Part 15
De zaal, waarin het feest werd bereid besloeg de gansche ruimte van Ian nan Chaistel’s oorspronkelijk verblijf, en een zware eiken tafel nam de geheele lengte daarvan in. Het middagmaai was eenvoudig, ja zelfs meer dan eenvoudig, en het gezelschap zoo talrijk, dat het elkander bijna verdrong. Aan het hoofd van de tafel waren de hoofdman, met Eduard en twee of drie Hooglandsche bezoekers van naburige clans gezeten. Daarop volgden in rang de oudsten van zijn eigen stam, wadsetters en tacksmen [79], gelijk ze genoemd werden, die gedeelten van zijn landerijen als pachters of huurders bewoonden. Een weinig lager dan zij, zaten hunne zoons, neven en zoogbroeders, de officieren der huishouding van het Opperhoofd, ieder overeenkomstig zijn rang; en het laagst van allen, aan het einde van de tafel, de meiers of boeren, die inderdaad den grond bewerkten. Zelfs voorbij deze lange reeks van gasten kon Eduard op het veld, waarheen een paar zware geopende vleugeldeuren voerden, een menigte Hooglanders zien van nog lageren stand, die eveneens als gasten werden beschouwd, en zoowel hun deel hadden aan den door den gastheer ten toon gespreiden luister, als aan de goede sier van den dag. Op een afstand, en als golvende rondom het feestmaal, bevond zich een bonte groep van vrouwen, havelooze knapen en meisjes, bedelaars, jong en oud, groote windhonden, dashonden en speurhonden, en rekels van de slechtste soort; welke allen, meer of min onmiddellijk, aan het maal deel namen.
Deze schijnbaar onbeperkte gastvrijheid was echter aan zekere, zuinigheidsregelen gebonden. Er was eenige zorg besteed aan het toebereiden der schotels visch, wild, enz., die men aan het boveneinde van de tafel en onmiddellijk onder het oog van den Engelschen vreemdeling zette. Meer naar beneden stonden groote, grove stukken schapen- en ossenvleesch, die, behalve dat er geen varkensvleesch gevonden werd, waarvan men in de Hooglanden een afkeer had [80], de ruwe feesten der minnaars van Penelope voor den geest riepen. Maar de hoofdschotel bestond uit een eenjarig in zijn geheel gebraden lam. Het stond op zijn pooten, met een bos pieterselie in den mond, en was waarschijnlijk in dien vorm opgezet, om de ervarenheid van den kok te doen uitkomen, die zich evenwel meer op den overvloed, dan op het sierlijke van zijns meesters tafel beroemde. De ribben van het arme dier werden woedend aangevallen door de clanslieden, sommige met dolken, de anderen met zakmessen gewapend, welke gemeenlijk in dezelfde schede staken met den dolk, zoodat het spoedig een deerniswaardig schouwspel opleverde. Verder naar beneden schenen de spijzen nog veel eenvoudiger, ofschoon in voldoende hoeveelheid. Brood, uien, kaas, en het overschot van den maaltijd verkwikten de zonen van Ivor’s stam, die in de open lucht deelnamen aan het feest.
De drank werd in dezelfde evenredigheid en onder gelijke bepalingen rondgediend. Uitnemende roode wijn en champagne werden overvloedig geschonken onder de onmiddellijke tafelburen van den Hoofdman; brandewijn zuiver of aangelengd, en zwaar bier verkwikten hen die meer aan het lager einde gezeten waren. En deze ongelijkheid van bedeeling scheen niemand in het minste te beleedigen. Ieder daar tegenwoordig wist, dat zijn smaak zich schikken moest naar den rang, dien hij aan de tafel bekleedde, en bijgevolg betuigden de tacksmen en hunne afhangelingen altijd, dat de wijn te koud was voor hunne magen, en riepen, oogenschijnlijk uit verkiezing, om den drank, welke uit zuinigheid voor hen bestemd was [81]. De doedelzakspelers, drie in getal, lieten niet na, onder den maaltijd, een verschrikkelijken oorlogsdeun te doen hooren. De terugkaatsing van de gewelfde zoldering, en het geschal van den Gaelschen tongval, brachten zulk een Babelsch geraas te weeg, dat Waverley bevreesd werd dat zijn gehoorvlies er onder lijden zou. Mac-Ivor verzocht hem echter het geweld, door zulk een druk gezelschap veroorzaakt, te willen vergeven, en beriep zich op den door hem bekleeden rang, die hem eene onbeperkte gastvrijheid als plicht oplegde. „Deze mijne niet minder ledigloopende dan dappere aanverwanten,” zeide hij, „beschouwen mijne bezittingen als een algemeen goed, dat ik slechts bestuur om hen te onderhouden; en ik moet hun ossenvleesch en bier bezorgen, terwijl de guiten voor zichzelven niets doen, dan de sabel hanteeren, of rondslenteren langs de heuvelen, om te jagen, te visschen, te drinken en met de meisjes in den omtrek te vrijen. Maar wat zal ik er aan doen, kapitein Waverley? Ieder ding moet naar zijn aard behandeld worden, of het een valk of een Hooglander is.” Eduard liet niet na, in het verwachte antwoord een compliment in te vlechten over het bezit van zoo vele moedige en aan hem verkleefde manschappen.
„Het is waar,” hernam het Opperhoofd, „indien ik, als mijn vader, gezind was mij bloot te stellen, om een slag op het hoofd te ontvangen, dan geloof ik, dat de deugnieten mij niet in den steek zouden laten. Maar wie denkt daar tegenwoordig aan, nu de grondregel is – Beter een oude vrouw met een beurs in de hand, dan drie mannen met degens op zijde.” En terwijl hij zich vervolgens tot het gezelschap keerde, stelde hij in: „De gezondheid van kapitein Waverley, een waardig vriend van mijn lieven nabuur en bondgenoot, den baron van Bradwardine.”
„Hij is hier welkom,” zeide een der oudsten, „zoo hij van Cosmo Comyne Bradwardine komt.”
„Dat zeg ik niet!” antwoordde een oud man, die niet voornemens scheen met den toast in te stemmen. „Dat zeg ik niet! – zoo lang er een groen blad in het bosch is, zal er bedrog in een Comyne zijn.”
„Er is geen kwaad haar aan den baron van Bradwardine,” hernam een andere der oudsten, „en de gast die hier van hem komt behoort welkom te zijn, al kwam hij met bebloede handen, als het maar niet het bloed is van den stam van Ivor.”
De oude man, wiens beker gevuld bléef, hervatte: „Er is bloed genoeg van den stam van Ivor aan de handen van Bradwardine geweest.”
„Ach, Ballenkeiroch!” luidde het antwoord des eersten, „gij denkt meer aan het geweervuur te Tully-Veolan, dan aan het flikkeren van het zwaard, dat te Proud-Preston voor de goede zaak gestreden heeft.”
„En daar heb ik reden toe,” antwoordde Ballenkeiroch, „het geweervuur kostte mij een blonden jongen, en het flikkeren van het zwaard heeft niet veel voor koning Jacobus uitgewerkt.”
Fergus verhaalde aan Waverley met een paar woorden, in het Fransch, dat de Baron, nu omtrent zeven jaar geleden, in een schermutseling bij Tully-Veolan, den zoon van dezen ouden man had neêrgeschoten; waarna hij zich haastte om de vooringenomenheid van Ballenkeiroch weg te nemen, door hem mee te deelen, dat Waverley een Engelschman was, die door geboorte noch huwelijk in betrekking stond tot het geslacht van Bradwardine; en hierop nam de grijsaard den tot hiertoe onaangeroerden beker op, en dronk beleefdelijk op zijn gezondheid. Na deze plichtpleging, gaf het Opperhoofd een wenk aan de doedelzakken om te zwijgen, en zeide overluid; „Waar is de zang verborgen, mijn vrienden, dat Mac-Murrough dien niet kan vinden?”
Mac-Murrough, de familie-zanger, een bejaard man, gehoorzaamde terstond aan den wenk, en begon met zachte stem en snel achter elkander, een aantal Celtische verzen op te zingen, die door de toehoorders met geestdrift toegejuicht werden. Naarmate hij met zijn declamatie voortging, scheen zijn vuur toe te nemen. Hij had eerst gesproken met de oogen op den grond gevestigd; maar nu sloeg hij ze in het rond, alsof hij oplettendheid verzocht, zoo al niet gebood, en de klanken gingen in wilde en hartstochtelijke tonen over, met daarbij passende gebaren. Het kwam Eduard, die met groote belangstelling naar hem luisterde, voor, alsof hij een aantal eigennamen noemde, de dooden beweende, de afwezigen aansprak en aanwezigen vermaande, smeekte, bezielde. Waverley meende zelfs zijn eigen naam daartusschen te onderscheiden, en werd in die meening bevestigd, daar de oogen van al de gasten, op dat oogenblik, zich te gelijk naar hem keerden. De geestdrift van den dichter scheen zich aan de toehoorders mede te deelen. Hunne woeste en door de zon verbrande aangezichten namen een fiere en meer bezielde uitdrukking aan; allen hielden het hoofd naar den zanger gericht; verscheidene sprongen op en zwaaiden hunne wapens in geestvervoering, terwijl sommigen de hand aan het zwaard sloegen. Toen het gezang ophield, volgde er een diepe stilte, totdat eindelijk de opgewekte aandoeningen van den dichter en zijn hoorders langzamerhand bedaarden, en ieder zijn kalmte herkregen had.
Fergus, die, gedurende dit tooneel, eer de bij zijn gasten door den Bard opgewekte aandoeningen scheen bespied, dan hunne geestdrift gedeeld te hebben, vulde een kleinen zilveren beker, die naast hem stond, met rooden wijn.
„Breng dezen,” zeide hij tot een knecht, „aan Mac-Murrough nan fonn (d.i. der gezangen) en wanneer hij het druivensap gedronken heeft, verzoek hem dan ter wille van Vich Ian Vohr, de schelp te bewaren, waarin het vervat was.” Dit geschenk werd door Mac-Murrough met innige dankbaarheid aangenomen; hij dronk den wijn uit, en na den beker gekust te hebben, verborg hij dien eerbiedig in den plaid, die op zijn borst was toegevouwen. Vervolgens hief hij op nieuw een, zooals Waverley met recht begreep, voor de vuist vervaardigd lied aan, om zijn dank aar zijn Opperhoofd toe te brengen, en om hem te verheerlijken. Dit werd met toejuiching ontvangen, maar had niet zooveel uitwerking als zijn eerste gedicht. Het was echter blijkbaar, dat allen de edelmoedigheid van hun Opperhoofd hoogelijk goedkeurden. Een aantal luide toegejuichte Gaelsche dronken werden thans ingesteld, van welke het Opperhoofd sommigen aldus voor zijn gast vertaalde:
„Aan hem die vriend noch vijand ooit den rug toekeert” „Aan hem die zijn makker nooit verlaten heeft” „Aan hem die de gerechtigheid nooit gekocht of verkocht heeft” „Gastvrijheid den ballingen, en gebroken beenderen den tiran” „De jongens met de kilts,” [82] „Hooglanders, schouder aan schouder,” – benevens nog een aantal vurige uitdrukkingen van gelijken aard.
Eduard was bijzonder verlangend om den zin van dat gezang te kennen, dat zoo zeer de hartstochten van het gezelschap scheer te doen ontvlammen, en verborg voor zijn gastheer dezen wensch niet. „Daar ik bemerkte,” zeide Fergus, „dat gij de flesch driemaal hebt laten voorbijgaan, was ik op het punt u voor te stellen, om ons van hier te begeven, om bij mijn zuster de thee te gaan gebruiken; zij is beter dan ik in staat u zoo iets te verklaren. Ofschoon ik mijn clan niet kan stuiten in den gewonen loop van zijn feestviering, zoo ben ik echter niet verplicht aan zijn uitspattingen deel te nemen; ook houd ik,” voegde hij er lachende bij, „er geen beer op na, om het verstand van diegenen te verslinden, die het wel weten te gebruiken.”
Eduard stemde gereedelijk met dit voorstel in, en nadat het Opperhoofd eenige woorden aan degenen die rondom hem zaten, had toegevoegd, verliet hij met Waverley de tafel. Zoodra was de deur niet achter hem toegedaan, of Eduard hoorde de gezondheid van Vich Ian Vohr instellen, met een woeste en levendige vroolijkheid, waaruit het genoegen der gasten en hun innige verknochtheid aan zijn dienst allerduidelijkst bleek.
EEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
DE ZUSTER VAN DEN HOOFDMAN.
De gezelschapskamer van Flora Mac-Ivor was op de eenvoudigste wijze gemeubeleerd; want op Glennaquoich werd iedere andere soort van uitgaven zooveel mogelijk vermeden, opdat het Opperhoofd steeds in staat zou zijn, op een onbekrompen wijze gastvrijheid uit te oefenen, en het getal zijner aanhangers en vazallen onverminderd te behouden en te vermeerderen. Maar er was geen zweem van deze zuinigheid in de kleeding der dame zelve te bespeuren, die wat de stof betreft, keurig en zelfs rijk was, en opgemaakt op een wijze, welke gedeeltelijk overeenkwam met de Parijsche mode, en gedeeltelijk met de eenvoudiger dracht der Hooglanders, en met oordeel en smaak gekozen was. Het haar was niet misvormd door de kunst des kappers, maar viel in losse krullen langs haar hals, alleen teruggehouden door een rijk met diamanten bezetten haarband. Hierin schikte ze zich naar de vooroordeelen der Hooglanders, die niet verdragen konden, dat het hoofd eener vrouw, vóor haar huwelijk, bedekt werd.
Flora Mac-Ivor geleek sprekend op haar broeder Fergus; zoo sterk zelfs, dat zij Viola en Sebastiaan [83] hadden kunnen spelen, met hetzelfde schitterend gevolg, als mevrouw Henry Siddons [84] en haar broeder de heer William Murray, in deze rollen. Zij hadden hetzelfde antieke regelmatige profiel; dezelfde donkere oogen en wenkbrauwen; blanke huid; behalve dat Fergus door de zon een weinig bruiner geworden was; terwijl Flora al de fijnheid, waardoor haar geslacht zich onderscheidt, bezat. Maar de hooghartige en eenigszins strenge regelmatigheid van Fergus’ trekken was op eene wonderbaarlijke wijze in die van Flora verzacht. Hunne stemmen hadden ook veel overeenkomst met elkaâr, maar verschilden van toon. Die van Fergus, inzonderheid als hij aan zijn manschappen bij hunne krijgsoefeningen bevelen gaf, herinnerde Eduard aan een lievelingsplaats in de beschrijving van Emetrius:
„Wiens stem in ’t ronde klonk, luid als de krijgstrompet Met zilver-zuivren klank.”
Die van Flora, daarentegen, was zacht en liefelijk; „eene uitnemende gaaf bij een vrouw;” maar wanneer ze daarentegen over het een of ander uitverkoren onderwerp sprak, zoo als ze dikwijls met een natuurlijke welsprekendheid deed, bezat ze zoo wel de klanken, die ontzag en ernst inboezemen, als die van wegslepende overreding. De scherpe blik van het vurige, zwarte oog, die, in het Opperhoofd, het ongeduld verried zelfs over de stoffelijke hinderpalen die hij ontmoette, had in dat van zijn zuster een zekeren liefelijken ernst. De oogen des broeders schenen den roem, de macht, kortom al datgene te zoeken, wat hem boven anderen verheffen kon; terwijl die van de zuster, zich harer verstandelijke meerderheid bewust, eerder diegenen schenen te beklagen dan te benijden, welke naar eenige andere onderscheiding streefden. Hare gevoelens waren volkomen in overeenstemming met de uitdrukking van haar gelaat. Door de vroegste indrukken harer opvoeding, was haar hart zoowel als dat van haar broeder, met de innigste gehechtheid voor het verjaagde huis van Stuart bezield. Zij achtte het een heiligen plicht van haar broeder, van zijn clan, van iederen bewoner van Groot-Brittanje, om ten koste van welk persoonlijk gevaar ook, tot de herstelling mede te werken, waarop de aanhangers van den Ridder van St. George niet hadden opgehouden te hopen. Hiervoor was ze gereed alles te doen, alles te lijden, alles ten offer te brengen. Maar hare getrouwheid aan het verbannen geslacht, zoo ze die van haar broeder ook al in geestdrift te boven ging, won het tevens in zuiverheid van hem. Aan kleine intriges gewoon, in duizenderlei nietige en baatzuchtige overleggingen met anderen gewikkeld, even eerzuchtig van aard als hij zelf, was Fergus’ staatkundige trouw, zoo al niet besmet dan toch verdacht wegens de uitzichten op persoonlijk belang en bevordering, zoo ligt daarmede te verbinden; en op het oogenblik, dat hij zijn zwaard ontblootte, zou het moeielijk zijn te zeggen, of hij het meer deed met oogmerk om Jacobus Stuart tot koning, of Fergus Mac-Ivor tot graaf te maken. Het is waar, deze gemengde gevoelens durfde hij zich niet bekennen, maar dit nam niet weg dat ze inderdaad bestonden.
In Flora’s borst integendeel brandde het vuur der getrouwheid aan den vorst zuiver, en zonder met eenig baatzuchtig gevoel vermengd te zijn; ze zou even ligt de godsdienst tot het masker van eer- en baatzuchtige bedoelingen gemaakt hebben, als dergelijke plannen te verbergen onder de gevoelens, die ze geleerd had voor vaderlandsliefde aan te zien. Zulke voorbeelden van verknochtheid waren niet zeldzaam onder de voorstanders van het ongelukkige huis van Stuart, waarvan een aantal merkwaardige bewijzen den meesten mijner lezers voor den geest zullen treden. Maar de bijzondere oplettendheid van den Ridder van St. George en van zijn gemalin voor de ouders van Fergus en zijn zuster, en inzonderheid voor beiden toen ze weezen waren, had hunne getrouwheid versterkt. Fergus was, na den dood zijner ouders, eenigen tijd page geweest in het gevolg van des Ridders gemalin, en, om zijn schoonheid en levendige geaardheid, werd hij steeds door haar met de hoogste onderscheiding behandeld. Deze nu strekte zich insgelijks uit tot Flora, die gedurende eenigen tijd, voor rekening van de Prinses, in een klooster van den eersten rang werd geplaatst, en van daar overgebracht in haar eigen hofgezin, waar ze twee jaren sleet. Beiden, broeder en zuster, bleven daarna voortdurend de innigste dankbaarheid voor deze vriendelijkheid der Prinses koesteren.
Na aldus de voornaamste beginselen en drijfveeren van Flora’s karakter geschilderd te hebben, behoef ik het overige slechts te schetsen. Ze was met groote bekwaamheden bedeeld, en had de bevallige manieren, welke men verwachten kan van iemand, die op jeugdigen leeftijd in het gezelschap eener prinses heeft verkeerd; maar ze had niet geleerd wat ze inderdaad voelde onder een zeker vertoon van beleefdheid te verbergen. Toen ze zich in de eenzame streken van Glennaquoich gevestigd zag, bemerkte ze dat de kennis, die ze van de Fransche, Engelsche en Italiaansche letterkunde bezat, zeer weinig, en dan nog slechts ongeregeld, voortgezet kon worden; en, daar ze den overigen tijd wenschte aan te vullen, wijdde ze een gedeelte daarvan aan de muziek en de dichterlijke overleveringen der Hooglanders. Ze begon werkelijk een genoegen in deze tijdkorting te vinden, hetwelk haar broeder, wiens gevoel voor letterkundig genot niet zoo ontwikkeld was, eer voorwendde, om zich bij het volk bemind te maken, dan dat hij het, zooals zijn zuster, werkelijk smaakte. Het uitstekende welgevallen, haar door diegenen betuigd, bij wie ze zich om onderricht vervoegde, bevestigde haar in haar voornemen om hare nasporingen voort te zetten.
De liefde tot haar clan, die ze als een erfdeel in haar hart koesterde, had even als hare trouw aan het koninklijke huis, een zuiverder beginsel dan die van haar broeder. Fergus was een te degelijk staatsman, en beschouwde zijn aartsvaderlijk gezag te zeer als een middel om zijn eigene grootheid te bevorderen, dan dat wij hem het voorbeeld van een Hooglandsch Opperhoofd noemen zouden. Flora ijverde insgelijks, om hunne patriarchale heerschappij aan te kweeken en uit te breiden; maar het was met de grootmoedige bedoeling, om diegenen voor armoede, of ten minste voor gebrek en vreemde onderdrukking te bewaren, over wie haar broeder, volgens de begrippen van dien tijd, door zijn geboorte geroepen was te heerschen. Wat ze van haar inkomen besparen kon, want ze trok een gering jaargeld van de prinses Sobieski [85], werd besteed, niet om de geriefelijkheden des levens voor den boerenstand te vermeerderen – want dat was een woord, hetwelk ze verstonden noch waarschijnlijk wenschten te verstaan, – maar om in hunne volstrekte behoeften, bij ziekte of ouderdom te gemoet te komen. Op iederen anderen tijd sloofden deze lieden zich veeleer af, om iets te winnen, dat ze met den Hoofdman zouden kunnen deelen, als een bewijs van hunne gehechtheid, dan dat ze van hem op eenigen anderen bijstand rekenden boven hetgeen de eenvoudige gastvrijheid van zijn kasteel, en de algemeene verdeeling en onderverdeeling zijner landgoederen onder hen opleverden. Ze waren zoo zeer aan Flora gehecht, dat, toen Mac-Murrough een lied had vervaardigd, waarin hij al de bijzondere schoonheden van het district opsomde, hij eindigde met haar den voorrang boven alles toe te kennen, en wel door het beeld, „dat de schoonste appel aan den hoogsten tak hing.” Hij ontving daarvoor, in geschenken van enkele leden des clans, meer zaaigerst, dan voldoende was om zijn Hooglandschen Parnassus, dien men gewoon was den Bardentuin te noemen, tienmalen te bezaaien.
Zoowel door omstandigheden, als uit verkiezing, was de omgang van Freule Mac-Ivor zeer beperkt. Haar vertrouwdste vriendin was Rose Bradwardine geweest, aan wie ze zeer gehecht was; en bij elkander zouden zij den kunstenaar twee uitstekend fraaie modellen van de vroolijke en droefgeestige zanggodin hebben opgeleverd. Inderdaad werd Rose zoo teeder door haar vader bemind, en was de kring harer wenschen zoo beperkt, dat er nooit een bij haar opkwam waaraan hij niet geneigd was te voldoen en zelden was er een, welks vervulling niet binnen het bereik zijner macht viel. Met Flora was het geheel anders. Toen ze nog een kind was, had ze allerlei lot-wisselingen ondergaan; uit een staat van glans en luister was ze tot volslagen eenzaamheid en betrekkelijke armoede vervallen; en de denkbeelden en wenschen, die ze hoofdzakelijk koesterde, hadden betrekking op groote nationale gebeurtenissen en omwentelingen, die niet zonder gevaar en bloedstorting tot stand te brengen waren, en waaraan inderdaad niet dan met hoogen ernst gedacht kon worden. Hare houding was bijgevolg hoog ernstig, ofschoon ze hare talenten gaarne aanwendde tot vervroolijking van het gezelschap, en ze zeer hoog stond aangeschreven in de achting van den ouden Baron, die gewoon was met haar de Fransche duetten van Lindor en Chloris enz. te zingen, die omstreeks het einde der regeering van „Louis le Grand” in de mode waren.
Men geloofde algemeen, hoewel niemand den baron van Bradwardine hiervan iets had durven laten blijken, dat Flora’s beden geen gering aandeel hadden aan het bedwingen van Fergus’ gramschap, bij gelegenheid van hun twist. Ze vatte haar broeder van de zwakke zijde aan, door eerst stil te staan bij den ouderdom van den Baron, en door vervolgens het nadeel aan te wijzen, dat de groote zaak lijden kon, zoo ook bij den smet voor zijn goeden naam te duchten, waar er sprake was van wijze gematigdheid, zoo noodig voor een staatkundig agent, indien hij voornemens bleef den twist tot het uiterste te laten komen. Zonder deze bedenkingen zou het waarschijnlijk op een tweegevecht zijn uitgeloopen, zoowel omdat de Baron, bij een vroegere gelegenheid, het bloed van den clan gestort had, hoewel de zaak in der tijd geschikt was – als op grond van den grooten roem, dien den grijsaard in het voeren van den degen had verworven, en dien Fergus niet nalaten kon te benijden. Om die reden had ze te meer op hunne verzoening aangedrongen, waarin het Opperhoofd te gereeder toestemde, daar ze eenige door hem uitgedachte plannen begunstigde.
Aan deze jonge dame, die thans over het vrouwengebied van de theetafel heerschte, stelde Fergus kapitein Waverley voor, en zij ontving hem met de gewone door de wellevendheid voorgeschreven vormen.
TWEE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
HOOGLANDSCHE DICHTKUNST.
Toen de eerste groeten gewisseld waren, zeide Fergus tot zijn zuster: „Mijn lieve Flora, alvorens ik tot de barbaarsche plechtigheden onzer voorvaderen terugkeer, moet ik u zeggen, dat kapitein Waverley een bewonderaar is van de Celtische Muze, en misschien wel het meest, omdat hij geen woord van de taal verstaat. Ik heb hem gezegd, dat gij een buitengewoon talent in het vertalen van Hooglandsche poëzij bezit, en dat Mac-Murrough uwe overzettingen zijner gezangen op denzelfden grond bewondert, als kapitein Waverley het oorspronkelijke, – omdat hij ze niet verstaat. Wilt gij de goedheid hebben, onzen gast in het Engelsch dien wonderlijken ris van namen, dien Mac-Murrough in het Gaelsch heeft aaneengeregen, voor te lezen of voor te dragen? Ik verwed mijn leven tegen een haneveder, dat gij een vertaling bezit; want ik weet, dat ge in al de beraadslagingen van den bard deelt, en ge al zijn zangen kent, lang voor dat hij ze ons in de zaal laat hooren.”
„Hoe kunt ge zoo spreken, Fergus! Ge weet toch wel, hoe onmogelijk het is dat deze verzen, een Engelschen vreemdeling belang kunnen inboezemen, al kon ik ze ook, zoo als ge voorgeeft, vertalen.”