Waverley

Part 8

Chapter 83,644 wordsPublic domain

Maar wat den beker betreft, kapitein Waverley, deze werd vervaardigd op last van Sint Duthac, Abt van Aberbrothock, uit dankbaarheid jegens een anderen Baron van den huize van Bradwardine, die het erfgoed van dat klooster moedig tegen zekere aanmatigende edelen verdedigd had. De beker wordt niet ongepast. „de gezegende beer” van Bradwardine genoemd, schoon de oude doctor Doubleit hem schertsend de Ursa Major placht te heeten, en, in oude Katholijke tijden, schreef men hem zekere eigenschappen van een geheimzinnigen en bovennatuurlijken aard toe. En schoon ik aan zulke anilia [41] niet hecht, zoo is het zeker, dat hij altijd als een plechtige standaard-beker en erfstuk van onze familie beschouwd, en nooit dan bij hooge feesten gebruikt is; en daar de komst van Sir Everards erfgenaam onder mijn dak voor mij zulk een feestdag is, wijd ik dezen dronk aan het welzijn en den voorspoed van het oude en hoog te vereeren huis van Waverley.”

Onder deze lange aanspraak, goot hij met alle voorzichtigheid een met spinrag bezette flesch rooden wijn in den beker, die ongeveer een halve flesch bevatte; en, na ten slotte de flesch aan den keldermeester te hebben gegeven, om ze zorgvuldiglijk onder dezelfde helling te houden, sloeg hij met veel plechtigheid den inhoud „des gezegenden beers van Bradwardine” naar binnen.

Eduard zag met schrik en ontsteltenis, hoe het dier rondging, en dacht met groote onrust en angst aan het gepaste motto: „wacht u voor den beer,” doch gevoelde maar al te wel, dat, daar niemand van de gasten zwarigheid maakte hem deze buitengewone eer te bewijzen, eene weigering van zijn kant, om hunne hoffelijkheid te beantwoorden, ten hoogste kwalijk zou worden opgenomen. Hij besloot zich dus aan dit staaltje van dwingelandij te onderwerpen, en daarna, zoo mogelijk, de tafel te verlaten, en op de sterkte van zijn gestel vertrouwende, deed hij het gezelschap bescheid met den inhoud des bekers, en gevoelde zich minder bezwaard door den dronk, dan hij zich had kunnen voorstellen. De overigen, wier tijd beter was waargenomen, begonnen blijken van de uitwerking van het druivensap te geven: „de goede wijn deed zijne goede werking.” De eischen der etiquette en de trotschheid op geboorte, begonnen plaats te maken voor den weldadigen invloed van het sterrebeeld van den Beer, en de deftige titels, waarmede de drie heeren elkander tot hiertoe hadden aangesproken, werden nu gemeenzaam tot Tully, Bally en Killie verkort. Toen ettelijke flesschen geleegd waren, verzochten de twee laatsten, na met elkander gefluisterd te hebben, verlof om (eene vroolijke tijding voor Eduard!) en beker van dankzegging te mogen vragen. Deze werd na eenig uitstel, ten laatste uitgedronken, en Waverley begreep dat de Bacchanaliën voor dien avond ten einde waren. Nooit in zijn leven had hij zich sterker vergist.

Daar de gasten hunne paarden in de kleine herberg, of uitspanning, zoo als het genoemd werd, van het dorp hadden gelaten, kon de Baron, zonder aan de beleefdheid te kort te doen, niet nalaten de laan met hen op te wandelen; en Waverley voegde zich uit hetzelfde beginsel en om, na den verhittenden maaltijd, den koelen zomeravond te genieten, bij het gezelschap. Maar toen zij bij Luckie Macleary aankwamen, gaven de heeren van Balmawhapple en Killancureit te kennen, dat zij hunne dankbaarheid voor de genotene gastvrijheid op Tully-Veolan wenschten te betuigen, door met hun gastheer en zijn vriend, kapitein Waverley, wat ze met een technieken term „deoch an doruis” noemden, een glaasje op de valreep [42] ter eere van des Barons gastvrijheid te gebruiken.

Ik mag niet nalaten op te merken, dat de rentmeester, die bij ondervinding wist, dat het feest van den dag, hetwelk tot hiertoe op kosten van zijn patroon had plaats gegrepen, voor een gedeelte op zijn zak zou kunnen neerkomen, zijn kreupelen grijzen hit beklommen, en half in de vroolijkheid van zijn hart, half uit vrees van in de rekening betrokken te worden, het in een harden galop gezet had – aan een draf viel niet te denken – en alreeds het dorp was uitgereden. De overigen traden de herberg binnen, terwijl Eduard zich in weerlooze onderwerping liet medeslepen; want zijn gastheer fluisterde hem toe, dat een aarzeling bij zulk een voorslag zou beschouwd worden als een zwaar vergrijp tegen de leges conviviales, de regels van een vroolijk samenzijn. De weduwe Macleary scheen dit bezoek verwacht te hebben, wat gemakkelijk kon, want gewoonlijk werden alle vroolijke partijen, niet alleen op Tully-Veolan, maar ook op de andere heerenhuizen in Schotland, zestig jaar geleden op deze wijze besloten. De gasten kweten zich daarbij tevens van hun plicht van dankbaarheid jegens den gastheer, moedigden het vertier van zijn uitspanning aan, deden eer aan de plaats, die hun paarden een onderkomen verschafte, en stelden zich schadeloos voor den door deftige, huiselijke gastvrijheid opgelegden dwang, door, hetgeen Falstaff het zoetste gedeelte van den nacht noemt door te brengen, in den ongedwongen omgang, alleen in een kroeg te vinden.

Dientengevolge had Luckie Macleary, in het blijde vooruitzicht op het bezoek der aanzienlijke gasten, voor het eerst in veertien dagen haar huis geveegd, haar turfvuur tot zulk eene warmte gestookt, als het saizoen, in haar vochtige hut, zelfs midden in den zomer vorderde; hare houten tafel pas geschuurd, gedekt, den lammen poot er van met een stuk turf onderschraagd, vier of vijf even lompe, zware stoelen, gerangschikt zoo als de oneffenheid van haar leemen vloer dit het best toeliet; en na zich verder met haar wit kapsel, mantelkraag en scharlaken doek, te hebben getooid, wachtte zij, in de hoop op goede winst, deftig het gezelschap af. Toen de gasten onder de berookte daksparren van Luckie Macleary’s dicht met spinraggen prijkend vertrek gezeten waren, verscheen de waardin, die reeds een wenk van den heer van Balmawhapple ontvangen had, met een grooten tinnen kan, die ten minste drie kan bevatte, in de wandeling „de gekuifde kip” genaamd, en welke, in de taal der waardin, „overliep,” dat is, tot den rand gevuld was met uitstekenden zoo even getapten rooden wijn.

Het bleek spoedig dat het weinigje verstand, hetwelk de beer niet verslonden had, door de kip zou worden opgepikt; maar de verwarring die meer en meer de overhand nam, begunstigde Eduards besluit, om den vroolijk rondgaanden beker te vermijden. De overigen begonnen druk en allen te gelijk, te babbelen, terwijl ieder zijn deel in het gesprek nam, zonder in het minst acht te slaan op zijn buurman. De baron van Bradwardine zong Fransche chansons-à-boire, en declameerde Latijnsche versjes; Killancureit sprak over boomsnoeien en ploegen en het scheren van eenjarige lammeren, en tweejarige schapen, over kalven en koeien en bunsings en een ingediende wet op de tolhekken, terwijl Balmawhapple, op hooger nooten dan beiden, pochte op zijn paard, zijn valken en een jachthond, „de Fluiter” genaamd. Te midden van al dit geraas riep de Baron bij herhaling om stilte; en toen ten laatste het instinct van beleefde tucht zoo ver de overhand kreeg, dat hij voor een oogenblik werd aangehoord, haastte hij zich om hunne oplettendheid te verzoeken „voor een soldatenlied, en lievelingsstuk van den maarschalk hertog van Berwick;” en daarop, zoo goed hij kon, de manier en toon van een Franschen musketier nabootsende, begon hij terstond:

Mon coeur volage, dit elle, N’est pas pour vous, garçon; Est pour un homme de guerre, Qui a barbe au menton, Lon, Lon, Laridon. Qui porte chapeau à plume, Soulier à rouge talon, Qui joue de la flûte, Aussi du violon, Lon, Lon, Laridon.

Balmawhapple kon het niet langer uithouden, maar viel in, met hetgeen hij een v......d mooi lied noemde, door Gibby Gaethroughwi’t, den speelman van Cupar opgesteld, en zonder meer, hief hij aan:

Ik trok langs de heide van Glenbarchans heen, En over het moerige Killibraid veen, En menigmaal poogde ik, soms uren aaneen, Het dartele korhoen te vinden [43].

De Baron, wiens stem onder het luidere en meer geruchtmakende geschreeuw van Balmawhapple verloren ging, gaf den wedstrijd op, maar ging voort Lon, Lon, Laridon, te neuriën terwijl hij zijn gelukkiger mededinger, die met de oplettendheid van het gezelschap vereerd was, met een oog van verachting beschouwde, en Balmawhapple voortging:

En als het dan schichtig zich hief in de lucht, Dan snapte ik het vaak in zijn rijzende vlucht; ’k Droeg zelden mijn weitasch in ’t veld zonder vrucht: Niets kon waar ik aanleî me ontsnellen.

Na te vergeefs gepoogd te hebben zich het tweede vers te herinneren, zong hij het eerste weder over, en verklaarde, onder het voortzetten van zijn triomf, dat er meer gezond verstand in stak dan in al den onzin van Frankrijk, en van het graafschap Fife op den koop toe. De Baron antwoordde alleen met het langzaam nemen van een snuifje en met een blik van onuitsprekelijke verachting. Maar die edele bondgenooten, de Beer en de Hen, hadden den landjonker den gewonen eerbied uit het oog doen verliezen dien hij Bradwardine anders toedroeg. Hij noemde den wijn bogt, en riep met groot geschreeuw om brandewijn. Deze werd gebracht, en nu benijdde de duivel der staatkunde zelfs de harmonie, uit een Poolschen landdag ontstaan, alleen omdat er geen enkele toornachtige wanklank in de vreemde ineensmelting van geluiden gehoord werd. Door dezen drank aangehitst vroeg de heer van Balmawhapple, nu boven alle mogelijke knikken en wenken verheven, waarmede de Baron van Bradwardine, uit kieschheid jegens Eduard, hem tot hiertoe belet had zich in staatkundige beschouwingen te verdiepen, met luide stemme een gevulden beker, terwijl hij den volgenden toast instelde: „aan den kleinen heer in zwart fluweel, die zoo veel dienst deed in 1702, en moge de schimmel den nek breken over een molshoop!”

Eduard had op dit oogenblik zijn zinnen niet genoeg bijeen om zich te herinneren, dat koning Willems val, welke zijn dood veroorzaakte, naar men zeide veroorzaakt werd door het struikelen van zijn paard over een molshoop; maar hij voelde zich echter geneigd zich over een dronk te ergeren, die, naar den blik uit Balmawhapple’s oog te oordeelen, een bijzonder vijandelijke toespeling scheen te bevatten op het bewind waaronder hij diende. Maar, eer hij spreken kon, had de baron van Bradwardine den twist al opgevat. „Mijnheer! welke ook mijn gevoelens, tanquam privatus, in zulke zaken wezen mogen, ik zal niet dulden, dat gij iets zegt, dat in staat is een onder mijn dak gehuisvesten edelman te kwetsen. Mijnheer, zoo gij geen eerbied hebt voor de wetten der wellevendheid, ontzie dan ten minste den krijgsmanseed, het sacrumentum militare, waardoor ieder officier verbonden is aan den standaard, waarop hij den eed heeft afgelegd. Zie bij Titus Livius, wat hij zegt van die Romeinsche soldaten, welke ongelukkig genoeg waren om exeure sacramentum, hun legereed te schenden; maar ge zijt onkundig, mijnheer, zoowel in de oude geschiedenis als in de moderne hoffelijkheid.”

„Niet zoo onkundig als gij wel gelieft te zeggen,” brulde Balmawhapple. „Ik weet wel, dat gij spreekt van het plechtige Verbond en de Overeenkomst; maar zoo al de Whigs in de hel dat hadden wat...”

Hier spraken de Baron en Waverley beide te gelijk, terwijl de eerste uitriep: „zwijg, mijnheer! Gij legt niet alleen uwe onwetendheid aan den dag, maar onteert uw vaderland in het bijzijn van een vreemdeling en een Engelschman.” Waverley van zijn kant verzocht op hetzelfde oogenblik den heer Bradwardine verlof, om zelf eene beleediging te wreken, die hem persoonlijk gold. Maar de Baron was door wijn, toorn en minachting boven alle ondermaansche bedenkingen verheven.

„Kapitein Waverley, ik bid u, houd u toch stil; gij zijt elders, misschien, sui juris, – uw eigen meester, wil ik zeggen en bevoegd, naar ik vooronderstel, voor u zelven te denken en te spreken; maar op mijn grondgebied, in deze geringe baronie van Bradwardine, en onder dit dak, dat quasi het mijne is, daar het van mij afhangt wie daaronder gehuisvest zal zijn, sta ik bij u in loco parentis en ben verplicht te zorgen, dat u geen onheil overkome. En wat u betreft, mijnheer Falconer van Balmawhapple, ik waarschuw u, laat mij niet meer merken dat gij de wegen der wellevendheid overtreedt.”

„En ik zeg u, mijnheer Cosmo Comyne Bradwardine van Bradwardine en Tully-Veolan,” hernam de jager, met innige verontwaardiging, „dat ik iedereen dood zal schieten, die mijn toast weigert, laat hem een Engelsche Whig zijn, met een zwart lintje om den hals, of een overlooper die zijn eigene vrienden verlaat, om gunst te zoeken bij de ratten van Hannover.”

In een oogenblik waren de beide degens ontbloot, en eenige wanhopige stooten gewisseld. Balmawhapple was jong, stout en vlug; maar de Baron, zijn wapen oneindig meer meester, zou weldra den genadestoot hebben gegeven, als hij niet te veel onder den invloed van den Grooten Beer had gestaan.

Eduard sprong vooruit om de beide strijders te scheiden, maar struikelde en viel over het lichaam van den heer van Killancureit, die lang uit op den grond lag. Hoe Killancureit, op zulk een kritiek oogenblik, in deze liggende houding kwam, is nooit juist bekend geworden. Sommigen dachten dat bij bezig was met zich onder de tafel te verschuilen; hij zelf beweerde dat hij struikelde, terwijl hij een dicht bijstaande stoel greep, om een ongeluk te voorkomen, door Balmawhapple daarmede neêr te vellen. Hoe dit ook zij, indien geen vlugger hulp dan de zijne, of die van Waverley, tusschenbeide gekomen was, zou er zeker bloed zijn gestort. Maar het welbekende zwaardengekletter, dat niets vreemds was in hare woning, joeg Luckie Macleary op, die gerust buiten den aarden muur der stulp gezeten was, verdiept in het opmaken van de rekening, ofschoon haar oogen voortdurend op een vroom tractaat op haar schoot, gevestigd waren. Zij stortte moedig binnen, onder het uitgillen van: „Waarom moeten toch de heeren elkaâr hier doodslaan, en het huis van een eerlijke weduw schande aandoen? Is er dan in het open veld geen gelegenheid om te vechten?” een vertoog, dat ze ondersteunde door haar doek met groote behendigheid over de degens der vechtenden te werpen. Middelerwijl stormden de bedienden binnen, en daar deze toevallig tamelijk nuchter waren, gelukte het hun, met behulp van Eduard en Killancureit, de verwoede strijders te scheiden. Laatstgenoemde voerde Balmawhapple weg, wraak zwerende tegen iederen Whig, Presbyteriaan en dweeper in Engeland en Schotland, van John o’Groat’s af tot aan Kaap Lands Einde [44] toe, en het was slechts met vele moeite dat hij eindelijk op zijn paard gezet werd.

Met den bijstand van Saunder Saunderson, geleidde onze held den baron van Bradwardine naar zijn woning, maar kon niet van hem verkrijgen naar bed te gaan, voor en aleer hij een lange en geleerde redevoering had gehouden over hetgeen dien avond was voorgevallen, waarvan echter niets verstaanbaar was, behalve iets over de Centauren en de Lapithen.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

BEROUW EN VERZOENING.

Waverley was niet gewoon, dan met de grootste matigheid wijn te drinken. Hij sliep dus tot laat in den volgenden morgen, en ontwaakte toen met een pijnlijke herinnering aan het tooneel van den vorigen avond. Hij had een persoonlijke beleediging ondergaan, – hij, een man van eer, een krijgsman en een Waverley. Het was waar, hij die ze hem had aangedaan, was, op dat oogenblik, geen meester over het zeer geringe verstand, hetwelk de natuur hem geschonken had; het was evenzoo waar, dat, wanneer hij voor deze beleediging wraak nam, hij zoowel de wetten des hemels, als die van zijn land overtreden zou; het was eindelijk waar, dat hij, door dit te doen, wellicht het leven zou benemen aan een jonkman, die zich misschien behoorlijk van zijn maatschappelijke plichten kweet, en hij zou dus zijn familie ongelukkig maken; of hij zelf kon zijn eigen leven verliezen, – geen aangename kans zelfs voor den moedigste, wanneer men alles kalm en bedaard overlegt.

Al deze gedachten drukten hem zwaar op het hart; en toch keerde de eerste opvatting telkens met onweêrstaanbare kracht terug. Hij had een beleediging ondergaan; hij was van den huize Waverley, en tegelijk Officier. Er was geen keus; en hij begaf zich naar de ontbijtkamer met het voornemen, om afscheid van de familie te nemen en aan een zijner wapenbroeders te schrijven, om bij hem te komen in de herberg, halfweg Tully-Veolan en de stad, om zoodanige boodschap aan den Heer van Balmawhapple te zenden, als de omstandigheden schenen te vorderen. Hij vond Freule Bradwardine aan de ontbijttafel, die met warm, zoowel tarwe- als gerstengebak, in de gedaante van brooden, koeken, beschuit en wat dies meer zij, beladen was, evenzoo met eieren, rendiersham, lams- en ossenvleesch, gerookte zalm, gekonfijte kweeën en al de overige lekkernijen, welke zelfs Johnson overhaalde, om de weelde van een Schotsch ontbijt boven dat van alle andere landen te verheffen. Een schotel havermeelpap tegenover een zilveren kan, die een mengsel van room en karnemelk bevatte, stond voor den baron gereed; maar Rose verhaalde, dat hij vroeg in den morgen uitgegaan was, na bevel te hebben gegeven dat men zijn gast niet storen zou.

Waverley nam, bijna zonder een woord te spreken plaats, en met zulk een verstrooid en afgetrokken voorkomen, dat Freule Bradwardine geen gunstig denkbeeld kon opvatten van zijn gezellige gaven. Hij antwoordde slechts met een enkel woord op een paar aanmerkingen, welke ze zich veroorloofde omtrent algemeene onderwerpen; zoodat ze, zich bijna teruggestooten gevoelende in hare pogingen om hem bezig te houden, en zich heimelijk verwonderende, dat onder een rooden rok geen betere opvoeding schuilde, hem aan zijn eigene overdenkingen overliet, welke bestonden in het verwenschen van doctor Doubleits geliefd gesternte van den Grooten Beer, als de oorzaak van al het onheil, dat reeds had plaats gehad en waarschijnlijk nog volgen zou. Op eens echter schrikte en kleurde hij geweldig, daar hij, de oogen naar buiten slaande, den baron en den jongen Balmawbapple arm in arm en schijnbaar in druk gesprek voorbij zag gaan. „Heeft mijnheer Falconer hier van nacht geslapen?” vroeg hij driftig. Rose, die niet zeer ingenomen was met de weinige korte woorden, welke de jonge vreemdeling tot haar richtte, antwoordde droog weg „neen,” en het gesprek was wederom ten einde.

Op dit oogenblik verscheen de heer Saunderson met een verzoek van zijn meester, om den Kapitein Waverley in een ander vertrek te mogen spreken. Met een hart, dat iets sneller dan gewoonlijk sloeg, niet uit vrees, maar uit onzekerheid en onrust, verliet Eduard de ontbijtzaal. Hij vond de beide heeren bij elkander staan; op het gelaat des Barons lag eene zelfvoldane waardigheid, terwijl iets, dat naar gemelijkheid of schaamte, zoo niet naar beide zweemde, het blozend gelaat van Balmawhapple benevelde. De eerste stak den arm onder dien van den laatste, en terwijl hij dus met hem scheen te wandelen, hoewel hij hem in waarheid geleidde, traden ze op Waverley toe, en nadat ze midden in het vertrek waren blijven staan, hield de Baron met groote deftigheid de volgende redevoering: „kapitein Waverley – mijn jonge en achtenswaardige vriend, mijnheer Falconer van Balmawhapple, die mijne jaren en ondervinding, als niet geheel onbedreven in alles wat de wetten van het tweegevecht of de monomachia betreft, geheel en al vertrouwt, heeft mij verzocht zijn tolk bij u te zijn, om u het leedwezen te betuigen, waarmede hij zich zekere uitdrukkingen op ons symposion van gisteravond herinnert, welke u, die voor het oogenblik het thans bestaande bewind dient, niet anders dan hoogst onaangenaam konden zijn. Hij bidt u, mijnheer, om de herinnering aan deze vergrijpen tegen de wetten der wellevendheid, als iets wat zijn meer onbeneveld verstand afkeurt, in vergetelheid te begraven, en de hand te ontvangen, welke hij u als een pand van vriendschap aanbiedt; en ik heb niet noodig u te verzekeren, dat niets minder dan het gevoel van dans son tort te zijn, gelijk een moedig Fransch ridder, monsieur le Bretailleur mij eens bij eene dergelijke gelegenheid toevoegde, alsmede de hooge dunk van uwe verdiensten zulk eene bekentenis van hem konden uitlokken; want hij en geheel zijn geslacht zijn, en daarenboven sedert onheugelijke tijden, mavortia pectora geweest, zooals Buchanan zegt, een stoute en oorlogzuchtige stam.”

Onmiddellijk, en met ongedwongen beleefdheid, nam Eduard de hand aan, welke Balmawhapple, of liever de Baron, in zijn karakter van bemiddelaar, hem toestak. „Het was hem onmogelijk,” zeide hij, „zich iets te herinneren, wat een fatsoenlijk man wenschte niet gezegd te hebben, en hij schreef het gebeurde gaarne toe aan de overdadige feestelijkheid van den vorigen dag.”

„Dat is zeer hupsch gesproken,” antwoordde de Baron; „want het lijdt geen twijfel dat, als iemand ebrius of dronken is, iets dat bij zulke plechtige en feestelijke gelegenheden kan en somtijds zal gebeuren in den loop van het leven van een man van eer, en dat, indien dezelfde man, wanneer hij weder frisch en nuchteren is, de beleedigende woorden herroept, door hem in zijn opgewondenheid gesproken, men er het voor houden moet vinum locutus est, dat de woorden ophouden de zijne te zijn. Ondertusschen zou ik meenen dat deze verontschuldiging niet geldt, in het geval van iemand die ebriosus, of een dronkaard uit gewoonte is; omdat, indien zulk een persoon het grootste gedeelte van zijn tijd in een staat van beschonkenheid verkiest door te brengen, hij geen recht heeft om zich vrij te maken van de plichten door het wetboek der beschaving opgelegd, maar behoort te leeren zich vreedzaam en hoffelijk te gedragen, wanneer hij onder den invloed van den geestrijken prikkel is. En laat ons thans aan het ontbijt gaan, en niet meer aan deze afgedane zaak denken.”

Hoe men ook er over denke moet ik toch bekennen, dat Eduard, na zulk eene voldoende verklaring, grooter eer aan de lekkernijen van freule Bradwardine’s ontbijttafel bewees, dan in den beginne. Balmawhapple, integendeel, scheen verlegen en neergedrukt; en Waverley merkte nu voor het eerst op, dat zijn arm in een band hing, hetgeen de linkschheid en verlegenheid verklaarde, waarmede hij zijn hand had aangeboden. Op eene vraag van freule Bradwardine, mompelde hij dat zijn paard gevallen was; en daar hij scheen te verlangen om zoowel dit onderwerp als het gezelschap te ontwijken, stond hij op zoodra het ontbijt afgeloopen was, maakte eene buiging voor het gezelschap, en na de uitnoodiging, van den Baron om te blijven eten van de hand gewezen te hebben, besteeg hij zijn paard en keerde naar huis terug.