Wat tante Dora vertelde

Chapter 1

Chapter 14,338 wordsPublic domain

Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/

Ons Schemeruurtje.

XIX.

WAT TANTE DORA VERTELDE.

H. D. Jacobi.

Geïllustreerd door Freddy Langeler.

H. Meulenhoff--Amsterdam--1919.

I. DE TROUWE KAMERADEN.

1. Broer en Zus.

"Moesje, waar is zus?" roept Tony, terwijl hij tegen moeder opklimt en zijne roode lippen op haar wangen drukt.

"Dag vent, zus is buiten in den tuin," antwoordt moeder, terwijl zij zijn lief jongenshoofd streelt en zijn kus weerom geeft. Weg is hij--de tuindeur door--de plaats over, zoo gauw zijn dikke beenen hem dragen kunnen. Daar zit zus op het grasveld bij de gymnastiekpalen. Op een doek staat de box en zus kruipt er in rond. Lijsje ligt in een hoek,--haar wangen zijn afgeschrabd, een neus heeft ze al lang niet meer--het paardje van Tony, dat twee wieltjes mist en overal kale plekken heeft, staat er ook bij en hier en daar liggen kegels verspreid. Zus kijkt er niet naar om, ze schuift, zittend op één been, heen en weer over den grond en kraait tegen de vogels en vlinders omhoog. Daar trekt ze zich aan het hekje op, zij staat! "Boer! Boer!" De beide armpjes strekt ze naar Tony uit en plof--daar ligt ze languit op den grond, boven op het arme Lijsje en de kegels. Een lipje trekt ze, maar broer is al bij haar, wipt over het hek en neemt haar in zijn armen, voordat de bui losbreekt. "Snoezebol, dag lekkere schat," en de wilde jongen houdt zijn kleine zus toch heel voorzichtig vast en drukt zijn dikke wangen tegen haar pruilend mondje.

"Da! da!" ze wijst naar boven in de boomen, waar een leger musschen wacht tot moeder straks de kruimels op het pad strooit.

"Ja, dat zijn de vogeltjes. Ze wachten ook op eten. Ze hebben ook trek net als broer. Ksst! ksst! Daar vliegen ze op. Moet zus ook vliegen? Daar ga je!" en hij tilt zus omhoog.

"Voorzichtig, Tony," roept moeder, die in de tuindeur naar de kinderen keek. "Je zoudt haar laten vallen," en ze vangt zus in hare armen op.

"Hé moe, laat u haar nog even hier? Of moeten we al koffiedrinken? Is paatje al thuis?"

"Neen, pa is er nog niet, maar zus moet toch eerst gewasschen.--Nu speel dan nog maar even met haar. Dan ga ik nog even naar de keuken; maar niet meer optillen, hoor," en moeder zet zus weer in de box.

"Da! da!" roept zus en moeder wuift haar lachend toe. Da! da!

Wat is moeder rijk met haar tweetal. Haar jongen van vijf jaar en haar lief, klein molletje van vijftien maanden. "Hoe heerlijk," denkt ze, "dat ze zoo lief samen kunnen spelen. Die Tony is toch zoo dol op zusje en Emy is zoo blij als ze Tony ziet."

Ze staat weer bij het hekje. Broer gaat op den rand van het gras zitten. Nu gaat ze haar kunsten vertoonen. "Hoea!" roept ze in eens en heft beide armpjes omhoog. Ze staat, ze staat los in de box.

"Moes! Moes! kijk u eens!" roept Tony verrukt. "Emy staat alleen!"

Bij de keukendeur kijkt moeder om. "Ja, ja, moeder ziet het; val maar niet, zus," roept zij. Maar broer waakt over haar en vangt haar lachend op en kust haar.

"Nee, nee," roept zus en wringt zich los. Ze wil staan en houdt niet van kussen. "Hoea!" weer staat ze. Dat is een aardig spelletje.

"Kom dan," zegt broer. Hij klimt ook in de box en gaat op zijn hurken zitten met uitgestrekte armen. "Kom bij broer." Zus waggelt en valt, maar hij grijpt haar en zet haar weer op de onbeholpen beentjes.

"Hier, pak vast," zegt hij dan en geeft haar een takje als ballanceerstok in haar handjes. "Goed vasthouden." De dikke knuistjes grijpen het takje stevig vast. "Ja, ja," knikt ze.

"Vooruit, toe dan maar, daar gaat ze," en het gaat heusch. Twee, drie, vier stapjes--wips daar ligt ze weer in zijn armen, kraaiend van pret.

Vader is thuis gekomen en roept lachend: "Hallo!" terwijl hij den tuin in komt. Het kraaiende tweetal kijkt op en Tony roept vader toe: "Kijkt u, vader; zus loopt. Toe zus!" Maar nu wil ze niet, ze gaat op den grond liggen en steekt de armen naar vader uit, die haar opneemt en haar op zijn sterke armen hoog in de lucht laat dansen tot ze het uitgiert. Nu ziet moeder het ook, maar nu is zij niet bang en roept vroolijk: "Kom jelui?" Tony slingert zich om vaders been en zingend gaat het drietal naar binnen, waar moeder zus opvangt, om haar gezicht en handjes te wasschen, wat ze lang niet zoo prettig vindt, als spelen met Tony of vader.

2. Emy's ridder.

De kleine zus groeide op onder de zorgen van vader, moeder en grooten broer en was nu al een aardig dribbeltje van vier jaar geworden.

"En ik zeg, dat je zusje toch niet aardig is, Tony."

Het kleine wijsneusje stampvoette, terwijl ze dit zei en stak haar tong uit tegen Tony, die met zijn zusje aan de hand op het pleintje voor het postkantoor stond.

"Welles," antwoordde Tony met overtuiging.

"Nietis," zei het meisje weer, "kijk dan, ze heeft mij een duw gegeven en toen ben ik gevallen. Kijk mijn schort! heelemaal vuil," en ze houdt Tony het bewijsstuk voor.

"Ja," zegt Tony, "maar ze deed het niet exprès. Ze kon het niet helpen."

"Nee, ik dee het niet imspres; ik kon het niet helpen," zei Emy nu, "ga je mee naar moeder, Tony?" en ze trok haar broer mee naar huis. Hij hield haar stevig vast. Hij was zoo trotsch op zus, met die mooie, blonde krulletjes. "Net poppehaar," zeiden de menschen en dat vond Tony leuk om te hooren.

Niemand mocht van zus iets kwaads zeggen. "Hij bederft haar," zei Moeder vaak, als hij alles aan zus wou geven, of het grootste stuk voor haar uitzocht.

"Eerst kijken, wat het mooiste is," zegt hij dan. "Hier, dit is beter, laten we ruilen." Maar nu begint zus te zeggen, "kijken wat het grootste is," en dat neemt zij dan, alsof het haar toe komt.

"Dat is niet lief van zus en ik wil het niet hebben," zegt moeder, "geef Tony dien grooten appel, hij is de oudste." "Och, laat u maar, moesje," en Tony springt tevreden weg met het kleinste deel, als moeder niet doorzet. Moeder is wel trotsch op haar jongen, maar zegt toch, "neen, jij maakt van zus een egoïstje en dat zou vreeselijk zijn."

"Wat is dat, moe?" zegt Emy.

"Iemand, die het beste voor zichzelf uitzoekt en niet om een ander denkt," antwoordt moeder, "niets lief."

"Nee, niets lief," zegt Tony, maar zus en niet lief kan hij zich niet denken en even later is het vergeten, en geeft hij zus het meeste van de dropjes, die hij bij den apotheker toekreeg. Als moeder of vader zelve deelen, geven ze opzettelijk aan Tony het grootste en het kleine ding ziet het dadelijk. "Ja," zegt vader, "Tony krijgt het grootste, omdat hij zooveel grooter is dan zus," en dan trekt ze heusch soms een lipje.

Het was winter. Een gure wind blies door de ruiten naar binnen en had zus verkouden gemaakt. Niezen en hoesten van belang. Het was Zondag. "In de kamer blijven" zei moeder, "of je zou naar bed moeten."

Vader gaat uit. "Tony ga je mee?"

"Och nee, Pa!"

"Neen? waarom niet. Je bent toch ook niet ziek?" zegt moeder.

"Nee, moe, maar ik wou wat met zus spelen, ik heb het beloofd, dat ik mijn soldaten zou opzetten."

"Ja, dan moet zus maar eerst wat anders spelen. Een gezonde jongen den geheelen dag in die warme kamer is niet goed. En vader heeft veel te graag, dat je mee gaat." Moe krijgt zijn jas en pet en zus begint te pruilen. "Hij heeft het beloofd.--Vader is groot, maar zus is klein."

"Neen," zegt moeder, "zus is niet lief. Tony gaat met vader mee en zus mag niet pruilen en gaat zoet met de poppen spelen, totdat Tony thuis komt. Kijk Sientje is niet eens aangekleed. Wat is je wiegje slordig. We zullen het samen eens opknappen", en moeder gaat mee naar het speelhoekje en zus vergeet haar verdriet. Tony gaat met vader mee. Voor het raam kijkt hij nog eens naar binnen, drukt zijn neus tegen de ruiten, om te zien of zus al getroost is. Zij kijkt om en lacht om den platgedrukten neus en zegt: "Straks gaat Tony mee spelen." "Zeker," zegt moeder, "straks" en zus weet, dat hij het doen zal en is tevreden.

"Maar Tony, jongen wat heb je nu weer uitgevoerd?" zegt moeder verschrikt. "Kind, ben je gevallen? Pas op, niet met dien vuilen zakdoek."

"Nee moe--nee!--ja!" snikt Tony. Hij wrijft zijn vuilen zakdoek over zijn bebloeden neus en vuil gezicht, wat het niet beter maakt.

"O, Tony!" roept zusje verschrikt "het bloedt, het bloedt allemaal" en ze zet het op een schreien. "Stil kindje, kom, gauw mee naar de pomp Tony," en moeder houdt het hoofd onder den helderen waterstraal, wat beter helpt. Nu kan ze zien, dat Tony's neus is opgezet en een schram over zijn wang bloedt.

"O kijk, moesje, zijn blouse is gescheurd," zegt zus en steekt haar vingertje door een winkelhaak in zijn rug. "En heelemaal vuil moe, O!"

"Hoe komt het dan toch," zegt moeder weer, terwijl ze zijn neus met watten dicht stopt.

"O, die Bert, die naarheid; maar ik heb hem lekker te pakken genomen," en hij balde zijn vuisten.

"O, dus je hebt gevochten, dan heb ik heelemaal geen medelijden met je; dan moet je maar niet vechten. Dat zijn straatjongensmanieren."

"Ja, maar ik moest wel, moeder--hij zei--hij zei--"

"Nu?"

"Hij zei, wat van zus--en, dat laat ik niet zeggen, hij zei: 'ze is een akelige kribbekat.'" Zijn oogen stonden zoo kwaad; hij balde de vuisten of Bert weer voor hem stond.

"Maar nu heb je toch bewezen, door je bebloeden neus en zijn blauw oog of wat je hem hebt gegeven, dat het niet waar is," zei moeder ernstig.

Tony zag moeder eens aan, hij begreep niet of moeder wel meende, wat ze zei.

"Laat ze toch praten, jongen, ze zeggen het immers, om je te plagen, omdat ze weten, dat jij je er boos om maakt," vervolgde moeder, maar Tony bromde zooiets van: daar hebben moeders geen verstand van, die zijn geen jongens geweest, doch hij zei het maar niet hardop. Zijn neus deed hem erg zeer. Zus had medelijden met hem, ze troonde hem mee en speelde met hem. "Vader," zei ze, toen die thuis kwam van het kantoor, "Tony heeft met de jongens gevochten voor mij en hij heeft al zoo'n pijn. Wees U maar niet boos." En vader zei alleen: "zóó, een bloedneus, en de ander? Is die heelemaal dood of half? Je moet niet vechten, Tony"--en nu kon Tony toch niet denken, dat vader er geen verstand van had, want die was toch ook een jongen geweest.

3. Haar geheim.

Er kwamen wel eens jongens bij Tony in den tuin spelen, maar als zus niet mee mocht doen, konden ze wel heengaan. Daarom moest zus leeren slootje springen; op een smallen plank loopen over de sloot, knikkeren op z'n jongens; hoepelen, duikelen in het gras en aan den rekstok; in een boom klimmen, hardloopen en meer van die jongensspelen. En ze kon heel aardig meedoen, want Tony leerde het haar en hij vond het heerlijk als het kleine ding hooger durfde schommelen, dan de groote jongens. Toch was hij heel voorzichtig met haar. "Ja," zei hij dan, "het is toch een meisje en ze is nog zoo klein ook."

Als Tony op school was, speelde zus met haar poppen, maar was hij thuis dan lagen de arme kinderen vergeten in een hoekje of Tony moest mee huishoudentje spelen; anders was zij jongen mee.

Het liefst had ze een oud pakje van Tony aan, dat hij haar met de schoonmaak eens voor de grap had aangetrokken. Dat stond zoo leuk vond Tony, bij die lange, blonde krullen, dan was ze net kleine lord Fauntleroy. Toch was zus niet jongensachtig, maar heel zacht en bedaard. Soms kon ze tijden met haar poppen in een hoekje zitten moedertje spelen, of met de kleintjes in den tuin wandelen. Ook hield ze dol van poppenwasch. Moeder had haar ook breien geleerd.

Eens zat ze in haar eigen rieten stoeltje in den tuin voor Tony, die gauw jarig was, een knikkerzakje te breien. Moeder naaide aan een mooie jurk voor haar en ze vond zich zelve erg groot, dat ze nu ook een werkje maakte en zat een tijdlang ijverig te peuteren zonder iets te zeggen.

"Moeder," vroeg ze op eens "wat krijgt Tony van U en van Vader?"

"Wat denk je?" antwoordde moeder.

"Ik weet wel iets, dat hij heel, heel graag hebben wil. Maar dat krijgt hij natuurlijk niet," zei ze weer.

"Zoo, vrouwtje. Wat is dat dan voor vreeselijks?"

"Ik zal het u influisteren," antwoordde zus, wierp haar breiwerk neer in 't gras en sprong naar moeder. Ofschoon er niemand bij was, zei ze 't heel zacht aan moeders oor en keek moeder toen met een ernstig ondervragenden blik aan. Moeder lachte. "Jongens, jongens, dat is geen kleinigheid," zei ze, "dat is heel duur."

Emy's gezicht betrok. "Maar hij zou het zoo heel, heel erg graag hebben," zei ze, "en hij is toch zoo lief, moesje."

"Houdt zus zooveel van broer? Ik geloof nog meer dan van moeder en vader, hè?" was moeders wedervraag, terwijl ze haar naaiwerk in den schoot liet vallen en het lieve gezichtje tusschen hare handen nam, om het te kussen.

"Neen," antwoordde zus dadelijk. "Ik houd van vader, van moeder en van Jans en van de poes en van Lijsje en Truitje en al de andere poppen en van grootmoe ook en van tante Sjaak en van grootvader en o, van een heeleboel menschen meer. Ook van den kruideniersjongen, want die brengt altijd balletjes voor me mee en ik mag op zijn fiets rijden."

"Nu," antwoordde moeder, "als je van vader en moeder net zooveel houdt, als van den kruideniersjongen, dan mogen we toch tevreden wezen," en zij lachte hartelijk.

"Krijgt Tony dan een hond, hé toe, moesje?"

"Maak jij je knikkerzakje maar af, dan zullen we nog eens zien, kleine vleister," zei moeder en zette zus, die op haar schoot geklommen was, tot groot gevaar voor de jurk, weer op den grond. Ze liet de naalden weer tikken, zoo gauw de kleine ongeoefende handjes het konden en dacht: "hij krijgt hem wel," hardop zei ze: "Wat zal hij blij zijn!"

4. Een prettige verjaardag.

De groote dag kwam eindelijk. Tony's verjaardag. De knikkerzak was met ijverig werken gelukkig afgekomen. Van boven was er een rood bandje doorgeregen, dat had moesje gedaan, prachtig! vond zus zelve en moeder vond het heel mooi en knap van die kleine prul, vooral, dat het op tijd af was.

Tony draaide zich slaperig om op zijn buik en drukte zijn gezicht in het kussen, terwijl hij de dekens over de ooren trok, alsof hij nog eens rustig een dutje wilde doen. Wip! zij bij hem in bed; met haar knikkerzakje in de eene hand trekt zij met de andere de dekens weer van zijn hoofd.

"Tony, ik feliciteer je met je verjaardag! Tony!" [1]

Nu werd Tony op eens bewust van de heerlijkheid van dezen dag en schudde de slaap van zich af. Met een ruk kwam hij overeind en knipoogend greep hij de mooien knikkerzak. "O, ik ben jarig vandaag! Hé zus, mooi; heb je hem zelf gemaakt?" "Ja, zelf gemaakt." "Nu dat is mooi, ik dank je wel hoor! geen een jongen heeft zoo'n mooien." En hij kuste haar ontstuimig. "Wat zullen de jongens er wel van zeggen, prachtig! fijn!" "Ja, hè," zei zus, "en dat rooie bandje. Dat kan je toetrekken. En kijk eens op het tafeltje. Wat staat daar allemaal?" Ze kroop naast Tony onder de dekens en greep de pakjes van het tafeltje, dat voor zijn bed stond. Samen pakten ze alles uit en allebei waren ze even verheugd, bij het zien van al het moois. Een koker met de Koningin--en het prinsesje ook.--Een sponsedoos met twee dwergjes.--Een tol! rood--wit en blauw! "Van de vlag hè?" zei zus.--"Nou en echt,.." zei broer weer "Knikkers! wat een boel geen kalke daaien, echte knarren!" "Mag ik dan ook 's knikkeren," vroeg zus. "Ja, natuurlijk als je maar goed schiet. Daar die stuiter mag jij, om te bikkelen." "Nog wat zeg, kijk!"

"Wat een plak, o!" "Lust je een stukje!" "Nou of." Hmm!! "lekkere melkchocolade."

"Wat zitten jelui daar toch te doen?" vroeg moeder, die wakker werd door het drukke praten.

"Hè, moes," riep Tony "allemaal voor mij, zoo mooi," en hij wipte uit bed, om zijn schatten aan moeder te laten zien en haar te zoenen voor al dat moois.

"Ben je nog al tevreden," vroeg moeder schalks lachend. "Nou of," antwoordde Tony met overtuiging. "Kijk U eens dit boek. 'Lentegroen.' Wat een leuke plaatjes."

"Zoo," zei vader nu ook ontwakend. "Heb je al je presenten al gekregen en wat zeg je van het mijne?"

"Wel neen" zei moeder, "dat heeft hij nog niet."

"Krijg ik dan nog meer," vroeg Tony opspringend van pleizier.

"Ja, we zullen ons vlug aankleeden en dan gauw gaan kijken naar het cadeau, dat vader en grootvader en -moeder samen voor je gekocht hebben."

"Wat is dat, moeder, toe zeg 't eens?"

"Ik weet 't, ik weet 't," riep zus, sprong op moeder toe en riep, "Is 't toch, hé moesje," maar moeder lachte en zei "Ik zeg niets. Eerst aankleeden."

Of Tony zich wel zoo heel goed waschte en niet vergat zijn tanden te poetsen, ik geloof 't haast, maar hij was heel vlug klaar en zus was zoo gejaagd, dat ze haar linker schoen aan den rechter voet wilde wringen en moeder vroeg, vandaag maar eens niet haar krullen uit te kammen, omdat Tony anders eerder klaar was dan zij.

Eindelijk waren ze beiden klaar beneden en toen vader even later ook binnenkwam was het: "Nu 't cadeau. Ga maar mee jongens."

Mee--waar mee? Vader stapte lachend naar den tuin.

Tony keek onder vaders beenen door en zus riep telkens springend van pleizier: "Ik weet 't, zus weet 't."

Daar stond een klein, groen huisje op de plaats, dat er vroeger nooit gestaan had.

"O, vader," riep Tony; hij kon zijn oogen haast niet gelooven en schoot onder vaders beenen door, deed de deur open en.... "Pas op" riep vader nog--sprong meteen achteruit, want een groote, geelharige hond vloog luid blaffend naar buiten. Met een kreet van schrik school zus achter moeders rokken weg, maar Tony ging op hem af en zijn oogen schitterden.

"Ik dacht niet, dat hij zoo groot zou zijn," riep hij verrukt.

Vader greep den hond bij den nek en streelde zijn kop, toen kwam Tony vlak naast hem staan en aaide het mooie dier over den rug.

De hond besnuffelde beiden aan alle kanten en wendde ook den kop naar moeder en zus.

"Kom, Emy, niet bang zijn," zei moeder en bracht haar bij den hond, maar ze wilde hem niet aaien.

Plotseling zette hij zijn voorpooten vooruit en met de achterpooten schoppend rekte hij zich eens ter dege uit, terwijl hij zijn bek opensperde en gaapte. Zus schoot gauw terug, maar Tony lachte om dien grooten bek.

"Is die nu heusch voor mij, vader?" vroeg hij ongeloovig.

"Heusch voor jou," zei vader, "als je goed voor hem zorgen kunt, zijn hok schoonhoudt en voor zijn eten zorgt. Hem wasschen zullen moeder of ik vooreerst wel doen. Maar jij moet hem opvoeden tot een netten hond en zorgen, dat hij je gehoorzaamt. Het is een prachtig beest en een aardige speelkameraad. Hij moet nog grooter worden, want hij is nog jong. Kijk!" vader liet hem los en de hond bedacht zich niet lang, maar rende eenige malen den tuin rond. Toen ging hij allen besnuffelen. "Zeker om kennis te maken," zei Tony.

"O, vader ik vind het zoo heerlijk. Ik zal heel goed voor hem zijn, dan zal hij wel veel van me gaan houden."

"Dat is best," zei vader, "maar niet verwennen. Hij mag vooreerst niet in de kamer komen--alleen in het speelkamertje en hij moet ook leeren niet in den tuin om te dollen en de bloemen en perken ontzien."

"Ik vind hem zoo mooi."

"Maar zoo groot," zei zus.

"Juist mooi. Jammer dat ik hem niet mee naar school kan nemen. Hoe heet hij?"

"Ja, hoe heet hij? Geef hem zelf maar een naam."

"Désiré! vader, want ik heb zoo naar hem verlangd. Zoo heet dat buiten van dien timmerman, immers."

"Noem hem dan--Verlangd of gewenscht--Dat is Hollandsch."

"Maar ik kan toch niet roepen: Verlangd--Verlangd! of Gewenscht, kom eens hier. Het hindert toch niet."

"Ga je gang maar, noem hem zooals je wil. Je mag wel een doopmaal geven en je vrienden en kennissen uitnoodigen."

"Hè moe, mag dat heusch?" vroeg Tony.

"Wel ja jongen, breng om 4 uur de jongens maar mee. Maar nu moeten we ontbijten, anders kom je te laat en moet je voor je verjaardag nog schoolblijven."

"Dat doet de Meester toch niet!--Wat zullen ze kijken.--Hij is nog grooter, dan Nero van den slager en mooier ook."

Vader zei, dat Désiré maar wat op de plaats moest loopen om het terrein te verkennen en ze gingen naar binnen om te ontbijten.

Toen ze zaten te eten, zei moeder, "ik geloof, dat je vader nog niet eens bedankt hebt." "O nee," zei Tony en met een reepje in zijn mond sprong hij op vader toe en zoende hem op beide wangen. Toen op moeder af, die hij half smoorde onder zijn onstuimige kussen. Daarna draaide hij zus met stoel en al in de rondte en deed toen eenige luchtsprongen, om zijn vreugde uit te juichen.

Voordat hij heenging moest hij even Désiré goeden dag zeggen. Het dier berook hem aan alle kanten, doch schonk hem verder geen aandacht meer en ging door met het besnuffelen van muren en hekken en van den grond.

"Désiré," riep Tony bij de plaatsdeur. De hond lichtte langzaam den kop op. "Hij hoort zijn naam al, moeder. Zal ik de jongens maar niet om twaalf uur meebrengen?"

"Nee zeker niet, we moeten vandaag om twaalf uur eten voor vader, dat weet je wel."

"Nou dan maar om vier uur, dag vader, dag moeder, dag zus, dag Désiré!" en weg was hij.

Tony was geen erg beste leerling dien ochtend en zijn onrust scheen de halve klasse te hebben aangetast. Meester wilde ook graag den hond zien en begreep best, dat de jongens het ook graag wilden, maar hij was toch genoodzaakt te zeggen, dat wie niet beter oplette, 's middags niet naar huis mocht en dus niet bij Désiré's doopmaal wezen kon. Dat hielp gelukkig en de jongens deden hun best den hond te vergeten en met hun gedachten bij de sommen te blijven, die nu juist zoo heel moeielijk waren vandaag.

Vier uur!--hè.--Verruimd stoof het heele troepje mee om Tony heen en stormde met hem, het tuinhek door, maar Désiré was er niet.

"Désiré, Désiré," riep de baas. In het speelkamertje?

Ja, daar lag hij te slapen. Toen de jongens hem omringden, vloog hij op, keek hen onderzoekend aan en blafte even.

"Wat een fijn dier! Prachtig! Wat een kop! Wat een mooi haar! Laten we hem meenemen naar buiten!"

Daar stoeiden en holden ze weldra met het vlugge dier in het zand. Hij maakte allerlei kluchtige sprongen en rende harder, dan een van hen allen. Totdat moeder de jongens binnen riep en het doopfeest begon.

Tony hield Désiré vast en zus zou hem heusch doopen, maar moeder kwam juist met een stuk worst, dat hij in één hap verslond. Toen bracht moeder beschuiten met muisjes voor de kinderen en kopjes chocolade en boterhammen en toen werd er op de gezondheid van den baas en zijn hond lekker gegeten en gedronken.

Daar kwam Tante ook nog met de beide nichtjes en die brachten presentjes mee ook, Tony was er heel blij mee, maar toch het meest met zijn prachtigen hond.

Ze deden samen nog allerlei spelletjes, toen vader Désiré weer naar het hok had gebracht en dronken nog limonade en aten koekjes en speelden nog in den tuin, totdat het klokje van 7 sloeg. Toen ging de visite naar huis en broer en zus moesten naar bed.

"Mag ik Désiré nog even goeden nacht zeggen," vroeg Tony.

"Nu van avond dan," zei moeder. "Hè lekker, toe zus ga je mee!" Samen vlogen ze naar het hok. Tony pakte zijn rechter poot. "Nacht hoor, droom je eens van me!"

Of de hond het deed? Maar Tony wel van hem. Den halven nacht reed hij op den rug van Désiré de geheele wereld door.

5. Désiré en Emy.

"Neen, zoo niet, recht op! Toe, dan krijg je een stuk worst!"

"Nee nog niet happen.--Eerst rechtop! Kop hups! Zus, trek hem eens aan zijn voorpooten.--Ja zóó! Recht kom dan! Nou stil zitten hoor. Een--twee--drie--vier--vijf--zes--. Mooi zoo! Daar is de worst! Zie je wel zus, hij kan 't al. Désiré, hier!--Hij komt dadelijk, leuk hé?"

Op de plaats stonden ze. Désiré was al heelemaal gewend, ja het was net, of hij er altijd geweest was.

"Nou ik es," zei zus: "Désiré, hier!"

"Zie je wel, hij doet 't niet voor me," en ze stampte met haar voet.

"Je hebt hem gisteren ook geslagen met dien stok," zei Tony, "dat vindt hij ook niet lief."

"Ja, maar hij had Lijsje stuk gebeten," pruilde zus.

"Hij heeft 't toch niet exprès gedaan; had die pop dan opgeborgen."

"Had jij hem niet in de kamer gelaten. Hij mag mijn pop niet opeten."

"Jij mag hem niet slaan."

"'t Is een naar beest, ik houd niet van hem," snikte zus nu en liep weg, om haar troost bij moeder te zoeken.