Wat tante Dora vertelde

Chapter 3

Chapter 34,325 wordsPublic domain

"Zus! zus!" riep hij terugkeerend naar het bloemenveld. Hij zag haar niet. Ze was achter de hooge struiken verborgen. Hij zette zijn handen als roeper aan zijn mond en riep "zus, zus, Emy!!" Désiré snelde hem vooruit en had heel gauw haar spoor gevonden. Daar kwam hij weer tusschen de struiken uit, gevolgd door zus, die de beide armen vol bloemen had.

"Kijk, Tony, mooi hè," draag jij ook wat, dan maken we er thuis een boeket van."

"Ja prachtig," antwoordde Tony, "leg ze maar even neer en kom eens mee, zeg. Daar achter die boomen, vlak bij, is een groot water. Je weet wel, dat we laatst ook gezien hebben, toen we wandelden. Daar zullen we Désiré even in laten zwemmen, niet. Kom mee" en hij trok zus haastig mee naar de rivier.

Spoedig stonden ze aan den oever. Tony wierp nu een tak in het water en riep: "Désiré pak ze." Désiré bedacht zich niet en met aandacht keken de kinderen toe, hoe de hond heenzwom en met den stok in den bek terugkeerde.

Wat lachte zus om het afschudden van de druppels.

"Kijk," zei ze, "nu moet je daar verder op eens gaan. Daar waar die punt uitsteekt, gooi daar nog eens, dan komt de stok misschien aan den overkant."

"Ja," zei Tony, "dat is leuk, kom mee!"

Langs den schuinen kant ging hij naar beneden. Hij dacht er niet aan, dat hij iets verkeerds deed. Een smalle strook steenachtige grond stak een eind de rivier in.

"Ik durf eigenlijk niet verder," zei hij nog.

"He flauw!" zei zus.

"Nou ga jij dan."

"Ja maar ik ben een klein meisje," zei de wijsneus.

"Nou vooruit," zei Tony, die graag een held was in zusjes oogen.

Voorzichtig sprong hij van den eenen steen op den anderen en kwam zoo een aardig eindje naar voren.

Désiré stond aan den kant en blafte jankend.

Zus klapte in haar handen van pleizier: "Gooi nou!" riep ze.

"Désiré! pak ze!" riep Tony, slingerde zijn arm en wierp met zoo'n kracht, dat hij zijn evenwicht verloor en voordat hij besefte wat er gebeurde, links afgleed en met een plons in het water terecht kwam.

"Tony! O, moeder, help!" riep zus en snelde naar den kant. Maar Tony was een heel eind af.... "Moeder! Vader!" gilde ze in haar angst.

"Vader," gilde Tony ook spartelend met handen en voeten.

Hij trachtte de steenen te grijpen, maar of hij daardoor zichzelf afduwde of dat de stroom hem weg voerde, hij schoot in eens verder de rivier in. Zooals hij van Désiré gezien had, sloeg hij met handen en voeten en hield zich zoo nog boven, schreeuwend om hulp.

Zus liep wanhopig heen en weer.

De hond echter had zich niet lang bedacht. Hij was te water gesprongen en zwom met alle kracht naar de plaats, waar zijn kleine baas dreef.

"Gauw, Désiré, gauw," riep het kind, voelend, dat hij zonk.

Zus gilde maar steeds door. Ze zag haar lieve Tony al dieper en dieper in het water zinken, ze zag, dat hij verdween, voordat de hond hem nog had bereikt en ze sloeg de handen voor de oogen. Toen kwam het ineens in haar op, dat ze iemand moest gaan halen. Ze had een boerderij gezien, daar bij de laan. Ze wilde er heen gaan, maar het was of ze niet kon loopen. Ze keek weer naar het water. Daar kwam Désiré terug. Heel langzaam. Zijn kop hield hij hoog op. In den bek had hij den riem van Tony. Zijn hoofd kwam even boven het water uit. Zijn lijf en zijn beenen hingen er in.

9. De Redding.

"O, Désiré," riep ze smeekend, "houd hem vast, houd hem vast." "Help! help!" riep ze nog eens en keek om zich heen. Toen ineens vatte ze moed, kroop op handjes en voetjes omlaag naar den waterkant naar de plaats waarheen Désiré zwom met zijn zwaren last.

"Lieve hond, zoete hond, toe dan, toe dan," riep ze en het was of het moed gaf aan het trouwe beest. Het spande nogmaals al zijn krachten in. Daar was hij er bijna. Het hoofd van Tony zonk lager. "Toe dan, goeie hond, toe lieve Désiré, toe dan."

"O lieve Heer, laat hem niet verdrinken," bad ze; boog verder voorover en greep een stuk van Tony's blouse. Ze trok en trok zoo hard ze kon. De hond spande zich nogmaals in, lichtte den kop wat hooger op en zette de voorpooten op den oeverrand. Met vereende krachten sleepten ze den drenkeling tegen den kant op.

Désiré, hijgend van inspanning, likte hem aan alle kanten. Zus boog zich over hem heen, riep hem bij zijn naam, kuste hem, maar Tony's oogen waren gesloten en alle liefkoozingen maakten hem niet wakker. Zus bemerkte niet eens, dat Désiré ook haar belikte en dat zijn groote kop, vlak naast haar gezichtje over Tony heenboog.

De hond scheen het eerst op den inval te komen, dat het zoo niet kon blijven. Plotseling hield hij op met likken, liet een luid geblaf hooren en vloog toen als een pijl uit de boog in de richting van het bloemenveld.

"Désiré! hier," riep zus in doodsangst, dat hij haar alleen liet met broertje, die maar al sliep. "O Désiré, loop niet weg, ik zal nooit meer boos op je zijn, loop niet weg."

"Tony, word toch wakker, Tony, lieve Tony," snikte ze dan en begon hevig te schreien.

Opeens hoorde Emy den hijgenden adem van Désiré weer in de verte. Ze keek op. Daar kwam hij om de boomen heen, liep weer terug, rende nog eens vooruit en achter hem kwam een kleine, dikke man met een dikken stok in de hand. De hond sprong voor hem uit, bleef staan, keek of de man hem nog volgde en rende dan weer voort, om even later nogmaals terug te gaan.

Eindelijk kwam hij hijgend op de kinderen af. De dikke man had nauwelijks de kinderen in het oog gekregen of hij verhaastte zijn stap. Hij nam zijn pet van het hoofd en veegde met een rooden zakdoek het zweet van zijn voorhoofd. Blazend en puffend kwam hij naderbij en riep: "Wat is er gebeurd? Heeft die jongen in het water gelegen?" Zus keek hem verstomd aan. "Hoe lang is het al geleden" vroeg de man verder, terwijl hij snel zijn stok en pet neerwierp, zijn jas uittrok en bij Tony neerknielde. Hij voelde aan zijn arm, legde zijne hand op Tony's borst, zijn oor er tegen en begon haastig zijn kleeren los te maken, terwijl hij mompelde. "Wie ben jelui, ik ken je niet. Toe zeg toch eens wat meisje, ga je moeder halen. Woon je vlak bij?" Zus zag hoe de man Tony's armen heen en weer ging bewegen, ze keek, maar verroerde zich niet. Ze was bang voor dien rooden dikken man, die zoo raar deed, bang voor Tony, die daar zoo stil lag en ze greep ineens den grooten kop van Désiré en drukte zich vast tegen hem aan. Ze voelde, dat hij haar beschermen zou.

"Toe kindje," hijgde de man, "ga toch, daar is een huis. Haal gauw hulp of het is te laat. Ik kan je broertje alleen niet helpen. Ga, gauw." Ze keek in de richting, waarin de man wenkte met zijn hoofd en zag een kleine boerenwoning. Nu scheen ze pas tot bezinning te komen. Ze keerde zich om en snelde er heen zoo gauw ze loopen kon. De hond hief den kop op, scheen in twijfel wat hij nu moest doen, bij zijn zieken baas blijven of met het kleine zusje meeloopen. Hij liet een klagend gehuil hooren, liep zus na en keerde weer terug naar Tony; keek naar den man en likte Tony in het gezicht. Toen keek hij weer op naar zus en schoot eensklaps voort haar na. Bij de boerderij gekomen, liep zus, gevolgd door den hond, het hek in, maar toen durfde ze niet verder en draalde besluiteloos. De hond begon te blaffen. Toen kwam er een meisje naar buiten, vroolijk zingend liep ze op zus af en zei vriendelijk. "Wel--wat had de jonge juffer?"

Zus wees met het vingertje in de richting, waar broertje lag en zei zacht. "Die man vraagt of er iemand komt. Hij heeft in het water gelegen."

"Wie, die man?" zei het meisje verschrikt.

"Neen, Tony, en hij heeft z'n oogen dicht; gaat u mee alsjeblieft, ik ben zoo bang," riep ze ineens vertrouwelijk, greep de rokken van het meisje en wilde haar meetrekken."

"Ja, ik ga mee hoor, wacht even. Teun, Jacob!" riep ze naar binnen, "kom gauw mee, er is een in het water gevallen." Twee lange boerenjongens, kwamen nieuwsgierig naar buiten loopen en terwijl het meisje wees en vertelde, trokken ze hunne klompen aan die witgeschuurd voor het lage deurtje stonden en liepen met hun lange beenen snel vooruit.

Toen zus en het meisje weer terug kwamen, had de man hun al gewezen wat ze doen moesten en zat hij zelf even uit te blazen. De meisjes keken toe. Zus begreep niet, wat er gebeurde, maar stond zacht te snikken. Het meisje streelde haar wang en zei troostend:

"Kijk, kijk hij komt al bij, hij tilt zijn hoofd op. Huil nou maar niet, kijk. Vertel nu eens wie je bent?" "Emy, en hij is Tony," snikte het kind.

"En waar zijn je vader en moeder." "Naar de kerk."

"Maar bij wie ben jelui hier, dan?" "Bij grootvader, daar," wees zus, "over het bloemenveld." "O, wacht, op 'Nooit gedacht'".

"Ja," zei zus onverschillig, ze begreep niet eens waarom het haar werd gevraagd.

Werkelijk daar bewoog Tony zich, zuchtte en opende de oogen. Zus sprong op hem toe. "Tony, lieve Tony," riep ze en zoende hem. Hij keek naar al die vreemde gezichten zonder te begrijpen. "Benauwd," riep hij toen en begon te braken.

Toen rilde hij. "Ik ben zoo koud, Moeder!" zei hij.

De dikke man tilde hem op. "Kan je hem dragen," vroeg hij Jacob. "Ja, geef maar op," zei de grootste van de jongens en geen moeder had haar kind zorgvuldiger kunnen aanpakken en tegen zich aanvleien dan de knaap deed.

"Hier mijn jas maar over hem heen, het schaap heeft het koud," zei de dikke man. "Loop jelui maar wat aan, ik kom ook wel, maar ik kan zoo gauw niet."

De stoet zette zich in beweging. Désiré vroolijk blaffend, nu hij bemerkte, dat ze naar huis gingen, daarachter Jacob met zijn vracht en naast hem Teunis die het hoofd van Tony steunde. Daarachter het meisje met zus aan de hand en eindelijk de goede, dikke man, wiens korte beentjes moeite deden hen bij te houden.

10. Désiré overwint.

Trijntje had al niet begrepen, waar de kinderen toch bleven. Ze durfde de laan niet uit te gaan. Had al eens over den rijweg getuurd langs het pad en was weer terug gekeerd, bij zich zelve overleggend, of ze de deur maar zou sluiten en eens gaan kijken. Toen zag ze net de stoet de laan inkomen. Zus liet de hand van het meisje los en snelde op Trijntje toe. "O Trijntje, ze dragen Tony, hij is in het water gevallen."

Trijntje verbleekte. "In het water en" .... ze liep de mannen tegemoet. Op het zien van haar angstig gezicht riep het meisje: "Hij is gelukkig weer bij, hoor, Siem de zwemmer heeft hem geholpen."

Trijntje lichtte de jas op en keek naar het bleeke gezicht.

Tony keek haar even aan, maar zei niets. Ze vroeg, en het meisje vertelde wat zij wist.

"Wat zullen ze zeggen, wat zullen ze zeggen," lamenteerde Trijntje en sloeg jammerend de handen in elkaar. "Er is niemand thuis."

Ze nam Tony op schoot en met hun allen deden ze zijn natte kleeren uit. "Ziezoo," zei Siem, "nou afdrogen en in een wollen deken in bed." Tony klappertande. Het andere meisje had een kruik met heet water gevuld en Tony werd in de wollen deken gewikkeld, met de kruik in de bedstee gestopt.

"Wat warme koffie of thee," zei Siem.

En hoewel Tony geen trek had, werd hem de warme thee met een theelepeltje ingegoten.

"Waar is moeder," vroeg hij nog eens.

"Ja, die komt zoo," zei Siem, "ga nou maar eerst wat slapen."

"Waar ben ik?" vroeg hij weer en wreef met zijn hand over zijn hoofd.

"Hier," zei zus, "bij grootmoe in de bedstee."

Hij bekeek de bedstee, maar scheen het toch niet goed te begrijpen.

"Ik zal even naar het dorp gaan, om ze te waarschuwen," vroeg Teun. "Is er niet een fiets van een van de jongens."

"Zeker," zei Trijn, "pak hem maar. Voorzichtig zeggen hoor, dat de boerin niet te veel schrikt. Nou ik bedank jelui wel hoor. Siem blijf je niet tot het volk thuis komt. Dat zullen ze niets mooi van je vinden."

Maar Siem wou niet blijven, hij kwam nog wel eens hooren, later, zei hij en ging nu met Teun en Jaap weg. Anneke bleef bij Trijntje wachten, want die was bang alleen met Tony. Ze was geen kinderen gewend. Trijntje nam zus op schoot en ze gingen met hun drieën voor het bed zitten.

Désiré legde zijn grooten kop in den schoot van zus, en zij duwde hem niet weg, maar streek met haar handjes liefkoozend over zijn hals. Zoo zaten ze stil en het duurde niet lang of zusjes hoofd, viel op zij en steunend op den kop van den hond, viel het kleine kind in slaap. In de bedstee werd het ook stil. Tony was eveneens in slaap gevallen.

De beide meisjes spraken fluisterend met elkaar, totdat Trijntje opsprong. "Daar ben ze!" Zus werd door den schok wakker. Ze droomde dat Tony in het water viel en toen Trijntje haar op den stoel voor de bedstee neerzette, riep ze: "Désiré, help dan toch."

De hond was ook ontwaakt. Zij liep op hem toe en terwijl zus zich over hem heenboog, fluisterde zij: "Lieve goede Désiré, jij hebt hem er uitgehaald," en ze nam zijn kop in haar armen.

Zoo vonden vader en moeder hunne kinderen terug. Zus sprong dadelijk op en vloog schreiend op hen toe. "We konden het niet helpen! maar Désiré heeft hem er uitgehaald," riep ze en vertelde aan één stuk, wat er was gebeurd.

Moeder kuste haar schreiend; vader liep dadelijk naar het bed, greep de afhangende hand van Tony en streelde zijn gezicht. Ook Désiré kwam bij het bed en duwde zijn kop onder moeders arm door, om Tony te zien.

"Désiré," zei moeder en streelde hem, weer greep zus zijn kop en legde haar krullebol er tegen. Zoo stonden ze toen Tony de oogen open deed.

"Vader, moeder," riep hij zacht en begon te schreien, "ik dacht, dat ik verdronken was, ik zal het nooit weer doen."

Toen viel zijn oog op zus en den hond en hij lachte door zijn tranen heen.

"Hij heeft je er uit gehaald," zei zus nog eens weer. "Zoete hond."

"Heb ik het niet gedroomd?" vroeg Tony.

"Neen," zei vader, "hoe is het nu? Hoe voel je je?"

"Goed vader, ik kan wel opstaan," en hij wilde overeind komen, maar dat mocht niet.

"Hoe heeft hij den jongen tegen den kant opgekregen, dat begrijp ik maar niet," zei grootmoeder.

"Ik heb getrokken," zei zus nu, "want hij was zoo moe, hij kon haast niet meer."

De tranen sprongen moeder in de oogen. "Die kleine zus en die goeie hond."

"Je bent een flinke meid, hoor," zei grootvader. "Samen heb jelui hem dus gered."

"Wat zal je een angst gehad hebben, zoo alleen," merkte grootmoeder weer op.

"Maar, Désiré was er toch bij," zei zus weer.

"Wat is zoo'n beest toch slim, om hulp te halen."

"Gelukkig maar, Antoon, dat we zoo'n dier hebben genomen. Eerst heeft hij zus gered en nu Tony weer. Hij is meer dan zijn geld waard." zei grootvader.

"Dat is zeker, ik ben blij dat we hem hebben. Kom, hier trouw beest. Je zult het altijd goed bij ons hebben, hoor," en iedereen op zijn beurt haalde den hond aan, die kwispelstaartte van plezier. "Désiré!" riep Tony.

Toen sprong zus naar hem toe, bracht hem bij Tony wipte op de teenen, boog zich over hem heen met haar arm om Désiré's hals en fluisterde--"Nu houd ik ook van Désiré, hoor. Net zooveel als allemaal--net zooveel als jij." En Tony kwam overeind en in een omarming nam hij zus en Désiré. "Ja, jelui hebt me samen er uitgehaald. Wat ben ik blij--wat ben ik blij."

En de groote menschen zagen elkander aan en grootmoeder zei: "Dat is een zegen des Heeren," en moeder knikte van ja.

Spoedig was Tony weer hersteld. Hij was er prachtig afgekomen. Met vader en moeder gingen de kinderen en de hond naar Siem den zwemmer, om hem een cadeautje te brengen en naar Anneke en Teunis en Jacob, om ook hen te bedanken. Iedereen in het dorp sprak over Désiré en hij werd overal nagewezen: Dat is die hond. Zonder Désiré gingen de kinderen niet meer uit, en stonden ze op het punt om heen te gaan, en was Désiré niet te vinden, dan was zus de eerste, om te zeggen: "Wacht u alsjeblieft nog even. Désiré is er nog niet." Hoe ver de hond ook was, het leek wel, of hij het fijne stemmetje van zus overal hoorde.

Toen de familie weer naar huis terug gekeerd was, wist iedereen daar ook al spoedig van de heldenfeiten van Désiré en zus. Hij kwam nu niet alleen in de vrije uren van Tony op straat, maar iederen dag tegen twaalf en vier uur kwam Emy met Désiré de deur uit en gingen ze samen naar de school om Tony af te halen.

"Moeder," zei Tony, "ik geloof, dat ik nu jaloersch moet worden, want Désiré lijkt wel meer van zus te houden dan van mij, en zij houdt ook meer van den hond."

"Neen," zei zus ernstig, "ik houd alleen zooveel van hem, omdat hij mijn lieven schat uit het water heeft gehaald."

"Tony maakt maar gekheid," antwoordde moeder, "hij weet wel beter."

"Och ja," zei Tony lachend, "ik ben er veel te blij om. Wij zijn nu drie trouwe kameraden. Kom hier" en hij tilde zus op den rug van Désiré en de drie trouwe kameraden gingen den tuin in en vader en moeder keken hen dankbaar lachend na.

II. TREINTJE SPELEN.

"Moesje, toe, zegt u maar ja," Vleien Hans en Jantje, En het kleintje streelt haar wang Met zijn dikke handje.

"Neen," zegt Moeder, "Janneman Jullie moet niet zeuren, 'k Moet eerst weten, wat je wilt, Of 't zal niet gebeuren."

"Treintje spelen, Moesje toe! 'k Heb zoo'n heel mooi fluitje. Dan ben ik de conducteur; Machinist is Truitje. Anna zit aan het loket Kaartjes te verkoopen. Hansje wil met vaders tasch Met de kranten loopen.

"U en zus zijn passagiers, En dan nog de poppen. Aap en beertje zal ik in Beestenwagens stoppen."

Moeder lacht en Moeder knikt. "O, het mag, gauw stoelen! Zet ze alle op een rij," Zie ze eens krioelen!

Eindlijk is de trein gereed. "Hola, conducteurtje!" Roept Moe hijgend van de haast "Doe--gauw open--'t deurtje."

Jantje zegt: "Stap in, Mevrouw," Opent het portiertje. --"Maar de trein vertrekt nog niet,-- 'k Zet het op een kiertje."

Waarlijk daar komt grootmoe ook, Loopend op een vaartje. "'k Moet ook mee naar Amsterdam, Geef me gauw een kaartje."

Lijsje gaat in d' eerste klas In de derde Jetje. "Mag ik ook nog mee," zegt Pa Nu dat wordt een pretje!

"Kranten, Heeren, 't Nieuws!" zegt Hans, "'t Handelsblad of 't Leven!" Jantje zegt: "'t portier moet dicht," Vader: "wacht nog even!"

"Daar komt nog een juffrouw aan In een wit toiletje." Jan kijkt om, wie dat mag zijn? Wel, 't is poes Minetje.

Jan tilt poes ook in den trein En gaat kaartjes knippen. Daarvoor moet hij iederen keer Op de treeplank wippen.

"Nu--vertrek! 't is klaar! Vooruit!" Roept hij dan tot Truitje. En hij blaast zoo hard hij kan, Op zijn schelle fluitje.

Oef! oef! oef! oef! oef! oef! oef! Ja, dat moet zoo, weet je. De machine stampt en blaast Hansje helpt een beetje.

En do machinist roept: "Tuu!" "Dag! Dag!" wat een leven! Jongens, zou de echte trein Zooveel pret wel geven?

III. DE GOUDKLOMP.

1. Orleman en Soliman vinden den goudklomp.

In een groot bosch woonden de aardmannetjes onder een boom. De ingang naar hun verblijf was in den hollen stam. Zij werkten daar beneden heel ijverig. Het was soms zoo'n gehamer en geklop, dat de mieren er hard voor op de vlucht gingen, omdat ze meenden, dat er onraad was. De dwergen zochten naar prachtige steenen, waarvan ze dan huizen bouwden voor de prinsen en prinsessen. Zoo waren er twee van hen, Orleman en Soliman, weer eens uitgegaan om steenen te zoeken, heel diep in de aarde. Het baardje van Orleman veegde bij iederen hak over de ruwe steenen en er kwam al een heel fijn puntje aan, maar hij merkte er niets van. De voeten van Orleman werden al dunner en dunner van het schuiven over de puntige rotsblokken, maar hij merkte het ook niet. Ze waren veel te druk met hun werk bezig en hadden al een groote massa prachtige, gekleurde steentjes uitgezocht om een nieuw huis te maken voor de jongste prinses die heel gauw ging trouwen en dan toch een eigen woning hebben moest.

Doch opeens gaf Orleman een harde gil, zoodat Soliman van schrik zijn houweel op zijn kleine teen liet vallen en driemaal over zijn hoofd duikelde, waarbij hij telkens over zijn eigen baard struikelde. Toen hij wat van de schrik bekomen was, zei hij: "Maar wat is er dan toch Orleman. Wat heb je dan toch?" Orleman stond als razend in de rondte te draaien, zoodat je niets anders zien kon dan een enkele roode vlek, omdat hij een rood pakje aan had.

Orleman hield nu ook op met draaien en daar de ruimte waar hij stond te klein was om te vallen, bleef hij op zijn beentjes staan, hoewel hij niets meer zien kon.

"Kijk jij dan," gilde hij uit--"Goud--echt goud."

"Och wat?" zei Soliman, misschien omdat hij nooit gehoord had, dat de jongens op straat wel eens wat anders zeggen of omdat hij te fatsoenlijk was, om straattaal te gebruiken, maar hij zei alleen, "och wat." Hij wipte over een paar steenen naar Orleman toe en bleef verstomd staan kijken.

"Ja, ja," knikte hij en eindelijk kwam het ook over zijn lippen, "Ja, ja! 't _is_ echt goud." Toen grepen ze elkaar beet en dansten, voorover achterover, links en rechts zoo'n echt mooien dwergendans, zooals niemand ooit heeft gezien en Orleman gilde daarbij zoo hard, dat het niet veel scheelde of hij had zijn tong ingeslikt. Gelukkig, dat Soliman het nog net bemerkte en gauw de punt greep en het roode lapje weer naar buiten trok. Toen besloten ze samen zoo verstandig te wezen als één menschenkind en te beraadslagen wat ze nu met dien klomp zouden beginnen.

"Weet je wat," zei Orleman na veel over en weer praten: "Als de jongens wat uit willen maken, gooien ze altijd hun petten op."

"Goed," zei Soliman, die altijd vond dat Orleman zoo wijs kon redeneeren, als een schooljongen--en ze gooiden de mutsen op, maar toen ze voor hen lagen, wisten ze niet verder, want die lange puntmutsjes vielen aldoor op zij en zoo kon je er geen wijs uit worden, al was je de knapste schooljongen geweest.

"Nou," zei Orleman weer, "dan weet ik nog wat." En Soliman luisterde al met een open mond, zoodat Orleman net zien kon, dat hij geen verstandskies had. "We brengen hem aan den koning." "Ja, aan den koning, die is een wijs man en zal wel weten, wat we er mee moeten beginnen."

"Vooruit dan maar laten we hem samen opnemen."

Nu zijn aardmannen altijd heel sterk, net zoo sterk als .... als.... je ze maar hebben wil, al zijn ze ook nog zoo klein. Maar of ze nu te hard moesten lachen of dat het ergens anders van was, ze waren toch niet sterk genoeg, om den klomp op te tillen. Hoe ze rukten en trokken ze konden hem niet verwikken of verwegen. De goudklomp bleef liggen waar hij lag. Toen bogen de arme dwergen hunne hoofden diep op hun borst met den neus in den baard en schreiden van verdriet.

Juist voelden ze een raar gekriebel over hun voeten. Daar kwam een groot leger mieren aangewandeld.

Orleman, was heel goedig van aard en altijd goede vrienden ook met de mieren. Dikwijls was hij ergens anders gaan hakken en graven, omdat hij hen in den weg zat, maar nu, dacht hij, was het hun beurt eens te toonen, dat ze hem waardeerden. Gelukkig had hij, toen hij nog jong was, de mierentaal heel goed geleerd; hij bedacht zich niet lang, maar sprak een baas van het troepje vriendelijk aan en vroeg hem om hulp.

De mieren waren heel blij en zetten vroolijke gezichten, omdat ze hem nu helpen konden en op bevel van het opperhoofd gingen ze met hun allen op den klomp goud af.

Het ging wel heel langzaam maar toch ging de klomp vooruit en kwam ten laatste aan voor het paleis van den koning.

Orleman bedankte de mieren vriendelijk voor de hulp en ging dadelijk naar het paleis, waar hij vroeg bij den koning te worden toegelaten. Zijne Majesteit was juist thuis en zat in zijner Majesteits kamerjapon aan de tafel op zijn rijk met edelsteenen versierden troon 'n gouden pijp te rooken, toen Orleman binnen trad. "Wat--pff--verlangt gij pff! Orleman?" pff pff!

"Sire," sprak deze, en boog driemaal, zoodat het puntje van zijn baard den grond raakte; "Sire, we komen tot Uwe Majesteit, omdat we weten, dat uwe Majesteit niet wijs is--hm--hm--alleen, maar ook goedertierend en daarom zeker goeden raad zal geven. We hebben bij het zoeken naar steenen voor het paleis van hare Koninklijke Hoogheid prinses Orélata een klomp goud gevonden die we voor het paleis hebben laten brengen."