? mensch, greenhorn, en achtenswaardig jongeling, meent gij dan, dat de hersenen van Sam Hawkins van zand zijn? Ik zal natuurlijk zorgen, dat de Kiowa’s niet te zien zijn en er geen spoor van hen te vinden is. Deze goede vrienden zullen zich wat graag laten verstoppen, om op het geschikte oogenblik te voorschijn te komen. De verkenners der Apachen mogen natuurlijk alleen dezelfde personen zien, die in de legerplaats waren, toen Winnetou en zijn vader zich daar bevonden.
—Zoo, dat is iets anders!
—Niet waar? De verkenners der Apachen mogen ons dus gerust besluipen en de overtuiging krijgen, dat wij geen kwaad vermoeden. Wanneer zij zich dan verwijderen, volg ik hen, om uit te zien naar de komst der geheele schaar. Deze zal natuurlijk niet bij dag maar bij nacht komen en onze legerplaats zoo dicht mogelijk trachten te naderen, om ons dan plotseling te overvallen.
—En ons gevangen te nemen en te vermoorden!
—Luister, sir, ik heb werkelijk soms medelijden met u. Gij zijt een gestudeerd man en weet nog niet eens, dat men zich uit de voeten moet maken, wanneer men niet gevangengenomen wil worden, dat weet anders zelfs iedere haas of konijn. Staat dat misschien niet in de vele boeken, welke gij gelezen hebt?
—Neen, maar verder dus, meent gij, dat wij ons in veiligheid moeten brengen?