Part 14
Inderdaad, Fergus Mac-Ivor was iemand van wien een Franschman, zoo van eenigen Hooglander, had mogen zeggen: „Qu’il connait bien son monde.” Hij dacht er niet aan, om zich in de oogen van een Engelschman van aanzien te verheffen, door met een gevolg van leêgloopende Hooglanders te verschijnen, wanneer de gelegenheid het niet volstrekt vereischte. Hij wist maar al te goed, dat zulk eene noodelooze vertooning Eduard eer belachelijk dan eerbiedwekkend zou schijnen; en terwijl weinigen meer gehecht waren aan het denkbeeld van leenheerlijke macht, en van het aanzien eens Opperhoofds dan hij, was hij om diezelfde reden schroomvallig om met uitwendige teekens van waardigheid te schitteren, anders dan op tijden en plaatsen, waarop ze een machtigen indruk moesten maken. Schoon hij derhalve, indien hij een medeopperhoofd had moeten ontvangen, waarschijnlijk gevolgd zou zijn geworden door dien geheelen stoet, door Evan met zoo veel zalving beschreven, oordeelde hij het betamelijker, Waverley te gemoet te gaan met een enkelen bediende, een zeer welgemaakten Hooglandschen knaap, die zijns meesters weitasch en sabel droeg, zonder welke hij zelden een voet buiten ’s huis zette.
Toen Fergus en Waverley elkander ontmoetten, was deze getroffen door de bijzondere, bevalligheid en waardigheid van des hoofdmans verschijning. Van meer dan middelmatige lengte, en schoon gebouwd, stelde de Hooglandsche kleeding, die hij op de eenvoudigste wijze droeg, zijn persoon in het gunstigste licht. Hij droeg de trews of nauwe zwarte overbroek, met roode en witte ruiten; voor het overige was zijn kleeding volkomen gelijk aan die van Evan, uitgenomen dat hij geen wapen voerde, behalve een zeer rijk met zilver versierden dolk. Zijn page droeg, zoo als we gezegd hebben, zijn sabel; en het geweer, dat Fergus in de hand hield, scheen enkel voor de jacht bestemd. Hij had onder weg eenige jonge eendvogels geschoten; daar, schoon de „verboden” tijd toen onbekend was, het broedsel der korhoenders nog te jong voor den jager was. De trekken van zijn gelaat waren bepaald Schotsch, met al de eigenaardigheden der physionomie van het Noorden; zij bezaten echter zoo weinig van de daarmede verbonden hardheid en overdrevenheid, dat men ze in elk land schoon zou genoemd hebben. Het krijgshaftig aanzien van de muts, met een enkele adelaarsveder [72] als onderscheidingsteeken versierd, vermeerderde niet weinig het manhaftige, waardoor zijn hoofd zich kenmerkte, dat bovendien met een veel natuurlijker en bevalliger bos zwarte krullen bedekt was, dan ooit bij een mode-kapper te koop werd aangeboden.
Iets ronds en vriendelijks vermeerderde den gunstigen en treffenden indruk van dit bevallig uiterlijk. Nogtans zou een ervaren gelaatkenner minder tevreden zijn geweest, op het tweede dan op het eerste gezicht. De wenkbrauw en de bovenlip kondigden aan, dat hij gewoon was onbeperkt te heerschen en onbetwiste meerderheid op anderen uit te oefenen. Zelfs zijn beleefdheid, schoon open, vrij en onbedwongen, scheen aan te duiden, dat hij zijn persoonlijk overwicht gevoelde; en als men hem tegenstond, of hem het een of ander toevallig ontroerde, verried een plotselinge, schoon spoedig voorbijgaande blik van het oog, een driftig, trotsch en wraakzuchtig karakter, hetwelk niet minder te duchten was, al werd het ook meestal in bedwang gehouden. In éen woord, het gelaat van het Opperhoofd geleek op een lachenden zomerdag, waarop wij niet te min, aan zekere, ofschoon nauwelijks merkbare teekens, bespeuren dat het vóor het vallen van den nacht ligt donderen of bliksemen zal.
Het was echter niet bij hunne eerste ontmoeting, dat Eduard gelegenheid had deze minder gunstige waarneming te doen. Het Opperhoofd ontving hem als een vriend van den baron van Bradwardine, met de warmste betuiging van vriendschap en verplichting voor zijn bezoek. Hij verweet hem, op beleefde wijze, dat hij den vorigen nacht zulk een slecht verblijf gekozen had, en trad in een levendig gesprek met hem over Donald Bean’s huishouding, maar zonder de minste zinspeling op zijn rooversleven, of de onmiddellijke aanleiding tot Waverley’s bezoek; een onderwerp, dat, daar het opperhoofd niet verkoos het op het tapijt te brengen, ook door onzen held ontweken werd. Terwijl ze vroolijk naar het huis van Glennaquoich voortwandelden, volgde Evan, die zich thans eerbiedig naar de achterhoede begeven had, hem met Callum Beg en Dugald Mahony.
Wij zullen de gelegenheid waarnemen, om den lezer met eenige bijzonderheden van Fergus Mac-Ivor’s karakter en geschiedenis bekend te maken, die Waverley eerst later vernam, na eene kennismaking, welke, ofschoon door zulk een toeval ontstaan, gedurende een geruimen tijd den belangrijksten invloed had op zijn karakter, daden en vooruitzichten. Maar, daar dit een gewichtig onderwerp is, moeten we daarmede een nieuw hoofdstuk beginnen.
NEGENTIENDE HOOFDSTUK.
HET OPPERHOOFD EN ZIJN VERBLIJF.
De vernuftige Licentiaat Francisco de Ubeda klaagt in den aanvang zijner geschiedenis van La Picara Justina Diez, – hetwelk, in het voorbijgaan gezegd, een van de zeldzaamste boeken der Spaansche letterkunde is, – dat er een haar in zijne pen geraakt is, en begint terstond daarop, met meer welsprekendheid dan gezond verstand, een vriendelijken redetwist met dit nuttige werktuig, het verwijtende, dat het de slagpen is van een gans – een vogel van nature lichtzinnig, daar hij in drie elementen, water, aarde en lucht leeft, en gevolgelijk, bij éen ding nooit standvastig is. Nu verklaar ik u bescheiden, lezer, dat ik, wat deze zaak betreft, veel verschil van Francisco de Ubeda, en dat ik het voor de nuttigste eigenschap van mijne pen houd, dat ze spoedig kan overgaan van het deftige tot het vroolijke, en van beschrijving en samenspraken tot verhaal en karakterschildering. Als dus mijne pen geen andere eigenschap van hare moeder de gans bezit, dan hare veranderlijkheid, zal ik er mij waarlijk wel goed bij bevinden, en alles leidt er toe dat ook gij, mijn waarde vriend, er niet boos om wezen zult. Van het onverstaanbaar gesnap der Hooglandsche knapen, ga ik derhalve over tot het karakter van hun Opperhoofd. Het is een gewichtig onderzoek, en daarom moeten wij, gelijk Dogberry [73], al ons verstand er bij te hulp roepen.
De stamvader van Fergus Mac-Ivor had, voor omstreeks drie eeuwen, aanspraak gemaakt om als opperhoofd erkend te worden van den talrijken en machtigen clan, waartoe hij behoorde, en waarvan het niet noodig is, den naam op te geven. Toen hij de neêrlaag geleden had door een tegenstander, die meer recht, of ten minste meer macht bezat, begaf hij zich met degenen die hem aanhingen, zuidwaarts, om, als een tweede Æneas, nieuwe woonplaatsen te zoeken. De toestand waarin de Hooglanden van het graafschap Perth verkeerden, begunstigde zijn ontwerp. Een der voornaamste Baronnen van die landstreek, was onlangs ontrouw geworden aan de kroon; Ian, zoo was de naam van onzen gelukzoeker, vereenigde zich met hen die door den Koning waren afgezonden met den last om hem te tuchtigen, en bewees zulke goede diensten, dat hem de landerijen werden geschonken, waarop hij en zijn nakomelingen zich later vestigden. Hij volgde den Koning ook, toen deze den oorlog naar de vruchtbare gewesten van Engeland overbracht, waar hij zijn vrije uren zoo nuttig besteedde in het heffen van onderstandsgelden bij de landlieden van Northumberland en Durham, dat hij, bij zijn terugkeer, in staat was een steenen toren, of sterkte, te bouwen, die zoo zeer de bewondering zijner onderhoorigen en naburen opwekte, dat hij, die tot hiertoe den naam had gevoerd van Ian Mac-Ivor, of Jan, de zoon van Ivor, daarna, zoowel in gezangen als geslachtsregisters, met den grootschen titel van Ian van Chaistel, of Jan van den Toren werd onderscheiden. De nakomelingen van dezen waardigen man waren zoo trotsch op hem, dat het regeerend Opperhoofd altijd den geslachtsnaam droeg van Vich Ian Vohr, zoon van Jan den Groote en de clan in het algemeen, om niet met dien, van welken hij zich afgescheiden had, verward te worden, werd Sliochd nan Ivor, de stam van Ivor, genoemd.
De vader van Fergus, de tiende in de rechte lijn van Jan van den Toren, wijdde zich met hart en ziel aan den opstand van 1715, en werd genoodzaakt naar Frankrijk te vluchten, na den treurigen afloop van de ten gunste der Stuarts dat jaar gewaagde onderneming. Gelukkiger dan andere vluchtelingen, verkreeg hij een aanstelling in Fransche dienst, en huwde eene dame van zekeren rang in dat koninkrijk, uit welk huwelijk twee kinderen, Fergus en zijn zuster Flora, sproten. De Schotsche goederen waren verbeurd verklaard en te koop aangeslagen, maar werden voor geringen prijs gekocht op naam van den jongen eigenaar, die zich toen op zijn erfgoederen kwam nederzetten [74]. Men bemerkte weldra, dat hij iemand was van een bijzonder geslepen en eerzuchtig karakter, dat, naarmate hij meer en meer met den toestand des lands bekend werd, een zonderlinge mengelmoes van hoedanigheden aanbood, alleen een zestigtal jaar geleden mogelijk.
Zoo Fergus Mac-Ivor zestig jaar vroeger geleefd had, zou hij, naar alle waarschijnlijkheid, de beschaafde manieren en wereldkennis gemist hebben, waardoor hij zich thans onderscheidde; en indien hij zestig jaar later geleefd had, zouden zijn eer- en heerschzucht het voedsel gemist hebben, dat de tegenwoordige omstandigheden opleverden. Hij was inderdaad, binnen zijn kleinen sfeer, een even volkomen staatsman als Castruccio Castrucani zelf. Hij legde zich met den grootsten ernst toe, om alle veeten en twisten, die dikwijls tusschen de clans in zijn nabuurschap ontstonden, te sussen, zoodat hij telkens door hen als scheidsman werd ingeroepen. Zijn eigene, aartsvaderlijke macht vermeerderde hij door vele geldelijke opofferingen, en wendde zijn middelen inderdaad vrijgevig aan, om die ruwe, maar overdadige gastvrijheid te onderhouden, welke de meest gewaardeerde eigenschap van een Opperhoofd was. Om dezelfde reden bezette hij zijn landerijen met boeren, gehard en geschikt voor den oorlog, maar die het getal ver te boven gingen, dat de grond in staat was te voeden. Zijn voornaamste macht bestond uit lieden van zijn eigen clan, van welke hij nooit duldde dat iemand zijn landen verliet, als hij in de mogelijkheid was het te beletten. Maar hij onderhield daarenboven ook een groot aantal gelukzoekers, die een minder oorlogzuchtig, hoewel rijker Opperhoofd verlieten, om Fergus Mac-Ivor te huldigen. Ook andere personen, die zelfs dit voorwendsel niet hadden, werden toegelaten om hem trouw te zweren; hetgeen inderdaad aan niemand geweigerd werd, die, zoo als Poins [75], hunne handen tot hunne dienst hadden, en genegen waren den naam van Mac-Ivor aan te nemen.
Het gelukte hem deze manschappen aan orde en tucht te gewennen, toen hij het bevel verkreeg over een der onafhankelijke compagniën, door de regeering opgericht, om de rust in de Hooglanden te bewaren. In deze betrekking gaf hij bewijzen van kracht en moed, en handhaafde hij de grootste orde in de onder zijne tucht gestelde landerijen. Hij liet zijn vazallen bij beurten in zijne compagnie opnemen, en er voor zekeren tijd bij dienen, waardoor hun allen een algemeen begrip van krijgstucht werd ingeboezemd. In zijn veldtochten tegen de bandieten merkte men op, dat hij zich in de hoogste mate die willekeurige macht aanmatigde en uitoefende, welke, daar de wet en het recht geen vrijen loop in de Hooglanden hadden, begrepen werd het recht der militaire macht te zijn, die te hulp geroepen was om de orde te bewaren. Hij ging, bij voorbeeld, met groote en min of meer verdachte zachtheid te werk jegens die vrijbuiters, welke, aan zijn oproeping gevolg gaven, en zich persoonlijk aan hem onderwierpen; terwijl hij al zulke boosdoeners, die zijn aanmaningen of bevelen durfden versmaden, streng vervolgde, en aan de justitie uitleverde. En aan den anderen kant, als eenige rechterlijke ambtenaren, geregelde militaire kolonnes, of anderen zich verstoutten, zonder zijn toestemming of medewerking, dieven of struikroovers te vervolgen op zijn grondgebied, was het zeker dat ze een belangrijke nederlaag zouden lijden; bij welke gelegenheden Fergus Mac-Ivor de eerste was om hen te beklagen; en, na hen over hunne onvoorzichtigheid vriendelijk gekapitteld te hebben, liet hij nooit na, den wetteloozen toestand des lands luide te bejammeren. Deze klachten zusten echter de verdenkingen niet, waaronder hij lag, en welhaast werden de zaken in dier voege aan het Hoog Bewind voorgesteld, dat ons Opperhoofd van zijn militair gouvernement werd ontslagen [76].
Wat hij bij deze gelegenheid ook gevoelde, hij bezat de kunst, om elken schijn van ontevredenheid geheel te verbergen; maar weldra begon het omliggende land de droevige gevolgen zijner afzetting te ondervinden. Van Donald Bean Lean en de andere lieden van zijn soort, wier rooverijen zich tot nog toe tot de omliggende streken hadden bepaald, bleek het dat ze zich van toen af op deze ongelukkige kust hadden nedergezet; en hunne strooperijen vonden weinig tegenstand, daar de Laaglandsche grondbezitters voornamelijk Jacobieten en ontwapend waren, Dit dwong een aantal inwoners, om contracten aangaande beschermgeld met Fergus Mac-Ivor te sluiten, waardoor hij niet alleen hun Beschermheer werd, en hij zich grooten invloed op al hunne handelingen verschafte, maar hij daarenboven fondsen verkreeg om die ridderlijke gastvrijheid te bestrijden, welke door het intrekken van zijn traktement anders ligt aanmerkelijk had moeten ingekort worden.
Met zich aldus te gedragen, had Fergus een veel uitgestrekter doel, dan alleen de groote heer in den omtrek te spelen en onbepaald over een kleinen clan te heerschen. Van zijn kindsheid af had hij zich toegewijd aan de zaak van het verbannen koningshuis, en zich overtuigd, niet slechts dat de herstelling der Stuarts op den troon van Groot-Brittanje spoedig zou plaats hebben, maar tevens dat zij, die tot dat doel zouden hebben medegewerkt, tot eer en aanzien zouden verheven worden. Met dit vooruitzicht deed hij het mogelijke om de Hooglanders te verzoenen, en zijn eigene macht zóo veel mogelijk uit te breiden, ten einde bij de eerste gelegenheid de beste dadelijk tot den opstand gereed te zijn. Met ditzelfde oogmerk zocht hij de gunst te winnen van zoodanige Laaglandsche heeren in de nabuurschap, die de goede zaak waren toegedaan; en om dezelfde reden bediende hij zich, nu hij ongelukkig in twist geraakt was met den baron van Bradwardine, die, in weerwil van zijn zonderling karakter, zeer gezien was in den omtrek, van den strooptocht van Donald Bean Lean, om het geschil, op de wijze door ons beschreven, uit den weg te ruimen. Sommigen waren inderdaad van meening, dat Fergus zelf Donald tot die onderneming had doen aansporen, met oogmerk om den weg ter verzoening te banen, welke, indien die veronderstelling gegrond was, den heer van Bradwardine twee goede melkkoeien kostte. Dezen ijver voor haar zaak beloonde de familie Stuart met veel vertrouwen in hem te stellen, met een telkens herhaalden onderstand in Louis d’or, een overvloed van schoone woorden en een perkament met een zwaar zegel er aan vastgehecht, hetwelk een grafelijk patent moest verbeelden, van wege geen geringer personage, dan Jacobus III, Koning van Engeland, en VIII Koning van Schotland, aan zijn bijzonderen, lieven, getrouwen Fergus Mac-Ivor van Glennaquoich, in het graafschap Perth en het koninkrijk Schotland.
Met het oog op deze toekomstige grafelijke waardigheid, nam Fergus een zeer werkzaam deel aan de onderhandelingen en samenzweringen van dat ongelukkig tijdstip. Even als alle ijverige deelnemers in dusdanige zaken, stelde hij zijn geweten gemakkelijk gerust omtrent eenige handelingen, waarvan zijn eer en trots hem zouden hebben teruggehouden, als hij niets anders dan de onmiddellijke bevordering van zijn eigen persoonlijk belang op het oog had gehad. Na dezen blik in een stoutmoedig, eerzuchtig en vurig hart geworpen te hebben, zullen wij den afgebroken draad van ons verhaal weder opvatten.
Fergus en zijn gast hadden nu het huis van Glennaquoich bereikt, hetwelk bestond uit Ian nan Chaistel’s aloud verblijf. Het was een groote, plompe, vierkante toren, waaraan Fergus’ grootvader een gebouw van twee verdiepingen had gevoegd, toen hij van dien merkwaardigen tocht in de Westersche graafschappen, wel bekend onder den naam van den Hooglandschen oorlog, terugkeerde. Bij gelegenheid van dezen tocht tegen de Ayrshiresche Whigs en Covenanters, was de Vich Ian Vohr van dien tijd waarschijnlijk even voorspoedig geweest als zijn voorganger, in het plunderen in Northumberland, en liet dus aan zijn nakomelingschap mede een gebouw achter, dat daarmede moest wedijveren, als een gedenkstuk van zijn grootheid.
Rondom dit verblijf, hetwelk op eene verhevenheid in een smal Hooglandsch dal stond, bemerkte men geen spoor van gemakzucht, veel minder van sieraad of opschik, waardoor zich gewoonlijk de omtrek van een heerenhuis kenmerkt. Een paar perken, door steenen muren omringd, waren het eenige gedeelte van het land, dat afgesloten was; voor het overige leverden de smalle strooken vlakke grond, welke langs de beek lagen, een schraal gewas op van gerst, dat gedurig aan verwoestingen bloot stond van de kudden wilde hitten en zwart hoornvee, dat op de naburige heuvels weidde. Deze deden onophoudelijke invallen op den bouwgrond, en werden teruggejaagd door het luid, wanluidend en akelig geschreeuw van een half dozijn Hooglandsche knapen, die allen, alsof ze razend waren, rondliepen, en een half uitgehongerden hond aanhitsten, om den oogst te beschermen. Op een kleinen afstand was een kwijnend berkenbosch; de heuvels in den omtrek waren hoog en met heideplanten begroeid, maar leverden slechts een eentoonig gezicht op; zoodat het geheel eer een wild en woest, dan een grootsch en eenzaam voorkomen had. Maar zoo als het was, zou evenwel geen ware afstammeling van Ian nan Chaistel dit eigendom tegen Stow of Blenheim verruild hebben [77].
Vóor de poort van het kasteel deed zich echter een tooneel op, waar misschien de eerste bezitter van Blenheim de voorkeur aan zou gegeven hebben, boven het schoonste van den ganschen eigendom, hem door de dankbaarheid van zijn land geschonken. Dit bestond uit ongeveer een honderdtal volkomen goed gekleede en gewapende Hooglanders; op wier gezicht het Opperhoofd zich min of meer kort, en, als het ware in het voorbijgaan, jegens Waverley verontschuldigde. „Hij had vergeten,” zeide hij, „dat hij eenige lieden van zijn clan had opgeroepen, met het doel om zich te overtuigen, dat ze in een behoorlijken toestand waren om het land te beschermen, en zoodanige voorvallen te voorkomen, als hij met leedwezen hoorde, dat den baron van Bradwardine waren overkomen. Alvorens hij hen weder uiteen liet gaan, zou kapitein Waverley misschien niet ongenegen zijn, iets van hunne exercitiën te zien.”
Eduard nam dit aanbod aan, en de manschappen voerden, met groote vlugheid en nauwkeurigheid, eenige gewone bewegingen uit. Vervolgens schoten ze, een voor een, naar de schijf, en toonden uitnemend ervaren te wezen in het behandelen van pistool en snaphaan. Staande, zittende, leunende of voorover liggende, al naar hun bevolen werd, en altijd: met blijkbaar goed gevolg, gaven ze vuur. Vervolgens verdeelden ze zich, om in het voeren van den sabel, hunne bedrevenheid aan den dag te leggen, en na ieder afzonderlijk hunne behendigheid bewezen te hebben, vormden ze twee partijen en leverden een soort van spiegelgevecht, waarin aanvallen, herstellen, vluchten, vervolgen en al de bij een gevecht vereischte manoeuvres, op den klank van den grooten doedelzak, werden uitgevoerd.
Op een door het Opperhoofd gegeven teeken werd de schermutseling gestaakt, waarop ze zich in kleine partijen verdeelden. Deze liepen, worstelden, sprongen met elkander, of wierpen met een ijzeren staaf, of oefenden zich in andere spelen; in welke deze leenheerlijke militie een ongeloofelijke vlugheid, kracht en handigheid aan den dag legde, en het door haar Bevelhebber beoogde doel bereikte, namelijk om Waverley geen geringen dunk in te boezemen van hunne verdiensten als krijgslieden, zoowel als van het vermogen van hem, door wiens wenk ze bestuurd werden [78].
„En hoe groot is wel het getal van zulke flinke borsten, die het geluk hebben u hun aanvoerder te noemen?” vroeg Waverley.
„Als het de verdediging van een goede zaak betreft, en ze onder een hoofd dat ze beminnen staan, is de stam van Ivor zelden te velde getrokken minder dan vijfhonderd zwaarden sterk. Maar gij weet, kapitein Waverley, dat de acte ter ontwapening, voor omstreeks twintig jaar, hen belet in zulk een volkomen staat van voorbereiding te zijn, als in vroeger dagen; en ik houd van mijn clan niet meer onder de wapenen, dan in staat zijn om mijn eigene bezittingen en die mijner vrienden te beschermen, wanneer het land door zulke lieden verontrust wordt als uw gastheer van gisteren avond; en daar het Bewind ons geen andere middelen van bescherming heeft gelaten, moet het wel toezien, dat wij ons zelven helpen.”
„Maar, met uwe macht zoudt gij zulke benden, als die van Donald Bean Lean, licht verjagen of vernietigen kunnen.”
„Ja, ongetwijfeld; maar mijn belooning zou bestaan in een bevel, om aan generaal Blakeney, te Stirling, de weinige sabels uit te leveren, die men ons gelaten heeft; hetgeen dunkt mij, toch niet zeer staatkundig wezen zou. – Maar, kom kapitein, het geluid der doedelzakken meldt ons, dat het middagmaal gereed is. – Laat mij de eer hebben u den weg naar mijn armoedige woning te wijzen.”
TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
EEN HOOGLANDSCH FEEST.
Eer Waverley de feestzaal binnentrad, werd hem de aartsvaderlijke verfrissching van een voetbad aangeboden, wat wegens den tocht door de moerassen die hij doorwaad had, en bij het heete zomerweder, hem hoogst welkom was. Hij werd zeker bij deze gelegenheid niet zoo weelderig als de heldenreizigers in de Odyssea bediend, daar de taak der besproeiing en afdrooging niet volvoerd werd door een schoone jonkvrouw, die er op geleerd was om
Vermoeide leden te bestrijken En geurige olie uit te storten,
maar door een zwart en gerimpeld Hooglandsch oud wijf, dat zich niet bijzonder vereerd gevoelde met den haar opgelegden plicht, maar tusschen de tanden mompelde: „De kudden onzer vaderen hebben niet zoo dicht bij elkander geweid, dat ik u deze dienst behoorde te bewijzen.” Een kleine gift evenwel bevredigde de oude dienstmaagd ten volle voor de veronderstelde vernedering, en, terwijl Eduard zich naar de zaal begaf, schonk ze hem haar zegen, onder het uiten van het Gaelsche spreekwoord: „Moge de open hand het overvloedigst gevuld worden!”