Part 4
Maar is verlossing eene volmaakte daad, een voleindigd werk? Indien het de uitvoering is van een oorspronkelijk plan en te gelijk uitgevoerd door God geopenbaard in vleesch, moet het zekerlijk zoo volmaakt zijn als deszelfs Auteur. Doch is een werk volmaakt dat onzeker en toevallig is, dat afhangt van de wispelturige eigenzinnigheid en den veranderlijken wil des menschen en dat nog wel van een gevallen mensch? Hing de schepping der wereld af van de medewerking des menschen? Kan hij een enkel grasscheutje doen groeijen, één haar wit of zwart maken? Is de medewerking des menschen gedoogd in eene enkele van Gods handelingen? Indien zoo iets mogelijk ware, zou dan niet het mengsel van schepsels werk het geheel bezoedelen en bederven? Indien de verlossing algemeen ware en slechts een deel zaligde, kan het een volmaakt werk genoemd worden? Indien verlossing ontspringt uit liefde, en de verlossing algemeen is, dan zal ook de liefde algemeen zijn; maar indien iemand verloren gaat, indien iemand in de hel is, voor wien Christus stierf, zal hunne verlossing ijdel zijn en al de liefde van Christus tot hen was te vergeefs. Hij betaalde hunne schuld, en nog staat hunne schuld open. Hij nam hunne zonden weg en nog blijven hunne zonden. Hij had hen lief, had magt om hen te verlossen, deed al wat Hij kon om hen van de hel te bevrijden, kwam op aarde met het opzettelijk voornemen om hunne zonden te dragen op het hout, stond voor hen op van den dooden en voer ten hemel als hunnen Hoogepriester en Voorspraak--en na dit alles kan Hij hen niet verlossen,--na geheel deze magtige oneindige, onmetelijke betooning van liefde, lijden, tranen, zuchten, doodsangst en bloed, sterven zij in hunne zonden en worden in de hel geworpen. Is Christus wezenlijk en waarachtig God? Heeft Hij al de eigenschappen der Godheid? Is Hij alwijs en almagtig? Ziet Hij het einde van het begin, en weet Hij alle dingen, die verleden, tegenwoordig en toekomend zijn? Wist Hij toen Hij aan het kruis hing wie behouden zou worden en wie verloren zou gaan? Dan, welk eene ijdele en nuttelooze betooning van liefde en lijden; wat eene noodelooze opeenhoping van smarten en doodsangsten, indien het uitwerksel van al wat Hij toen leed, afhing van den vrijen wil des menschen en millioenen nimmer voordeel zouden trekken uit alles wat Hij toen voor hen onderging. Maar stierf Christus voor de zonden des ganschen menschelijken geslachts? Dan droeg Hij de zonden der lieden van Sodom en Gomorra; van het leger van Faraö dat in de roode zee verdronk; van Korach, Dathan en Abiram welke de aarde verzwolg; van de zeven vervloekte volken van Canaän en van allen die in den algemeenen zondvloed omkwamen. Maar alle deze zijn in hunne zonden gestorven. Werd hun in de hel bekeering geschonken? Droeg Christus hunne zonden aan het kruis en ging Hij daarna in de hel met aanbiedingen van genade aan de verdoemden? Had de vrije wil eene andere gelegenheid, een ander heden der genade; verschaft het een ander getijde tot de uitoefening van haren magtigen invloed? Judas zegt ons (vers 7) "dat de zoodanigen zijn voorgesteld tot een voorbeeld, dragende de straf des eeuwigen vuurs," Paulus zegt: "dat zij vernield zijn van den verderver." (1 Cor. 10 vs. 10). Maar indien Christus voor allen stierf, zoo stierf Hij ook voor deze, en indien Hij voor deze stierf, zoo moet er eenig oogmerk zijn, er moet iets geschieden, eenig uitwerksel moet er voortkomen uit zijn dragen van hunne zonden. Indien Hij voor hen niet stierf, dan is de verlossing niet langer algemeen, wij ontdekken millioenen voor wie Christus niet gestorven is en eensklaps is er een einde gemaakt aan de algemeenheid van al die teksten, die zoo dikwijls worden aangehaald ten gunste der algemeene verzoening. Indien Hij voor hen stierf, dan trekken zij al of niet eenig voordeel uit zijnen dood. Indien zij er het minste voordeel uit trekken, dan worden er verlost, die reeds in de hel zijn, die in hunne zonden gestorven en onder den toorn Gods zijn vergaan. En indien eenigen, waarom niet allen? De smarten der hel zullen hen zekerlijk geleerd hebben, om hunnen vrijen wil beter te gebruiken dan zij deden op aarde, en één uur ondervinding van den brandenden poel heeft hen doen instemmen, met de aanbiedingen van genade. Christus behoefde zoolang niet te vergeefs aan de deur hunner harten te kloppen, als Hij volgens de Wesleijaansche predikanten nu doet aan de harten hunner hoorders! Zij zeggen, indien de verdoemden dezelfde aanbiedingen van genade hadden als wij hoe gaarne zouden zij die omhelzen! Nu, indien Christus dan voor hen gestorven is, zoo is de hel reeds sedert lang ontvolkt van zijne aloude bewoners. Caïn, Faraö, Saul, Achitofel, Doëg, Ezau en duizend anderen, die de schrift voorstelt als vijanden Gods, zijn nu in den hemel, zingende het lied des Lams. Maar indien Christus voor hen niet gestorven is, dan is de verlossing niet algemeen, er is eene beperking gemaakt en zij is wat wij belijden, bijzonder.
Dus beschouwen en gelooven wij met de schriften der waarheid, dat Christus "zijn leven heeft afgelegd voor zijne schapen; eens werd overgegeven om de zonden te dragen van velen; het volk reinigde met zijn eigen bloed; de gemeente lief had en zich zelven voor haar overgaf"; en de zonden droeg van zijn uitverkoren geslacht in zijn eigen lichaam op het hout. Gelijk de namen van de kinderen Israëls op de borst des Hoogepriesters gedragen werden, (Exod. 28: 29) zoo gelooven wij dat Christus op zijn hart de namen droeg van zijne uitverkorenen, toen Hij aan het kruis hing en zijn bloed stortte voor al hunne zonden en ongeregtigheden. Hij betaalde hunne schuld tot den laatsten penning, voldeed aan de strengste eischen der eeuwige geregtigheid, leed in ligchaam en ziel het volle gewigt, de volle maat en het tal van de zonden van zijn volk en liet geen enkele hunner zonden, ongeboet en onverzoend. De Godheid gaf waarde en verdienste aan het lijden der menschheid, en dus werd Immanuël, God met ons, de algenoegzame Zaligmaker van allen die Hem gegeven, door Hem bemind en verlost waren.
4º. De laatste tak der zaligheid als eene uitwendige daad, die wij nog zullen beschouwen, is de toegerekende geregtigheid van den Zoon van God, zijnde tot allen en over allen, die gelooven.
De wet van God, zijnde het afschrift van zijne eeuwige geregtigheid, kon niet straffeloos verbroken worden, dan dat God ophield God te zijn. Tenzij dus de wet volmaaktelijk werd gehoorzaamd, òf door den mensch wien hij gegeven was of door een Borg die in zijne plaats stond, zoo moest die heilige en regtvaardige wet al deszelfs straffen en vloeken in alle eeuwigheid over den overtreder uitstorten. Indien dit waar is, dan is Christus gekomen onder de wet en gehoorzaamde haar volkomelijk, of voor geheel het menschelijk geslacht of voor een gedeelte deszelven. Indien voor het geheel, dan worden alle menschen geregtvaardigd, alle menschen hebben de wet gehoorzaamd door hunnen Borg, allen staan voor God in Christus volmaakt, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks (Efez. 5: 27); de deuren des hemels zijn geopend voor allen, en geheel het geslacht van Adam, zal in huwelijksgewaad nederzitten aan de bruiloft des Lams. Maar indien dit de waarheid niet is en schoon _allen_ de wet hebben overtreden, slechts _een gedeelte_ behouden wordt, dan moeten wij tot het besluit komen, dat alleen die geregtvaardigd worden voor wie Christus als een Borg de wet vervulde, en dat het Israël alleen is die in den Heere geregtvaardigd worden en zich zullen beroemen. (Jes. 45 vs. 25).
2. Dusver hebben wij de verlossing geschetst als eene uitwendige daad, als iets gedaan voor ons en buiten ons. In deze gemeenschappelijke overeenkomst en onderhandeling hadden wij als werkende leden geen aandeel. Zij werden bepaald en uitgevoerd vóór wij eenig aanwezen hadden, uitsluitend in het voorbeschikkende gemoed van Jehovah. Gelijk de boom zijne botten uitgeeft, welke botten een bestaan hadden in den boom, vóór zij in zigtbaren groei kwamen, zoo brengt het predestinerend voornemen van den drieëenigen God ons in aanwezen, opdat wij de voordeelen mogen genieten van al hetgeen voor ons gedaan werd, toen wij nog slechte aanwezen hadden in het gemoed van Jehovah.
En dit leidt ons om te spreken over de zaligheid als een werk gewrocht _in_ ons, als eene magtige daad waardoor datgene wat oorspronkelijk en altijd het onze was, eene persoonlijke wezenlijkheid wordt, eene werkelijke bezitting, eene ontvangene erfenis, gelijk een erfgenaam wanneer hij meerderjarig wordt, het vermogen aanvaardt dat zijn eigendom was, lang voor hij in het bezit daarvan gesteld werd.
God is alwijs en daarom doet Hij geene overhaaste, noch onbedachtzame stappen. Gelijk het oorspronkelijke ontwerp der zaligheid door oneindige wijsheid werd uitgedacht, zoo zijn ook al de volgende trappen van uitvoering van dat plan, geregeld door dezelfde eindelooze wijsheid. "Met welke Hij overvloedig is geweest over ons," zegt Paulus, "in alle wijsheid en voorzigtigheid." God stelt dus zijn volk in zijne bedeelingen met hen, niet op eens in het bezit van al de zegeningen die Hij voor hen bewaard heeft. Hij heeft bij voorbeeld hunne zonden vergeven maar Hij stelt hen niet onmiddelijk in het bezit van die weldaad, wanneer Hij hen door zijne genade roept. Hij heeft hen eerst hunne behoefte daaraan te leeren. Hij heeft hunne harten voor de ontvangst daarvan te bereiden. Het is geen gemeen geschenk en Hij heeft hen te onderwijzen, hoe het te waarderen. Zij zijn verlost van toorn en eeuwige rampzaligheid, van zijn vreeselijk ongenoegen en schrikkelijke verontwaardiging tegen de zonde. Zij hebben noodig dat hun getoond worde en dat zij innerlijk gevoelen _waarvan_ en _waartoe_ zij verlost zijn. En gelijk de eik niet in éénen dag tot zijnen vollen wasdom komt, maar jaren van zonneschijn en onweer, van felle winden en huilende stormen noodig heeft, om hem kracht en stevigheid, eenen diepen en uitgebreiden wortel te geven, zoowel als eenen verheven en met takken gevulden stam, zoo hebben Gods kinderen maanden en jaren van beproeving en verzoeking noodig, opdat zij nederwaarts diepen wortel schieten, en gezond en krachtig opwaarts groeijen mogen. Dus, vóór dat de ziel iets omtrent de verlossing weten kan, moet zij diep en ondervindelijk leeren, de natuur der zonde en van zich zelve als door haar bezoedeld en onteerd. Zij is hoogmoedig en moet vernederd worden; zorgeloos en moet wakker geschud worden; levend en moet gedood worden; vol en moet ontledigd worden; geheel en moet gewond worden; bekleed en moet ontbloot worden. Zij is van nature eigengeregtig en zelfzuchtig, diep begraven in wereldsgezindheid en vleeschelijkheid; ten uiterste blind en onwetend; vervuld met vooroordeel, verwaandheid, eigendunk, vijandschap en zij haat al dat hemelsch en geestelijk is. De zonde in al derzelver verschillende vormen, is haar natuurlijk element. Begeerlijkheid, vleeschelijke lusten, wereldsch vermaak, zucht naar eer van menschen en onverzadelijke dorst naar zelfbevordering; eene volkomene overgifte aan alles wat nieuwe begeerten des harten kan streelen en bevredigen; eene uiterste verachting en afkeer van alles wat haar dolzinnig najagen van wat zij lief heeft, beteugelt of verijdelt, deze zijn eenige van de gedachte van de onvernieuwde natuur des menschen. Opvoeding, zedelijk bedwang of de kracht der gewoonte mogen het ontbreken van inwendig bederf bedwingen, en een dam opwerpen tegen den woedenden stroom van inwonende zonde, zoodat het niet al zijne grenzen zal verbreken en het land verwoesten; maar geene zedelijke beteugeling kan de menschelijke natuur veranderen. Een geketende tijger blijft een tijger. De moorman kan zijne huid niet veranderen, noch de luipaard zijne vlekken (Jer. 13: 23).
Den mensch juist het tegengestelde te maken van wat hij oorspronkelijk is; te maken dat hij God lief heeft in plaats van Hem te haten; Hem te vreezen in plaats van tegen Hem op te staan en te beven voor zijne geduchte Majesteit, in plaats van met dik verhevene schild Hem te bestrijden; om dit magtige werk te doen en deze wonderbare verandering te weeg te brengen, is er noodig, de inplanting van eene nieuwe natuur, door de onmiddelijke hand van God zelf. Natuurlijk licht, natuurlijke liefde, natuurlijke gehoorzaamheid, in één woord, alle natuurlijke godsdienst is hier nutteloos en krachteloos. De stroom te keeren verandert de natuur der wateren niet. Laat de loop van de modderige beek inplaats van naar het zuiden, naar het noorden geleid worden, het blijft eene modderige beek. Alzoo mag de oude natuur beteugeld, gewijzigd, en in nieuwe en in verschillende kanalen geleid worden, maar het is en blijft de oude natuur. En dit is de bediening van honderden, die zich dienstknechten van Christus en arbeiders in Zijnen wijngaard noemen, om houweel en spade te nemen en verscheidene kanalen te graven voor de wateren der oude natuur, en wanneer zij na veel moeite en arbeid, eenige weinige stroompjes in hunne naauwe kanalen hebben doen vloeijen, verwaardigen zij de vruchten van hun werk met de namen van "bekeering, wedergeboorte en een werk der genade." Alzoo maakt de eene een kanaal in de Zondagschool, een ander graaft een breed kanaal voor het bijbelgenootschap, een derde maakt eene nieuwe opening voor besliste vroomheid en een vierde holt eene wijde groef uit voor eigengeregtigheid, onder den naam van Christelijke heiligheid. Maar na al hunne moeite en na al hunnen voorspoed in het leiden van de stroomen der natuur in deze nieuwe kanalen, is het nog de oude natuur, even gevallen, even onwetend, even blind, even vleeschelijk, even dood, even vol van vijandschap tegen God en even onbekwaam als ooit om het koningrijk der hemelen binnen te gaan. Om de buitenzijde der oude natuur te witten, te schilderen, te vergulden, te bekleeden, op te schikken, te versieren, in één woord, te hervormen, is de godsdienst van den dag. Honderde kerken en kapellen worden gebouwd, duizende predikatiën worden gedaan en millioenen gelds worden besteed, alleen met het doel om uit het ruwe blok hout der natuur, de gedaante, ledematen en gelaatstrekken van een mensch te formeren, en al deze arbeid brengt niets voort dan eene gedaante, een beeld, eene levenlooze gelijkenis van levende godzaligheid, welke eenen mond heeft maar niet spreekt, het heeft oogen, maar zij zien niet, ooren, maar zij hooren niet, handen, maar zij tasten niet, voeten, maar zij gaan niet en zij geeft geen geluid door hare keel. Kerkelijke en Dissenter, Orthodox en Evangelisch, Baptist, Independent en Methodist, allen slaan de handen ineen tot het goede werk. "De een helpt den ander en zegt tot zijn medgezel: wees sterk! En de werkmeester versterkt den goudsmid; die met den hamer glad maakt, dien, die op het aanbeeld slaat, zeggende van het soldeersel het is goed: daarna maakt hij het vast met nagelen, dat het niet wankele." (Jes. 41: 6, 7.)