Part 9
Als er iets was, dat mij troost kon geven, dan was het dit, dat Kleki-Petra in Winnetou’s armen was gestorven, dat zijn hart den voor Winnetou bestemden kogel had opgevangen, want dat was immers zijn laatste wensch geweest. Maar het verzoek aan mij, om bij Winnetou te blijven en zijn werk te voltooien? Waarom had hij dit gedaan? Slechts weinige minuten van te voren had hij gemeend, dat wij elkander wel nooit zouden terugzien, en nu legde hij mij plotseling de taak op, mij in betrekking te stellen met dezen stam der Apachen? Was deze wensch een toevallig, los daarheen geworpen woord? Of is het den stervende vergund, in zijn laatste oogenblikken een blik in de toekomst te werpen? Bijna zou ik zeggen, dat dit zoo was, want het is mij later mogelijk geworden zijn wensch te vervullen, hoewel het op dat oogenblik den schijn had, alsof een ontmoeting met de Apachen slechts tot mijn verderf kon leiden.
Waarom had ik eigenlijk den stervende zoo spoedig mijn woord nog gegeven? Uit medelijden? Ja, waarschijnlijk. Of was er misschien een andere reden, hoewel ik mij daarvan toen niet bewust was.
Winnetou had een diepen indruk op mij gemaakt; hij was even jong als ik en stond zoover boven mij, ik had dit dadelijk opgemerkt. Hoe ernstig en fier zagen zijn zachte oogen rond, hoe rustig en zeker was zijn houding, was elke beweging. En daarbij die trek van diep verborgen leed op dat schoone, jeugdige, maar weemoedige gelaat? Hoe eerbiedwekkend was zijn gedrag en dat van zijn vader. Andere menschen, ’t zij blank of rood van huid, zouden zich op den moordenaar hebben geworpen en hem hebben gedood; deze beiden hadden hem met geen blik verwaardigd, en geen spier van hun gelaat verried, wat er in hen omging. Wat waren wij toch voor menschen, bij hen vergeleken! Ik zat hierover na te denken, terwijl de anderen zich het vleesch goed lieten smaken, tot Sam Hawkins mij uit mijn gepeins wekte:
—Wat hebt gij toch, sir? Hebt gij geen honger?
—Ik eet niet!
—Zoo! houdt gij liever nabetrachtingen? Ik zeg u, dat gij u dat niet moet aanwennen. Ook ik erger mij geweldig, over wat er is voorgevallen, maar een prairieman moet aan zulke dingen wennen. Bedenk dat de bodem, waarop gij thans leeft, geheel met bloed is gedrenkt, en wie zoo gevoelig is, dat hij dit niet ruiken kan, moet thuis blijven en suikerwater drinken. Neem die geschiedenis niet zoo zwaar op, en geef uw berenklauw hier, ik zal hem voor u braden!
—Dank u, Sam, ik eet werkelijk niet. Zijt gij ’t al samen eens, wat er met Rattler zal gebeuren?
—Wij hebben er wel over gesproken.
—Welnu, wat zal zijn straf zijn?
—Straf? meent gij, dat wij hem moeten straffen?
—Ja, natuurlijk.
—Zoo, en hoe meent gij, dat wij dit moeten doen? Moeten wij hem naar San Francisco, New-York of Washington brengen en daar als moordenaar aanklagen?
—Onzin! Wij hebben over hem te oordeelen, hij is aan de wetten der prairiën onderworpen.
—Wel ja, wat weet zulk een „greenhorn” van de wetten van ’t Westen! Zijt gij uit Duitschland overgekomen, om hier voor rechter te spelen? Was deze Kleki-Petra een bloedverwant of goede vriend van u?
—Neen, in ’t geheel niet.
—Dat is ’t nu juist. Ja, de Far-West heeft zijn vaste, eigenaardige wetten. Zij verlangt: oog om oog, en tand om tand, bloed voor bloed. Is er een moord gebeurd, dan kan hij, die daartoe het recht heeft, den moordenaar dooden of er wordt een jury benoemd die het vonnis velt, dat dan ook onmiddellijk wordt voltrokken. Op deze wijze ontdoet men zich van de slechte elementen, welke anders de eerlijke jagers boven ’t hoofd zouden groeien.
—Welnu, laat ons dan een jury vormen.
—Daartoe is eerst een aanklager noodig.
—Welnu, die ben ik.
—Met welk recht?
—Als mensch, die niet kan toestaan, dat zulk een misdaad ongestraft blijft.
—Zoo, nu spreekt gij, evenals een „greenhorn” spreekt. Gij kunt slechts in twee gevallen als aanklager optreden. Ten eerste, wanneer de vermoorde uw bloedverwant of vriend is, en gij hebt reeds gezegd, dat dit niet het geval was, ten tweede kunt gij ook dan als aanklager optreden, wanneer gij zelf de vermoorde zijt, hihihihi! Zijt gij dat?
—Sam, de zaak is veel te ernstig, om mee te spotten.
—Weet ik wel, ik wilde dit er ook maar volledigheidshalve bijvoegen, omdat, wanneer er een misdaad is gebeurd, de aangerande natuurlijk het eerste en grootste recht bezit, te straffen. Gij kunt dus geen aanklager zijn en wij evenmin. Waar evenwel geen aanklager is, daar is ook geen rechter, wij hebben dus geen recht een jury samen te stellen.
—Dus moet Rattler ongestraft blijven?
—Geen sprake van, wind u maar niet zoo op! Ik geef u mijn woord, dat de straf hem zal treffen, zoo zeker als een kogel uit mijn Liddy het doel treft. De Apachen zullen daarvoor wel zorgen.
—En wij zullen met hem moeten boeten.
—Zeer waarschijnlijk, maar meent gij, dat wij dit kunnen verhinderen, door Rattler te dooden? Meegevangen, meegehangen. De Apachen zien niet hem alleen, maar ons allen voor de moordenaars aan en zullen ons ook als zoodanig behandelen, indien wij in hun handen vallen.
—En als hij niet meer bij ons is?
—Dat doet er niets toe; zij schieten ons neer, zonder te vragen of hij bij ons is of niet, en bovendien, waar zoudt ge hem willen brengen?
—Hem wegjagen.
—Ja, wij hebben daarover ook reeds gesproken, maar zijn tot het besluit gekomen, dat wij ten eerste geen recht hebben, hem weg te jagen en al hadden wij dit, zoo moeten wij het toch uit voorzichtigheid nalaten.
—Maar Sam, ik begrijp u niet. Als iemand mij niet bevalt, scheid ik van hem! En dan een moordenaar, zijn wij gedwongen zulk een schurk, die daarbij nog een dronkaard is en ons telkens in ongelegenheid kan brengen, nog langer in ons gezelschap te dulden?
—Ja zeker, dat zijn wij, helaas, Rattler is evengoed als ik, Stone en Parker, aangenomen en alleen degenen, die hem bezoldigen, kunnen hem ontslaan. Wij moeten ons aan dit voorschrift houden.
—Aan dit voorschrift houden tegenover een mensch, die dag aan dag de goddelijke en menschelijke wetten met voeten treedt?
—’t Is toch zoo; wat gij zegt is alles waar, maar men mag geen fout begaan, omdat een ander een misdaad heeft bedreven. Ik zeg u, de overheid moet rechtvaardig blijven en wij, die in de wildernis voor rechters moeten fungeeren, moeten het recht hoog houden. Maar, dat daargelaten, zou ik u toch wel eens willen vragen, wat Rattler zou doen, wanneer hij door ons werd weggejaagd?
—Dat is zijn zaak!
—Maar ook de onze! Wij zouden ons elk oogenblik in gevaar bevinden, daar hij zich zeer waarschijnlijk op ons zou trachten te wreken. Het is beter hem onder ons toezicht te houden, dan dat wij hem wegjagen en hij voortdurend om ons heen sluipt en een van ons onverhoeds een kogel door den kop jaagt; me dunkt, dat zult ge wel met mij eens zijn.
Hij zag mij daarbij aan met een blik, dien ik zeer goed begreep, want hij knipoogde naar den kant, waar Rattler’s kameraden zaten. Wanneer wij tegen den een optraden, zoo was het te denken, dat de anderen gemeene zaak met hem maakten. Ik antwoordde daarom ook:
—Ja, nu gij mij de zaak zoo hebt uitgelegd, zie ik wel in, dat wij beter doen alles op zijn beloop te laten. Alleen maak ik mij wel wat bezorgd over de Apachen, want er is geen twijfel aan, of zij komen terug om zich te wreken.
—Zij zullen komen en wel des te zekerder, omdat zij geen bedreiging hebben gedaan. Zij hebben zich niet alleen zeer trotsch, maar ook zeer verstandig gedragen. Zij hebben zich beheerscht en zijn weggereden zonder een vinger tegen ons op te heffen. Des te zekerder echter zullen zij terugkeeren, om ons allen in handen te krijgen. Gelukt hun dat, dan kunnen wij ons voorbereiden op een gruwelijken dood, want deze Kleki-Petra stond bij hen hoog in aanzien en zijn dood eischt een geduchte wraak.
—En dit alles om dien dronkaard! Zouden zij in grooten getale komen?
—Natuurlijk, ’t is nu de vraag, wanneer zij komen. Wij zouden wel tijd genoeg hebben om te vluchten, maar dan moesten wij alles in den steek laten en ons werk niet ten einde brengen.
—Dat moeten wij zoo mogelijk vermijden.
—Wanneer zoudt gij gereed kunnen zijn, als gij u haast?
—In vijf dagen.
—Hm. Voor zoover ik weet, is hier in de nabijheid geen legerplaats der Apachen; ik zou de eerste Mescaleros drie dagreizen van hier zoeken. Als ik mij niet vergis hebben Intschu Tschuna en Winnetou, omdat zij het lijk met zich voeren, vier dagen werk voor zij hulp kunnen krijgen, dan drie dagen naar hier terug, dat is zeven en daar gij meent in vijf dagen klaar te kunnen komen, geloof ik, dat wij ’t wel kunnen wagen voort te gaan met onze opmetingen.
—En als uw berekening nu eens valsch bleek te zijn? Het is immers mogelijk dat de beide Apachen het lijk eerst voorloopig in veiligheid brengen en dan terugkomen om uit een hinderlaag op ons te schieten? Ook is het mogelijk, dat zij veel eerder hun stamgenooten ontmoeten, ja eigenlijk ligt het voor de hand, dat er van hun vrienden in de buurt zijn, want het zou mij toch zeer verwonderen, dat twee Indianen en nog wel opperhoofden, zich zonder eenige begeleiding zoover van hun makkers zouden begeven. Bovendien is het de tijd van de buffeljacht en dan trekken de Indianen dezen kant uit.
Sam Hawkins kneep een van zijn beide kleine oogjes toe, trok een scheef gezicht en riep:
—Good lack, wat zijt gij toch verstandig en wijs! Waarachtig tegenwoordig zijn de kuikentjes wijzer dan de oude hen, als ik mij niet vergis. Maar om u de waarheid te zeggen, wat gij daar hebt verkondigd, is niet zoo gek. Gij hebt gelijk, wij moeten oogen en ooren open hebben. ’t Is noodzakelijk te weten, waar de beide Apachen zijn heengegaan. Ik zal hen dus bij ’t aanbreken van den dag achterna rijden.
—Ik ga mee,—zeide Willy Parker.
—Ik ook verklaarde Stone.
Sam Hawkins dacht een oogenblik na en zeide:
—Gij blijft hier, gij kunt hier niet gemist worden, begrepen?
Hij zag daarbij even naar Rattler’s kameraden en werkelijk, hij had gelijk. Wanneer deze onbetrouwbare menschen alleen bij ons bleven, konden er, wanneer Rattler ontwaakte, minder aangename tooneelen voorvallen. Het was daarom beter, dat Stone en Parker hier bleven.
—Maar gij kunt toch niet alleen gaan?—zeide de laatste.
—Ik zou het best durven wagen, maar ik wil niet,—hernam Sam.—Ik zal zelf een geleider uitzoeken.
—Wien dan?
—Dien „greenhorn” daar.
—Neen, die kan niet mee—viel de hoofdingenieur in.
—Waarom, niet, Mr. Bancroft?
—Omdat ik hem noodig heb.
—Waarvoor, als ik vragen mag?
—Voor ’t werk natuurlijk, als wij in vijf dagen klaar zullen zijn, moeten wij al onze krachten inspannen, ik kan geen enkelen man missen.
—Ja, alle krachten inspannen. Tot nu toe hebt gij dat niet gedaan, integendeel, één heeft voor u allemaal alleen moeten werken, nu moet gij allen eens werken voor hem.
—Mr. Hawkins, wilt gij mij soms de wet voorschrijven?
—Ik denk er niet aan. Een opmerking is nog lang geen wet.
—Gij zeidet het toch op een gebiedenden toon.
—’t Kan zijn, maar dat doet er niet toe. En wat uw werk betreft, ’t zal wel niet zooveel verschil maken, of er morgen vier of vijf werken. Ik had er juist een bepaald doel mee om dezen jongen „greenhorn”, ook wel Shatterhand genoemd, mee te nemen.
—Mag ik vragen, welk doel?
—Waarom niet? Hij moet leeren hoe men Indianen besluipt, ’t zal hem waarschijnlijk te pas komen, een spoor goed te kunnen lezen.
—Maar dit geeft mij niets.
—Dat weet ik wel, maar er is nog iets anders. De weg, dien ik volgen moet is gevaarlijk en daarom is ’t goed zoowel voor mij als voor u, dat ik iemand bij mij heb, die zoo sterk is als deze „greenhorn” en die met zijn berendooder zoo buitengewoon goed kan schieten.
—Ik zie werkelijk niet in, wat mij dat zal helpen.
—Niet? Nu, dat verwondert mij, gij zijt toch anders nog wel een slimme gast,—antwoordde Sam op half spottenden toon.—Wel, als ik nu eens vijanden ontmoet, die hier heen willen en mijn levenslampje uitblazen? Wie zal u waarschuwen, voor ’t gevaar, dat u dreigt? Gij wordt overvallen en allen zonder pardon omgebracht. Heb ik evenwel dezen „greenhorn” bij mij, die met zijn kleine dameshandjes den sterksten kerel op den grond werpt, dan komen wij waarschijnlijk met den schrik vrij. Begrijpt gij dat?
—Hm, ja.
—En dan nog ’t voornaamste, hij moet morgen niet hier wezen als Rattler zijn roes heeft uitgeslapen, gij weet, dat die kerel ’t juist op hem gemunt heeft en ik vrees, dat hij zich morgen zal willen wreken op mijn jongen vriend, die hem zoo netjes op den grond heeft doen tuimelen. Daarom moet de een, dien ik niet kan gebruiken, hier bij u blijven en neem ik den andere mee. Hebt gij er nu nog iets tegen?
—Neen, laat hem meegaan.
—Ziezoo, wij zijn het dus eens,—en terwijl hij zich tot mij wendde, voegde hij er bij:—gij hebt gehoord wat u morgen waarschijnlijk wacht, het kan best mogelijk zijn dat wij geen oogenblik tijd kunnen vinden om te eten of te rusten, daarom vraag ik u nog eens of gij niet eens een klein stukje van uw heerlijken berenklauw wilt proeven.
—Nu, ik zal het dan maar eens probeeren.
—Goed zoo, probeer het eens, dan weet ik ’t overige wel, hihihihi! Als men den smaak eerst maar beet heeft, scheidt men niet weer uit voor er geen stukje meer over is. Geef het vleesch hier, ik zal ’t voor u braden, zoo’n „greenhorn” heeft daar geen verstand van. Pas goed op, dan kunt ge ’t leeren.
De goede Sam had werkelijk gelijk, nauwelijks had ik, toen het vleesch gereed was, een klein stukje daarvan geproefd, of mijn eetlust keerde terug, ik vergat voor een oogenblik wat mij zooeven had bezwaard en ik at, ik at werkelijk tot er niets meer over was.
—Ziet ge wel!—lachte Sam,—het is werkelijk veel aangenamer een Grizzlybeer te eten dan te dooden, dat hebt ge nu wel gezien. Nu zullen we nog een paar flinke stukken van de ham afsnijden en die nog vanavond braden, opdat we morgen proviand hebben, want op zulke verkenningstochten heeft men gewoonlijk geen tijd en gelegenheid eenig wild te schieten en in elk geval mag men geen vuur aanmaken, om het te braden. Gij gaat echter nu op één oor liggen en slaapt maar flink, want wij vertrekken morgen met het aanbreken van den dag en zullen wel al onze krachten noodig hebben.
—Goed, ik zal gaan slapen, maar zeg mij eerst eens welk paard ge zult berijden.
—Welk paard? Geen paard.
—Wat dan?
—Welk een vraag! Denkt ge dat ik op een krokodil of op een anderen vogel kan gaan zitten? Natuurlijk zal ik mijn muildier, mijn nieuwe Mary berijden.
—Dat zou ik toch niet doen.
—Waarom niet?
—Gij kent haar nog zoo weinig.
—Maar zij kent mij goed genoeg. Zij heeft een geducht respect voor mij, hihihihi.
—Maar bij een rit zooals wij morgen zullen doen, moet men zeer voorzichtig zijn en alles vooruit bedenken. Een paard, dat men niet kan vertrouwen, kan alles bederven.
—Zoo? werkelijk? lachte hij.
—Ja,—hernam ik,—ik weet, dat het snuiven van een paard zijn berijder het leven kan kosten.
—Zoo, weet ge dat? Knappe kerel, die gij zijt.—Hebt ge dat soms ook gelezen, sir?
—Ja.
—Dat dacht ik wel, ’t moet toch werkelijk interessant zijn, zulke boeken te lezen; als ik niet een prairiejager was, zou ik naar ’t Oosten trekken, daar recht genoeglijk op de canapé gaan zitten en dergelijke Indianengeschiedenissen lezen. Ik geloof, dat men daarbij dik en vet kan worden, hoewel men de berenklauwen slechts op ’t papier krijgt te proeven. Ik zou wel eens willen weten, of die brave heeren, die zulke dingen schrijven, werkelijk den ouden Mississippi over zijn geweest.
—De meesten van hen, zeker.
—Zoo meent gij?
—Ja.
—Ik geloof het niet, ik heb alle reden, daaraan te twijfelen.
—En welke reden dan?
—Ik zal ’t u zeggen, sir. Ik heb vroeger ook kunnen schrijven, maar ik ben het geheel verleerd, zoodat ik nu nauwelijks mijn naam nog kan krabbelen. Een hand, die zoolang den teugel heeft gevoerd en zoo dikwijls de lasso heeft weggeslingerd, geweer en mes heeft gebruikt, is niet meer geschikt, om allerlei letters op papier te teekenen. Wie een goed prairieman is geweest, heeft het schrijven verleerd, en wie dit niet is, moet niet schrijven over dingen, waarvan hij niets afweet.
—Hm. Men behoeft toch niet, om een boek over ’t Westen te schrijven, er zoolang te blijven, tot men geen gevoel meer in zijn vingers heeft?
—Zeker, sir. Ik heb u zooeven reeds gezegd, dat alleen een echt prairiejager goed en naar waarheid zou kunnen schrijven en zoo iemand komt daar nooit toe.
—Waarom niet?
—Omdat hij ’t nooit in ’t hoofd zou krijgen, het Westen, waar geen inktpotten zijn, te verlaten. De prairie is de zee, zij laat dengene, die haar lief heeft gekregen, nooit weer los. Dat meen ik nu eenmaal en ik geloof, dat ik gelijk heb.
—Neen, dat hebt ge niet, want ik ken iemand, die het Westen lief heeft gekregen en een flink prairiejager wil worden en toch zoo nu en dan naar de beschaafde wereld wil teruggaan, om over ’t Westen te schrijven.
—Zoo? en wie is dat?—vroeg hij, terwijl hij mij nieuwsgierig aankeek.
—Dat kunt ge, dunkt me, wel raden.
—Raden, ik? Zou ’t mogelijk zijn, dat ge u zelf daarmee bedoelt?
—Ja.
—Alle drommels, behoort gij tot die boekenwormen?
—Als gij ze zoo wilt noemen.
—Laat dat sir, laat dat schrijven, ik verzoek het u dringend, gij zult daarbij te gronde gaan. Weet ge dan niet, wat leven u dan te wachten staat?
—Zeker wel.
—Nu?
—Ik maak reizen, om landen en volken te leeren kennen en keer van tijd tot tijd naar mijn vaderland terug om mijn ervaringen ongestoord neer te schrijven.
—Maar waarvoor in vredes naam? ik kan dat niet inzien.
—Om mijn lezers iets te leeren en zelf bovendien geld te verdienen.
—Zounds! De lezers te leeren! en geld verdienen, gij zijt een dwaas, sir! Uw lezers kunnen niets van u leeren, gij weet immers zelf niets! Ik verzeker u, dat gij geen enkelen lezer zult vinden, hoe komt gij er bij. Zoo’n „greenhorn” zal zijn lezers iets leeren! Zijn er dan geen schoolmeesters genoeg? wilt gij hun aantal nog vermeerderen?
—Hoor eens, Sam, een schoolmeester heeft een zeer gewichtige taak!
—Gekheid! zijn taak is niet half zoo gewichtig als die van een prairiejager, dat weet ik nu beter dan gij, die hier pas komt kijken! En dan wilt ge nog geld verdienen bovendien! Wat een dwaasheid, wat een groote dwaasheid! Wat kost zulk een boek, zooals gij wilt schrijven?
—Een, twee, drie dollars, al naar de grootte!
—Goed en wat kost een bevervel? Hebt ge daar eenig begrip van? Wanneer gij pelsjager wordt, kunt gij veel, veel meer verdienen. Geld, dat kan men eerst hier in ’t Westen verdienen, het ligt hier in de prairie, in de bosschen, tusschen de rotsen en op den bodem der rivieren! En wat voor een leven krijgt gij, als boekenschrijver! Gij moet, in plaats van het heerlijke bronwater, zwarten inkt drinken en op een ganzeveder kauwen in plaats van op een heerlijke buffellende of berenklauw. Boven u ziet ge een afgebrokkelden kalkmuur in plaats van den mooien blauwen hemel en uw voeten rusten, in plaats van op het zachte mos, op een harden vochtigen, houten vloer, waarvan ge rheumatiek krijgt. Hier hebt ge een paard, daar een wrakken leuningstoel, om op te zitten. Hier kunt ge bij iederen regen, Gods heerlijk water in uw handen opvangen, daar steekt ge bij den eersten druppel die valt, een rood of groen scherm boven uw hoofd. Hier zijt ge een vroolijke, gezonde, vrije man met het geweer in de hand, daar zit ge aan de schrijftafel en verspilt uw krachten aan een pennehouder, die.... maar laat mij uitscheiden en mij niet meer opwinden. Maar, wanneer gij werkelijk van plan zijt boeken te schrijven, dan beklaag ik u met geheel mijn hart!
Zijn oogen fonkelden, en zijn wangen gloeiden, ik vermoedde, wat hem zoo opgewonden maakte, en daar ik dit uit zijn eigen mond wilde hooren, wierp ik nog meer olie in het vuur, door te zeggen:
—Maar, beste Sam, ik weet zeker, dat gij u zeer zoudt verheugen, wanneer ik mijn plan ten uitvoer bracht!
—Ik? Praat er niet van, gij moest nu toch eindelijk ook weten, dat ik niet van gekheden houd.
—’t Is geen gekheid, maar ernst.
—Ernst? Loop naar den drommel, hoe zou ik er mij nu over verheugen?
—Wel, gij zoudt ook in mijn boeken staan.
—Ik.... ik?—vroeg hij, terwijl zijn oogen al grooter en grooter werden.
—Ja gij, ik zou natuurlijk ook over u schrijven.
—Over mij? wat ik doe, en wat ik zeg?
—Ja, ik vertel, wat ik beleefd heb en daar ik een tijdlang met u samen ben geweest, komt gij natuurlijk ook in mijn boeken voor.
Toen greep hij zijn geweer, wierp de ham, die hij bezig was te braden weg, sprong op, ging in dreigende houding voor mij staan en riep:
—Ik vraag u in allen ernst en in bijzijn dezer getuigen, of gij dit werkelijk doen zult.
—Natuurlijk!
—Zoo, dan eisch ik van u, dat gij zweert, het na te zullen laten.
—En waarom?
—Omdat ik u anders oogenblikkelijk neerschiet of doodsla met mijn oude Liddy, die ik hier in mijn handen heb. Dus, wilt ge of wilt ge niet?
—Neen.
—Dan sla ik toe!
—Ga uw gang!—antwoordde ik kalm.
De kolf zweefde eenige oogenblikken boven mijn hoofd, toen liet Sam den arm zinken, wierp het geweer in het gras, sloeg wanhopig de handen in elkaar en jammerde:
—Die man is gek, volkomen gek geworden. Ik dacht dadelijk wel, dat hij boeken wilde schrijven en nu is ’t werkelijk zoo. Slechts een gek blijft zoo kalm en koelbloedig zitten, wanneer mijn Liddy hem boven ’t hoofd zweeft. Wat moet men toch met zoo’n mensch beginnen. Ik geloof, dat er geen genezing voor hem is.
—Maar ik ben volkomen bij mijn verstand—, antwoordde ik.
—Waarom doet gij dan niet, wat ik van u vraag! Waarom laat gij u dan liever doodslaan?
—Kom, Sam Hawkins slaat mij niet dood, dat weet ik wel beter.
—Weet gij dat? Zoo, zoo, weet ge dat, en ik moet zeggen, ’t is waar ook, ik zou liever mij zelf doodslaan, dan u een haartje krenken.
—En bovendien, zweren doe ik niet. Mijn woord is zoo goed als een eed. Die boekenschrijverij is niet zoo erg, als gij denkt. Ik zal u dat later, als wij meer tijd hebben, wel eens beter uitleggen.
—Dank u!—zeide hij, terwijl hij de ham weer opnam,—ik heb verder geen verklaring noodig. Belachelijk! Geld verdienen met boeken schrijven!
—En dan de eer, Sam!
—Welke eer?—vroeg hij, mij even aanziende.
—De eer, van door zooveel menschen gelezen te worden en beroemd te worden.
Hij hief de rechterhand, waarin hij de ham had, op en riep:
—Sir, houd nu asjeblieft dadelijk op, of ik werp u deze twaalf ponds berenham naar het hoofd! Gij zijt nog dommer dan de domste Grizzlybeer. Door boeken schrijven beroemd worden! Heeft men wel ooit zoo’n dwaze bewering gehoord? Wat weet gij van beroemdheid! Weet ge, hoe men beroemd wordt? Daar ligt de berenhuid, snijd de ooren af en steek ze op uw hoed, neem de nagels uit de klauwen en de tanden uit den muil en maak daarvan een ketting, dien gij om uw hals hangt. Dat doet iedere prairiejager en iedere Indiaan, die een Grizzlybeer heeft neergeveld. Dan ziet ieder naar u en uw naam wordt overal genoemd. Zoo wordt men beroemd, begrepen? Steek nu eens uw boeken op uw hoed en maak een ketting van boeken, wat zal men dan zeggen? Dat gij een gekke kerel zijt, dat is ’t eenigste, wat gij er van hebt.
—Maar Sam, waarom windt gij u zoo op? ’t Moet u toch volkomen onverschillig zijn wat ik doe.
—Zoo? Onverschillig? Mij? wat een kerel! Ik heb hem lief als een zoon en ’t zou mij onverschillig zijn, wat hij doet? De kerel heeft kracht als een buffel, spieren als een mustang, een gehoor als van een muis, een oog als een valk en tamelijk veel hersenen in zijn hoofd. Hij schiet als de beste, rijdt als de geest der savanna [2] en gaat, hoewel hij er nog nooit een gezien heeft, op den buffel en op den Grizzly los, alsof hij met een varkentje te doen heeft. En zulk een mensch, zulk een prairiejager, zulk een kerel, die nu reeds meer beteekent dan menig jager, die twintig jaar lang in de prairie heeft rondgezworven, ik zeg, zulk een mensch wil boeken schrijven! Is dat niet om gek te worden? Moet men zich verwonderen, dat een eerlijke prairiejager woedend wordt?