Winnetou

Part 20

Chapter 204,166 wordsPublic domain

—Wilt gij wel eens zwijgen hond!—riep Intschu Tschuna,—gij hebt alleen te spreken wanneer ik u iets vraag. Ik ben met u klaar. Daar gij echter van rechtvaardigheid spreekt, zal ik u niet naar uw eigen getuigenis veroordeelen, maar zal ik anderen tegenover u stellen. Tangua, de hoofdman der Kiowa’s mag in deze zaak meespreken. Zijn deze bleekgezichten onze vrienden?

—Neen,—antwoordde de Kiowa, wien men duidelijk aanzag dat hij blij was, dat de zaak zulk een slecht verloop voor ons nam.

—Hebben zij ons willen sparen?

—Neen, integendeel, zij hebben ons eerder tegen u opgehitst en mij verzocht geen medelijden met u te hebben, maar u allen te dooden.

Deze onwaarheid maakte mij zóó boos, dat ik mijn zwijgen verbrak en zeide:

—Dat is zulk een groote, onbeschaamde leugen, dat ik u dadelijk met mijn vuist zou neerslaan als ik slechts één hand vrij had.

—Hond!—riep hij.—Zal ik u neerslaan?—Hij hief de vuist op maar ik antwoordde:

—Sla toe, als gij u niet schaamt, u te vergrijpen aan iemand, die zich niet kan verdedigen. Gij spreekt van een verhoor en van rechtvaardigheid? Is dat een verhoor en is dit rechtvaardigheid, als men niet mag zeggen wat men te zeggen heeft? Wij zouden ons mogen verdedigen! Kunnen wij dat, als wij tot bloedens toe worden geslagen, zoodra wij maar één woord meer zeggen, dan gij wilt hooren? Intschu Tschuna handelt als een onrechtvaardig rechter. Hij stelt de vragen zóó, dat de antwoorden, welke hij ons veroorlooft te geven, ons in ’t verderf moeten storten: andere antwoorden mogen wij niet geven en wanneer wij de waarheid willen zeggen, welke ons kan redden, valt hij ons in de rede, laat ons niet uitspreken en dreigt ons met mishandeling. Zulk een verhoor en zulk een rechtvaardigheid hebben wij niet noodig. Begint dan maar dadelijk met de martelingen, welke gij ons hebt toegedacht. Gij zult geen kreet van smart van ons hooren.

—Oef, oef!—hoorde ik een vrouwelijke stem vol bewondering roepen. Het was die van Winnetou’s zuster.

—Oef, oef!—riepen vele Apachen haar na, want moed is iets, dat de Indiaan steeds hoogacht, zelfs bij zijn vijanden, vandaar deze uitroepen van bewondering. Ik vervolgde:

—Toen ik Intschu Tschuna en Winnetou voor de eerste maal zag, zeide mij mijn hart, dat zij dappere en rechtvaardige mannen waren, die ik kon waardeeren en hoogachten. Ik heb mij vergist. Zij zijn niet beter dan alle anderen, want zij luisteren naar de stem van een leugenaar en laten de waarheid niet aan ’t woord komen. Sam Hawkins heeft zich bang laten maken, ik evenwel geef niet om uw bedreigingen en veracht iedereen, die een gevangene onderdrukt, omdat deze zich niet kan verdedigen. Als ik vrij was, zou ik u wel anders te woord staan.

—Hond, gij maakt mij uit voor leugenaar!—schreeuwde Tangua,—ik zal uw beenderen stukslaan!

Hij hief zijn geweer op, keerde zich om en wilde met de kolf naar mij slaan, nu evenwel kwam Winnetou tusschenbeide en sprak:

—De hoofdman der Kiowa’s moet kalm blijven. Deze Old-Shatterhand is zeer overmoedig, maar ik geef hem in vele opzichten gelijk. Intschu Tschuna, mijn vader de opperhoofdman aller Apachen, moet hem verlof geven te zeggen, wat hij te zeggen heeft!

Tangua moest zich wel schikken en Intschu Tschuna besloot den wensch van zijn zoon te vervullen. Hij kwam naar mij toe en zeide:

—Old-Shatterhand is als een roofvogel, die zelfs nog bijt, als men hem heeft gevangen. Hebt gij Winnetou niet tweemaal neergeveld? Hebt gij ook mij niet met uw vuist geslagen zoodat ik bewusteloos neerviel?

—Heb ik dit vrijwillig gedaan? Hebt gij mij daartoe niet gedwongen?

—Gedwongen? vroeg hij verbaasd.

—Ja, wij wilden ons zonder tegenstand overgeven, maar uw krijgers luisterden niet naar wat wij zeiden. Zij vielen ons aan en wij moesten ons verdedigen. Vraag echter eens of wij één van uw mannen hebben gewond, ofschoon wij ze gemakkelijk hadden kunnen dooden. Wij zijn gevlucht om geen van hen te moeten treffen. Toen kwam gij en greep mij aan, zonder op mijn woorden te letten. Ik moest mij wel verweren en had u kunnen doorsteken of doodschieten, maar ik sloeg u neer omdat ik uw vriend ben en u wilde sparen. Toen kwam Tangua, de hoofdman der Kiowa’s en wilde u den scalp ontnemen, daar ik dit niet duldde, vocht ik met hem en overwon hem. Ik heb dus niet alleen uw leven, maar ook uw scalp gered. Toen....

—Die vervloekte hond liegt, alsof hij honderd tongen had!—schreeuwde Tangua woedend.

—Is het werkelijk leugen?—vroeg Winnetou hem.

—Ja, mijn roode broeder twijfelt niet hoop ik, aan de waarheid van mijn woorden?

Winnetou vervolgde:

—Ik kwam op dit oogenblik juist aangeloopen. Tangua lag onbeweeglijk en mijn vader ook, dat stemt dus. Old-Shatterhand kan verder gaan.

—Ik had dus Tangua overwonnen, om Intschu Tschuna te redden, toen kwam Winnetou. Ik zag hem niet, maar kreeg van hem een kolfslag, die voor mijn hoofd bestemd was, maar mijn schouder trof. Winnetou stak mij met zijn mes in den mond en door de tong, ik kon dus niet spreken anders zou ik hem hebben gezegd, dat ik gaarne zijn vriend en broeder wilde zijn. Ik was gewond, mijn arm was verlamd en toch heb ik hem overwonnen, een oogenblik later lag hij bedwelmd voor mij, evenals Intschu Tschuna, ik had beiden kunnen dooden, heb ik het gedaan?

—Gij zoudt het misschien hebben gedaan,—antwoordde Intschu Tschuna,—maar een krijgsman der Apachen kwam te rechter tijd en sloeg u met de kolf van zijn geweer op het hoofd.

—Neen, ik zou het niet hebben gedaan. Zijn deze drie blanken, die met mij hier zijn vastgebonden, niet vrijwillig bij u gekomen, om zich aan u over te geven? Zouden zij dit hebben gedaan, wanneer zij u als vijanden beschouwden?

—Zij hebben het gedaan omdat zij wel inzagen, dat er voor hen van geen ontkomen sprake was. Daarom vonden zij het verstandiger zich over te geven. Ik stem toe, dat er wel eenige waarheid schuilt in uw woorden, maar toen gij mijn zoon Winnetou voor de eerste maal neerveldet, waart gij daartoe niet gedwongen.

—Zeker.

—Waardoor?

—Ik deed het uit voorzichtigheid, wij wilden u en hem redden. Gij zijt dappere lieden, gij zoudt u verzet hebben en waart dan zeker gewond geworden, misschien zelfs gedood. Dat wilden wij verhinderen, daarom sloeg ik Winnetou neer en gij werdt door mijn drie blanke vrienden overweldigd. Ik hoop, dat gij mijn woorden wilt gelooven!

—Het zijn leugens, niets dan leugens!—riep Tangua,—ik kwam er juist aan, toen hij u had overwonnen. Niet ik, maar hij wilde u den scalp ontnemen. Ik wilde dit verhinderen, maar toen trof mij zijn ijzeren vuist, waarin de groote, booze geest schijnt te wonen.

Toen wendde ik mij tot hem en zeide op dreigenden toon:

—Ja, niemand kan die vuist weerstaan, ik gebruik haar alleen, om bloedvergieten te voorkomen, maar als ik met u vecht, zal ik niet mijn hand, maar mijn wapen gebruiken, gij komt er niet weder met een onschuldige verdooving af. Onthoud dat!

—Gij met mij vechten?—hoonde hij.—Wij zullen u verbranden en uw asch naar alle windstreken strooien!

—Denk dat maar niet, ik ben eerder vrij, dan gij vermoedt en dan zal ik met u afrekenen!

—Dat is goed, ik verwacht u. Ik wilde, dat uw wensch vervuld werd, want gaarne zou ik met u vechten, ik weet, dat ik u zou verpletteren.

Intschu Tschuna maakte aan dit twistgesprek een einde door te zeggen:

—Old-Shatterhand is wel wat overmoedig, met te beweren dat hij vrijkomt. Hij moet bedenken, dat er vele grieven tegen hem zijn, valt er al een weg, dan verandert dit toch weinig aan zijn lot.

—Heb ik dan niet nog andere bewijzen? Heb ik Rattler niet geslagen toen hij op Winnetou schoot en Kleki-Petra trof? Is dat soms geen bewijs?

—Neen, gij kunt dit ook om andere redenen hebben gedaan. Hebt gij nog meer te zeggen?

—Nu niet, misschien later nog.

—Zeg het nu, want later zult gij niet veel meer kunnen zeggen.

—Neen, nu niet. Als ik het later wil doen zult gij wel naar mij moeten luisteren. Old-Shatterhand is er de man niet naar, om zich zoo te laten behandelen. Ik zwijg nu, omdat ik nieuwsgierig ben, het oordeel te hooren dat gij over ons zult vellen.

Intschu Tschuna wendde zich van mij af en gaf een wenk. Nu traden verschillende andere krijgslieden uit den kring naar voren en zetten zich met de drie hoofdmannen neer om te beraadslagen. Natuurlijk gaf Tangua zich alle moeite het vonnis zoo zwaar mogelijk te maken. Intusschen hadden wij gelegenheid en tijd verschillende opmerkingen te doen.

—Ik ben nieuwsgierig te weten, wat zij daar besluiten,—zeide Dick Stone,—’t zal wel niet veel goeds zijn.

—Ik ben vast overtuigd dat onze kop er aangaat,—meende Will.

—Ik ook,—stemde Sam toe;—die kerels gelooven niets van wat wij zeggen! Ge hebt de zaak anders kranig aangepakt, sir! Ik heb mij over Intschu Tschuna verwonderd.

—Waarom—vroeg ik.

—Dat hij u zoo liet kletsen. Mij snoerde hij dadelijk den mond.

—Kletsen, is u dat ernst Sam?

—Ja.

—Dank u voor dat compliment.

—Kletsen noem ik alle praten, dat niets geeft. En ’t heeft u toch even weinig geholpen als mij.

—Ik denk er anders over!

—Zoo en welke reden hebt gij daarvoor?

—Een zeer gegronde. Winnetou heeft namelijk over zwemmen gesproken, dat is dus reeds besproken geweest, daarom denk ik dat zij ons enkel bang hebben willen maken. Het vonnis zal wel niet al te streng zijn.

—Sir, stel u dat toch niet voor! Meent gij misschien dat men u gelegenheid zal geven u door zwemmen te redden?

—Ja.

—Onzin, klinkklare onzin! Ja, als ’t eenmaal zoo is bepaald zal men u wel laten zwemmen, maar weet gij waarheen?

—Neen, waarheen dan?

—Rechtstreeks in den muil des doods. En wanneer gij dan gestorven zult zijn, denk er dan eens aan, dat ik gelijk heb gehad! Hihihihi!

Deze kleine zonderlinge kerel wist zelfs nog grappen te maken over den wanhopigen toestand, waarin wij ons bevonden. Zijn vroolijkheid duurde echter slechts een oogenblik, want de beraadslaging was ten einde, de krijgslieden die daaraan hadden deelgenomen, gingen terug naar hun plaatsen en Intschu Tschuna begon met luider stem:

—Hoort gij krijgers der Apachen en Kiowa’s wat over deze vier gevangen bleekgezichten besloten is. In den raad der Ouden is reeds vooruit afgesproken, dat wij hen in het water zouden jagen, dan met elkander zouden laten vechten en hen eindelijk zouden laten verbranden. Old-Shatterhand, de jongste van hen heeft echter woorden gesproken, die niet geheel van waarheid zijn ontbloot. Het schijnt toch dat zij het niet zoo kwaad hebben gemeend als wij dachten, maar desniettemin hebben zij den dood verdiend, doch is ons oorspronkelijk besluit veranderd en willen wij nu den Grooten Geest laten beslissen.

Hij hield eenige oogenblikken stil om de spanning onder zijn toehoorders te vermeerderen. Sam maakte van deze pauze gebruik om de volgende opmerking ten beste te geven:

—Drommels, dat wordt interessant, hoogst interessant. Begrijpt gij wat hij wil?

—Ik vermoed het,—antwoordde ik.

—Wat dan?

—Een tweegevecht, een zoogenaamd Godsoordeel. Heb ik ’t niet geraden?

—Ja, in elk geval een tweegevecht. Maar tusschen wie? ’k Ben erg nieuwsgierig, dit te hooren.

Nu ging de hoofdman voort:

—Het bleekgezicht, dat Old-Shatterhand wordt genoemd, schijnt de voornaamste van hen te zijn, de beslissing zal dus in zijn hand worden gelegd. En onder de Apachen ben ik de hoogste in rang, ik Intschu Tschuna.

—Wel voor den drommel. Gij en hij—fluisterde Sam opgewonden.

—Oef, oef, oef!—klonk het bewonderend door de rijen der roodhuiden.

Zij schenen verbaasd te staan dat hun aanvoerder zelf met mij wilde strijden, hij had zich gemakkelijk aan dit gevaar kunnen onttrekken en een ander daarmee kunnen belasten.

De aanvoerder vervolgde:

—Intschu Tschuna en Winnetou zijn in hun eer gekrenkt geworden, doordat slechts één vuistslag van den blanken man voldoende was, om hen bezwijmd te doen neervallen. Zij moeten deze vlek op hun naam uitwisschen, door met den blanke te vechten. Winnetou moet zich terugtrekken, want ik ben ouder en de eerste aanvoerder der Apachen. Hij is het daarover met mij eens en ik zal tegelijk met mijzelf, ook hem in zijn eer herstellen, door Old-Shatterhand te dooden.

Hij wachtte wederom eenige oogenblikken.

—Gij kunt er u op verheugen, sir!—zeide Sam.—Gij zult in elk geval een beteren dood hebben dan wij. Gij hebt den kerel willen sparen en nu kan hij u het levenslicht uitdooven.

—Dat zullen wij eerst eens afwachten!

—Niet noodig, sir, ik weet het vooruit. Denkt gij dat gij gelijke wapens krijgt?

—Neen, dat stel ik mij niet voor!

—De kansen worden bij dergelijke gelegenheden zóó gesteld, dat de blanke altijd verloren is. Gebeurt dat een enkelen keer niet, dan is dit een uitzondering, welke den regel bevestigt. Luister verder.

Intschu Tschuna ging nu voort:

—Wij zullen Old-Shatterhand de boeien afnemen en hem in het water der rivier laten gaan, hij moet over de rivier zwemmen, maar krijgt geen wapenen. Ik volg hem en neem alleen de tomahawk mee. Bereikt Old-Shatterhand den oever en komt hij levend tot aan den ceder, welke daarginds op de zandvlakte staat, dan is hij gered en zijn ook zijn makkers vrij, zij kunnen gaan waarheen zij willen. Dood ik hem evenwel voor hij den ceder bereikt, dan zijn ook zij ten doode opgeschreven, maar zullen niet gemarteld en verbrand, alleen doodgeschoten worden. Alle aanwezige krijgers mogen getuigen dat zij mijn woorden gehoord en begrepen hebben en daarmee instemmen.

—Howgh!—luidde het eenstemmig antwoord.

Men kan begrijpen dat wij zeer in spanning waren, ik wel niet zoo erg als Sam, Dick en Will. De eerste zeide:

—Dat hebben de kerels slim uitgedacht. Omdat gij de sterkste zijt moet gij zwemmen. Laat u dat niet wijsmaken! Omdat gij een nieuweling zijt, dat is de reden. Mij, mij, moesten zij te water laten gaan! Ik zou hun eens laten zien, hoe Sam Hawkins als een forel door het water schiet. Maar gij! Bedenk dat ons leven van u afhangt. Als gij ’t verliest en wij moeten sterven, dan zeg ik nooit meer een woord tegen u, daar kunt ge op rekenen!

—Wees maar niet bezorgd, beste Sam!—antwoordde ik.—Ik zal doen wat ik kan. Ik geloof dat de roodhuiden geen slechte keus hebben gedaan; ja, ik ben overtuigd dat ik u gemakkelijker zal redden dan gij ons!

—Ik wil het hopen! Dus, het gaat op leven en dood. Gij moet Intschu Tschuna niet sparen, doe dat in ’s hemelsnaam niet.

—Ik zal eens zien.

—Er valt niets te zien. Als gij hem spaart, zijt gij verloren en wij met u. Gij vertrouwt zeker alweer op uw vuist.

—Ja.

—Doe dat niet, het zal niet tot een gevecht komen.

—Zeker, het komt er toe.

—Neen dat geloof ik niet.

—Hoe wil hij mij dan dooden?

—Met de tomahawk natuurlijk. Gij weet toch wel, dat men die niet alleen bij ’t handgevecht gebruikt, maar ’t is ook een vreeselijk wapen in de verte; men werpt er mee en deze roodhuiden zijn daarin zoo geoefend, dat zij iemand op honderd pas afstands, het topje van een opgeheven vinger afsnijden. Intschu Tschuna zal niet met de bijl op u loshakken, maar hem u achterna werpen en u met den eersten worp dooden. Geloof mij, al zijt ge nog zulk een uitstekende zwemmer, gij komt niet aan den anderen oever, want onder ’t zwemmen werpt hij u de tomahawk naar het hoofd of naar den nek. Dan helpt al uw kunst en al uw sterkte u geen zier!

—Dat weet ik, beste Sam. Maar evengoed weet ik, dat in sommige gevallen een vingerhoed list meer doet, dan een vat lichaamskracht.

—List? Waar haalt gij nu de noodige list vandaan? Ik zeg u, de oude Sam Hawkins staat bekend als een schrandere kerel, maar met al zijn schranderheid zou hij niet weten, hoe hij dat aan moest leggen. Wat helpt nu alle list tegen een goed geslingerde tomahawk!

—Meer dan ge denkt, Sam!

—Hoe kan dat?

—Gij zult het zien, of liever, gij zult het niet zien, maar ik wil u wel zeggen dat ik bijna zeker ben, dat mijn plan zal gelukken.

—Gij zegt dit maar, om ons moed in te spreken!

—Neen.

—Om ons te troosten, zeker, Maar wat geeft ons een troost, welke het volgende oogenblik niets waard blijkt te zijn?

—Wees toch gerust. Ik heb een goed, een zeer goed overlegd plan.

—Een plan? dat ook nog, gij kunt geen ander plan hebben, dan over de rivier te zwemmen en dan treft u de tomahawk.

—Neen, let op! Wanneer ik verdrink zijn wij gered!

—Verdrink... gered! sir, gij weet niet wat gij zegt!

—Ik weet, wat ik wil! Let goed op, ik herhaal het: als ik verdrink, hebben wij niets meer te vreezen.

Ik sprak deze woorden snel en haastig, want nu traden de drie aanvoerders op ons toe en Intschu Tschuna zeide:

—Wij maken Old-Shatterhand nu los, maar hij behoeft zich niet te verbeelden dat hij kan vluchten: er zouden dadelijk honderd vervolgers achter hem zijn.

—Ik denk er ook niet aan!—antwoordde ik,—zelfs al kon ik ontkomen, dan zou het toch slecht van mij zijn, mijn makkers in den steek te laten.

Ik werd losgemaakt en zwaaide even met mijn armen, om te beproeven of ik ze goed kon bewegen. Toen zeide ik:

—Het is een groote eer voor mij, met den beroemden hoofdman der Apachen op leven en dood te mogen strijden, maar voor hem is het geen eer.

—Waarom niet?

—Omdat ik geen partij voor hem ben. Ik heb nu en dan eens een bad genomen in een beek en dan geprobeerd eens onder te duiken. Maar in zulk een breede, diepe rivier ben ik nooit geweest.

—Oef, oef dat spijt mij. Ik en Winnetou, zijn de beste zwemmers van onzen stam, wat beteekent dus een overwinning op zulk een slechten zwemmer!

—En gij zijt gewapend, en ik niet! Ik ga dus den dood tegemoet en mijn kameraden bereiden zich ook voor om te sterven. Maar toch zou ik wel eens willen weten, hoe ik mij dezen strijd moet voorstellen. Wie moet het eerst te water gaan?

—Gij.

—En gij volgt mij dadelijk?

—Ja.

—En wanneer valt gij mij met de tomahawk aan?

—Als mij dat in den zin komt,—antwoordde hij met een trotsch en minachtend lachje.

—Dat kan dus ook in ’t water gebeuren?

—Ja.

Ik deed, alsof ik hoe langer hoe onrustiger en meer terneergeslagen werd en vroeg verder:

—Dus gij moogt mij dooden. Ik u ook?

Hij zette een gezicht, waarop duidelijk te lezen stond:—arme worm, waar denkt gij aan, deze vraag is immers al te gek,—maar hij antwoordde:

—Het is zwemmen en vechten op leven en dood; gij kunt mij dus ook dooden, want alleen, wanneer u dit gelukt, zult gij den ceder bereiken.

—En zal uw dood niet op mij gewroken worden?

—Neen. Dood ik u, dan bereikt gij uw doel niet en uw makkers moeten sterven; dood gij mij, dan bereikt gij den ceder en gij zijt van dat oogenblik vrij. Vooruit!

Hij keerde zich om en ik trok mijn jachtrok en laarzen uit. Wat ik in den gordel en in mijn zakken had, legde ik er naast.

Nu hoorde ik Sam klagen:—Dat zal wat geven, sir, dat zal wat geven. Als gij uw gezicht eens kondet zien, sir, en dan dien toon van uw stem, ik sta doodsangsten om u uit.

Ik kon hem niet antwoorden, daar de drie aanvoerders dichtbij ons stonden, maar ik wist wel, waarom ik zoo stumperachtig deed. Ik wilde Intschu Tschuna minder op zijn hoede doen zijn om hem, zoo te zeggen in den val te lokken.

—Nog één vraag!—verzocht ik, voor ik hem volgde.—Krijgen wij onze eigendommen terug, ingeval wij vrijkomen?

Hij lachte kort en ongeduldig, want hij vond deze vraag al heel dom en antwoordde:

—Ja, zeker die krijgt gij.

—Alles?

—Alles.

—Ook de paarden en de geweren.

—Alles, dat heb ik immers gezegd!—stoof hij op.—Hebt gij dan geen ooren? Een padde wil met een adelaar een wedstrijd in ’t vliegen aangaan en vraagt hem, wat zij zal krijgen, indien zij ’t wint! Als gij even dom zijt in ’t zwemmen als in ’t vragen, spijt het mij dat ik u geen oude vrouw tot tegenpartij heb gegeven.

Wij gingen langs den cirkel van toeschouwers naar den oever. Ik kwam dicht langs Nscho-Tschi voorbij en ving van haar een blik op met welken zij afscheid van mij nam, voor ’t leven. De Indianen volgden ons en zetten zich toen in groepen aan den oever neer, om op hun gemak te genieten van het schouwspel, dat hun wachtte.

Het spreekt vanzelf, dat ik mij in een groot gevaar bevond. Al zwom ik ook recht, scheef of zigzag over de rivier, ik was toch verloren, de tomahawk van den aanvoerder zou mij altijd treffen. Er was slechts één kans op redding, ik moest duiken en gelukkig was ik daarin niet zulk een stumper, als Intschu Tschuna dacht. Maar het duiken alleen was niet genoeg. Ik moest weer boven water komen, om adem te scheppen en stelde dan mijn hoofd bloot aan den worp van de tomahawk. Neen, ik mocht in ’t geheel niet weer aan de oppervlakte komen, zoolang ik in ’t gezicht der roodhuiden was. Hoe zou ik dit evenwel aanvangen? Ik nam de oevers aan weerskanten nauwkeurig op en zag tot mijn voldoening dat het terrein mij voor de uitvoering mijner plannen gunstig was.

Wij bevonden ons, zooals reeds gezegd is, op de geheele vrije zandvlakte, maar een eind voorbij het midden daarvan. Het verder stroomopwaarts liggende gedeelte was slechts honderd schreden van mij verwijderd en nog verder naar boven, maakte de rivier een kromming, welke mij verhinderde haar verder met het oog te volgen. Stroomafwaarts lag het einde der zandvlakte, wel vierhonderd pas van mij af. Wanneer ik in ’t water sprong en men mij niet weer zag opduiken, moest men wel denken dat ik verdronken was en zou men naar mijn lijk gaan zoeken, dat natuurlijk stroomafwaarts zou drijven; mijn redding lag dus in de tegenovergestelde richting. Daar zag ik dichtbij een plaats, waar de oever door den stroom was afgebrokkeld; hij hing een weinig voorover en daaronder was een holte, welke uitstekend geschikt was om mij een oogenblik tot schuilplaats te dienen. Verder naar boven lag allerlei aangespoeld houtwerk, dat ik tot hetzelfde doel kon gebruiken. Het was nu echter geraden te doen, alsof ik bang was.

Intschu Tschuna ontkleedde zich tot op de dunne Indiaansche broek, stak de tomahawk in den gordel en zeide:

—Wij kunnen beginnen. Spring er in!

—Mag ik eerst niet probeeren, hoe diep het hier is?—vroeg ik op angstigen toon.

Een verachtelijk lachje gleed over zijn gelaat, terwijl hij om een lans riep. Men bracht mij die en stak haar in ’t water.

Zij bereikte den bodem niet. Dit was mij zeer welkom, maar ik deed, alsof ik nog angstiger werd dan ik reeds was, hurkte aan den oever neer, wiesch mij het voorhoofd als iemand die bang is een beroerte in het water te zullen krijgen, door zich niet eerst vooraf af te koelen. Er ging een algemeen gebrom van geringschatting op, ik had dus mijn doel bereikt. Bovendien hoorde ik Sam roepen:

—Om Gods wil, kom toch weer hier! ik kan het niet langer aanzien. ’t Is beter dan zij ons doodmartelen, dan zulk een beeld van jammer voor oogen te hebben.

Onwillekeurig kwam mij in de gedachte, wat Nscho-Tschi wel van mij zou denken. Ik keerde mij om. Uit Tangua’s gelaat sprak haat en hoon. Winnetou had de bovenlip opgetrokken, zoodat men zijn tanden kon zien, hij was woedend, dat hij mij ooit een oogenblik zijn medelijden had betoond en zijn zuster hield de oogen neergeslagen, zij wilde mij niet eens meer aanzien.

—Ik ben gereed,—zeide Intschu Tschuna tot mij.—Waarom aarzelt gij? Er in, zeg ik u!

—Moet het werkelijk gebeuren?—vroeg ik.—Kan het niet anders?

Er weerklonk een luid gelach en boven alles uit hoorde ik Tangua’s stem roepen:

—Laat dien kikvorsch vrij! Schenk hem het leven. Op zulk een lafaard mag geen krijgsman zijn hand leggen!

En met donderende stem schreeuwde Intschu Tschuna mij toe:

—Er in of ik breek u dadelijk den nek met de tomahawk!

Toen deed ik, alsof ik vreeselijk verschrikt was, ging aan den kant van de rivier zitten, stak eerst de voeten en toen langzaam de beenen in het water als wilde ik er mij zachtjes in laten glijden.

—Er in!—schreeuwde Intschu Tschuna nogmaals en meteen gaf hij mij een flinken schop in den rug. Dit had ik juist gewild. Ik sloeg als hulpeloos de armen uit, gilde van angst en plofte in het water. In ’t volgend oogenblik evenwel was het uit met deze comedie. Ik voelde den grond onder mij, nam een wending en zwom, natuurlijk onder water, stroomopwaarts, dicht langs den oever.