Part 2
~De heer E.~ Neen, evenmin, want schoon zij de voorwaarden volbragt hebben en den Geest hebben en werkelijk in de liefde en gunst Gods staan, indien zij te eenigertijd ontaarden en afvallen, verwerpen zij den Geest, hun geloof en hunne bekeering, de gunst van God en al het goede dat zij bezaten en gaan eindelijk nog ten verderve. Het zijn dus deze dingen niet die hen kunnen zaligen, want eens bezaten zij ze. Zoo dat, al wat God de Vader gedaan heeft in hen, door de voorkennis van het goede dat Hij in hen zag, uit te verkiezen en te predestineren,--alles wat God de Zoon gedaan heeft in hen te verlossen,--al wat God de Geest gedaan heeft, in hunne harten te vernieuwen,--en de volbrenging der voorwaarden, alle deze dingen te zamen genomen hen niet kunnen zaligen, want deze afvalligen bezaten ze eenmaal, en indien zij het werk konden doen, hadden zij het moeten doen, zoodat gij ergens elders naar de zaligheid moet zoeken, want alle deze roepen ons toe: "Bij mij is het niet."
~De K.~ Inderdaad, mijnheer, gij drijft mij bijna tot wanhoop, want waar zal ik zoeken of verwachten de zaligheid te vinden, indien niet in eenige of alle deze dingen? Ik kan niet denken dat het bij de Engelen Gods te vinden is, schoon eenigen ook al eerbiedwaardig zijn gebleven; en gevallene engelen indien zij de magt hadden, zij hebben den wil niet, want zij haten beide God en den mensch. Tot wien zal ik dan gaan? Tot de heilige maagd? ik heb toch eenigen hooren zeggen, dat zij de moeder boven den Zoon achten?--Kan ik de zaligheid bij haar vinden of tot wien van de heiligen zal ik mij wenden?
~De heer E.~ Neen, neen, volgens de bovenvermelde leer van uwen vriend, behoeft gij zooveel moeite niet te doen, gij kunt het digter bij huis vinden, in uzelven, in hetgeen men noemt _vrije wil_; doch hetgeen _ik_ noem, de wil des vleesches, want wat bezit de mensch meer dan dit, terwijl hij dood is in zonden en misdaden? En immers wanneer God geneigd is om te verkiezen en te predestineren, doet hij het op de voorwetenschap van hetgeen de wil des vleesches zal doen. Christus verlost, maar het is de wil des vleesches die het zich moet verwerven of de mensch moet verloren gaan; God roept maar het berust in den wil des vleesches om de roeping te gehoorzamen of te verwerpen. En indien de wil des vleesches zoover hoort en vervult en de nieuwe geboorte verkrijgt, benevens al de voorvermelde zegeningen, toch blijft het nog de wil des vleesches om deze dingen te behouden of weer weg te werpen. Hier ziet gij de geheele kracht en het wezen der zaligheid en gij hebt op te zien tot _deze aanbiddelijke en verhevene zaak_, de wil des vleesches.
~De Pred.~ Zijt niet te haastig, mijnheer! Gij hebt nooit iemand van ons noch op den kansel, noch in druk hooren zeggen, dat het de wil des vleesches is, die den zondaar zaligt. Neen, integendeel wij verklaren dat de mensch een dood zondaar is, en niets tot zijne zaligheid doen kan, dat gij zien kunt in eene preek door Mr. Charles Wesley in het licht gegeven. Dit zijn de woorden (Eph. 5: 14) waar hij zegt: "dat een dood zondaar niets tot zijne zaligheid doen kan, evenmin als een ligchamelijk doode kan opstaan en de werkzaamheden van een levend mensch verrigten." En Mr. Fletcher bewijst uit Gods woord, in het eerste deel van zijn werk, dat de mensch niets doen kan, om zijne ziel te behouden, maar dat het is, het werk der genade Gods, Die aan iedereen een of twee talenten geeft, en indien hij er mede woekert door de middelen die God hem beschikt, zal hij daardoor meer genade ontvangen, en indien niet, zoo zal hij verdoemd worden; en dit is de beginnende genade Gods en de bekwaamheid des menschen en niet de wil des vleesches, zoo als gij zegt.
~De Heer E.~ Het is waar, dat ik u nimmer hoorde zeggen, noch van den kansel, noch door de pers, dat het de wil des vleesches is, die verlost; maar het is te bejammeren dat gij het niet doet, want gij misleidt het volk, door leerstellingen te verkondigen die in den wil des vleesches zich vereenigen en den mensch leiden om daarop te rusten. Het _moet_ zoo zijn volgens uwe stelling. Niet in den wil en het welbehagen Gods, want gij zegt; Hij zou hem verlossen indien de wil des menschen de voorwaarde wilde volbrengen; niet in de verlossing door Christus, want Hij heeft hen verlost, maar zij willen de verlossing niet hebben; niet in de roeping, want velen willen niet gehoorzamen; niet in die genade, die men zou kunnen verkrijgen, want de wil des menschen verwerpt den Geest Gods met alle zijne genade, en verandert zich zelven weer van genade in natuur, keert van vrede tot toorn, van liefde tot haat, van een schaap van Christus tot een bok des satans, van de zaligheid tot de verdoemenis.
En wat gij ter wederlegging voortbrengt dient slechts ter bevestiging, want gij zegt dat God aan iedereen een talent van genade geeft om winst mede te doen; naarmate hij er mede woekert, wint of verliest hij, is hij zalig of verloren. Hadt gij gezegd dat God een talent van genade gaf, om den mensch te bekeeren, zijn hart te veranderen en zijne ziel te redden, ik zou u gaarne geloofd hebben, die genade zou den mensch inderdaad zalig maken. Maar gij zegt met Mr. Fletcher, dat de mensch het talent moet doen toenemen, tot hij trapsgewijze genade ontvangt. Nu laat mij u of Mr. Fletcher vragen: wat is een mensch, of wat heeft hij vóór hij het talent ontvangt? _Niets, niet met al_, gelijk door u beide beleden is, slechts eene zondige gevallen natuur, de wil des vleesches, om met het talent te woekeren. Zoo komt het op hetzelfde punt neer en bevestigt het. Indien de wil des vleesches goed en vlijtig arbeidt, ontvangt hij; doch indien hij zich het talent onwaardig maakt en het verwaarloost en niet ijverig werken wil heeft hij geene zaligheid; en indien hij niet toonen kan, dat de mensch niet iets meer heeft dan den wil des vleesches vóór hij het talent ontvangt, moet immers dat het zijn, waar het op aankomt en waar zijne zaligheid van afhangt? Zou het niet veiliger voor u zijn te gelooven dat het talent zelf den mensch bekeert en verlost, dan dat de mensch het talent verbeteren, behouden en bewaren moet?
~De Pred.~ Gij moogt zeggen wat ge wilt, maar wij gelooven, dat God de zaligheid heeft bestemd voor iedereen op zijne gehoorzaamheid, en ons zijne dienstknechten gezonden heeft om hem te roepen tot het volbrengen der voorwaarden, iedereen de genade Gods aan te bieden op de vervulling der conditiën en hen te verzekeren, dat God van zijne zijde alles gedaan heeft en indien zij het hunne willen doen, zij gezaligd zullen worden.
~De heer E.~ Ja, ik sta gereedelijk toe, dat wat gij gezegd hebt, de wijze is van uwe bediening, waarover ik mij menigmaal verwonderd heb, en ik ben nooit in staat geweest om het eene deel van uwe predikatiën met het andere overeen te brengen. In uwe gebeden tot God, gaat gij heen en smeekt Hem, zijne genade aan zondaren te willen geven, dat het Hem behagen moge hunne harten daardoor te veranderen, hun genade te geven tot geloof en bekeering, genade om hen te verzoenen, te regtvaardigen, te heiligen en te verlossen. Dit alles vraagt gij aan God, hun te willen schenken en mededeelen; kort daarop gaat gij de genade en zaligheid voor het aangezigt Gods iedereen aanbieden. Wanneer ik dit alles hoor, moet ik mij verbazen, want in uw gebed schijnt gij vast te stellen, dat het te geven alleenlijk en uitsluitend het regt des Heeren is en een oogenblik daarna spreekt gij alsof gijlieden geroepen zijt om het iedereen aan te bieden, die gewillig is om het te ontvangen. Nu, schoon velen het niet begeeren toch denk ik dat er in elke gemeente eenigen zijn, die verlangen genade en zaligheid te ontvangen. Vooronderstel dat een dezer opstond en tot u zeide: Ik ben verlangend om te ontvangen en gij zijt gereed om te geven, wilt gij zoo goed zijn, mij de genade des geloofs en de genade tot verzoening, regtvaardigmaking, heiligmaking en verlossing te geven? Zoudt gij niet genoodzaakt zijn te antwoorden in de taal der wijze maagden tot de dwazen: "Niet alzoo, opdat er misschien voor ons en voor u niet genoeg zij," want ik heb niet meer genade dan om mij zelven te behouden, indien maar zooveel! Zoudt gij niet verpligt zijn den armen vraager naar eene andere fontein te verwijzen om genade te erlangen? Zoudt gij hem niet op Christus moeten wijzen, in Wien het alleen is en uit wiens volheid het alleen kan ontvangen worden, en hem zeggen, dat hij zijne begeerte aan God moest bekend maken en aan zijnen troon wachten, tot het Hem behagen mogt te hooren en genade te geven? Zou de man niet grootelijks teleurgesteld zich van u af moeten wenden en zoudt gij niet gedwongen zijn, om overdekt met schaamte neder te zitten? En zou het wel overdreven zijn indien het publiek uitriep: "die man is een spotter, hij biedt genade en zaligheid aan en wanneer iemand het begeert, heeft hij niets om te geven." Laat mij u raden, uwe spotternij te laten varen en het volk op God te wijzen in Wien genade is, en Die het alleen kan mededeelen; want Hij zal het u niet toevertrouwen, noch u de eer geven over iets te beschikken.--Neen; het is Zijne eigen regt en Zijne eigene heerlijkheid, barmhartig te zijn dien Hij wil en Zijne genade te geven aan wien en wanneer het Hem behaagt.
~De Pred.~ Mij dunkt, ik begin te bemerken dat gij van gevoelen een Calvinist zijt, en het zou mij niet verwonderen een Antinomiaan tevens, die gelooft, dat wat ook in den tijd geschiedt, door God van eeuwigheid is besloten en vastgesteld, een leerstelling die ik haat met den grootsten afschuw, hoewel ik niet denk dat volgens deze leer gij of iemand anders het regt hebt ons te beschuldigen wegens hetgeen wij prediken of doen. Want indien alle dingen door God bepaald zijn en gebeuren moeten, dan is het ook besloten, dat wij zouden gelooven, prediken en handelen, gelijk wij doen, en wij zoowel als anderen vervullen slechts de besluiten Gods. Wij kunnen niet verkeerd handelen in zijnen raad te volvoeren. Zoodat, indien gij gelijk hebt, wij geen ongelijk kunnen hebben, dit mag ons eenigen troost verschaffen.
~De Heer E.~ Indien gij meent dat ik een Calvinist ben, weet gij meer van mij dan ik van mijzelven, want ik heb nooit meer dan eene enkele pagina van de werken van dien grooten Hervormer gezien of gelezen, en ik ben verzekerd dat wij op dit punt door hem behandeld, zoover in gevoelen van elkander verschillen als twee personen kunnen doen, schoon wij in andere opzichten, zoover ik weet, mogen overeenstemmen. Maar het is niet de mensch, van welk gezag ook, noch Calvijn, Luther, Wesley noch Fletcher, dien ik in mijn geloof wensch te volgen, maar het zuivere Woord der Profectie, de Schriften der Waarheid.--Ik schaam mij niet te bekennen, dat ik geloof dat God alle dingen van eeuwigheid bepaalde, vaststelde en verordende: ja, dat gij en alle anderen de besluiten Gods zijt vervullende, en niettegenstaande, dat velen zullen gevonden worden verkeerd te zijn! Zoodat dit uw wachtwoord: "Indien zij het regt hebben, kunnen wij geen ongelijk hebben," zoo algemeen in de monden der Methodisten, u zooveel troost niet zal laten, als gij u moogt voorstellen. Indien ik uwe meening wel versta, is het deze: dat indien God alle dingen, die de menschen doen, heeft besloten, zij niet schuldig kunnen zijn; zij vervullen zijnen raad, alzoo zijn zij regt, zij kunnen niet verkeerd zijn. Maar heeft God niet besloten toe te laten, dat engelen en menschen zijne heilige wet overtraden, en daar Hij toch de magt had het te verhinderen, is het zijnen wil geweest? God heeft den mensch en de Engelen regt gemaakt. Hij zag dat zij vele kwade vonden zouden uitvinden en ze evenzoo uitvoeren, indien Hij het niet verhinderde. Daar Hij het voorzag moest Hij in zijn eigen gemoed tot een besluit komen of Hij het zoude toelaten of verhinderen. Maar wij zijn genoodzaakt deze onloochenbare daadzaak te gelooven, dat, daar Hij het niet belette, Hij besloot om het toe te laten; en Hij laat het nog toe, daar Hij het ieder oogenblik konde verhinderen; en als de mensch gewillig zondigt, laat God hem de gelegenheid om alzoo te doen, door in Zijne Voorzienigheid zijn leven te onderhouden. Zal dan de mensch tot God zeggen; omdat Gij besloten hebt, mijn leven en mijne gezondheid te bewaren en mij uit eigen beweging te laten handelen enz., daarom kunnen wij niet verkeerd doen? Ik weet, de mensch zal, indien hij kan, zijne zonden op anderen schuiven en zelfs God beschuldigen, eerder dan eene zonde of bewezen schuld te bekennen. Adam was gereed te zeggen: "de vrouw, die Gij mij gegeven hebt die heeft mij van dien boom gegeven," en de vrouw: "die slang heeft mij bedrogen" enz. Maar wij hooren geen van beiden zeggen: "Gij liet den satan toe ons te vinden en te verzoeken en tevens ons om te vallen; hetwelk alles Gij hadt kunnen beletten; maar daar Gij besloten hebt deze verzoeking toe te laten en ons, om er in te vallen, kunnen wij in de uitvoering niet verkeerd zijn." Tot zulk eene diepte van schaamteloosheid waren zij niet gekomen. Simeï vloekte David; toen zeide Abisai tot David: "Laat mij toch overgaan en zijnen kop wegnemen." "Neen," zegt David, "de Heere heeft toch tot hem gezegd: vloek David." Nu, had iemand Simeï verweten den gezalfde des Heeren gevloekt te hebben of gezegd dat hij schuldig was in zoo te doen, zoo mogt hij geantwoord hebben: "God besloot mij toe te laten om David te vloeken, ja, Hij heeft mij zulks bevolen en is het dan zonde wat God bepaald en mij bevolen heeft? Indien God in zijn besluit regt handelt, kan ik geen onregt doen in de uitvoering." Doch wij lezen niet dat Simeï zoover gegaan is, in zijne goddeloosheid op Gods toelating te werpen. De Apostel Petrus, sprekende tot degenen die Christus gekruist hadden, zeide, dat Hij, dien zij hadden gevangen genomen, gekruist en gedood, naar den bepaalden raad en voorkennis Gods was overgegeven en dat Gods hand en raad te voren bepaald had, dat het geschieden zoude. Zeide Petrus hun, dat zij de besluiten Gods hadden volbragt in het vermoorden van den Heere der heerlijkheid? Dan hadden zij kunnen antwoorden: "Petrus, indien gij gelijk hebt dan kunnen wij geen ongelijk hebben, deze handen waren bestemd om het te doen, of het voornemen Gods kon niet uitgevoerd zijn." Doch schoon wij lezen dat de Joden het Evangelie tegenspraken en lasterden, wanneer het door Paulus en anderen gepredikt werd, toch lezen wij niet, dat zij tot zulk een trap van Godslastering zijn gekomen om te zeggen: "Indien gij gelijk hebt, kunnen wij geen ongelijk hebben." Wij lezen van een booze geest, die vrijheid van God ontving om een leugengeest te zijn in den mond van de valsche profeten, om Achab te misleiden en te overreden. Toch gelooven wij, dat de booze geest bevonden zal worden, ongelijk te hebben en dat zij, op wie hij invloed uitoefende, evenzoo zullen openbaar worden kwaad gedaan te hebben met naar zijne voorschriften te handelen. Wij lezen dat de Satan onder de toelating zich verandert in een engel des lichts om te misleiden, en dat zijne dienaars tot hetzelfde einde zich veranderen als waren zij dienaars der geregtigheid, toch twijfelen wij niet, of beiden, de satan en zijne dienaars, zullen eenmaal gevonden worden in het ongelijk te zijn, "van welke het einde zal zijn naar hunne werken!" Wij gelooven dat in de laatste dagen spotters zullen komen, die naar hunne eigene begeerlijkheden zullen wandelen; die verderfelijke ketterijen bedektelijk invoeren zullen en velen hunne wegen navolgen zullen, door welke de weg der waarheid zal gelasterd worden; dat de menschen zullen zijn liefhebbers van zichzelven, hoovaardigen enz. Nu, indien God niet bepaald had, dat alle deze dingen geschieden zouden, kon Hij het ons in zijn woord niet gezegd hebben; maar moest gewacht hebben, tot het geschiedde en terwijl hij achttien honderd jaren geleden, reeds verklaard heeft, dat het zoo zijn zou, zoo _moet_ het alzoo geschieden of deze gedeelten van zijn woord moeten onvervuld ter aarde vallen, en dan, wie kan op eenig gedeelte daarvan staat maken? Maar het is het onfeilbare woord der waarheid en moet regt zijn, en al de bovenvermelde dingen zijn goddeloosheden, die wij weten dat eenmaal onregt zullen bevonden worden.
Ik beken, dat, indien ik een van de bovenvermelde karakters ben, ik zonder twijfel verkeerd zal zijn. Maar, indien gij anders denkt en het voor God kunt uithouden en het gerigte Gods denkt te trotseren, gij moet weten wat gij gelooft. Maar "o mensch! wie zijt gij, die tegen God antwoordt? Zal ook het maaksel tot dengenen die het gemaakt heeft, zeggen: waarom hebt Gij mij alzoo gemaakt?"
~De Pred.~ Ik vrees waarlijk, mijnheer! dat gij gelijk het gros uwer broederen in een gemakkelijken stoel gezeten zijt, maar zorg dat gij niet zacht zit, tot de duivel u haalt en gij dan ziet, wat de besluiten Gods over u zijn; met zulk een geloof kunt gij alle werk laten varen, want dewijl gij gelooft dat God zoo velen door zijne souvereine genade zal behouden, zult gij zeggen: "Indien God mij hebben wil, zal Hij mij wel halen, indien niet, zoo zal Hij mij toch niet zalig maken, wat ik ook doe." Zulk eene leer kan geene andere strekking hebben, dan om den mensch in de zonde te verharden. Geen wonder dat gij Calvinisten, zwarte harten hebt.
~De heer E.~ Wat betreft te gelooven aan Gods besluiten en dat Hij alles werkt naar den raad zijns willens, hetwelk gij noemt gezeten zijn in een gemakkelijken stoel, ik erken dat ik daar gezeten ben en gaarne wensch af te wachten elk der dingen, die gij voorgebragt hebt om mijn geloof te wederleggen. Wat mij ook moge halen, zoo als gij zegt, weet ik niet, en dat God komen en mij trekken moet, indien ik ooit in den hemel zal komen, is eene waarheid. Ik ben zeker, dat Hij reeds menigeen van de aarde ten hemel getrokken heeft. Hij beloofde zijne discipelen, dat, wanneer Hij henen zou gegaan zijn,--Hij wederkomen zou en hen tot zich nemen, opdat waar Hij was, zij ook zijn mogten. En indien wij in den toestand zijn van hem, die onder de moordenaars viel, gewond en hulpeloos, en indien gij, werkdadige Priesters en Levieten, ons voorbij komt, ons ziet en geen bijstand aanbrengt, indien wij op uwe roeping niet in staat zijn ons zelven te helpen of op te staan, heb dan medelijden met ons, liever dan ons te bespotten en verwijtingen te doen! En indien de God van alle genade den goeden Samaritaan mogt zenden, en Hij naar zijne groote barmhartigheid den wijn en de olie der genade in onze wonden mogt gieten, dezelve verbinden, ons zet op zijn eigen beest, ons naar de herberg voert, de kosten betaalt, de waard last geeft ons te verzorgen en belooft voor alle kosten in te staan, mor dan niet tegen zijne vrije goedheid, wij kunnen zonder dat niet gelukkig zijn noch geholpen worden. Maar indien gij sterk en ongewond zijt, of indien gij uzelven kunt genezen of naar de herberg loopen, of indien gij, daar zijnde voor uzelven zorg kunt dragen of de kosten betalen, gij hebt de vrijheid, help u zoo goed gij kunt. Wij belijden dat wij niets doen kunnen, ja zelfs, overtuigd van onzen verloren staat, niet op de borst kunnen slaan en uitroepen: "O God, wees mij zondaar genadig!" of "Red ons Heere! wij vergaan!" Wat aangaat, dat deze onze leer de zonde aanmoedigt, het is een oude beschuldiging tegen Paulus en anderen in hunne dagen ingebragt, door hen die zeiden: "Laat ons het kwade doen, opdat het goede daaruit voortkome." Wij verheugen ons gerangschikt te worden onder zulk een eerwaardig gezelschap als de Apostelen. Indien wij onze beginselen uit dezelfde fontein hebben, door denzelfden Heere zijn geroepen, onze oogen door dezelfde hand geopend zijn en onze harten door denzelfden magtigen arm zijn veranderd, moeten wij onvermijdelijk in zekere mate denzelfden laster en hetzelfde verwijt ondervinden, gelijk deze goede menschen ondervonden van de wereld en de tegenstanders van den Heere Jezus Christus, en wel omdat zij de eer van 's menschen zaligheid Hem alleen toekenden en zich niet vermeten de onreine vodden van onze geregtigheid te vereenigen, met dien grooten naam, wien toekomt eer en heerlijkheid tot in alle eeuwigheid. Indien wij in dezen staat zijn, hebben wij inderdaad reden ons te verblijden en zijn bovenmate verheugd, wanneer men ons voor zijne zaak met allerlei lasten bezwaart. Maar wij gelooven dat gij u moet schamen, geschaard te zijn aan den kant der lasteraars; en wat aangaat de zwartheid onzer harten, wij weten dat ze zoo zijn; ja, wij zijn snoode zondaars en niets meer, de boosheid is ons eigen, wij kunnen geene volmaking vinden noch in- noch uitwendig. Doch wij zullen niet wanhopen, wij weten dat zondaars kunnen gezaligd worden zonder de werken der wet. Het bloed van Christus en de Geest der waarheid zijn in staat ons van alle zonden te reinigen en op den dag zijner heirkracht zullen wij een zeer gewillig volk zijn, om God in den weg zijner eigene instellingen te gehoorzamen en te dienen. Tot onze zaligheid zien wij uit en zoeken naar Zijne geregtigheid alleen, want wij weten dat in ons vleesch niets geen goed woont.
~De Pred.~ Gij zult dan maar bij uw eigen systeem moeten blijven wat ook de gevolgen mogen zijn. Al stoot men een dwaas in een mortier met eenen stamper, zijne dwaasheid zal niet van hem wijken. Mij dunkt mijne woorden hebben geenen invloed op den heer E. Maar wat denkt gij er van Kapper? Gij hebt mijn geloof gehoord en zijne aanmerkingen er op, naar welke zijde gevoelt gij uw gemoed overhellen?
~De K.~ Wel, als ik spreken zal naar de geneigdheid van mijn gemoed, geloof ik dat de heer E. het beste op de hoogte der zaak is, dit is althans mijn oordeel, want hij heeft aangetoond, dat achtervolgens uwe stelling, de zaligheid niet in den wil en de werking van God ligt, want gij zegt dat Hij de zaligheid van alle menschen wil, maar het niet uitvoeren kan, omdat het schepsel ook niet wil. Gij zegt dat Christus alle menschen verlost heeft, maar dit behoudt hem niet, omdat zij de voorwaarden niet willen volbrengen om het deelachtig te worden. Gij gelooft dat God iedereen roept, maar velen niet zullen gehoorzamen. Gij zegt; Hij geeft aan iedereen een talent of talenten van genade, en eenigen zijnde gehoorzamer dan anderen, vermeerderen hunne talenten, gelooven en bekeeren zich, hebben hunne harten vernieuwd en worden met God verzoend, en toch zijn er die deze zegeningen weder wegwerpen, weder onder de verdoemenis komen en ten laatsten verloren gaan. Daarom kan onmogelijk iets van hetgeen door u opgenoemd is, de oorzaak zijn van des zondaars zaligheid, dat is te zeggen: ze kan niet in Gods wil liggen, want gij zegt dat hij het wil en toch worden zij er niet door behouden; niet in de verlossing door Christus, want gij zegt: Hij verloste alle menschen en toch gaan vele van deze eindelijk verloren; noch in de roeping van God of het gegeven talent, dit hebben zij ook, zooals gij zegt; noch in de wedergeboorte; noch in den Geest van God; noch in het geloof in Christus; noch in de bekeering tot God; noch in hun eenmaal verzoend en geregtvaardigd zijn; want gij beweert dat velen alle deze dingen bezeten hebben en toch door allen te zamen niet behouden worden. En wat bezit de mensch buiten deze dingen meer, dan de wil des vleesches? en gij schijnt onwillig toe te staan, dat ook deze hem zoude verlossen. Wilt gij zoo goed zijn, mij te verklaren wat het dan is dat dit groote werk veroorzaakt en werwaarts ik moet gaan om het te zoeken?
~De Pred.~ Dat zou inderdaad geen zware taak zijn, maar ik verzoek u mij thans te willen verschoonen, daar mijn werk mij elders roept.
II.
EEN ANTWOORD
OP DE
~GEWICHTIGE VRAAG~:
#Wat is het, dat eene zondaar zalig maakt?#
DOOR
#J. C. PHILPOT.#
VOORREDE.