Part 10
Hij zag mij bij deze woorden uitdagend aan. Natuurlijk verwachtte hij een antwoord, maar ik zweeg, trok mijn zadel naar mij toe, ging languit liggen en sloot de oogen.
—Wel, wat zijn dat nu weer voor kuren?—vroeg hij,—ben ik dan geen antwoord waard?
—O ja,—antwoordde ik.—Goeden nacht, beste Sam, slaap wel.
—Wilt gij gaan slapen?
—Ja, gij hebt mij dit immers aangeraden!
—Dat was zooeven, maar nu zijn we nog niet met elkaar klaar.
—O zeker!
—Neen, ik moet nog met u spreken.
—Ik echter niet met u, want ik weet nu, wat ik weten wilde.
—Weten wilde, wat dan?
—O verder niets, dan dat ik voor prairiejager geboren ben en reeds meer beteeken, dan menig jager, die twintig jaar op de prairie heeft rondgezworven.
Toen liet hij de hand met de berenham zinken, hoestte eenige malen zeer verlegen, en zeide:
—Alle.... duivels....! Deze jonge kerel, deze greenhorn.... heeft mij.... hm, hm!
—Goeden nacht, Sam Hawkins, slaap wel!—herhaalde ik en keerde mij om.
Toornig wendde hij zich tot mij en begon:
—Ja, ga maar slapen, leelijkerd, dat is beter voor u, dan waken, want zoolang gij de oogen open hebt, is geen eerlijk man zeker, niet door u voor den gek te worden gehouden. ’t Is uit tusschen ons, hoort ge, ik heb u leeren kennen, gij, gij zijt een schelm, voor wien men zich in acht moet nemen.
Naar zijn toon te oordeelen, had ik werkelijk moeten denken, dat het hem volkomen ernst was en de vriendschap tusschen ons voorgoed uit was, maar reeds een halve minuut later, hoorde ik er hem met een zachte vriendelijke stem bijvoegen:
—Goeden nacht, sir, slaap wel, opdat gij uitgerust zijt, als ik u roep!
Het was toch een eerlijke, brave man, die oude Sam Hawkins!
Ik sliep werkelijk vast, tot hij mij wekte. Parker en Stone waren reeds gereed; de andere sliepen nog, zelfs Rattler. Wij aten een stuk vleesch, dronken water, voorzagen onze paarden en reden heen, nadat Sam onzen beiden kameraden de noodige instructies had gegeven voor mogelijke ongevallen. De zon was nog niet opgegaan toen wij dezen rit, die zeer gevaarlijk kon worden, aanvaardden. Mijn eerste verkenningstocht! Hoevele van die tochten heb ik later nog gemaakt!
Wij sloegen natuurlijk de richting in, welke de beide Apachen genomen hadden. De sporen waren in het gras nog duidelijk te zien, zij voerden naar ’t noorden, terwijl wij de Apachen toch in ’t zuiden moesten zoeken. Toen wij achter de kromming van het dal gekomen waren, zagen wij in het bosch, dat tegen de hoogte opgroeide, een opening, waarschijnlijk gemaakt door een kudde buffels. Het spoor liep daar doorheen. Daarna kwamen wij op een prairie, welke als een regelmatig, langzaam stijgend dak naar ’t zuiden voerde. De Apachen waren, naar wij bemerkten, om ons heen gereden. Toen wij ons boven op de nok van dit dak bevonden, lag om ons een groote, met gras begroeide vlakte, welke naar den zuidkant geen grenzen scheen te hebben. Hoewel er sedert het verdwijnen der Apachen meer dan een halve dag was verloopen, zagen wij hun spoor als een rechte lijn over de vlakte. Sam, die tot nu toe geen woord gezegd had, schudde het hoofd en bromde:
—’t Bevalt mij niets dit spoor; ’t bevalt mij niets!
—En mij des te beter,—zeide ik.
—Omdat gij een greenhorn zijt, al wildet gij ’t mij gisteravond ook bestrijden! Verbeeldt me zich dat jonge mensch, dat ik hem heb willen prijzen en met een prairiejager heb willen vergelijken! Dat is immers niet mogelijk! Men behoeft u maar te hooren spreken, om te weten, wat men aan u heeft! Bevalt u dit spoor? Ja, dat wil ik wel gelooven, omdat het zoo mooi, duidelijk voor u ligt. Maar mij, ouden prairielooper, komt dat zeer verdacht voor!
—Mij niet.
—Houd uw mond, sir, ik heb u niet meegenomen, opdat gij mij met uw opmerkingen ’t land zoudt opjagen. Als twee Indianen hun spoor zoo laten zien, is dit zeer bedenkelijk, vooral wanneer ze, zooals hier ’t geval is, vijandschap hebben gezworen. Het is mij duidelijk dat zij ons in een val willen lokken, want zij hebben natuurlijk wel begrepen, dat wij hen zouden volgen.
—En waarin bestaat die val?
—Dat kan men nu nog niet weten.
—En waar zou die dan moeten liggen?
—Natuurlijk, daarginds in ’t zuiden. Zij hebben het ons zeer gemakkelijk gemaakt, hen tot daartoe te volgen. Als zij daarmee geen bepaalde bedoeling hadden, zouden zij hun spoor hebben uitgewischt.
—Hm!—bromde ik.
—Wat?—vroeg hij.
—Niets.
—O zoo, het was, alsof gij iets wildet zeggen!
—Ik zal er wel voor oppassen!
—Waarom?
—Omdat gij anders misschien weer zoudt gaan denken, dat ik u ’t land wil opjagen, waartoe ik, eerlijk gezegd, niet den minsten lust gevoel.
—Praat toch niet zoo onverstandig. Onder vrienden moet men de woorden niet zoo nauw nemen. Gij wilt toch iets leeren, en daarom moet gij ook spreken. Dus, wat beteekende dat gebrom van zooeven?
—Ik was van een geheel andere meening dan gij, ik geloof niet, dat zij ons in een hinderlaag willen lokken.
—Zoo, waarom niet?
—De beide Apachen willen hun kameraden opzoeken. Zij willen met hen zoo spoedig mogelijk tegen ons optrekken, en hebben bij deze warmte een doode bij zich. Dit zijn twee redenen, welke hen nopen, zich zooveel mogelijk te haasten en daarom ook hebben zij zich niet den tijd gegund, hun spoor uit te wisschen.
—Hm!—bromde Sam nu op zijn beurt.
—En al had ik geen gelijk,—vervolgde ik,—wij kunnen hen toch gerust volgen, want in deze groote vlakte kunnen wij elken vijand reeds van verre zien aankomen en ons dus tijdig terugtrekken.
—Hm!—bromde hij opnieuw, terwijl hij mij van ter zijde aanzag. —Gij spreekt daar over dien doode, denkt gij, dat ze dien in deze warmte meenemen?
—Ja.
—Niet onderweg begraven?
—Neen, de doode stond bij hen in hoog aanzien en hun gewoonten eischen, dat zij hem met Indiaansch prachtvertoon begraven. Op deze plechtigheid zou de kroon worden gezet, indien het mogelijk was, de moordenaars op datzelfde oogenblik te laten sterven. Zij zullen zich dus wel haasten, om Rattler en ons allen, in handen te krijgen; als ik ze goed ken, kunnen we ons daarop voorbereiden.
—Zoo, gij ze kennen? Zijt ge dan in dit land geboren?
—Dat niet!
—Hoe zoudt ge ze dan kennen?
—Wel uit de boeken, waarvan gij niets wilt weten.
—Kom,—knikte hij,—laat ons verder rijden!
Hij zeide niet, of hij ’t met mij eens was, maar een zekere trek om den mond, zeide mij, dat hij moeite deed, zich stil te houden. Wij joegen nu in galop over de vlakte, een van die savannas, met kort gras begroeid, welke men tusschen het brongebied van de Canadarivier en dat van den Rio Pecos vindt. Het spoor liep in drie rijen, alsof het met een grooten drietand was getrokken. De paarden hadden dus hier nog steeds zoo naast elkaar geloopen, als wij ze hadden zien vertrekken. Nu achtte Sam den tijd gekomen, om mij iets te leeren. Hij verklaarde, uit welke teekenen men kon opmaken, of de ruiters stapvoets, in draf of in galop hadden gereden.
Een half uur verder was het of er een bosch vlak voor de prairie lag, maar dit was slechts schijn, want de vlakte maakte hier een bocht en weldra hadden wij het bosch weer links van ons. De boomen waren zoover van elkaar, dat een ruiter alleen er doorheen kon komen, de Apachen evenwel met de drie paarden dicht naast elkaar, waren genoodzaakt geweest, een omweg te maken.
Een weinig verder vernauwde zich de vlakte tot een smallere, niet geheel open weide, waarop enkele boomgroepen stonden. Bij een van deze boomgroepen hadden de Apachen klaarblijkelijk een oogenblik halt gehouden, en zeer voorzichtig onderzochten wij, wat ze hier hadden kunnen uitvoeren. Wij kwamen daarbij tot de overtuiging, dat zij het lijk van het paard hadden genomen en in het gras hadden gelegd en vervolgens in het boschje waren gegaan, om eiketakken af te snijden. Kleinere takjes lagen nog op den grond.
—Wat denkt gij, dat ze met deze takken hebben gedaan?—vroeg Sam, terwijl hij mij aanzag als een schoolmeester zijn leerling.
—Een draagbaar of slede gemaakt voor den gestorvene,—antwoordde ik kalm.
—Hoe weet gij dat?
—Uit mij zelf. Ik had reeds verwacht, dat zij zoo iets zouden doen. Het lijk zoolang rechtop te houden, is geen kleinigheid geweest, en ik vermoedde dus wel, dat zij bij de eerste halt er iets anders op zouden trachten te vinden.
—Niet slecht bedacht. Staat zoo iets ook in uw boeken te lezen, sir?
—Niet woordelijk en juist van toepassing op dit bijzonder geval, maar ’t hangt er van af, hoe men een boek leest. Men kan werkelijk veel daaruit leeren, en dan in de werkelijkheid op andere gevallen toepassen.
—Hm, zonderling, die zoo iets kunnen schrijven, moeten toch zelf wel in ’t Westen zijn geweest! Overigens, ik geloof, dat gij gelijk hebt, wij zullen zien.
—Ik denk, dat zij eerder een slede, dan een draagbaar hebben gemaakt.
—Waarom?
—Om een doode, of in ’t algemeen iets op een baar te dragen, heeft men twee paarden noodig, die òf naast, òf achter elkaar loopen, bij een slede kan men met één paard volstaan.
—Goed, maar de slede maakt een verduiveld breed spoor, dat zeer gevaarlijk voor hen kan worden. We kunnen overigens gerust aannemen, dat zij gisteravond hier zijn geweest, en dus zal ’t wel spoedig blijken, of zij hier gelegerd hebben, of ’s nachts door zijn gereden.
—Ik zou denken, dat dit laatste het geval was, omdat zij zoo’n haast hadden.
—Juist, dat denk ik ook.
Wij waren afgestegen, en volgden, met onze paarden achter ons, langzaam het spoor. Dit zag er nu geheel anders uit dan te voren, want de middelste, breede streep was gemaakt door paardenhoeven en de beide zijsporen moesten door de slede zijn veroorzaakt. Deze slede moest dus wel bestaan uit twee hoofdstangen, welke door dwarshouten aan elkaar bevestigd waren, en daarop was zeker de doode neergelegd.
—Van hier zijn de beide ruiters achter elkander aan gereden,—meende Sam.—Dat moet zijn reden hebben, want er was plaats genoeg om naast elkaar te rijden, laat ons hen volgen.
Wij stegen weer op en reden in draf verder, ik kon niet nalaten er over te denken, wat de reden kon zijn, maar eindelijk meende ik het gevonden te hebben. Ik zeide daarom:
—Sam, zie eens goed toe! Dit spoor zal weldra een verandering ondergaan, welke wij niet gemakkelijk zullen opmerken.
—Wat, een verandering?—vroeg hij.
—Ja, zij hebben de slede gemaakt, niet alleen om het hun zelf gemakkelijk te maken, maar ook, om ongemerkt van elkander te kunnen gaan.
—Hoe bedenkt ge het? van elkaar gaan? dat zullen ze nooit probeeren.
—Waarom niet?
—Zeg mij toch, hoe gij op dat denkbeeld komt, is dat ook weer de schuld van uw boeken?
—Ja, werkelijk zij brachten mij op het denkbeeld.
—Hoe dan?
—Tot nu toe zijt gij mijn leermeester geweest, nu zal ik u eens wat vertellen.
—’t Zal wel der moeite waard zijn!
—Luister, waarom plegen de Indianen heel veel achter elkaar te rijden? Toch niet voor de gemakkelijkheid of voor de gezelligheid?
—Neen, maar opdat degene, die achter hen komt, niet zou kunnen weten, hoeveel ruiters er voor hem waren.
—Juist; nu, ik geloof dat dit ook hier ’t geval is.
—Dwaasheid!
—Maar waarom rijden ze dan zoo in een ganzenmarsch, terwijl er plaats genoeg is voor drie paarden naast elkaar?
—Wel, toeval of om den doode. De eene rijdt voor als wegwijzer, dan komt het paard met het lijk en achteraan de andere, die moet oppassen dat de slede niet uit elkaar valt.
—’t Kan zijn, maar vergeet niet, dat zij haast hebben en dat het vervoeren van het lijk op deze manier zeer tijdroovend is, een van hen zal dus wel vooruitrijden, om hun kameraden te waarschuwen.
—Kom, dat is fantasie van u, ik zeg u, dat vader en zoon niet van elkaar zullen scheiden—
Waarom zou ik verder met mijn ouden vriend redetwisten? ’t Kon zijn, dat hij gelijk had, hij was een ervaren prairiejager en ik nu eenmaal een „greenhorn”. Ik zweeg dus, maar lette nauwkeurig op het spoor, dat wij in draf volgden.
Niet lang daarna kwamen wij aan een niet diepe, maar breede, op dit oogenblik geheel uitgedroogde rivierbedding, een van die, welke in het voorjaar ’t water van de bergen tijdelijk opnemen en verder in den zomer droog blijven. De bodem van deze bedding bestond uit door het water fijngeslepen steengruis en zand. Het spoor liep dwars daar doorheen.
Terwijl wij langzaam verder reden, bezag ik het gruis en het zand zeer nauwkeurig. Als ik zooeven goed geraden had, dan moest dit voor de Apachen het meest geschikte punt zijn, om zich van elkander te scheiden. Wanneer zij hun paarden niet op het zand, maar steeds op het steengruis lieten stappen, dan kon een van hen verdwijnen, zonder een spoor achter te laten. Reed dan de andere verder, met de slede achter zich aan, dan kon men het spoor van deze twee paarden, nog altijd voor dat van drie houden.
Ik reed achter Sam Hawkins. Reeds was ik bijna over de beek, toen ik in een zandlaag, die onmiddellijk naast een gruislaag lag, een rond gat zag, ongeveer zoo groot als een schoteltje. Ik had destijds nog niet die scherpzinnigheid en ervaring, die ik later kreeg, maar wat ik achteraf beweerd en bewezen heb, dat vermoedde ik toen, namelijk dat dit kleine gat, met ingevallen randen, van een paardenhoef afkomstig was, welke van de hooge gruislaag in het zand was afgegleden. Toen wij den anderen oever hadden bereikt, wilde Sam verder rijden, maar ik riep:
—Kom eens even hier aan den linkerkant, Sam!
—Waarom?—vroeg hij.
—Ik wil u iets laten zien.
—Wat dan?
—Kom maar mee!
Ik reed langs den met gras begroeiden oever van de droge bedding en wij waren geen honderd pas verder of wij zagen een paardenspoor uit het zand opkomen en verdwijnen in zuidelijke richting.
—Wat is dat, Sam?—vroeg ik met trots op deze ontdekking.
Zijn kleine oogen schenen in hun holten te willen verdwijnen en zijn gezicht werd steeds langer.
—Paardenhoeven—antwoordde hij verbaasd.
—Waar komen die vandaan?
—Uit de bedding natuurlijk.
—Juist, en wie zou de ruiter zijn?
—Weet ik dat?
—Neen, maar ik weet het wel.
—Nu, wie dan?
—Een van de beide Apachen.
Zijn gezicht werd zoo mogelijk nog langer en half boos riep hij uit:
—Een van die beiden, niet mogelijk!
—Zeker, zij zijn van elkaar gegaan, zooals ik reeds had vermoed. Kom nu weer mee naar het vorige spoor, dan zult ge zien dat het slechts dat van twee paarden is.
—Dat zou toch vreemd zijn, maar wij zullen zien, ik ben verbazend nieuwsgierig.
Wij reden terug en keken nog eens opmerkzaam toe, werkelijk er konden slechts twee paarden geweest zijn. Sam hoestte eenige malen, zag mij met een wantrouwenden blik aan en vroeg:
—Hoe zijt ge eigenlijk op het denkbeeld gekomen, dat dat spoor uit de droge bedding moest komen?
—Ik heb den indruk van een hoef in het zand gezien en heb daaruit mijn gevolgtrekkingen gemaakt.
—Kom, wijs mij dien indruk dan eens.
Ik deed wat hij verlangde, maar nu zag hij mij nog wantrouwender aan en vroeg:
—Sir, wilt gij mij de waarheid zeggen?
—Zeker, hebt gij mij ooit op een leugen betrapt?
—Hm, gij schijnt wel een waarheidlievend en eerlijk man te zijn, maar in dit geval vertrouw ik u toch niet. Zijt gij nooit te voren in de prairie geweest?
—Neen.
—Ook niet ergens anders in ’t Westen?
—Neen.
—Ook niet in de Vereenigde Staten?
—Nooit.
—Of is er misschien ook een ander land, waar men savannen of prairiën vindt, zooals deze en waart ge daar dan soms?
—Neen, ik ben vroeger nooit buiten mijn vaderland geweest.
—Loop dan naar den duivel, gij onbegrijpelijk wezen.
—Oho, Sam Hawkins, is me dat nu een wensch van een vriend, zooals gij beweert te zijn?
—Och, neem me ’t niet kwalijk, dat mij soms de gal overloopt. Daar komt me zoo’n greenhorn voor ’t eerst in ’t westen, heeft nog geen gras zien groeien en geen aardvloo hooren zingen, en jaagt, op zijn eersten verkenningstocht, den ouden Sam een blos van schaamte naar de wangen. Als men daarbij kalm kan blijven, moest men wel visschenbloed in zijn aderen hebben. Toen ik zoo jong was als gij, was ik vrij wat knapper dan gij, en nu op mijn ouden dag, ben ik wel tienmaal zoo dom. Is dat niet treurig voor een prairielooper, die nog een weinig eergevoel heeft?
—Nu gij behoeft het u niet zoo erg aan te trekken.
—Hoe zou ik niet, want ik moet bekennen, dat gij gelijk hebt, hoe komt dat toch?
—Wel omdat ik logisch gedacht heb, en goede gevolgtrekkingen heb gemaakt, daar komt het maar op aan.
—Dat begrijp ik niet.
—Wel ik heb zoo gedacht: als Indianen achter elkaar aanrijden, willen zij hun spoor verbergen, de beide Apachen zijn achter elkaar aangereden, dus wilden zij hun spoor verbergen, begrijpt ge dat?
—Natuurlijk.
—Door deze gevolgtrekking ben ik tot de ontdekking gekomen. Een prairieman moet vóór alles, juist kunnen denken. Wil ik u nog zulk een gevolgtrekking opnoemen?
—Ja, waarom niet?
—Gij heet Hawkins, dat woord beteekent „valk”, niet waar?
—Yes.
—Luister dan: de valk eet veldmuizen, is ’t niet zoo?
—Ja, als hij ze vangt eet hij ze op.
—Nu, de gevolgtrekking is dus: de valk eet veldmuizen, gij heet „valk”, dus gij eet veldmuizen.
Sam sperde zijn mond en oogen wijd open, zag mij een tijdlang sprakeloos aan en begon toen:
—Sir, steekt ge den gek met mij? Dat duld ik niet! Ge hebt mij beleedigd, zwaar beleedigd, door te beweren, dat ik muizen eet, en nog wel veldmuizen. Daarvoor eisch ik voldoening. Wat denkt gij van een duel!
—Uitstekend.
—Ja wel, gij hebt gestudeerd, niet waar?
—Ja, maar gij niet en kan ik dus niet met u duelleeren. Hoor eens, ik zal u een andere voldoening geven!
—En die is?
—Ik zal u mijn Grizzlyberenvel schenken!
Zijn oogen begonnen te fonkelen.
—Maar, dat hebt ge zelf noodig!
—Neen, ik geef het u!
—Is dat waar?
—Ja.
—Heigh-day, dat neem ik dadelijk aan! Dank sir, duizendmaal dank. Och, wat zullen de anderen zich daarover ergeren. Weet ge, wat ik er van maak?
—Wat dan?
—Een nieuwe jachtrok, een jachtrok uit Grizzlyleder! Wat een bezitting! Ik zal hem zelf maken, ik ben een uitstekend kleermaker. Zie maar eens, hoe knap ik dezen heb opgelapt.
Het was werkelijk een kunststuk, die oude jas, maar door het telkens oplappen en verstellen, was zij zoo dik en stijf geworden, als een plank.
—Maar,—voegde hij er verheugd bij:—de ooren, de klauwen en de tanden krijgt gij, die heb ik niet noodig en gij hebt ze met levensgevaar veroverd. Ik zal u daarvan een ketting maken, dat kan ik heel goed doen, vindt ge dat goed?
—Uitstekend.
—Goed zoo, dan heeft ieder wat. Gij zijt werkelijk een flinke kerel, gij geeft Sam Hawkins een berenvel! Nu moogt ge voor mijn part beweren, dat ik niet alleen veldmuizen, maar ook ratten eet, ik geef er geen sikkepit om. En wat de boeken betreft.... ik zie nu wel in, dat zij niet zoo kwaad zijn, als ik eerst dacht, men kan er toch wel veel uit leeren. Zult gij er werkelijk een schrijven?
—Misschien meer dan een.
—Over wat gij alzoo beleefd hebt?
—Juist.
—En kom ik daar ook in voor?
—Zeker, alleen mijn beste vrienden, die wil ik daarin, om zoo te zeggen, vereeuwigen.
—Hm, hm, dat klinkt wel mooi. Dus ik kom er ook in?
—Als gij het ten minste wilt.
—Hoor eens sir, dat wil ik graag, ik verzoek er u zelfs om.
—Goed, dan zal het gebeuren.
—Maar doe mij dan één plezier. Vertelt gij alles, wat wij met elkaar beleefd hebben?
—Ja.
—Och, schrijf dan niet, dat ik dit spoor niet heb gevonden; Sam Hawkins en zoo iets niet vinden! Ik moet mij immers voor al uw lezers schamen! Als gij zoo goed wilt zijn, dit te verzwijgen, moogt gij dat van de ratten en muizenvreterij er voor mijn part wel inzetten. Wat de menschen over mij denken, kan mij niets schelen, maar als zij mij voor een prairiejager aanzien, die een Indiaan laat wegrijden, zonder dit aan het spoor te zien, dat zou mij toch zeer hinderen.
—Maar dat gaat niet, beste Sam.
—Niet, waarom niet?
—Omdat ik iederen persoon beschrijven moet, zooals hij is. Dan laat ik u maar liever heelemaal weg.
—Neen, neen, ik wil in ’t boek! Nu, zeg dan maar de waarheid, dat is misschien ook beter. De lezers, die even dom zijn als ik, kunnen er van leeren, en nu ik weet, dat het gedrukt wordt, wat ik gedaan heb, zal ik mij voortaan alle moeite geven, om dergelijke fouten niet weer te maken. Dus daarover zijn we ’t eens?
—Ja.
—Laat ons dan verder gaan.
—Welk spoor zullen we nu volgen? Het enkele?
—Neen, het andere.
—Dat zal wel van Winnetou zijn.
—Waaruit maakt ge dat op?
—Deze zal met de slede langzaam rijden, de andere zal vooruit zijn gegaan, om zijn krijgers te verzamelen, dat zal dus wel het opperhoofd zijn.
—Yes, ik ben ’t met u eens. Het opperhoofd gaat ons op ’t oogenblik niets aan, wij rijden dus den zoon achterna.
—Waarom dezen?
—Omdat ik weten wil, of hij naar de legerplaats gaat, vooruit dus!
Wij reden verder, zonder dat er iets bijzonders voorviel. Ook de beschrijving der landstreek, door welke wij reden, zou niet de moeite loonen. Eerst om één uur ’s middags hield Sam zijn paard in en zeide:
—Nu is ’t mooi genoeg, wij keeren terug. Ook Winnetou heeft den geheelen nacht doorgereden, zij hebben dus groote haast, wij kunnen hun aanval spoedig verwachten, misschien nog binnen de vijf dagen, die gij noodig hebt, om uw werk af te maken.
—Maar, dat zou niet aangenaam zijn.
—Neen, dat stem ik toe. Houdt gij op met werken en maakt u uit de voeten, dan blijft het werk onafgedaan, blijven wij, dan worden wij overvallen en het werk blijft eveneens liggen. Wij moeten de zaak ernstig met Bancroft bespreken.
—Misschien is er nog een uitweg te vinden.
—Ik zou niet weten welken.
—Dat wij ons tijdelijk terugtrekken en dan wanneer de Apachen weer vertrokken zijn, het werk afmaken.
—Dat zou misschien gaan, we moeten zien, wat de anderen er van zeggen. Zullen we voor den nacht weer in onze legerplaats terug zijn, dan moeten wij ons haasten.
Wij reden denzelfden weg terug, dien wij gekomen waren. Mijn roodschimmel was nog onvermoeid en de nieuwe Mary deed, alsof zij zoo pas van stal was gekomen. Wij legden in korten tijd een grooten afstand af, tot wij aan een stroomend beekje kwamen, waar wij onze dieren wilden laten drinken en een uurtje wilden uitrusten. Wij stegen dus af en strekten ons tusschen de boomen in het zachte gras uit.
Wij hadden elkander weinig nieuws te vertellen en bleven dus zwijgen. Ik dacht aan Winnetou en aan den strijd met hem en zijn Apachen, welke ons waarschijnlijk wachtte en Sam Hawkins had de oogen gesloten en.... hij sliep: ik zag het aan het regelmatig op en neer gaan van zijn borst. Hij had den laatsten nacht ook niet veel geslapen, en hier kon hij gerust een klein tukje nemen; ik waakte en er was niets te zien, dat aanleiding gaf tot bezorgdheid.
Nu zou ik voor ’t eerst ondervinden, hoe geoefend de zinnen van mensch en dier in ’t verre Westen zijn. Het muildier was midden tusschen ’t kreupelhout en knabbelde kalmpjes de bladeren van de twijgen, mijn schimmel liep dicht bij mij en maaide met zijn scherpe tanden het gras af. Sam sliep, zooals ik reeds gezegd heb.
Daar liet het muildier een kort, eigenaardig, ik zou haast zeggen, waarschuwend snuiven hooren, en in een oogenblik was Sam wakker en stond hij naast mij.
—Ik sliep, Mary snoof, dat heeft mij wakker gemaakt, er komt iemand. Waar is mijn muildier?—zeide hij.
—Daar in het kreupelhout, kom mee.
Wij kropen nu in het boschje en zagen hoe Mary, voorzichtig achter de takken verborgen, door de bladeren heen zag. Haar lange ooren bewogen zich en de staart ging op en neer. Toen zij ons zag, werd zij kalm, ooren en staart bleven in rust. Het dier was werkelijk vroeger in goede handen geweest en Sam mocht zich wel gelukkig achten in plaats van een paard deze Mary te hebben gevangen.
Toen wij zelf nu ook door de bladeren zagen, bemerkten wij zes Indianen, die achter elkaar van het noorden kwamen langs het spoor, dat wij gemaakt hadden. De voorste, een niet lange, maar gespierde gestalte, hield het hoofd gebogen en scheen zijn oogen niet van den grond af te wenden. Allen droegen lederen slobkousen en donkere wollen hemden. Hun wapens bestonden uit geweren, messen en tomahawks, hun gezichten glommen van vet, en waren geteekend met een blauwe en een roode streep.
Ik begon reeds ongerust te worden, maar Sam zeide op luiden toon: