Part 3
Toen ik op verzoek van den Uitgever van het geschrift getiteld: "Zamenspraak enz.," ondernam een aanhangsel te leveren en daarin een antwoord te geven op de gewigtige vraag: "Wat is het dat eene ziel zalig maakt?" welke vraag daar onbeslist is gelaten; dacht ik slechts weinige bladzijden te schrijven, zonder daarbij mijn naam te vermelden; maar al schrijvende bevond ik dat het onderwerp onder de hand in gewigt toenam en dat gedachten en denkbeelden in mijne ziel vloeiden. Ik gevoelde, in het bijzonder toen ik tot het tweede deel van mijn onderwerp kwam, de verlossing en zaligheid beschouwd als een inwendig bezit, dat ik er mij niet in weinige algemeene bewoordingen kon afmaken, maar dat het vereischte, wat ik niet kon leveren,--bladzijden uit het leven en de bevinding met zalving en kracht, zal het geschikt zijn om de behoeften van Gods beproefde familie te ontmoeten. Ik zag aan alle zijden verlossing als eene inwendige wezenlijkheid, onbekend, onbemind, ongezocht, verwaarloosd. Eenigen zag ik, die zich dienstknechten Gods noemden, ijverig genoeg voor de zaligheid uitwendig, gezond in de letter der waarheid en ernstig strijdende voor de leerstellingen der genade die, óf nooit spraken van de zaligheid inwendig, óf indien zij er al van gewaagden, er zich van af maakten met weinige magere volzinnen, die gewoonlijk zoo met dwalingen en misslagen vermengd waren, dat zij eenvoudige zielen slechts verwarden en aan het onderscheidende oog ontdekten, de onwetendheid en ledigheid van den prediker. Anderen die uit hunne opgeblazenheid en verwaandheid schenen te denken, dat "de wijsheid met hen sterven zoude," (Job 12 vs. 2), zag ik sloopen wat God in zijn woord heeft opgebouwd, en opbouwen wat Hij heeft afgebroken. Deze waren leermeesters gezet op vormen, ceremoniën, ordonantiën, bidstonden, kerklidmaatschap, huiselijk gebed en duizend andere uiterlijke dingen, (allen goed op hunne plaats) alsof zij de inhoud en het wezen der levende godzaligheid waren. Anderen weder die zich bevindelijke predikanten noemden, zag ik of aan de eene hand de zonden als bewijzen van genade opbouwen óf aan de andere hand eene algemeene haat tegen de zonde, als een bewijs daarvan aanmerken. Dus zag ik de in- en uitgangen, het vallen en opstaan, de verborgen werkingen, het onzigtbare spoor, de innerlijke worstelingen en geheel dit bijzondere, diepe, gedurig veranderende, golvende pad, dat door Gods familie wordt betreden óf nimmer aangeroerd, óf indien al ondernomen dat in te gaan, zoo duister en verkeerd voorgesteld, dat eene levende ziel door al wat hij hoorde, meer bedroefd en verward dan getroost en bemoedigd werd. Ik zag insgelijks dat zelfs leeraars, die de merkteekenen droegen van hunne roeping door de genade en van hunne roeping tot de bediening (die of rustende waren op vroegere bevinding óf zoo als zij het noemden bevestigd waren in Christus; dat mij voorkomt eene bevestiging in zich zelf te zijn), weinig, indien iets, verschilden van de letter-Calvinisten dezer dagen.
Alzoo terwijl eenigen goed kwaad en kwaad goed noemen, bitter voor zoet en zoet voor bitter gevende en anderen de schaduw voor het wezen en den vorm voor de kracht instellen, zag ik, dat degene die in de bres moesten staan, hunne zwaarden in de schede hadden gestoken en ze nimmer uittrokken tegen de vijanden van Christus, die in het gewaad van vrienden komen. De vraag scheen te zijn: "Zijt gij een Arminiaan of een Calvinist?" indien de eerste, zoo zijt gij een vijand, indien de laatste een vriend. En alzoo worden de gevaarlijkste en listigste vijanden van levende Godzaligheid, in de legerplaats van Christus ontvangen, omdat zij het wachtwoord kunnen noemen en de kleeding van zijne soldaten dragen. Dus zie ik de waarheid over de straten struikelen, levende godzaligheid verwaarloosd, uiterlijke dingen hoog gewaardeerd, de schapen van Christus ongevoed en de bokken niet gescheiden. Zoodat ik mij gedrongen gevoelde met meer uitgebreidheid dan ik mij eerst voornam, te blijven staan bij ~inwendige~ zaligheid, schoon met de diepste bewustheid van mijne onbekwaamheid en onervarenheid, en er tevens mijnen naam bij te voegen, opdat het niet het nadeel en de verdenking mogt hebben, welke gewoonlijk aan naamlooze geschriften verbonden zijn. Zonder dus eenig oordeel te vellen ten gunste of tegen het geschrift, waarbij dit aanhangsel gevoegd is, noch er mij geheel mede te vereenigen, schoon ik het beschouw als een antwoord aan de Wesleijanen, met bekwaamheid en onpartijdigheid geschreven te zijn, wend ik deze zwakke poging aan om te strijden voor het geloof, eenmaal den heiligen overgeleverd, en om de natuur dier verlossing aan te wijzen, welke men kennen en bezitten moet vóór men het koningrijk der hemelen kan ingaan.
J. C. PHILPOT.
WAT IS HET, DAT EEN ZONDAAR ZALIG MAAKT?
Wel mag ieder overtuigd zondaar een waar voldoend antwoord verlangen, op eene vraag van zoodanig gewigt. Wel mag iedereen, die den alsem en de gal geproefd heeft, met den angel der zonde doorstoken is geworden, die zucht onder den vloek der wet en beeft onder het toekomende oordeel,--wel mag ieder dusdanige, schuldige, zelf-veroordeelende ellendige, de lippen kussen desgenen, die een regt antwoord geeft op de alles omvattende vraag: "Hoe zal de mensch rechtvaardig zijn bij God?" (Job. 9 vs. 2).
Om dan deze vraag regt te beantwoorden moeten wij de zaligheid onder twee hoofdpunten beschouwen. 1º. De zaligheid beschouwd als eene daad buiten ons; 2º. de zaligheid beschouwd als eene zaak in ons. Daar de eerste de laatste voorafgaat, zullen wij haar den verschuldigden voorrang geven. En daar niemand onderwijst gelijk God, en Hij is de Vader der lichten, de Fontein des levens en de alleen Wijze Jehovah, mogen beide schrijver en lezer genade ontvangen om tot Hem op te zien, "om de zalving die leert van alle dingen en ook waarachtig en geen leugen is." (1 Joh. 2 vs. 27).
1. De zaligheid dan, moet beschouwd worden, ten eersten als eene handeling buiten ons, als eene eeuwige onveranderlijke daad voortvloeijende uit het gemoed van Jehovah en geheel onafhankelijk van het schepsel. Te vooronderstellen dat eenig nieuw plan, eenig te voren ongedacht ontwerp, eenige verandering van voornemen, eenige verbetering van een oorspronkelijk onvolmaakt plan, plaats kunne nemen in het hart van Jehovah, is een van de grootste beleedigingen te werpen op de wijsheid en magt van den drieëenigen God, welke ooit het schepsel kan ten uitvoer brengen.
Indien Hij Alwijs is, zoo kan geene nieuwe gedachte in zijn gemoed oprijzen; indien Hij Almachtig is, dan kan geene onverwachte hinderpaal, geen onvoorzien toeval, noch opkomende gebeurtenis, zijn voornemen verijdelen en indien Hij de Bron en Oorsprong is van het geheele bestaan van het schepsel (Rom. XI vs. 36) zoo kan noch de wil, noch de magt van het schepsel sterker zijn dan Hij. Wij beschouwen Hem als de ervarenste Ingenieur, die vooruit met de meeste naauwkeurigheid, de beweging en het uitwerksel van ieder rad en van iedere tand van eenig nieuw stuk machinerie, kan berekenen. Wij noemen Hem de bekwaamste Generaal, die voor den veldslag iedere beweging, welke Hij denkt te volvoeren het best ontwerpt en die met de grootste nauwkeurigheid en den besten uitslag zijn oorspronkelijk plan ten uitvoer legt. Te misrekenen, in verwarring te geraken door eenige onvoorziene hinderpaal, op te houden wegens eenige onverwachte hindernis, doet een mensch kennen als een broddelaar. In zijne oorspronkelijke schatting mis te tasten, doet de kennis in twijfel trekken; niet in staat te zijn zijn plan te volvoeren, bewijst magteloosheid in een architect. Nu, zal een generaal een plan hebben, evenzoo een ingenieur en een architect en zal God geen plan hebben? Zullen wij iemands kennis afmeten naar de wijsheid van zijn plan en zijne magt naar deszelfs uitvoering, en zullen wij de wijsheid en de magt Gods niet in denzelfden weg afmeten? Zullen wij hem niet een zot en een dwaas noemen, die geen orde in zijne bezigheden heeft, geen goed overlegd plan in de uitoefening zijner zaken, geene bepaalde werkuren, geen vooraf beraamde reeks van werkzaamheden, en zullen wij niet beven om al deze dwaasheid aan God toe te schrijven? Eene Manchestersche katoenfabriek kon geene week doorwerken, indien het niet een vooraf bepaald stelsel van werking, geen geregeld plan had, waardoor aan ieder spinnewiel zijn werk, aan iedere hand zijne plaats wordt aangewezen. En toch zijn er menschen, van zulk eene stoute goddeloosheid, die aan den alleen wijzen God eene verwarring, eene wanorde, eene nalatigheid in het bestuur van de eeuwige bestemming des menschen toeschrijven, welke, indien ze in een groote stad in praktijk werd gebragt, onvermijdelijk zou ten gevolge hebben, dat hare drukke fabrieken werden gesloten, hare uitgestrekte bevolking werd verarmd en hare opgepropte straten in eene woning der draken en rustplaats der nachtuilen verkeerd werden.
Wij kunnen daarom niet ontkennen, dat al wat God doet, Hij zulks doet naar een plan van eeuwigheid vastgesteld in zijn eigen gemoed, zonder zijne wijsheid in de uitvinding, of zijne magt in de volvoering in twijfel te trekken. Indien dan al wat God doet, Hij doet "naar den raad van zijnen eigen wil," zoo is het duidelijk dat de zaligheid of verdoemenis der zielen een deel moet uitmaken van zijn eeuwig voornemen. Indien alle dingen, die plaats hebben, vloeien in een voor hen gegraven kanaal, elkander opvolgen achtervolgens eene bepaalde orde en zoowel een deel uitmaken van Gods algemeene regering, als elk rad bedraagt tot de beweging van eenig zamengesteld werktuig, dan moet de zaligheid begrepen zijn in een groot oorspronkelijk plan. Te zeggen dat God eenige dingen bepaalt en andere dingen niet; tijdelijke gebeurtenissen vaststelt, maar geene geestelijke; waakt over het vallen van een musch, maar de onsterfelijke ziel des menschen overgeeft aan bloot toeval en goed geluk, is onbeschaamder onderstelling, dan dat een onkundig landman, een van Watt's stoomwerktuigen beziende, zoude zeggen, deze ketel, dit rad, deze zuiger heeft Watt ontworpen, maar op al het overige heeft hij geen acht geslagen. Zijn grootsch verstand vergat dit deel van het werktuig en verzuimde dat; en dit keurig zamenstel en schoon geheel, is gedeeltelijk het voortbrengsel van vinding en vernuft, en gedeeltelijk van bloot toeval. Veel dwazer en onwetender nog spreken zij, die loochenen de zaligheid een volmaakt plan te zijn, overeenstemmend in elk deel, en haren oorsprong, voortgang en einde vindende in den wil en het voornemen van God alleen. Om reden wij de overeenstemming en schoonheid van het groote geheel niet kunnen waarnemen, om reden er tegenwerpingen en zwarigheden zijn, om reden wij het onderwerp en den grondslag van ieder deel niet kunnen bevatten, zijn wij daarom vrij om te ontkennen, dat de verlossing een groot in alles overeenstemmend plan is? Even goed mogt de bovengenoemde onkundige landman, aanmerking maken op elk rad en elke beweging der stoommachine, welker gebruik en schoonheid hij niet begrijpen kon. Indien verlossing als één geheel, een plan is, waarin de grootste harmonie heerscht, dan moeten ook al de deelen en takken van dezelfde natuur zijn. Zeg dat een deel niet harmonieert, en gij zegt dat het geheel zulks niet doet, want de harmonie van het geheel hangt af van de harmonie der deelen. Deze takken of deelen dan eischen ons naauwgezet onderzoek en indien wij kunnen aantoonen dat ze volkomen zijn, zullen wij het doen van het geheel.
1º. De eerste tak dan van de verlossing is, _de openbaring daardoor, van de heerlijkheid van den Drieëenigen Jehovah_. Niets kan God zoo dierbaar zijn dan zijne eigene heerlijkheid. Niets minder dan de openbaring daarvan, kan het verheven oogmerk zijn van alle zijne daden. De oorsprong van alle geschapene wezens, van de verhevenste engel tot den kruipenden worm, kan slechts worden toegeschreven aan de zucht welke Jehovah koestert, om daardoor zijne eigene eeuwige heerlijkheid te openbaren. De verlossing, welke de grootste daad Gods is, moet daarom tot dezelfde bron worden opgespoord. "Tot prijs _der heerlijkheid zijner genade_," zegt Paulus, (Eph. 1 vs. 6), "door welke Hij ons begenadigd heeft in den Geliefde," en wederom vers 12: "opdat wij zouden zijn tot prijs zijner heerlijkheid, wij, die eerst in Christus gehoopt hebben. En opdat Hij zou bekend maken den rijkdom zijner heerlijkheid over de vaten der barmhartigheid, die Hij te voren bereid heeft tot heerlijkheid," (Rom. 9: 23). Nu, indien de zaligheid geheel rust op den wil des menschen en tot hare eindelijke voorspoed afhangt van de magt en bekwaamheid van het schepsel, zoo is het bewezen dat er mogelijkheid bestond dat er geen enkele ziel behouden werd. Wat meer is, indien het daarvan afhangt, dan is er niet de minste twijfel in het hart van hen, die den gevallen staat des menschen ondervindelijk kennen, of niemand konde of wilde zalig worden. Tenzij dus de zaligheid een besloten, bepaald, onveranderlijk, onherroepelijk voornemen zij, zoo is het klaar dat God teleurgesteld kon worden, betrekkelijk de heerlijkheid, die Hij zich voorgesteld had, om daardoor zijnen grooten naam te verhoogen. En indien wij alleen maar toestaan, dat Hij het einde van het begin ziet en te voren weet elke gebeurtenis die plaats zal hebben, dat de arminianen erkennen, dan is het bewezen, dat, vooruitziende en bemerkende de teleurstelling van al zijne ontwerpen, Hij zou opgehouden en nooit het ontwerp verzonnen hebben. Wat meer is, om de gevolgtrekking nog een stap verder te nemen, indien God door den tegenstand van het schepsel beroofd kon worden, van den prijs zijner eigene heerlijkheid, zou hij nooit deze wereld in aanwezen gebragt, noch den mensch uit het stof der aarde geformeerd hebben. Wij maken plannen, in welker uitkomst wij ons teleurgesteld vinden, omdat wij geene toekomende gebeurtenissen kunnen voorzien, maar indien wij begaafd waren met de voorkennis van alle dingen, zouden wij alleen zulke ondernemingen beginnen, van welke wij zeker waren dat ze ons gelukken zouden. Laat dus niemand die dwaasheid aan God toeschrijven, welke hij aan zijn medeschepsel niet zoude toekennen.
2º. Onze zwakke vermogens niet in staat zijnde, om Gods besluit als een welluidend geheel te beschouwen, zoo zijn wij genoodzaakt Hem eene opvolging van handelingen toe te schrijven, welke geen wezenlijk bestaan heeft in Hem die een eeuwig _Heden_ is, dezelfde gisteren, heden en in eeuwigheid. Alzoo spreken wij over de liefde die God heeft tot zijne eigene heerlijkheid, als over de eerste daad in het plan der zaligheid en van _zijne eeuwige liefde_ als van de tweede. Maar in zijn oneindig gemoed is noch eerste noch tweede, toekomende noch verleden, vroeger noch later. Wanneer wij dan zeggen, dat de _eeuwige liefde_ een tweede beweegoorzaak is van zaligheid, gebruiken wij de taal door ons zwak verstand gevorderd, en meenen daarmede niet aan God eenige zulke onvolmaaktheid toe te schrijven, als eene opvolging van beweegredenen in zich behelst.
_Liefde_ dan is eene tweede oorzaak der verlossing. Maar indien Jehovah volmaakt en onveranderlijk is, moet zijne liefde van dezelfde natuur zijn. Hoe zuiverder, hoe onbewegelijker, hoe onveranderlijker de liefde is, hoe nader zij aan de volmaaktheid komt. Onstandvastig te zijn, gedurig van voorwerp te veranderen, neerslagtig, ontmoedigd, verward, vervreemd of in eenig opzigt door uitwendige omstandigheden verkoeld te zijn, neemt de zuiverheid der liefde weg. De liefhebbende vrouw, die in spijt van slechte behandeling en onverschilligheid aan haren man kleeft, die hem lief heeft in oneer en schande, zijn beeld op haar hart draagt, schoon hij als een doodschuldige gevat of als een boosdoener wordt gevonnisd, verwekt onze bewondering als een voorbeeld van echtelijke liefde. De teedere moeder, die om haren ongebonden zoon jammert, en hare hoofdpeluw met tranen van liefde tot hem doornat, schoon haar hart innerlijk verscheurd is door zijnen ligtzinnigen wandel, bewonderen wij evenzoo als een voorbeeld van moederlijke gehechtheid. De sterkte, de onveranderlijke natuur, de zuiverheid, de belangeloosheid van deze twee voorbeelden van menschelijke liefde, gaat ons onwillekeurig ter harte. Zullen wij nu de zuiverheid en volmaaktheid van schepsels genegenheid afmeten bij eenen zekeren standaard, en dien regel ter zijde werpen met betrekking tot de goddelijke liefde? Indien de liefde Gods tot de menschenkinderen onbestendig is, veranderlijk, afhankelijk van omstandigheden, veroorzaakt door hun gedrag, afwisselend gegeven en ontnomen, dan moeten wij stoutweg zeggen, dat zij onvolmaakt is, en indien de liefde Gods onvolmaakt is, dan is God zelf evenzoo onvolmaakt. Maar indien God hen, die Hij lief heeft, eeuwig, oneindig volmaakt lief heeft dan moet Hij hen onveranderlijk lief hebben. Heeft God dan alle menschen lief? Heeft Hij Ezau, Faraö, Saul en Judas lief? Hij zegt ons zelf dat Hij Ezau haatte (Mal. 1: 3) en Paulus verklaart, dat deze haat was, vóór dat de kinderen geboren waren en vòòr zij iets goeds of kwaads gedaan hadden. (Rom. 9: 10-13). Wij moeten dan tot dit besluit komen, dat God eenigen lief heeft en anderen haat. Maar is er geen beweegoorzaak in de voorwerpen zelve? Zijn niet eenigen goed en anderen kwaad; eenigen gehoorzaam en anderen ongehoorzaam; verdienen niet eenigen liefde en anderen haat? Indien alle menschen gelijkelijk gevallen zijn, allen even slecht, even ingewikkeld in zonde en verdoemenis, kan er in hen geen oorspronkelijk verschil zijn. Indien eenigen behouden worden, anderen verloren gaan; indien eenigen eeuwig gelukkig, anderen eeuwig rampzalig worden; moeten wij naar de oorzaak van dit verschil zoeken, ergens elders dan in de personen zelf. En laat ons over de zaak zoo lang redekavelen als wij willen, indien wij eenmaal de oorspronkelijke zonde en de val des menschen toegeven, moeten wij altijd tot hetzelfde besluit komen, dat het verschil gemaakt tusschen de gezaligden en de verdoemden, niet in hen maar in God gevonden wordt, in één woord, dat Hij vrijelijk eenigen haat en vrijelijk anderen lief heeft.
3º. Maar het bestaan der liefde, kan enkel door daden openbaar worden. Liefde is een verborgen beginsel in den boezem, in zoover als het betrekking heeft op hen _door_ wien zij gekoesterd wordt; maar betrekkelijk hen _tot_ wien zij gevoeld wordt, kan zij alleen door uitwendige daden blijken. Dus is liefde de oorsprong van de zaligheid, even als de zaligheid de vrucht van liefde is. De eene is de oorzaak, de andere het uitwerksel; de eene de innerlijke beweegreden, de andere de uitwendige daad. Maar wij meten de liefde af bij de proeven, die zij doorstaat; bij de opofferingen die zij doet; bij het lijden dat zij ondergaat voor het voorwerp van toegenegenheid. Bij denzelfden standaard meten wij de liefde Gods af, tot de kinderen der menschen. _Verlossing_ daarom wordt bestendig in het Woord voorgesteld als het bewijs van de liefde van Christus; "Christus had de gemeente lief en heeft zich zelven voor haar overgegeven." (Eph. 5: 25). "Die mij lief gehad heeft," zegt Paulus, "en zich zelven voor mij overgegeven heeft." (Gal. 2: 20). "Hieraan hebben wij de liefde gekend, dat Hij zijn leven voor ons gesteld heeft." (1 Joh. 3: 16). Indien dan verlossing de vrucht is van liefde, het gevolg en de uitdrukking daarvan, indien de liefde beperkt en bijzonder is, dan is de verlossing evenzoo beperkt en bijzonder. Het uitwerksel kan niet grooter zijn dan de oorzaak, noch de daad grooter dan de beweegreden.