Part 9
Thans gaf Waverley zijn voornemen te kennen om Tully-Veolan te verlaten, tijdig genoeg om na afloop van het middagmaal de pleisterplaats te bereiken, waar hij nachtverblijf dacht te houden; maar het ongekunstelde en diepe leedwezen, waarmede de goedhartige en vriendelijke oude heer dit besluit aanhoorde, benam hem den moed, om bij zijn voornemen te volharden. Zoodra dan ook Waverley beloofd had nog eenige dagen te blijven deed hij zijn best om de redenen te ontzenuwen, waarom hij zich verbeeldde, dat zijn gast vroeger had willen vertrekken. „Ik zou u niet gaarne in den waan laten, kapitein Waverley, dat ik door gewoonte of voorbeeld een voorstander ben van dronkenschap, ofschoon het zijn kan dat, bij ons feest van gisteren avond, sommige onzer vrienden, zoo misschien niet geheel ebrii, of dronken, om een zacht woord te gebruiken, ebrioli waren, waarmede de ouden bedoelden, wat wij noemen „iets aangeschoten.” Meen echter niet dat ik dit van u denk Waverley, gij hebt u eerder, als een voorzichtig jongmensch van overmaat onthouden; ook kan het in waarheid niet van mij gezegd worden, die, ofschoon ik aan de tafel van menig grooten generaal en maarschalk, bij hunne plechtige feesten tegenwoordig ben geweest, de gave bezit, om mijn wijn in mate te gebruiken, en gedurende den geheelen avond, zooals gij ongetwijfeld moet hebben opgemerkt, de grenzen van een gematigde vroolijkheid niet te buiten ging.”
Het was niet doenlijk eene stelling te bestrijden, op zulk positieven toon opgeworpen door hem, die zeker de meestbevoegde rechter in de zaak was, hoewel, wanneer Eduard zijn oordeel uit zijn eigene herinneringen had geput, hij de meening zou hebben uitgesproken, dat de Baron niet alleen ebriolus was, maar zelfs bijna ebrius, of, plat gezegd, de meest beschonkene van allen, uitgezonderd misschien zijne tegenpartij, de heer van Balmawhapple. Evenwel ging de Baron, nadat hij het verwachte, of liever gevorderde compliment over zijne matigheid had ontvangen, voort: „Neen, mijnheer, schoon ik zelf van een sterk gestel ben, heb ik een afschuw van de dronkenschap, en verfoei hen die den wijn gulæ causa, dat is om de keel te streelen naar binnen zwelgen; hoewel ik de wet van Pittacus van Mitylene niet goedkeur, die een misdaad, onder den invloed van Liber Pater [45] gepleegd, dubbel strafte, en ik mij zelfs niet in alle opzichten kan vereenigen met het harde oordeel van den jongeren Plinius, in het veertiende boek van zijn Historia Naturalis. Neen, mijnheer, ik maak opderscheid, ik weet onderscheid te maken, en keur den wijn alleen in zoo verre goed, dat hij opgeruimd maakt, of in de taal van Flaccus, recepto amico.”
Dus eindigde de verantwoording, die de baron van Bradwardine noodig achtte voor het overdadige van zijn feestelijk onthaal; en men zal ligt gelooven, dat Eduard hem niet tegensprak of iets, dat hij zeide in twijfel trok.
Vervolgens noodigde hij zijn gast tot een morgenrid uit, en beval dat David Gellatley hen op het jachtpad, met de beide honden Ban en Buscar, zou wachten. „Want, eer het saizoen begint, zou ik u gaarne iets van ons jachtveld laten zien, en zoo God wil, zullen we alligt een ree ontmoeten. De ree, kapitein Waverley, mag in alle jaargetijden gejaagd worden; want, daar het dier nooit op zijn vet behoeft te roemen, is het ook nooit onsmakelijk, ofschoon het waar is, dat zijn vleesch niet gelijk staat met dat van het hert [46]. Maar ge zult zien, hoe mijne honden loopen; en daarom zullen ze met David Gellatley ons vergezellen.”
Waverley gaf zijn verwondering te kennen, dat zijn vriend David in staat was zoo iets waar te nemen; maar de Baron gaf hem te verstaan, dat deze arme hals niet gek, nec naturaliter idiota was, zoo als men in rechten zeide; maar eenvoudig een in de hersenen gekrenkte guit, die zeer wel in staat was iederen arbeid te volbrengen, die met zijn luimen strookte, en zijn gekheid tot een voorwendsel maakte om al ’t overige te vermijden. „Wij zijn aan hem gehecht,” ging de Baron voort, „doordien hij Rose, met gevaar van zijn leven, uit een dreigenden nood heeft gered, en de ondeugende lummel moet daarom eten van ons brood, en drinken uit onzen beker, en doen wat hij kan, of wat hij wil: hetgeen, zoo de vermoedens van Saunderson en den rentmeester gegrond zijn, in dit geval wel zoowat uitdrukkingen van dezelfde beteekenis zijn.”
Freule Bradwardine verhaalde vervolgens aan Waverley dat deze arme hals machtig verzot was op muziek; dat hij door droefgeestige melodieën diep getroffen, en tot buitensporige blijdschap vervoerd werd door vroolijke en levendige liederen. Hij was in dit opzicht met een verbazend geheugen begiftigd, en kende een groot aantal stukken en brokken van allerlei wijzen en liedjes, die hij soms met verwonderlijke slimheid te pas bracht, als middelen van betoog, verklaring of satire. David was zeer gehecht aan de weinigen, die hem vriendschap betoonden – en even gevoelig voor elke verachtelijke of kwade behandeling, die hij ondervond, terwijl hij volkomen in staat was, als hij maar gelegenheid er toe vond, zich te wreken. Het gemeene volk, dat doorgaans even hard over elkander als over hunne meerderen oordeelt, hoewel het vrij wat medelijden voor den armen „stumpert” betuigde, zoo lang men hem in vodden langs het dorp liet loopen, zag hem niet zoodra behoorlijk gekleed, verzorgd en zelfs eenigermate als gunsteling behandeld, of het haalde al de voorbeelden van gevatheid en doorzicht aan, zoowel in zijn handelingen als in zijn antwoorden welke de dorps-jaarboeken opleverden, en grondde daarop de veronderstelling, dat David Gellatley niet verder mal was, dan noodig scheen om hem voor zwaren arbeid te vrijwaren. Dit gevoelen was nogthans even juist als dat der negers, die uit de slimme en ondeugende kuren der apen opmaken, dat zij de gave der spraak bezitten, en dit vermogen opzettelijk onderdrukken, uit vrees dat men hen tot werken zal dwingen. David Gellatley was in goeden ernst de halfgekrenkte hals, die hij scheen, en buiten staat tot eenige aanhoudende en gestadige inspanning. Hij bezat juist oordeel genoeg om hem voor zinneloosheid te bewaren; zooveel natuurlijk verstand als hem tegen volslagen onnoozelheid vrijwaarde; eenige behendigheid in zaken die op de jacht betrekking hadden, (waarin wij even groote dwazen hebben zien uitmunten); uitnemende zachtheid en menschelijkheid in het behandelen van aan hem toevertrouwde dieren, een warm hart, een verbazend geheugen, en een oor voor de muziek.
Weldra vernam men nu paardengetrappel op het voorplein, alsmede Davie’s stem, die, zich tot de groote jachthonden keerende, zong:
Spoedt u! jaagt langs veld en weide, Stuift den vliet door die ginds plast! Vliegt langs heuvelzoom en heide, En waar ’t boschje ’t lachendst wast; Waar de stroomen ’t helderst vloeien, Waar de varen ’t weligst groeien, Waar de dauw het langste glanst, Waar dien ’t korhoen liefst gaat drinken, Waar de Fee het laatst bij ’t blinken Van het maanlicht heeft gedanst. Op naar legers, die men zelden Slechts zoo koel en eenzaam zag! Op langs weiden, heuvlen, velden, Bij ’t ontwaken van den dag!
„Behooren de verzen, die hij daar zingt, tot de oude Schotsche poëzie, freule Bradwardine?”
„Ik geloof het niet,” hernam zij „Dit arme schepsel heeft een broeder gehad, en de Hemel, alsof hij der familie het ongeluk van den armen David wilde vergoeden, had hem talenten geschonken, die men in het dorp voor iets buitengewoons hield. Een oom poogde hem op te leiden voor de Schotsche kerk, maar hij kon niet de minste bevordering vinden, omdat hij slechts een boerenzoon was. Hij keerde hopeloos, en met een gebroken hart van de Akademie terug, en kreeg de tering. Mijn vader ondersteunde hem tot zijn dood, die voorviel eer hij zijn negentiende jaar bereikt had. Hij speelde op de fluit, en werd algemeen voor iemand gehouden die een bijzonderen aanleg voor de poëzie had. Hij legde veel liefde en medelijden voor zijn broeder aan den dag, die hem volgde als zijn schaduw, en wij houden het er voor dat David van hem een menigte liederen verzamelde, die weinig op die uit deze streek gelijken. Maar als wij hem vragen, waar hij zulk een brok, als hij daar zingt, opgedaan heeft, antwoordt: hij òf met een geweldigen lachbui, òf wel door in tranen en jammerklachten uit te barsten, maar nooit vernam men eene andere verklaring, of heeft men hem zijns broeders naam na diens dood hooren noemen.”
„Zeker,” zeide Eduard, die altijd belang stelde in elk verhaal dat eenigszins romantisch klonk, „zeker zou men meer van hem vernemen, als men er meer bijzonder op aandrong.”
„Misschien wel,” antwoordde Rose; „maar mijn vader wil niemand veroorloven zijne gevoeligheid op dit punt te krenken.”
Gedurende dezen tijd had de Baron, met behulp van Saunderson, een paar geweldig groote jachtlaarzen aangetrokken, en noodigde thans onzen held uit hem te volgen, terwijl hij met zware stappen den breeden trap afging, in het voorbijgaan, telkens op de hooge ballustrade met den knop van zijn zware karwats sloeg, en zich het air gevende van een jager van Louis XIV bromde:
„Pour la chasse ordonnée, il faut préparer tout, Ho la ho! Vite! vite debout!”
DERTIENDE HOOFDSTUK.
EEN VERSTANDIGER DAG DAN DE VORIGE.
De baron van Bradwardine, op een levendig en goed gedresseerd paard gezeten, met een demi-piquè zadel en een donker schabrak, in overeenstemming met zijn liverei, was geen slecht vertegenwoordiger van de oude school. Zijn lichtkleurige, geborduurde rok en prachtig gegaloneerd vest, zijn krulpruik, waarop een punthoed met een smal gouden boordsel stond, voltooide zijn costuum; terwijl hij werd gevolgd door twee wel bereden knechts te paard, met pistolen in de holsters gewapend.
Aldus uitgedost reed hij over berg en dal zachtjes voort, terwijl hij de bewondering van elke boerderij, welke zij voorbij kwamen, opwekte, totdat ze, in een groene vallei, David Gellatley vonden, die twee buitengewoon groote hazewind-honden vasthield, een half dozijn andere kleinere honden bij zich had, en omtrent even zoo vele jongens met bloote voeten en bloote hoofden, die, om de uitgelezene onderscheiding te genieten van bij de jacht tegenwoordig te zijn, niet nagelaten hadden zijn ooren te kittelen met den streelenden titel van „Mijnheer Gellatley,” ofschoon er waarschijnlijk niemand onder hen was, die niet bij vorige gelegenheden hem uitgejouwd en voor „mallen David” uitgescholden had. Maar dit is geen ongewone soort van vleijerij jegens lieden, in zekere betrekkingen geplaatst, en geenszins bepaald tot de barrevoetsche dorpelingen van Tully-Veolan; ze was zestig jaar geleden in zwang, is het thans nog, en zal het over zeshonderd jaar nog zijn, zoo dat wonderlijke mengsel van dwaasheid en schurkerij, dat men „de wereld” heet, dan nog bestaat.
Deze kleine barrevoeters waren bestemd om het kreupelhout te kloppen, hetgeen ze met zulk goed gevolg deden, dat na een half uur jagens een ree opgejaagd, vervolgd en gedood werd. De baron volgde de honden op zijn schimmel, gelijk graaf Percy in de oude ballade, doodde het dier grootmoediglijk met zijn adellijk couteau de chasse, vilde het en haalde het uit, hetgeen, zooals hij aanmerkte, de Fransche chasseurs „faire la curée” heeten. Na deze plechtigheid geleidde hij zijn gast naar huis, langs een prettigen omweg, die een zeer ruim uitzicht schonk op verscheidene dorpen en huizen, van welke de heer Bradwardine de een of andere geschied- of geslachtkundige anecdote verhaalde. Zijn mededeelingen waren in een taal, ontsierd door veroordeel en pedanterie, maar dikwijls eerbiedwekkend om het gezond verstand en de edele gevoelens, waardoor zijn verhaal zich kenmerkte, en bijna altijd wetenswaardig, zoo niet belangrijk, om het onderricht dat daarin lag opgesloten.
De waarheid is, dat de rid beide heeren vermaakte, omdat ze genoegen vonden in elkanders omgang, ofschoon hunne karakters en wijze van denken in vele opzichten geheel uit elkaâr liepen. Eduard bezat, gelijk wij den lezer hebben te kennen gegeven, een levendige verbeelding, en was vreemd en romanesk in zijn denkbeelden en in zijn smaak voor lectuur, en had een bijzonder sterke neiging voor de poëzij. De heer Bradwardine was het tegenovergestelde van dit alles, en verhief er zich op, dat hij met dezelfde strakke, stijve, stoïsche deftigheid door het leven stapte, waardoor zijn avondwandeling op het terras van Tully-Veolan zich kenmerkte, waar hij, uren achtereen, – het ware evenbeeld van den ouden Knoet –
Statig heentoog naar het oost, Statig naar het westen.
Wat de letterkunde betreft, hij had de klassieke dichters, het Epithalamium van Georgius Buchanan, en Arthur Johnston’s Zondagspsalmen, benevens de Diliciæ Poetarum Scotorum, en sir David Lindsay’s werken en Barbours Bruce en des blinden Harry’s Wallace en De edele Schaapherder van Ramsay, zoowel als de Kersenboom en de wilde Pruimboom gelezen. Maar in weerwil van dit aan de muzen gebrachte offer, zou hij, als wij de waarheid moeten zeggen, zich veel beter vermaakt hebben, indien de vrome of wijze spreuken, zoowel als de historische verhalen, welke deze onderscheidene werken bevatten, hem waren aangeboden in den vorm van eenvoudig proza. En hij kon soms niet nalaten zijne verachting uit te drukken voor de „ijdele en nuttelooze kunst van verzen maken,” waarin, zoo als hij zeide, „Allan Ramsay de pruikenmaker [47] de eenige was, die in zijn tijd had uitgemunt.”
Maar hoewel Eduard en hij te dezen aanzien toto cælo verschilden, zoo als de Baron zou gezegd hebben, ontmoetten zij echter elkander op geschiedkundig gebied, als op een onzijdig terrein, waarin beide belang stelden. De Baron, het is waar, belaadde enkel zijn geheugen met feiten, de koude, drooge, harde omtrekken, die de geschiedenis schetst. Eduard, integendeel, hield er van de schets aan te vullen en te ronden met het penseel eener levendige en bezielde verbeelding, welke licht en levendige kleuren verspreidt over de handelende en sprekende personen, die op het tooneel der vervlogene eeuwen waren opgetreden. In weerwil van zulke tegenstrijdige neigingen, droegen ze van weerskanten veel bij tot elkaars genoegen. Des heeren Bradwardine’s tot in de kleinste bijzonderheden afdalende verhaaltrant en sterk geheugen boden Waverley nieuwe voorwerpen, waarop zijn verbeelding gaarne werkte, terwijl hem eene nieuwe mijn van gebeurtenissen en karakters geopend werd. En hij van zijn kant betaalde het hem aldus geschonken genot met die ernstige oplettendheid, waarop alle verhalers zulk een hoogen prijs stellen, maar de Baron nog meer in het bijzonder, daar hij zijn eigenliefde, gestreeld vond, of ook wel soms wederkeerige mededeelingen ontving die hem belang inboezemden, omdat ze zijne eigene anecdoten bevestigden of ophelderden. Bovendien sprak de heer Bradwardine gaarne over zijne jeugd, in den oorlog in vreemde landen gesleten, en wist menige belangwekkende bijzonderheid te vertellen van de generaals, onder wie hij gediend en van de veldslagen die hij had bijgewoond.
De beide heeren keerden naar Tully-Veolan terug, ten hoogste over elkander voldaan. Waverley verlangde meer nauwkeurig na te gaan, wat hem een eigenaardig en belangrijk karakter toescheen, begaafd met een geheugen dat een wetenswaardig register van oude en hedendaagsche anecdoten bevatte; terwijl Bradwardine geneigd was Eduard te beschouwen als puer (of liever juvenes) bonæ spei et magnæ indolis, een jongeling, vrij van die dartele lichtzinnigheid, welke den omgang of den raad van meer bejaarden vervelend vindt of veracht, en van wien hij groote verwachtingen in de verre toekomst koesterde. – Er was geen andere gast in huis dan de heer Rubrick, wiens kennis als geestelijke en geleerde in al zijne gesprekken doorblonk, en zeer wèl met die van den Baron en zijnen vriend strookte.
Kort na afloop van den maaltijd, als om te toonen dat zijne matigheid niet geheel en al theoretisch was, stelde de Baron een bezoek op Rose’s kamer of, zoo als hij het noemde, haar troisième étage voor. Waverley werd dus door een paar dier lange, leelijke gangen gevoerd, waarmede de oude bouwmeesters de bewoners der door hen ontworpen huizen in de war poogden te brengen, en aan het einde van welke de heer Bradwardine, met twee trappen tegelijk een zeer steilen, nauwen wenteltrap begon op te klimmen, terwijl hij den heer Rubrick en Waverley meer op hun gemak liet volgen, om zijne dochter hunne komst aan te kondigen.
Na dezen kurketrekker te zijn opgegaan, totdat hunne hoofden bijna draaiden, kwamen ze in een klein, met matten belegd portaal, dat als een voorvertrek diende voor Rose’s sanctum sanctorum, en waardoor zij haar zitkamer binnen traden. Het was een klein, maar aangenaam vertrek, op het zuiden, en met tapijtwerk behangen, en daarenboven versierd met twee portretten, éen van haar moeder, in de kleeding eener herderin met een hoepelrok; het ander van den Baron op zijn tiende jaar, in een blauwen rok, geborduurd vest, gegaloneerden hoed en staartpruik, en met een boog in de hand. Eduard kon niet nalaten te glimlachen om het kostuum, en om de vreemde gelijkenis tusschen het ronde, gladde, roodwangige, kleine gezicht op het portret, en de magere, gebaarde, holoogige, gebronsde gelaatstrekken, die het reizen, de vermoeienissen van den oorlog en de gevorderde jaren aan den Baron hadden medegedeeld. Deze lachte met hem mede. „In den grond,” zeide hij, „was dit een vrouwengril van mijne goede moeder (eene dochter van den heer van Tulliellum, kapitein Waverley; ik wees u het huis, toen wij op den top van den heuvel waren; het werd verbrand door de Hollandsche hulptroepen, die het Gouvernement in 1715 ingeroepen had.) Ik werd sedert slechts éenmaal geportretteerd, en wel op bijzonder en herhaald verzoek van den maarschalk, hertog van Berwick.”
De brave, oude edelman maakte geene melding van hetgeen de heer Rubrick naderhand aan Waverley vertelde, dat de Hertog hem deze eer had aangedaan, omdat hij de eerste was geweest, die de bres van eene sterkte in Savoije, gedurende den merkwaardigen veldtogt van 1709, beklommen had, bij welke gelegenheid hij met zijne korte piek zich gedurende bijna tien minuten had verdedigd, eer er voor hem eenige hulp kwam opdagen. Om den Baron recht te doen, ofschoon wel geneigd om de oudheid en waardigheid zijner familie te overdrijven, was hij te zeer man van eer om ooit stil te staan bij zijn persoonlijke daden of de verdiensten, die hij zelf bezat.
Op dit oogenblik kwam freule Rose uit het binnenvertrek, om haar vader en zijn vrienden welkom te heeten. De werkzaamheden, waarmede zij zich onledig had gehouden, verrieden blijkbaar een natuurlijken smaak, die slechts beschaving vorderde. Haar vader had haar Fransch en Italiaansch geleerd; en eenige weinige schrijvers in deze talen versierden haar boekenkasten. Hij had insgelijks beproefd haar onderwijzer in de muziek te zijn; maar, daar hij met de meest afgetrokken theorie der wetenschap begon, en die misschien zelf niet meester was, was zij tot niets meer in staat dan om haar stem met de piano te begeleiden, en dit zelfs was in die dagen in Schotland niet zeer algemeen. Om dit gebrek te vergoeden, zong ze met veel smaak en gevoel, maar daarenboven met een eerbied voor den zin van hetgeen ze voordroeg, die wel ten voorbeeld mocht gesteld worden aan dames, die vrij wat meer muziekale bekwaamheid bezitten. Haar natuurlijk gezond verstand had haar geleerd, dat wanneer de muziek, zoo als een groote autoriteit zich uitdrukt, „gehuwd is aan ’t onsterfelijk vers” [48], zij zeer dikwijls eene schandelijke echtscheiding ondergaan door de schuld van hen, die ze uitvoert. Het was misschien een gevolg van haren smaak, dat zij de schoonheden der poëzij gevoelde, en het vermogen bezat, om de uitdrukking daarvan met die der muzijk te vereenigen, waardoor haar zang meer genoegen verschafte aan alle ongeoefenden in de toonkunst, en zelfs aan een aantal kenners, dan menige veel schoonere stem en schitterender uitvoering, doch die niet met dezelfde kieschheid van gevoel gepaard gaat, had kunnen te weeg brengen.
Een vooruitspringende galerij vóor de ramen van haar spreekvertrek diende om eene andere van Rose’s liefhebberijen te doen uitkomen; want ze was bezet met bloemen van onderscheiden soort, door haar zelve gekweekt. Een uitgebouwd torentje gaf toegang tot dit Gothische balkon, dat een verrukkelijk uitzicht opleverde. De eigenlijke tuin, met zijn hooge grensmuren, lag beneden, naar het scheen, tot éen enkel bloemperk ingekrompen; terwijl het gezicht daar buiten zich uitstrekte over een boschachtig dal, waar de rivier nu eens zichtbaar was, en dan zich weder tusschen het kreupelhout verschool. Met genoegen rustte het oog op de rotsen, die zich hier en daar in breede of stoute vormen boven het dichte woud verhieven, of verwijlde gaarne bij den trotschen, ofschoon vervallen toren, die hier in al zijn pracht zichtbaar was, terwijl hij van een vooruitspringende rots op de rivier nederblikte. Aan de linker hand zag men eenige boerenwoningen, die een deel van het dorp uitmaakten; de top van een heuvel verborg de overigen. Het dal werd begrensd door een water, Loch-Veolan genoemd, waarin zich de stroom ontlastte, en die thans in de stralen der ondergaande zon glinsterde. Het verder gelegen land scheen open en afwisselend, schoon niet boschachtig, en er was niets dat het gezicht belemmerde, tot het beperkt werd door een reeks van verre, blauwe heuvels, die de zuidelijke grens van de vallei uitmaakten. Op deze aangename plek had Freule Bradwardine de koffij laten brengen.
Het zien van den ouden toren, of sterkte, bracht eenige familie-anecdoten en vertellingen uit de Schotsche riddertijden op het tapijt, die de Baron met veel vuur verhaalde. De vooruitstekende punt van een overhangende rots had den naam van St. Swithin’s Stoel verkregen. Deze was het voorwerp van een bijzonder bijgeloof, waarvan de heer Rubrick eenige wetenswaardige bijzonderheden mededeelde, die Waverley een fragment van een ballade voor den geest riepen, door Edgar in Koning Lear aangehaald; terwijl Rose verzocht werd een kleine romance te zingen, waarin het door een of ander dorpspoëet was ingekleed;
Die, onbekend als zij, waaruit hij was gesproten, De onsterflijkheid aan andre namen schonk, Schoon van geen lip de zijne klonk.
Haar aangename stem, en de eenvoudige schoonheid harer muziek zetten aan dien zang al het verrukkelijke bij dat de minnezanger had kunnen verlangen, en zijn poëzij zoo zeer behoefde. Ik zou het bijna in twijfel trekken, of zij met geduld kan gelezen worden, nu hij van dit voordeel beroofd is; al gis ik, dat het volgende afschrift door Waverley eenigszins verbeterd is, om zich naar den smaak van diegenen te schikken; die weinig hart hebben voor een zuiver antiquarisch overblijfsel.
SINT SWITHIN’S STOEL.
O, wijd toch uw spond op den avond voor ’t feest Waarop ge alle Heilgen gedenkt in den geest. Sla ’t kruis, bid uw krans, eer ge u strekt op uw koets, Zeg ’t Ave en ’t Credo uit ’t diepst des gemoeds.
Want dan rijdt de nachtkol de lucht in het rond, Omstuwd door de heksen, met haar in verbond, ’t Zij ’t koeltjen er lispelt, of, buldrend, de orkaan De wolken er jaagt langs de drijvende maan.
De jonkvrouw zat neêr in Sint Swithin’s gestoelt. Haar had er de nachtdauw het voorhoofd verkoeld; Een doodelijk bleek overdekte haar koon, Maar stout was haar hart en haar blik en haar toon.
Zij spreekt er kloekmoedig de tooverspreuk uit, Waarmede Sint Swithin de kol had gestuit, Haar fier had bevolen: daal haastiglijk neêr, Leg af uw gelofte, Gods grootheid ter eer.
Al wie in Sint Swithin’s gestoelte zich vlijt, Als ’s nachts door het luchtruim de tooverkol rijdt, En moedig de spreuk zegt – hem is het vergond Drie vragen te doen, en zij antwoordt terstond.