Chapter 2
"Moe, Tony is kwaad, omdat ik Désiré heb geslagen, en hij had toch Lijsje verscheurd. Tony is niks aardig en Désiré is een nare hond."
"Foei," zei moeder, "zus je moet niet zulke leelijke dingen zeggen. Désiré wist niet, dat hij kwaad deed en Tony of vader zullen het hem wel leeren, maar zus moet niet met een stok slaan. Lijsje was een oude pop en je keek er nooit meer naar om. Als zusje zoo doet, vindt moeder haar niet lief."
"Ik vind Désiré niet lief," hield zus vol "en ik vind het niets prettig, dat Tony hem gekregen heeft."
"Je meent het niet," zei moe, maar zus ging niet meer naar Tony toe en bleef pruilen.
Als ze gingen wandelen, mocht Désiré nu ook mee. Wat was hij dan blij. Eerst ging hij aan een ketting, maar spoedig was hij genoeg gewend en liep buiten in het bosch los.
Hij volgde de kinderen op de hielen of sprong om hen heen. Soms was hij zoo woest, dat hij zus haast omver liep, of telkens tegen haar op sprong en zijn voorpooten op hare schouders zette. Dan was ze bang voor zijn grooten kop, ofschoon hij nooit kwaad deed.
"Toe laat Désiré nu maar en speel liever met mij," vleide ze eens, dat ze weer in het bosch waren op een Woensdag middag.
"Ik speel toch immers met je," zei Tony.
"Ja, maar je kijkt aldoor maar naar Désiré en hij loopt voor me voeten. Ga toch weg, beest! en ze schopte naar hem. Désiré sprong op zij en rende naar Tony, maar even later was hij weer bij zus terug en duwde zijn kop liefkoozend tegen haar aan.
"Kijk nou," zei Tony, "je duwt hem ook altijd weg, en bent nooit eens lief voor hem. Ik vind het niets aardig van je."
"Ik vind jou ook niets aardig en Désiré ook niet. Toe bind hem nu vast aan een boom, dan kunnen we prettig spelen. Wees nu eens lief," vleide ze weer. En Tony, hoewel onwillig, kreeg halsband en ketting en riep den hond bij zich. Maar het schrandere dier, begreep wat zijn baas wilde, hij gehoorzaamde, doch sprong om Tony heen en blafte luid, alsof hij hem smeeken wilde zijn plan niet te volvoeren. Tony had medelijden met zijn hond, maar wilde zus toch ook graag pleizier doen. Hij streelde Désiré, klopte hem op den rug, maar deed hem toch den halsband om en bond hem aan een boom vast. "Nu stil liggen--koest, hoor."
Désiré staarde hem bedroefd na en stiet een klagend gehuil uit, toen hij de kinderen zag vliegen over het gras en zelve niet mee mocht doen.
"Stil hoor," riep zus.
"Mag ik hem niet losmaken," vroeg Tony weer.
"Nee hoor, dan heb ik niets geen pret" en Tony gaf het dwingelandje haar zin.
Was het wonder, dat Tony wel eens alleen met zijn hond uitwipte.
"Waar is Tony, Moesje?" vroeg zusje.
"Uit," zei moeder, "naar de wei met Désiré."
"Hé, Moesje, mocht ik dan niet mee?"
"Maar je wil immers nooit, dat Désiré los is. Het arme beest mag toch wel eens vrij rondloopen. Daarom is Tony alleen met hem uitgegaan."
Groote tranen! Schokkend snikte ze. "Hoe leelijk van Tony, zie je wel, dat hij meer van dien naren hond houdt, dan van mij." Ze wierp zich voorover op de zitting van vaders grooten stoel en snikte haar verdriet uit, toen moeder de kamer uit was.
Ze voelde zich echt ongelukkig, omdat broer weggegaan was en meer om den hond gaf dan om haar.
"Ba, die nare hond, die akelige hond! was hij maar nooit hier gekomen!--"
Tony bleef niet lang weg. Zus lag nog met het hoofd op de zitting, toen de deur, die aanstond werd opengestooten en ze plotseling een snuiven en hijgen naast zich hoorde. Désiré stak zijn goedigen kop door de armleuning en likte haar krullekopje. Sprong toen achter haar om naar den anderen kant, maar voordat hij haar gezicht kon vinden, trapte zij achteruit: "Ga je weg! naar beest!" Zóó erg meende zij het niet! Ze schrok er zelf van. De hond sprong jankend op zij en liep hinkend op drie pooten de deur uit, de gang in, naar Tony. Zus keek hem na. "Wat zal Tony zeggen," dacht zij.
"Wat is er gebeurd, Désiré?" hoorde zij Tony vragen.
"Kom hier en laat de baas eens kijken." De hond jankte luider, zeker bevoelde Tony zijn poot. "Heb je in een spijker getrapt?" Juist kwam vader uit het kantoor aan den anderen kant van de gang.
"Wat is er, heeft hij zijn poot bezeerd? Het lijkt wel of die in de knel heeft gezeten."
"Zoo pas liep hij nog op vier pooten naar binnen," antwoordde Tony.
Zus was opgestaan, maar ze ging niet in de gang. Ze durfde vader en Tony niet onder de oogen komen, maar liep de tuindeuren door naar moeder, die aardbeien plukte.
"Kindje, wat heb je toch gehuild. Hoe dom, toch," zei moeder.
Toen barstte ze opnieuw in tranen los en verborg snikkend haar hoofd in moeders rokken.
"Kom, je mag niet zoo jaloersch zijn, Tony komt gauw weer thuis, help moeder maar plukken," hernam moeder, die dacht, dat het alleen daarom was. En zus begon haar te helpen, bang dat vader en Tony komen zouden. Ze vloog niet op, hen te gemoet, toen ze in den tuin kwamen, om Désiré naar het hok te brengen.
"Wat is er met Désiré," riep moeder tegen hen. Zus hoorde, hoe vader vertelde, dat de poot gekneusd was en Tony zei, dat hij niet begreep, hoe het gekomen was. Toen zei moeder, dat ze moest binnen komen.
"Wat zus, ben jij daar? Krijgt vader geen kusje. Ben je zoo ijverig bezig?" Vader kwam naar haar toe. Zus bukte en bukte, totdat Vader haar optilde en haar gezichtje tegen zijn lippen drukte. "Heb je geschreid? Waarom?" Ze antwoordde niet maar sloeg de oogjes neer. Vader schudde haar boven zijn hoofd heen en weer. "Lach eens gauw, lachen, zeg ik." Toen droeg hij haar naar binnen en zei, dat ze zich gauw moest laten wasschen, want dat ze er zoo niets aardig uitzag.
Zus had niet veel te vertellen, maar at zwijgend haar boterham met aardbeien.
Toen moeder haar 's avonds naar bed bracht en zij op moeders schoot haar gebedje had opgezegd, nam moeder haar in de armen, boog haar hoofdje achterover en vroeg: "Is zusje heel lief geweest vandaag?" Toen snikte ze.
"Maar ik had het zoo erg niet gemeend." "Wat," vroeg moeder verwonderd. Zij dacht alleen aan haar boosheid, omdat Tony haar niet had meegenomen. "Ik deed maar even zóó, maar ik wist niet, dat ik hem zoo'n pijn deed, heusch niet," zei zus. Nu begreep moeder ineens en vriendelijk maar ernstig zei moeder: "Ik ben blij, dat je er spijt van hebt. Je moet nooit meer zoo leelijk doen tegen Désiré, omdat broer zooveel van hem houdt."
Zus zei "neen moesje," kreeg een nachtkus en ging slapen.
Moeder vertelde het beneden aan Tony en vader, maar niemand sprak er meer over later. Gelukkig werd de poot gauw weer beter en kon Désiré weer heel gauw draven en springen als vroeger. Zus keek niet naar hem om, deed hem niets, maar ging hem een beetje uit den weg en vond het nog steeds niet prettig, als hij mee uit ging. Als broer eens met haar alleen naar Tante ging, die Désiré liever niet op bezoek kreeg, dan kon ze niet nalaten te zeggen: "Leuk hè, Tony, weer zoo samen. Met Désiré is toch zoo vervelend," en Tony zei maar niets, want hij vond het niets aardig, dat zus zoo weinig met Désiré op had.
6. De landlooper.
Een jaar was voorbij gegaan sedert Désiré bij Tony kwam en het was een prachtige, groote hond geworden. Tony was ook flink gegroeid en hoe langer hoe meer was hij van Désiré gaan houden, die zeer gehecht was aan zijn kleinen baas. Désiré was ook voor zus heel lief maar haar afkeer van den hond was eer toe- dan afgenomen. Zij beantwoordde zijn liefkoozingen nooit en als hij te dicht bij haar kwam, zei ze steeds: "Tony, roep hem dan toch. Hij wil me likken."
"Maar je hoeft niet bang te zijn, hij doet je geen kwaad," zei Tony.
"Ja, maar ik vind het een naar beest. Toe ga weg, ga naar den baas," en ze liep weg. Soms wilde ze niet meer met Tony uit, omdat hij Désiré meenam en al schreide ze dan ook niet, toch vond ze het naar, dat hij liever met den hond uitging en haar thuis liet. Hij deed het, omdat moeder niet wilde, dat ze altijd haar zin kreeg, maar het hinderde hem altijd.
't Was een warme zomerdag. Alle deuren en vensters van het huis stonden open, zooals ze buiten zoo dikwijls doen. Moeder zat in de tuinkamer te naaien. Vader was op het kantoor aan dan anderen kant van het huis, dat een afzonderlijken ingang had en met een deur in de gang uitkwam van het woonhuis. Tony was op school. De vacantie was nog niet begonnen, maar iedereen verlangde er naar, want het was zulk heerlijk weer om in het bosch te liggen of te wandelen.
Juist kwam Jans aan de voordeur, om melk te nemen, toen de veldwachter voorbij ging.
"Hebben jelui hem al, van Buren?" riep de melkboer hem toe.
"Nee," antwoordde de veldwachter, "maar je mag de voordeur wel dicht houden, Jans, want het is een gevaarlijk, brutaal sinjeur, en hij kon best eens binnen komen, als je hem zoo uitnoodigt."
"Over wien heb je 't nou?" vroeg Jans.
"Nou, je zal toch ook wel gehoord hebben van dien landlooper, die bij Japik naar binnen is gegaan en bezig was de zilverkast leeg te stelen. De knecht kwam er net op af, maar hij is verdwenen voor ze hem pakken konden. Nou zeggen ze, dat hij weer gezien is in de buurt."
"Ja, dat is secuur, 't moet hem zijn." antwoordde de veldwachter, "en hij zal me geen tweeden keer ontloopen."
Jans zette de handen in de zij, om de zaak eens terdege te bepraten, want ze was bang voor landloopers en moest het fijne ervan weten.
Zus was met haar poppenwagen den tuin ingegaan.
Achter den grooten pereboom was het prieeltje, dat was altijd haar huisje. Daar kon ze zoo eenig spelen. Niemand kon er haar zien van het huis af. Om den tuin was een groene haag en er achter was een smal pad, dat naar den eenen kant op de groote wei en naar den anderen kant naar het bosch voerde. Er kwam haast nooit iemand anders langs dan een enkele boer, die in de wei zijn koeien liet grazen en bij het bosch woonde.
De vogeltjes zongen luid in de hooge boomen, krekeltjes piepten in het gras langs den weg en verder was het stil, heel stil. Zus ging op den houten grond van het prieeltje zitten en begon zacht een wiegeliedje voor de poppen te neuriën. Zachtjes aan werd ze zelve slaperig, legde haar hoofdje op een voetenbankje en dommelde in.
Eensklaps hief ze verschrikt haar hoofdje op.
Een ruwe hand werd op haar mondje gelegd. Ze opende verschrikt de oogen en gaf een gil, die dadelijk werd gesmoord. Een afschuwelijk gezicht was over haar heengebogen. Een man in vuile lompen gekleed, lag naast haar op zijn knieën. Ze beefde van afgrijzen, wilde de hand wegduwen. "Houd je mond, mormel," siste hij door zijn vuile tanden en ze voelde zijn adem op haar hoofd. Tegelijk rukte hij aan het gouden kettinkje, dat ze om haar halsje had. "Jelui alles en ik niks hè," mompelde hij en stak het in zijn zak. Toen greep hij naar haar oortjes en wilde de belletjes er uit trekken, zonder er zich om te bekommeren of hij daarbij haar oorlelletjes doorscheurde, maar ineens trok hij de hand terug, uitte een half gesmoorde gil en greep naar zijn been.
Désiré, die een eind verder in den tuin onder de struiken had liggen slapen en door den dief niet was opgemerkt was door de gil van zus, hoe zacht ook, toch ontwaakt en met een paar sprongen op den aanvaller afgevlogen, die hij in zijn been beet.
Zus vloog overeind en rende luid schreiend naar huis. Ze hoorde Désiré woedend blaffen, de man vloeken en tieren, de haag kraken, maar keek niet om en liep onder 't geroep van "Moeder! moeder een dief!" zoo gauw ze kon, het huis in, terwijl Jans net de kamer in kwam. Moeder was op het geschrei toegesneld, maar begreep niet zoo gauw. Jans nog onder den indruk van het gehoorde, liep zoo hard mogelijk de gang weer in, naar de voordeur en gilde "Van Buren, Van Buren--hier, hier!" De veldwachter wilde juist den hoek omgaan, maar kwam nu terug.
Moeder was ondertusschen den tuin ingeloopen op het geblaf af en zag Désiré in woedend gevecht met een haveloozen man, die half over den haag geklommen was en beproefde den hond zijn keel dicht te knijpen, daar het beest hem niet wilde loslaten.
"Ga vader halen," riep moeder tegen zus "gauw!" maar juist kwam de veldwachter, die spoedig gevolgd werd door vader en een besteller door Jans van het kantoor gehaald. "Houd hem, Désiré," riep de veldwachter. De man wilde zijn vuist met kracht op den kop van den hond doen neervallen, maar het was te laat. De veldwachter had hem beet en met hulp van de anderen werd den man, hoe hij ook tegenstribbelde, over den haag teruggetrokken.
"Laat los Désiré, kom hier," riep moeder, die zag hoe hij den man gebeten had. Désiré gehoorzaamde en vloog naar moeder, die zijn grooten kop tusschen haar handen nam en hem liefkoosde. "Beste hond, goed beest." Brr, ze rilde. Zoo'n vreeselijke man. Wie weet wat hij haar kind had gedaan, als Désiré er niet was geweest.
"Kom, hier, beest, kom hier, je krijgt wat lekkers van de vrouw," en de hond drukte zich tegen haar aan.
Jans kwam met zus hem tegemoet. Nauwelijks zag hij haar of hij vloog op haar af, sprong tegen haar op en wilde haar in haar gezicht likken.
"Nee weg, weg," riep ze. "Foei zus, aai hem dan, haal hem dan eens aan. Als hij er niet was geweest, brr! wie weet wat die leelijke man gedaan zou hebben."
"Kom hier" en ze nam zus in den eenen arm, knielde neer nam den kop van Désiré in den anderen en liet het kind den hond aaien, om hem te bedanken voor zijn trouwe hulp. Hij besnuffelde haar aan alle kanten, alsof hij onderzoeken wilde, of haar niets kwaads was overkomen.
Vader kwam even later weer terug--een paar boeren hadden den man met den veldwachter, naar den toren gebracht. Juist kwam Tony thuis.
"Moeder, ze zeggen dat van Buren een landlooper in den toren heeft en dat Désiré hem gepakt heeft, is dat waar?"
"Ja," zei moeder, "dat is waar, hier zus, geef hem een stuk worst."
"O, wat is dat lief van je Désiré," riep Tony. "Nu hou je toch wel van hem, hè."
Zus antwoordde niet, ze stak even de hand uit met de worst, maar trok die ook weer dadelijk terug, toen Désiré ze had aangepakt en vluchtte bij moeder, die haar op schoot nam en tegen zich aan drukte.
Maar Tony sloot vol verrukking zijn vriend in de armen, die zijn lief zusje gered had.
"Moeder," zei hij nadenkend. "Weet u wat ik zoo jammer vind. Als een menseh iets voor je heeft gedaan, waar je erg blij mee bent, kan je het hem zeggen en er hem wat voor geven, wat hij graag hebben wil. Maar bij een hond kan het niet."
"Neen," zei moeder, "dat is waar, maar we kunnen lief en goed voor hem zijn en veel van hem houden, dat voelt hij wel."
Voortaan zeide zus er niets meer van als Désiré mee uit ging, ze was niet onvriendelijk voor hem, maar haalde hem toch nooit aan zooals vader en moeder, en de anderen deden of speelde niet met hem. Het kostte haar nog steeds moeite hem niet weg te duwen, als hij tegen haar opsprong of zijn goedigen kop in haren schoot legde.
7. Uit logeeren.
Tony had vacantie gekregen. Hij was opgetogen met een mooi rapport thuis gekomen en vader en moeder waren ook heel blij.
"Nu!" zei moeder. "Wat dunkt u, vader, zoo'n flinke jongen mag wel eens een extra'tje hebben."
"Ja, zullen we het dan maar doen?" vroeg vader lachend.
"Wat doen," zei Tony en keek van vader naar moeder, maar zij lachten en zeiden nog niets.
"Watte, moesje?" vleide zus.
"Och, ik denk, dat ze toch niet graag willen."
"Wat niet graag willen?"
"Nu, dan zal ik het je maar vertellen. Wie wil er van jelui tweeën mee naar grootvader en grootmoeder?"
"O heerlijk! Ik! en ik!" riepen ze allebei en vlogen hun ouders om den hals.
Opeens voelde Tony den kop van Désiré onder zijn arm.
"Désiré! we gaan naar grootvader en -moeder. Ga je mee? Kijk, vader, Désiré lacht ook, ziet u wel. Hè, mag hij ook mee. Grootvader heeft hem nog nooit gezien en het huis is toch groot genoeg, op het erf kan hij zoo heerlijk rondloopen en dan--hè, ja vader, mag dat?"
"Ik denk wel, dat het goed zal zijn. De reis is niet zoo lang en als we derde klas gaan kan hij mee."
Het gezichtje van zus betrok wat, maar Tony was dol van blijdschap en vloog met Désiré de gang door naar de keuken om Jans de heerlijke tijding te brengen.
"Eenig zeg Jans. We gaan naar grootvader en Désiré gaat mee!"
"Och kom," zei Jans. "Désiré mee, hoe kan dat nou?"
"Ja, ja, vader neemt ook een kaartje voor hem. Wat zal grootvader wel zeggen. Ik heb hem toch immers ook van grootvader gekregen en hij heeft hem nooit gezien. Dat is toch ook gek!"
"Nou dan zal je opa het ook wel prettig vinden. Het is er immers nog veel meer buiten dan hier. Hij zal wel gauw zorgen den weg te kennen, dat hij los kan loopen."
"Ja natuurlijk, hij is zoo slim," antwoordde Tony trotsch op zijn lieveling. En de hond keek alsof hij alles begreep en trok zijn baas mee den tuin in en holde met hem om het hardst om de perken om zijn vreugde uit te buitelen.
De lang gewenschte dag brak aan. Gepakt en gezakt ging de geheele familie naar den trein.
Hoe verrukkelijk was die reis. Désiré zat als een deftig passagier voor het raampje te kijken en hield zich voornaam stil. Al de andere reizigers nam hij wel goed op uit zijn hoekje, maar hij scheen heel tevreden met het gezelschap en deed verder net of ze niet bestonden. Hij voelde zich blijkbaar recht op zijn gemak en in zijn nopjes.
Enkele menschen gingen terug, als ze den hond zagen zitten en wilden niet in de coupée, al verzekerde Tony ook: "hij doet heusch geen kwaad, komt u maar gerust."
Désiré trok zich ook daarvan niets aan. Tony had schik voor zes.
Wat stond grootvader te kijken, toen hij behalve de gevraagde ook nog een onverwachte logé zag uitstijgen.
"Is dat nu Désiré," zei hij, toen hij kinderen en kleinkinderen hartelijk had verwelkomd.
"Ja, grootvader, 't mocht wel, niet?"
"Zeker, zeker, jongen, ik ben heel blij, dat ik hem ook eens zie. 't Is een prachtbeest en een best dier ook. Hij kan bij ons eens goed genieten. Kom, nu maar gauw in den tentwagen. Hij kan wel naast je op den bok zitten. Dan gaan we gauw kijken, of grootmoeder de pannekoeken al klaar heeft."
Ook door grootmoeder werd Désiré hartelijk ontvangen.
"Hij hoort toch bij de familie," zei de lieve vrouw, "en was in de uitnoodiging begrepen," en ze was verrukt over hem, toen zij bemerkte, dat hij zoo gehoorzaam was en zoo netjes, dat hij zijn pooten op de mat veegde--en dat hij al evenveel van haar pannekoeken hield als de kleinkinderen.
Spoedig waren kinderen en hond ook met de meiden en knechts van de boerenplaats de beste maatjes. Het was een flinke boerderij "Nooit gedacht". Keurig zag alles er uit. Heerlijke boomen op het erf. Pere- en appelboomen--kersen en aardbeien--een lief tuintje met bloemen. Uitgestrekte weilanden er om heen met koeien en paarden en verderop bouwland en hooiland. Voor dag en dauw haast liepen de kinderen al mee naar het veld, of trokken ze mee naar het hooiland. Désiré vloog als een dolleman door het hooi, hapte er in, wierp het met zijn kop omhoog, kroop er onder, zoodat zijn krulharen en zijn staart er soms onder zaten. En als de wagens naar huis gingen, zaten de kinderen en de hond er boven op.
Gingen ze verre wandelingen maken met grootvader en vader, dan ging Désiré ook mee. Alleen met de koeien kon hij het niet te best vinden of eigenlijk de koeien niet met hem. Als ze op een pad kwamen, dat door een weiland liep, nam vader hem maar even aan den halsband, vooral als de koeien met de koppen over de hekken stonden, of er geen hek of sloot was. Dan werd Désiré onrustig en kroop zelve dicht bij hen.
Dikwijls aten ze onder een grooten boom voor het huis. Dat vond Désiré heerlijk, want dan kreeg hij af en toe wel een beentje of hapje mee.
"Jongens, hij zal heelemaal verwennen," zei moeder, "dan gaat hij thuis nog bedelen."
"Ja, moeder," antwoordde Tony "en wij worden hier ook verwend."
"Daar ben ik ook hard bang voor," hernam moeder weer, "en dan hebben we thuis met drie in plaats van met twee wat te stellen."
Grootvader lachte er wat om en wierp den kinderen nog wat bessen op het bord en gooide den hond een been toe.
Moeder dreigde hem met den vinger, doch het hielp niets. Grootvader bleef lachen: "'t zal zoo'n vaart niet loopen, thuis is thuis--maar ze zijn nu ook op 'Nooit gedacht.'"
Grootmoeder schudde het hoofd en merkte tegen vader op: "Zoo sprak je vader ook niet, toen jij klein was, Antoon," en vader antwoordde: "Neen, toen deed u het" en hij boog zich over grootmoeder heen en kuste haar, dat het klapte.
"Foei, foei, wat moeten de kinderen wel denken," zei ze.
"Dat u een lieve grootmoeder bent," zei Tony, greep grootmoeders hoofd en stopte haar een paar lekkere donkere vruchten in den mond, "en dat grootvader, de beste grootvader is van de heele wereld, hè Désiré, wat zeg jij."
En Désiré zei niets, maar kwispelstaartte; hij was het toch heelemaal met Tony eens.
Er kwamen wel eens regendagen, dan hadden de kinderen genoeg pret in huis, want vader en moeder hadden nu veel tijd om met hen te spelen en grootvader kon zoo eenig, heerlijk vertellen. Maar Désiré zat dan treurig voor het raam, alsof hij wachtte, totdat het ophield, om zich buiten te kunnen verlustigen. Of hij sloop stilletjes weg en ging in zijn eentje een wandeling maken, maar dan kwam hij toch meest heel gauw terug; en toen hij bemerkte, dat hij dan in de keuken moest blijven, om op te drogen en niet mocht binnen komen, beviel hem dat ook al niet en deed hij het niet meer.
8. In gevaar.
Het was Zondag en prachtig weer.
Bruin werd voor den tentwagen gespannen. Koo ging op den bok zitten met de Zondagsche spullen aan. Hij zou grootvader, grootmoeder, moeder en vader met het gerij naar de kerk brengen, die veel te ver was, om er heen te loopen. Het was stil op de boerderij, alles blonk tegen je aan--tot zelfs het straatje voor de deur glom op zijn Zondags. De kinderen stonden voor het hekje met Trijntje de huismeid en wuifden de vertrekkenden na.
"Dag, jongens!" riep vader en boog zich nog even uit het wagentje. "Ga niet te ver uit de buurt, hoor!"
"Dag zus, zoet zijn," riep moeder en wuifde met de hand, boog zich om het zeil van den kap, nog eens en nog eens. "Dag! dag!!"
Toen de kerkgangers om den hoek waren verdwenen, holden Tony en Désiré het erf op en lieten zich onder luid gejuich en geblaf door zus en Trijntje nazetten.
Toen ze allen buiten adem waren, gingen ze de laan een eindje inwandelen. Maar Trijntje kon niet ver van het hek, want ze was maar alleen thuis. Ze ging weer terug, want ze moest nog voor het eten zorgen.
"Mogen wij nog even verder," vroeg Tony. "Even naar het bloemenveld."
"Ja, dat is goed," zei Trijntje, "dat is niet zoo ver. Maar dan weer thuis komen, hoor."
"Ja, we gaan alleen naar het bloemenveld, een boeketje plukken voor grootmoeder," zei zus.
"Ja, heerlijk." Trijntje ging langzaam terug en Tony, zus en Désiré gingen de laan weer in, staken den rijweg over die naar het dorp voerde, en kwamen op een voetpad dat door de wei- en bouwlanden liep. Spoedig waren ze op een groote vlakte, die bezaaid was met allerlei wilde bloemen. Hier konden ze naar hartelust plukken.
Zus ging dadelijk aan den gang. Tony liep met Désiré wat op. Hij wou eens zien, waar die laan eigenlijk op uit liep, en wat er achter die hooge boomen was aan de andere zijde van het bloemenveld, zooals moeder het voor de grap noemde.
Désiré scheen het warm te hebben van het hollen; hij liep met de tong uit den bek langzaam naast Tony voort. Doch eensklaps snoof hij in de lucht, bleef even stilstaan, nam toen een sprong en stoof recht op de boomen af.
"Wat moet dat? Wat heb je," riep zijn kleine baas verwonderd en volgde hem wat langzamer.
Toen hij bij de boomen kwam achter het struikgewas uit, hoorde hij een klokkend geluid en zag Désiré aan den kant van een vrij breed water lustig staan drinken.
"O, is daar de rivier al. Is die zoo dicht bij. Dat wist ik niet eens," zei Tony bij zich zelven. "Wacht, jongetje, je kon wel weer eens zwemmen, net als gisteren met vader.
"Kom hier, Désiré." Hij zocht een grooten tak, ging naar den kant en wilde hem in het water gooien, maar bedacht zich ineens, dat hij eerst wel eens naar zus mocht kijken. Die zou het ook zeker graag zien.