Part 11
—Welk een ontmoeting sir, dat is onze redding!
—Redding, hoe zoo? Spreek toch wat zachter, die kerels zijn zoo dichtbij, dat zij ons best kunnen hooren.
—Dat is niets, het zijn Kiowa’s. Vooraan rijdt Bao, een naam, die in hun taal „vos” beteekent, een dapper en listig krijgsman. Het opperhoofd dezer lieden is Tangua, een ondernemend Indiaan en mijn vriend. Zij dragen de krijgsteekenen op hun gelaat en het zijn dus waarschijnlijk verkenners. Ik heb evenwel niet gehoord, dat er stammen met elkaar in onmin leven.
Het woord Kiowa wordt uitgesproken als Kiowé. Deze stam schijnt gesproten te zijn uit een vermenging van Schoschonen en Pueblo-Indianen; er is in het Indianengebied een bepaalde landstreek als woonplaats aangewezen, maar er zwerven nog vele benden in de Texaansche woestijnen rond. Deze benden zijn zeer goed gedrild en bezitten vele paarden. Door hun roofzucht zijn zij zeer gevaarlijk voor de nederzettingen der blanken in die streken. Ook met de verschillende Apachenstammen staan zij op slechten voet, daar zij ook het leven en de bezittingen hunner roode broeders niet schijnen te eerbiedigen. Het zijn, met één woord, echte rooverbenden. Waardoor zij dit zijn geworden, behoeft men niet te vragen.
De zes verkenners waren thans zeer dichtbij ons gekomen, hoe zij tot onze redding moesten dienen, begreep ik niet. Zes Indianen konden ons immers niet veel helpen. Ik zou evenwel spoedig zien, wat Sam had bedoeld. Voor ’t oogenblik verheugde ik er mij maar in, dat zij Sam kenden en wij dus waarschijnlijk van hen niets te vreezen hadden.
Zij hadden ons spoor gevolgd en zagen nu, dat dit in het boschje voerde. Daaruit besloten zij natuurlijk, dat zich daar menschen bevonden. Dadelijk wendden zij hun buitengewone sterke en beweeglijke paarden en joegen terug om buiten de draagkracht van onze geweren te komen. Nu trad Sam echter uit het kreupelboschje, hield beide handen aan den mond en stiet een schrillen verklinkenden kreet uit, die hun bekend scheen te zijn, want zij hielden hun paarden in en zagen om, Sam riep nogmaals en bukte toen. Zij zagen den ouden man, wiens eigenaardige gestalte gemakkelijk te herkennen was en kwamen in galop terug. Ik stond naast Sam. Zij stormden op ons toe, alsof zij ons wilden overrijden, maar op een el afstand van ons hielden zij met een ruk de paarden in en sprongen uit den zadel.
—Is dat onze blanke broeder Sam?—vroeg de aanvoerder.—Hoe komt hij op den weg zijner roode broeders en vrienden?
—Bao, de listige Vos, heeft mij gevonden, omdat hij mijn spoor heeft gevolgd.
—Wij meenden dat dit het spoor was van de roode honden, die wij zoeken,—meende de Vos in gebroken, maar tamelijk verstaanbaar Engelsch.
—Welke honden meent mijn roode broeder?
—De Apachen van den stam der Mescaleros.
—Waarom noemt gij ze honden? Is er een twist uitgebroken tusschen hen en mijn broeders, de dappere Kiowa’s?
—De krijgsbijl is tusschen ons opgegraven.
—Zoo, dat verheugt mij. Mijn broeders moeten naast ons plaats nemen, want ik heb hun iets gewichtigs mee te deelen.
De Vos zag mij vragend aan en zeide:
—Ik heb dezen jongen blanke nog nooit gezien, behoort hij tot de krijgers der blanken? Heeft hij zich reeds een naam verworven?
Had Sam mijn Duitschen naam genoemd, dan had dit geen indruk gemaakt. Hij herinnerde zich evenwel gelukkig den naam dien Wheeler mij eens gegeven had en antwoordde:
—Deze, mijn liefste vriend en jongste broeder, is eerst kort geleden over het groote water gekomen en is een groot krijgsman onder zijn volk. Hij had nog nooit in zijn leven een buffel of een beer gezien, en toch heeft hij eergisteren met twee oude buffelstieren gestreden en ze overwonnen, om mij het leven te redden, en gisteren heeft hij den grijzen Grizzlybeer in het rotsgebergte met een mes doodgestoken, zonder dat hij zelf een enkele schram heeft gekregen!
—Oef, oef!—riepen de roodhuiden, terwijl zij mij vol bewondering aanzagen, en Sam ging op overdreven wijze voort:
—Zijn kogel mist nooit het doel, en in zijn hand heeft hij zooveel kracht, dat hij iederen vijand met zijn vuist terneerslaat. Daarom hebben de blanke mannen van het Westen hem den naam van Old-Shatterhand [3] gegeven.
Daar had ik nu in eens, zonder dat ik daartoe mijn toestemming had gegeven, een krijgsnaam gekregen, dien ik sinds dien tijd steeds behouden heb. Dat is nu eenmaal zoo het gebruik in de Far-West. Dikwijls kennen de beste vrienden wederkeerig elkanders werkelijke namen niet.
De „Vos” reikte mij de hand en zeide op vriendelijken toon:
—Als Old-Shatterhand het goedvindt, zullen wij zijn vrienden en broeders zijn. Wij houden van mannen, die hun vijanden met één slag neervellen, daarom zult gij hartelijk welkom zijn in onze tenten.
Dit wilde dus met andere woorden zeggen: wij hebben schelmen noodig, sterk als gij zijt, kom daarom bij ons. Als gij met ons wilt stelen en rooven, zult gij het tamelijk goed bij ons hebben.
Ik antwoordde evenwel, met een waardigheid, welke ik mij later geheel eigen heb gemaakt:
—Ik houd van de roode broeders, want ze zijn de zonen van den grooten Geest, die ook de blanken tot zijn kinderen rekent. Wij zijn broeders en zullen elkander bijstaan tegen alle vijanden, die ons bedreigen.
Een welgevallig lachje plooide zijn met vet en kleursel besmeerd aangezicht, toen hij mij daarop verzekerde:
—Old-Shatterhand heeft goed gesproken, wij willen de vredespijp met hem rooken.
Hierop gingen zij met ons bij de beek zitten. Bao haalde een pijp te voorschijn, welke hij met een mengsel van gestampte roode rapen, gesneden eikels en zuring stopte, stak er den brand in, stond op, deed een trek en blies de rook ten hemel, zeggende:
„Daarboven woont de goede Geest, en hier op de aarde groeien de planten en dieren, die hij voor de krijgers der Kiowa’s bestemd heeft.”
Hierop deed hij vier trekken aan zijn pijp, blies den rook naar het noorden, zuiden, oosten en westen en vervolgde:
„In deze vier windstreken wonen de roode en blanke mannen, die zich deze dieren en planten onrechtmatig hebben toegeëigend. Wij zullen hen echter opzoeken en nemen, wat ons toebehoort. Ik heb gezegd, Howgh!”
Wat een toespraak! Hoe geheel anders, dan die ik tot nog toe had gelezen of later nog zou lezen of hooren. Deze Kiowa toch, zeide hier met ronde woorden, dat hij de gezamenlijke voortbrengselen der dieren- en plantenwereld als het eigendom van zijn stam beschouwde en daarom het stelen en rooven niet alleen zijn recht maar zijn plicht moest rekenen. En ik zou de vriend van deze lieden worden! Maar men moet wel eens met de wolven in ’t bosch huilen!
De „Vos” reikte Sam de vredespijp, deze deed zes trekken en zeide:
„De Groote Geest let niet op de verschillende huidskleur der menschen, want die kunnen met kleursel besmeerd zijn, om hem om den tuin te leiden, maar hij ziet alleen naar het hart. De harten der krijgers van den beroemden stam der Kiowa’s zijn dapper en trouw, mijn hart hangt hen aan als mijn muildier den boom, waaraan het is vastgebonden. Ik heb gezegd. Howgh!”
Dit was juist iets voor den kleinen, slimmen Sam Hawkins, die van alles de beste zijde wist op te zoeken. Zijn toespraak werd met een herhaald „oef, oef,” beloond. Nu evenwel bood hij mij de vredespijp aan. Ik moest dus wel in den zuren appel bijten en nam mij voor, mijn waardigheid op te houden en mijzelf te beheerschen. Ik rook graag, en geen sigaar is mij ooit in mijn leven te zwaar geweest. Ik heb zelfs de zoogenaamde „driemanstabak” gerookt. Wie ze gebruikt heeft, moet, wil hij niet omvallen, door drie mannen worden vastgehouden, ik had dus alle reden te verwachten, dat deze Indiaansche vredespijp mij ook niet van mijn stuk zou brengen. Ik stond dus op en deed den eersten trek. Ja, waarlijk, ik proefde duidelijk de rapen, den hennep, de eikels en de zuring, maar een vijfde stof was nog daaraan toegevoegd, namelijk een stukje van een oude slof. Ik blies den rook naar den hemel en naar de aarde en zeide toen:
„Van den hemel komt de zonnestraal en de regen, van daar komt elke goede gave. De aarde ontvangt de warmte en den regen en geeft daarvoor den buffel, den mustang, den beer en het hert, den kalebas, de maïs en bovendien de edele plant, uit welke de geleerde roode mannen den kinnikinnik bereiden, welks heerlijke geur ons uit de vredespijp tegemoet stroomt.”
Ik had namelijk gelezen, dat de Indianen hun tabaksmengsel kinnikinnik noemen, en geurde hier een weinig met mijn kennis. Toen zoog ik den mond vol rook, blies dien naar alle vier windstreken en vervolgde:
„In het westen verheft zich het Rotsgebergte, in het oosten strekken zich onafzienbare vlakten uit, in het noorden schitteren de meren en in het zuiden klotsen de golven der groote zee. Was al het land, dat tusschen deze vier grenzen ligt, het mijne, ik zou het schenken aan de krijgers der Kiowa’s, want zij zijn mijn broeders. Mogen zij in dit jaar tienmaal meer buffels en vijftig maal zooveel Grizzlyberen doen vallen dan zij zelf sterk zijn. Mogen de korrels van hun maïs, zoo groot zijn als kalebassen en hun kalebassen zoo groot, dat men uit een enkele twintig kan snijden. Ik heb gesproken! Howgh!”
Het kostte mij niet veel moeite, hen al deze heerlijkheden toe te wenschen, maar zij verheugden er zich over, alsof zij ze werkelijk reeds gekregen hadden. Mijn sierlijke rede werd met luid gejubel beantwoord. Zooveel had nog geen mensch, en wel allerminst een blanke, hun willen schenken en er kwam geen einde aan het telkens herhaalde: „oef, oef!” De „Vos” drukte mij de hand, verzekerde mij, dat hij mijn vriend was en sperde bij zijn luid oef, oef, den mond zoo wijd open, dat ik van deze gelegenheid gebruik maakte, om hem de vredespijp in den mond te duwen. Hij zweeg onmiddellijk, om zwijgend te genieten van de heerlijke geuren.
Dit was de eerste echt Indiaansche plechtigheid, welke ik bijwoonde, want het rooken van de vredespijp wordt werkelijk als een „heilige handeling”, beschouwd. Hoe dikwijls heb ik na dien tijd weder de calumet gerookt en telkens was ik mij dan volkomen bewust van den ernst en de beteekenis dezer handeling. Nu evenwel stond ze mij tegen en ik was wat blij dat ik de pijp nu in den mond van den hoofdman zag bengelen. Mijn hand stonk letterlijk en om den smaak te verdrijven, nam ik een sigaar uit mijn zak en stak die aan. De oogen der roodhuiden zagen mij begeerig aan. De „Vos” opende zelfs den mond zoo ver, dat zijn pijp eruit viel, maar hij ving haar spoedig weer op en stak haar tusschen de lippen, hoewel het duidelijk was te zien, dat één enkele sigaar hem op dit oogenblik liever was geweest dan duizend pijpen.
Daar wij met Santa-Fé in verbinding stonden en van daar met ossenwagens onze levensmiddelen kregen, was het mij niet moeilijk gevallen een voorraad sigaren op te slaan. Zij waren tamelijk goedkoop en ik veroorloofde mij deze weelde, terwijl de anderen zich aan brandewijn bedronken. Dezen morgen had ik ook weer eenige meegenomen, en daar het mogelijk was, dat wij eerst den volgenden morgen terug zouden keeren, had ik mij dadelijk voor twee dagen voorzien, ik bood dus den roodhuiden ieder een aan. De „Vos” stak de zijne dadelijk aan, de overigen echter, staken haar geheel in den mond en kauwden er lustig op los. Smaken verschillen. De formaliteiten waren nu afgeloopen en de roodhuiden waren door dit alles recht in hun schik. Sam begon dus met te vragen:
—Mijn broeders zeggen, dat de krijgsbijl is opgegraven tusschen hen en de Mescalero-Apachen. Ik weet daarvan niets. Sedert hoelang is dit zoo?
—Sedert den tijd, dien de bleekgezichten twee weken noemen. Mijn broeder Sam heeft zich zeker in een zeer afgelegen streek opgehouden, dat hij dit niet weet.
—Dat is waar, maar uw stammen leefden toch altijd in vrede, wat is de reden, dat mijn broeders de wapenen ter hand hebben genomen?
—De honden van Apachen hebben vier van onze krijgers gedood.
—Waar?
—Aan den Rio Pecos.
—Daar staan niet uw tenten?
—Neen, maar die van de Mescalero’s.
—Wat deden uw krijgers dan daar?
De Kiowa dacht een oogenblik na, en vervolgde toen:
—Er trok een schare van onze krijgers uit, om des nachts de paarden der Mescalero’s te halen. Deze honden echter waakten goed, zij verweerden zich en doodden onze dappere mannen. Daarom is tusschen ons de krijgsbijl opgegraven.
De Kiowa’s hadden dus paarden willen stelen, waren verrast en verdreven. Dat eenigen van hen hun leven daarbij hadden verloren, was dus hun eigen schuld; maar de Apachen moesten daarvoor natuurlijk boeten. Het liefst had ik den schelm dit eerlijk in zijn gezicht gezegd, maar Sam zag mij waarschuwend aan en vroeg verder:
—Weten de Apachen, dat uw krijgers tegen hen zijn uitgetrokken?
—Denkt mijn broeder, dat wij hun dit hebben gezegd? Wij overvallen hen, dooden zooveel van hen, als wij maar kunnen en nemen dan alle dieren en verder alles mee, wat wij maar kunnen gebruiken.
Dat was eenvoudig verschrikkelijk! Ik kon dan ook niet nalaten te vragen:
—Waarom wilden mijn dappere broeders de paarden der Apachen hebben? Ik heb gehoord, dat de rijke stam der Kiowa’s, veel meer paarden bezit, dan hij noodig heeft.
De Vos zag mij glimlachend aan en antwoordde:
—Mijn jonge broeder Old-Shatterhand is over de wijde zee gekomen, en weet dus misschien nog niet, hoe de menschen aan deze zijde van het water denken en leven. Ja, wij hebben vele paarden, maar er kwamen blanke mannen bij ons, die paarden wilden koopen. Wij konden niet zooveel missen, als zij wilden hebben, maar zij vertelden ons van de kudden der Apachen en boden ons voor een Apachenpaard evenveel brandewijn en koopwaren, als voor een Kiowapaard! Toen gingen onze krijgers heen om Apachenpaarden te halen!
Dus wederom! Wie droegen de schuld van den dood der gevallenen en van den strijd, die nu nog te wachten was? Blanke paardenhandelaars, die met brandewijn wilden betalen en de Kiowa’s tot paardendieven hadden gemaakt. Ik kon mij nauwelijks goed houden, maar Sam zag mij wederom aan en vroeg:
—Is mijn broeder, de Vos, als verkenner uitgegaan?
—Ja.
—En wanneer komen uw krijgers?
—Zij zijn een dagrit achter ons.
—Door wien worden zij aangevoerd?
—Door Tangua, den dapperen hoofdman zelf.
—Hoeveel krijgers heeft hij bij zich?
—Tweehonderd.
—En denkt gij de Apachen te overvallen?
—Wij zullen hen overvallen gelijk de adelaar de kraaien.
—Mijn broeder vergist zich, de Apachen weten, dat zij door de Kiowa’s zullen worden overvallen.
De Vos schudde ongeloovig het hoofd en antwoordde:
—Hoe zouden zij dit weten? Reiken hun ooren tot aan de tenten der Kiowa’s?
—Ja.
—Ik begrijp mijn broeder Sam niet, hij moet mij zeggen, wat hij bedoelt.
—De Apachen hebben ooren, die kunnen loopen en rijden. Wij hebben gisteren een paar ooren gezien, die bij de tenten der Kiowa’s geweest waren om hen af te luisteren.
—Oef, dus twee bespieders?
—Ja.
—Dan moet ik oogenblikkelijk terug naar den hoofdman, wij hebben slechts tweehonderd krijgers meegenomen, omdat wij dachten, dat de Apachen niets van onze komst wisten, maar nu hebben wij veel meer noodig.
—Mijn broeders hebben alles niet rijpelijk overwogen. Intschu Tschuna, het opperhoofd der Apachen, is een wijs man. Toen hij zag, dat zijn lieden vier Kiowa’s hadden gedood, heeft hij begrepen, dat de Kiowa’s zich zouden wreken en hij ging heen, om hun plannen af te luisteren.
—Oef, oef! deed hij dit zelf?
—Ja, met zijn zoon Winnetou.
—Oef, was deze er ook bij? Hadden wij dat geweten, dan zouden wij deze beide honden gevangen hebben genomen. Nu zullen zij hun krijgers hebben verzameld en ons opwachten. Ik moet dit aan mijn opperhoofd zeggen. Gaan Sam en Old-Shatterhand met mij mee?
—Ja.
—Haalt dan dadelijk uw paarden?
—Niet te haastig! Ik heb vooraf nog meer met u te bespreken!
—Dat kunt gij onderweg doen.
—Neen. Ik zal met u meerijden, maar niet naar uw opperhoofd: ik zal u naar onze legerplaats brengen.
—Dat kan mijn broeder Sam niet meenen.
—Ja, luister, naar wat ik u ga zeggen. Wilt gij Intschu Tschuna, het opperhoofd der Apachen, levend in handen krijgen?
—Oef!—riep de Kiowa en zijn lieden spitsten de ooren.
—En zijn zoon Winnetou eveneens?
—Oef, oef, is dat mogelijk?
—Het is zeer gemakkelijk.
—Ik ken mijn broeder Sam, anders zou ik denken, dat hij in scherts sprak.
—Wel neen, het is mij ernst, gij kunt den hoofdman en zijn zoon levend in handen krijgen.
—En wanneer?
—Ik dacht in vijf, zes of zeven dagen, maar ik geloof nu, dat het veel eerder kan gebeuren!
—En waar dan?
—Bij onze legerplaats.
—Ik weet niet waar die is.
—Gij zult haar zien, want ik denk, dat gij mij gaarne zult vergezellen, wanneer gij hebt gehoord, wat ik u nu ga vertellen.
Hij vertelde hun nu van onze opmetingen, van het doel, waarmee deze geschiedden, van de ontmoeting met de beide Apachen en voegde er toen bij:
—Ik verwonderde mij de beide opperhoofden alleen te zien en dacht, dat zij op de buffeljacht waren en van hun krijgers waren afgedwaald, maar nu weet ik wat zij wilden. De beide Apachen zijn bij u geweest en dat zij dezen tocht zelf hebben gedaan, is een zeker bewijs, dat zij de zaak zeer ernstig opnemen. Nu zijn zij thuis. Winnetou kan slechts langzaam vooruitkomen, daar hij het lijk van Kleki-Petra meevoert; Intschu Tschuna is vooruitgereden en zal, wanneer het moet, zijn paard doodrijden, om zijn krijgers zoo spoedig mogelijk te verzamelen.
—Daarom juist moet ik mijn opperhoofd onmiddellijk gaan waarschuwen.
—Mijn broeder moet mij laten uitspreken. De Apachen dorsten naar wraak, maar niet alleen naar wraak op u, maar ook op ons, om den moord op Kleki-Petra begaan. Zij zullen een groote schare naar u en een kleinere naar ons zenden en bij deze laatste zullen zich ongetwijfeld het opperhoofd en zijn zoon bevinden. Wanneer hij met ons heeft afgerekend, zal hij zich bij de anderen aansluiten. Gij rijdt, nadat ik u onze legerplaats heb gewezen, naar uw hoofdman en vertelt hem alles, wat ik u gezegd heb. Dan komt gij met uw twee honderd krijgers bij ons, om Intschu Tschuna met zijn kleine schaar op te wachten en gevangen te nemen. Hij zal niet meer dan vijftig man meenemen. Gij zijt tweehonderd sterk, wij blanken tellen twintig man en zullen u natuurlijk helpen, het zal u dus zeer gemakkelijk vallen, de Apachen te overwinnen. Als gij de beide opperhoofden in handen hebt, kunt gij verlangen en eischen wat gij maar wilt. Ziet mijn broeder dit wel in?
—Ja, het plan van mijn broeder Sam is zeer goed overlegd, als het opperhoofd dit hoort, zal hij zeker daarmee instemmen.
—Laat ons dan nu opbreken, opdat wij nog voor den nacht de legerplaats bereiken.
Wij bestegen onze paarden, die voldoende uitgerust waren en vlogen in galop weg. Ditmaal wachtten wij ons wel, hetzelfde spoor te volgen, wij reden rechtuit en vermeden dus de omwegen.
Ik moet eerlijk zeggen, dat ik werkelijk niet gesticht was over Sam’s gedrag; integendeel, ik ergerde mij zeer. Winnetou, de edele Winnetou zou met zijn schaar van vijftig krijgers in een hinderlaag worden gelokt! Als dat gelukte waren zij immers verloren! Hoe had Sam Hawkins daartoe kunnen meewerken! Hij wist immers, dat ik van den jongen man was gaan houden en ik wist van hem, dat ook hij hem niet ongenegen was. Al mijn pogingen om onderweg met hem te spreken waren tevergeefs. Ik wilde hem tot andere gedachten brengen, maar hij scheen dit te begrijpen en week niet van de zijde van den aanvoerder. Dit maakte mij nog boozer en als ik ooit in een slechte luim ben geweest, dan was het dien dag, toen wij tegen den avond in de legerplaats aankwamen. Ik steeg van mijn paard, en ging mismoedig in het gras liggen, want ik zag in, dat ik Sam dien avond niet te spreken zou krijgen. Hij stoorde zich in ’t geheel niet aan mij en vertelde aan mijn kameraden, waar en hoe wij de Kiowa’s hadden ontmoet en wat er nu zou gebeuren. Eerst schrokken de blanken eenigszins bij ’t gezicht van de Indianen, maar zij verheugden zich ten zeerste, toen zij hoorden, dat deze onze vrienden en bondgenooten waren en wij niet bevreesd behoefden te zijn voor de komst der Apachen. Wij konden door de tweehonderd Kiowa’s beschermd, kalm ons werk afmaken en overtuigd zijn, dat ons niets zou overkomen.
De Kiowa’s werden onthaald op berenvleesch en reden daarna weg. Eerst toen zij vertrokken waren, kwam Sam naar mij toe en zeide op zijn gewonen, bedaarden toon:
—Gij ziet er vanavond niet bijzonder opgewekt uit, sir. Hebt gij iets op uw hart?
—Zeker,—antwoordde ik niet zeer vriendelijk.
—Zeg mij dan wat het is, misschien kan ik u helpen.
—Ik wilde, dat gij dat kondet, Sam, maar ik betwijfel het.
—Ik kan u helpen, zeker ik kan, wees maar gerust.
—Zeg mij dan eens, Sam, hoe Winnetou u is bevallen?
—Uitmuntend, u toch ook.
—En gij wilt hem in ’t verderf storten. Hoe rijmt ge dat?
—In ’t verderf? Ik, hem? Dat is mij geen oogenblik ingevallen.
—Maar hij zal gevangen genomen worden.
—Zeker.
—En dat zal toch zijn ondergang zijn.
—Maak u toch niet ongerust, sir. Ik houd zooveel van Winnetou, dat ik mijn leven voor hem zou wagen.
—Waarom lokt gij hem dan in een hinderlaag?
—Om ons zelf tegen hem en zijn Apachen te verweren.
—En verder?
—Verder, hm! Gij zoudt dezen jongen Apache gaarne onder uw bescherming nemen, sir?
—Ik zou dit niet alleen willen, maar ik zal het ook werkelijk doen. Als hij gevangen wordt genomen, zal ik hem bevrijden, en als ’t moet voor hem strijden ook, dat zeg ik u eerlijk.
—Zoo? Zult gij dat doen? Werkelijk?
—Ja, ik heb het aan een stervende beloofd en zulk een belofte is mij, die zelfs nooit een eenvoudige afspraak vergeet, zoo heilig als een eed.
—Dat verheugt mij, dat verheugt mij zeer, wij denken er geheel gelijk over.
—Maar—vervolgde ik eenigszins ongeduldig,—zeg mij dan hoe uw mooie praatjes overeen te brengen zijn met uw slechte voornemens!
—Zoudt gij dat willen weten? Hm, ja de oude Sam heeft wel gemerkt, dat gij onderweg graag een woordje met hem wildet spreken. Dat mocht echter niet, want dan zou mijn geheele plan in duigen zijn gevallen. Ik meen het heel anders, dan gij denkt, maar ik wil niet iedereen in de kaart laten zien, hihihihi! U kan ik alles wel vertellen en Dick Stone en Parker ook wel, als ik mij niet vergis. Wat ik dus zeggen wil, is dit: als ik Intschu Tschuna goed ken, is hij niet alleen met Winnetou op verkenning geweest, maar heeft hij intusschen zijn krijgslieden laten uittrekken. Deze zijn in elk geval reeds een eind op weg en daar hij, evenals Winnetou, den geheelen nacht is doorgereden, vermoed ik, dat hij hen reeds morgen vroeg of in den voormiddag althans, denkt te ontmoeten, anders zou hij zijn paard niet zoo hebben afgejaagd. Overmorgenavond kan hij dan reeds weer hier zijn. Gij ziet dus, in welk gevaar wij ons bevinden, en ’t is maar goed, dat wij hem na zijn gereden. Gelukkig ook, dat wij de Kiowa’s hebben aangetroffen en dit alles van hen zijn te weten gekomen. Zij halen hun tweehonderd ruiters hier en....
—Ik zal Winnetou voor de Kiowa’s waarschuwen—viel ik hem in de rede.
—Doe dat om ’s Hemels naam niet!—riep hij,—dat zou ons ongeluk zijn, want wij kregen dan vrij wat met de Apachen te doen. Neen, zij moeten werkelijk gevangengenomen worden en den dood voor oogen zien. Als wij ze dan heimelijk bevrijden, moeten zij ons dankbaar zijn en hun plannen van wraak tegenover ons opgeven. Misschien zullen zij dan Rattler nog opeischen en dien kunnen zij voor mijn part krijgen. Wat zegt gij er nu van, booze mijnheer?
Ik stak hem de hand toe en antwoordde:
—Ik ben tevreden over u, beste Sam, gij hebt dat mooi bedacht.
—Nietwaar? Ja, Sam Hawkins mag dan, zooals een zeker iemand beweert, veldmuizen vreten, hij heeft toch ook nog wel zijn goede zijde, hihihihi! Dus, gij zijt niet meer boos?
—Volstrekt niet.
—Goed, ga dan nu op één oor liggen en slaap, want morgen zal er veel te doen zijn. Ik ga nu Stone en Parker waarschuwen, opdat zij weten, hoe zij zich morgen hebben te houden.