Waar mensch en tijger buren zijn

Part 10

Chapter 103,952 wordsPublic domain

Maar nu zagen de mannen in het felle maanlicht een ander exemplaar, grooter nog en donkerder; die had blijkbaar haar plicht gedaan, en zij wandelde, geen twintig meter van ons af, terug naar zee. Wij hadden ons dier voldoende geplaagd, de nieuweling werd nu het middelpunt van onze belangstelling, en al spoedig moest zij het opgewonden schoolmeisje haar kracht als rijdier toonen; het bleek, onder een anderen ruiter, dat zij zich zelfs met een levend gewicht van 90 kilo nog kon voortbewegen. Dit dier was volgens de mannen een hun welbekende, heel oude schildpad, haar rug zat vol met allerlei aanwassen, schelpen, welke slechts met groote moeite met een sterk slagmes konden worden losgewipt.

Wij hadden nu genoeg gezien, en hadden straks, thuis, wat te vertellen. Maar, zouden anderen het nu wel gelooven? Zou men aannemen, dat het mogelijk is, als het ware op bestelling, wilde dieren uit de diepe zee te ontmoeten, ja zelfs een rit op hun rug te maken?

„Jammer, dat ik dit dier niet fotografeeren kan,” zei ik, plotseling terneergeslagen, tot onze vrienden van het eiland.

De mannen wisten raad, zij legden de oude schildpad op den rug, we konden dan in den vroegen morgen terug komen om opnamen te doen. Heel aangenaam zal het dier dezen tijdelijken levensdraai wel niet gevonden hebben, al legde het vrij spoedig den kop rustig neer, maar ik was zoo wreed om aan te nemen, dat ze toch geen overwegende bezwaren tegen ons plan kon hebben; bovendien, misschien zou ze over eenige uren pas begrijpen, dat ze niet bepaald meer in haar gewone doen was!

En zoo is het gelukt om ons nachtelijk avontuur bij daglicht op de plaat vast te leggen. Zelfs gelukte het ’t moment te fotografeeren, waarop onze schildpad het veilig tehuis indook; toen zij het water voelde, werd de snelheid plotseling zeer groot, en de hersens werkten normaal, want zij keek naar den naast haar rennenden man en ontvluchtte hem; dat zij daarbij geen verschil maakte tusschen een boozen jager en mij, den goedwillenden fotograaf, kan men de geplaagde stakker niet kwalijk nemen.

Eerst bij dag hadden wij ontdekt, dat het dier een gedeelte van een voorpoot miste, en ik dacht al aan haaien en dergelijk gespuis. Maar de mannen vertelden ons, dat eens in een nacht een Chinees bij hen was geweest, en dat de onverlaat dit dier een stuk van den poot had afgehakt, verzot als hij was op het aroma van schildpadvleesch. Ook Europeanen zijn niet ongevoelig voor schildpadsoep, maar ik geloof niet, dat deze lekkernij ooit middels amputatie verkregen wordt. Wel denk ik, dat het gevoelscentrum van onze arme, trage Penjoe op dàt fatale moment prompt zal hebben gewerkt.

„Wat zal moeder kijken, als ze mij gekiekt ziet op die schildpad,” zei het schoolmeisje, „maar wat zal ze woedend zijn op dien valschen Chinees... zóó’n engerd!”

XII. TELEGOE, DE STINKDAS

Menschen, die in ernst meenen te weten wat stank is, zonder den Indischen stinkdas in zijn beste momenten te kennen, lijden aan zelfoverschatting.

Stank is een afschuwelijk woord, maar werkelijk, hier moet duidelijk Hollandsch gesproken worden; elke verzachtende uitdrukking is een laf ontwijken van de waarheid, laten wij voor dezen keer nu eens precies mogen zeggen, waar het op staat.

De lucht, geproduceerd door den telegoe, is de waarachtige stank; niet dood en vies, maar stank, die leeft; stank, die niet maar gewoon passief stinkt, maar die agressief is en je naar de keel grijpt; stank, waarmee men trotsche legers in ellendige, vluchtende horden kan omzetten.

Zooals blijkt spreek ik met eenig gezag, berustend op kennis; en die kennis drong zich gewelddadig aan mij op.

„Jullie gaan een bungalow aan den voet van het Barisan-gebergte bouwen?” zei een vriend-natuuronderzoeker, „als je dan maar niet veel last hebt van Mydaus meliceps, telegoe heeten ze hier, op Java sigoeng. Die beesten hebben in den endeldarm een paar zakjes, waarin door klieren een olieachtige stof wordt afgescheiden; wordt de telegoe geprikkeld of achtervolgd, dan spuit hij de stinkstof naar buiten in een dunne straal, die zich dadelijk in een fijnen sproeiregen verdeelt; en daar die stinkstof in de lucht snel vervliegt, is het of de heele omgeving plotseling één en al stank is, knoflook en zwavel en ik weet al niet wat.”

„Nou ja,” zei ik lachend, „dat luchtje hebben wij hier en daar wel eens geroken, maar zóó erg is dat toch niet!”

„Neen?! wij spreken elkaar nader; wat jullie kennen, is de lucht van een dier, dat misschien op een kilometer afstand passeert. Maar je hebt nog nooit zoo in de wildernis aan den rand van de bosschen gewoond; vooral in Zuid-Sumatra komen zij juist dáár veel voor; en als je van nabij met hen kennis maakt, wel, dan kun je er verhaaltjes van vertellen. Let maar eens op, als ze onder je huis doorloopen en zij worden door een of andere oorzaak boos, dan wordt iedereen wakker van de lucht, en al je zilver slaat zwart aan...”

Wij lachten weer. Of het domheid is, of gewoonte? maar in zulke gevallen lacht men. Eerder had ik al eens gelachen, toen de kroonprins van Asahan mij te Fort de Kock vertelde, dat in zijn land visschen in de oeverstruiken klimmen; en weer had ik gelachen, toen men mij vertelde, dat zeeschildpadden bij het eieren leggen aan het strand door ongeduldige eierzoekers geholpen worden bij het graven van het gat. Sedert dien had ik zelf klimvisschen in actie gezien, en ik had in middernachtelijk uur rustig gereden op den rug van een reusachtige schildpad, vóór zij weer de zee in dook. Toch lachte ik nu weer... al die berichten van menschen zijn dikwijls zoo overdreven, ik zou zelf wel eens nuchter beoordeelen, wat er van die fraaie verhalen waar was.

En ik zou er de kans wèl voor krijgen!

De bungalow was klaar en wij betrokken haar; het terrein daar en in de omgeving was eenige tientallen jaren geleden bouwland geweest, toch waren enkele zware boomen uit het oorspronkelijke oerwoud er blijven staan; later schoot er jong bosch op, behalve op die stukken, waar het vee was toegelaten en waar de alang-alang heerscheres was, dat manshooge wilde gras met breede bladklingen, dat bijna niet is uit te roeien. Er stonden dus verscheidene reusachtige rimbaboomen, jonger bosch en kreupelhout, en er waren velden alang-alang, waar de zon blakerde. Voedsel en schuilplaatsen voor allerlei wild; er waren dan ook varkens, en de Gestreepte kwam er wel eens op hen jagen; in de struiken ritselden bevende dwergherten, de beer blafte in de boomen aan den waterkant, en de marters dartelden in zon en koelte. Niet véél wild was er, maar van alles wat. Apen echter in geweldige hoeveelheden, die maakten van daar uit hun strooptochten naar de velden der menschen, en... er waren stinkdassen!

En nu leerden we spoedig, wat „stank” is.

Kuchend werden we in een nacht wakker, een malariapatiënte, die bij ons logeerde, hoestte het eerst alarm.

Of deze telegoe onder het op palen staande huis doorliep, dan wel boven den wind de bungalow passeerde, weet ik niet. Evenmin, of hij zich boos maakte om de nieuwigheid, om het huis dat er vroeger niet was. Maar de uiting van prikkelbaarheid was er!

Den volgenden morgen hebben wij in vollen gezinsraad een prijsvraag behandeld: beschrijf die lucht! Ieder trachtte te zeggen, welk souvenir de lucht had opgewekt, en ieder dacht daarbij aan moeielijke momenten op zee.

Men stelle zich voor zeeziek te liggen in een hut op een oud vrachtschip, dat doortrokken is van de vettige, ranzige lucht van copra, terwijl in die hut tevens een partij civetkatten is ondergebracht. Het schip heeft een licht-installatie van carbid; ergens bij de hut is een lek en de knoflookwalm druipt rijkelijk uit de leiding, toch zet iemand in die omgeving scheepskoffie, en de aller-ordinairste cichoreilucht kruipt ook de hut in, en zij neemt nog een scherpen zwaveldamp van ergens mee... en dit geheel kleeft zich aan den zeezieken mensch, ineens, geweldig, overal tegelijk, en het gaat niet voorbij, het blijft, het kleeft overal aan.

Tegen den middag rook onze patiënte weer in heftige mate de nare lucht en zij riep verschrikt: „daar komt er weer een!”

Valsch alarm. Ze had zich den thermometer aangelegd, waarbij haar handen den nikkelen kop van het instrumentje hadden aangeraakt. En toen wij ook kwamen ruiken, aan de thermometer en aan ander metaal, toen bleek alles aangestoken, en snel werd het zilver gepoetst om zwart worden te voorkomen.

Nu werd de omgeving van het huis zoo spoedig mogelijk van lage struiken en hoog gras gezuiverd, en wij hadden bij onze gewoonlijk korte verblijven in de bungalow in de bergen slechts zelden meer last van dergelijke nachtelijke bezoeken. Een niet te onderschatten factor daarbij waren onze honden, stadsdieren, die onbegrijpelijk gesteld bleven op nadere kennismaking. Na elke ontmoeting kwamen zij diep ongelukkig thuis, wentelden zich overal, schuurden tegen alles en verspreidden rondom de walgelijke lucht; dagen achtereen moesten zij worden vastgelegd en gebaad; eerst later bleek, hoe die ontmoetingen zich moeten hebben afgespeeld, jaren later; en toen eerst wist ik, dat ik aan mijn nieuwsgierigheid om de bron van alle kwaad eens te zien, eerder had kunnen voldoen; dat namelijk de telegoe een sloom dier is, dat men met eenig geduld, maar met groote voorzichtigheid tevens, gemakkelijk kan volgen; sloom, niet uit makheid, maar omdat hij niemand vreest.

Wij waren weer eens „boven”, in onze bungalow. In den vroegen morgen wekte ons een hevig tumult onder de bedienden in de bijgebouwen, kreten van afgrijzen en het opwekkend geluid van iemand, die in onmin verkeert met zijn maag. Het geheel tooverde voor onze oogen de zee, een railing waarover gebogen de gedaanten van wezens, die tevoren mensch waren. Dus was er weer een stinkdas in het spel!

Wij vlogen naar buiten; een heftige, kleffe telegoelucht greep ons naar de keel.

Djamak, een onzer bedienden, had in den heel vroegen morgen een klein dier zien kruipen in het gras. Djamak was goed-Moslim, maar dit varkensjong, dat blijkbaar zijn moeder was kwijt geraakt, durfde hij toch wel aan te pakken; het zou zulk aardig speelgoed zijn voor „nonnie”, ons jongste dochtertje. Hij zou het maar wagen; trouwens, als hij het maar in zijn baadje ving, hoefde hij niet met de handen in aanraking te komen met het „haram” diertje.

Djamak, de goeierd, toog op het oorlogspad. Wat zou meneer blij zijn! die hield zoo van dieren, en Djamak had dikwijls gemerkt, dat het zijn baas hinderde, dat hij zoo niets van beesten wist; meneer vond hem bepaald suf. Maar nu! hij zou ieder verrassen met een door hem zelf gevangen dier; hij zou er niet bij vertellen, dat hij den sukkel eigenlijk maar voor het oprapen had gehad, zóó sloom wiegelde het dier door het gras.

Opgepast, nu krummelde het naar een holte in het grasveld, daar zou hij de jas over het dier gooien, zijn nieuwe, witte jas, die mevrouw hem had gegeven. Hij sloop achter het dier aan; was het eigenlijk wel een wild varkentje? hij wist niets van dieren af, maar dat snuitje was toch een varkenssnoet, en wat zou het ànders zijn. Maar waarom was dat beest heelemaal niet bang? Even wachten, het had blijkbaar den vervolger opgemerkt. Djamak stond doodstil.

De telegoe keek aandachtig naar hem. Wat wilde dat lange, sluipende dier? Het ging hem bepaald vervelen. Hij had zijn nachtelijken tocht wat te ver voortgezet; hij had heerlijke larven en regenwormen gevonden; en toen het maagje gevuld was, had hij keurig toilet gemaakt, want de telegoe is zeer coquet. Maar nu wilde hij ongehinderd naar huis, naar zijn ruim ketelhol, dat hij onder sterke boomwortels had gegraven. Waarom sloop dat gekke dier toch achter hem aan?

Hij stelde zijn batterij op en wachtte rustig, misschien speelde een duivelsche glimlach om zijn kalen snoet.

Nu!... dacht Djamak, en mèt gooide hij zijn baadje over zijn buit... maar tegelijk sloeg hij met een akeligen gil achterover. Iets vets en kleffigs wurgde hem en legde hem zijn maag boven op het hoofd; en onder het baadje door liep de telegoe, stank op pooten, wiegelend weg; hij kon tevreden zijn, het schot zat. Arme Djamak, in een ondeelbaar oogenblik van jager slachtoffer geworden, trok nu de levendige belangstelling van ieder; juist wat hij gewenscht had, maar wel op een andere manier. En zijn mooie jas was bedauwd met fijne droppeltjes olie, die gele vlekjes werden, voor altijd.

Maar waar was het dier? Nu wilde ik het zien en hebben. Iemand had het zien kruipen naar een stapel brandhout, en dáár, in een hoekje gedoken, zat het; de gebeurtenis had hem toch wel even uit zijn evenwicht gebracht. Ik benaderde hem, een zakdoek, vier dubbel gevouwen, stijf tegen den neus gedrukt. Maar zóó was de atmosfeer doordrongen van de walgelijke lucht, dat ik terugdeinsde en mijn neusgaten met watten moest afsluiten, vóór ik het dier met een schot hagel in de hersens doodde. Ik had den mond van het geweer voorzichtig tot vlak boven zijn kop gebracht om een tweede olie-explosie te voorkomen. Of dit gelukte, weet ik niet. Wel, dat wij de beide stankcentra diep moesten omspitten, dat het slagveld werd ontsmet en begoten, en dat wij den derden dag daarna moesten besluiten weg te gaan, omdat het leven onmogelijk was geworden. Maar ’s nachts viel een zware regen en den volgenden morgen bleek de stinkstof vrijwel afgespoeld te zijn van alle vaste dingen, waarop ze zich had vastgekleefd.

Dien avond spraken wij den plaatselijk besturenden ambtenaar en vertelden hem alles in kleuren en „geuren”. Hij en zijn vrouw waren zeer verwonderd, want ook zij hadden denzelfden morgen diezelfde lucht in huis geroken, voor hen een nieuwe sensatie, en de bedienden hadden hun het woord telegoe genoemd. En toen nagegaan werd, wat de bron van die lucht was geweest, bleek, dat mijn oppasser, even na het schot, met een portefeuille stukken naar het controleurshuis was gegaan en zoodoende de geheele atmosfeer ook dáár had bedorven.

Er zijn op het gebied van „luchtjes” merkwaardige dingen in Indië.

De doerian, de bekende vrucht met haar geweldige dorens, die ook vele Europeanen als groote lekkernij beschouwen, wordt wel eens.... „gasfabriek” betiteld, en onze voorouders uit het laatst der 16de eeuw schreven reeds van haar:... „datment niet en kan compareren met geenderley fruyten vande werelt: want in smaeck ende goetheydt affirmeren dat het alle fruyten te boven gaet: maer eerst alsmense op doet, riecken gelyck oft het verrotten ayun waer: maer inden smaeck heeftmen die leckerheyt.”

De wondermooie Rafflesia, de grootste bloem ter wereld, en de prachtige Amorphophallus verspreiden in de wildernis na den vollen bloeitijd een vehemente lucht, die haar allerlei leelijke bijnamen heeft bezorgd; en er zijn mossen en varens, die de geheele atmosfeer in den omtrek in jodoform schijnen om te zetten.

Maar geen van deze plantaardige bronnen van kwalijke luchtjes kan zich in de verste verte meten met den telegoe. Van ’s menschen standpunt gezien, vraagt men zich af, hoe de stinkdas tevreden kan zijn te leven in een atmosfeer, zooals hij zich die schept. Mijn dochtertje drukte het dien morgen in haar eigen woorden uit: „Hoe houden de jonge telegoetjes het bij zóó’n stinkadoris van ’n moeder uit!”

XIII. JOZEF, DE NEUSHOORNVOGEL

De neushoornvogel Anggang had een vergadering bijeen geroepen van tal van ontevredenen in de vogelwereld.

De bijeenkomst had een revolutionair karakter, het doel was niet minder dan het afzetten van den koning aller vogels. Tot op het oogenblik, dat de neushoornvogel de leiding nam van de oppositie, was Kang-kok koning geweest in de Maleische landen, en al de eeuwen door had vrede en voorspoed geheerscht. De radja was maar klein en bescheiden, maar hij was rechtvaardig en wijs; zóó wijs, dat hij wist te voorspellen of het oogstjaar een overvloed van granen en vruchten zou brengen. Nu nog weten de menschen, dat de rijstoogst gelukken zal, indien de vriendelijke vogel welbespraakt is en gedurende weken achtereen aan den rand van het bosch zijn naam in herinnering brengt. Het is een vervelend rijmpje op den langen duur, omdat de vogel in toon en maat rotsvast is, maar het geluid is lief en vertrouwelijk, en de hoofdzaak is, dat zijn wijfje op haar nest het hoogelijk schijnt te waardeeren en dat het eentonig liedje haar niet gaat vervelen: kang-kang-kang-kòk... kang-kang-kang-kòk.

In het bijzonder waren het de groote vogels, die in opstand kwamen. Zij vonden het belachelijk door zulk een onaanzienlijk vogeltje te worden geregeerd.

„Kijk eens naar mijn lichaam,” had de neushoornvogel Anggang gezegd, „luister eens naar mijn machtig geluid, en let eens op de kroon op mijn hoofd!” en de vergadering had besloten Kang-kok af te zetten en den reus als opperhoofd te erkennen.

Maar spoedig had men berouw. De nieuwe koning wees alle boschvruchten toe aan de leden van zijn geslacht, en deze veelvraten lieten niets over voor de kleintjes.

En er werd weer een vergadering belegd, en men besloot Kang-kok in eere te herstellen. Maar deze had zijn geheele geslacht weg gezonden uit het ondankbare land, naar Java, en hij zelf kon niet vergeten wat men hem had aangedaan. Toch zwichtte hij ten slotte voor den aandrang der berouwvollen, zij mochten één kangkok-ei van Java halen.

Goede raad was duur, wie zou dat doen? Eindelijk bedacht een klein vogeltje uit de rimba, dat zijn vriend de zweefvlinder het wel zou klaar spelen, die glijdt zoo lang op zijn groote vleugels van crême met zwarte dotten, zonder één slag te doen, hij zou het ei wel over kunnen brengen.

De goede vlinder kweet zich goed van de moeielijke taak; de boeboet broedde het ei uit met zulk een toewijding, dat deze rosse spoorkoekoek er een kaal buikje van overhield, tot den huidigen dag; en de zwarte vorkstaart, die zelfs de grootste roofvogels in de vlucht durft bestoken, hield de wacht. En toen het koningskind volwassen was en tot radja werd verheven, kwam het geheele geslacht Kang-kok terug in de Maleische landen.

De reus met het gekroonde hoofd en den gulzigen bek, zal zich er niet veel van hebben aangetrokken, dat hij den koningstitel verloor. Hij slikt er niet minder vruchten om, en zijn machtig geluid domineert nog heel het bosch.

Hoor! Boven het breede ravijn klinkt een galm uit de witte wolken, twee zwarte stippen teekenen zich af. „A-ngok” klinkt het nasaal-zwaar over de zwijgende rimba, waar al wat leeft schijnt te luisteren. En nu het reuzenpaar nadert, komt een wonderlijk geluid aanbruisen, het zware, rhythmische geluid van den vleugelslag. „Sjoep, sjoep”, blaast en fluit de lucht tusschen de veerschachten en langs de vleugelbeenderen met hun dunwandige cellen en verbazingwekkenden luchtvoorraad. Als de twee vleugelparen even hetzelfde tempo hebben, is het krachtige geluid bepaald dreigend, maar het is altijd zoo, dat men ernaar moet luisteren, alleen de cicade zet zijn eeuwig gezeur voort. Duidelijk is nu de machtige kop aan den uitgestrekten hals te zien, ook het zwarte lichaam; de staart is wit, maar in het midden loopt over alle veeren een breede, zwarte band; die staartveeren van den anggang waren vroeger het helden-teeken voor de Dajaks; alleen zij, die een kop hadden gesneld, mochten de scheede van hun zwaard ermede tooien.

Is de anggang—zóó verstaat het Maleische oor den roep, die met „a-ngok” is weergegeven—dus een domineerend man, hij is niet de grootste neushoornvogel in Indië. Maar de allergrootste, die van snavelpunt tot staarteind anderhalven meter meet, is zoo schuw en komt zooveel minder algemeen voor, dat slechts weinig Europeanen zijn bestaan kennen. Ivoor-vogel noemen hem de inheemschen naar den massieven kop-kroon, waaruit vooral de Dajaks op Borneo fraaie versierselen snijden. De Hollanders hebben hem „lachvogel” gedoopt; deze naam schijnt geheel ten onrechte te zijn gegeven indien men alleen maar het begin hoort van het concert, dat hij in de allerhoogste boomen van de rimba geeft, en dat hij, door schrik bevangen, dikwijls afbreekt; de bangerd, die door angst moet boeten, dat hij, in vorige incarnatie als mensch, zijn schoonmoeder heeft vermoord. Heel verdekt stelt hij zich op en spiedt angstig rond; de staart, eindigend in twee veeren, welke bijna negentig centimeter lang zijn, hangt loodrecht neer. Is alles rustig? beweegt zich daar beneden niets? rondom? nergens gevaar??... „Oeoek!” galmt het nu boven het stille bosch, maar dan spiedt hij langen tijd weer rond of zijn roep niet eenig gevaar heeft wakker geroepen. Eindelijk komt de tweede roep, na een iets kortere pauze de volgende, en hoe veiliger hij zich langzamerhand voelt, hoe korter worden de pauzes, wiskunstig zuiver, en eindelijk, als men zich verwonderd afvraagt waar dit naar toe gaat, eindigt de reuzevogel in een honend gelach, niet meer „oe” maar duidelijk „a”...hahahaha! De Maleische legende gaat niet zóó ver, maar het is, of hij vreest den geest van zijn schoonmoeder te zullen oproepen; ontdekt hij die niet, gaat alles goed, dan lacht hij om haar en om zijn eigen angst.

Kleiner dan de anggang zijn de neushoornvogels met zwarten snavel, en de witsnavels, die in groote gezelschappen en in oneindig gesnater tot in de kampoeng’s komen als er rijpe ficus-vruchten te smullen zijn. Maar zij zijn stoeiende kwajongens vergeleken bij den waardigen anggang, die door zijn karakter en zijn fierheid zelfs den lachvogel in de schaduw stelt. En de mensch kent hem zooveel beter, omdat de anggang, jong gevangen, zich spoedig in den nieuwen toestand schikt; binnen enkele weken kan hij verlost worden van het traditioneele touw aan een der pooten en geniet in volkomen vrijheid van zijn bestaan, als huisgenoot van den mensch; hij moet echter telkens wat gekortwiekt worden, omdat hij zich anders aan verre vluchten wagen zou en door zijn tamheid een gemakkelijke prooi zou worden voor anderen dan zijn baas.

Verschillende anggang’s hebben wij in den loop der jaren in Indië gehad, geen zoo lang als den laatste in de rij, onzen braven Jozef.

Jozef was geboren in een boomholte. De Maleier, die hem bij mij bracht, had in het bosch, niet ver van zijn ladang-huisje, gezien, dat een anggang een gat in een boom met klei dicht metselde en hij had begrepen, dat hij bezig was zijn wijfje voor vier weken of meer van de drukke boschwereld af te scheiden. Slechts een klein gat blijft in het metselwerk gespaard, waardoor de hardwerkende man zijn ega voedert. Hij doet dit uit jalouzie, zegt men, en hij moet zóó jaloersch zijn, dat hij zich verontwaardigd van verdere voedering afwendt als hij ontdekt, dat een andere anggang-man zich bij het nest ophoudt en naar binnen gluurt. De arme, onschuldige moeder en haar kroost sterven dan den hongerdood, aangezien zij geheel is aangewezen op de voederballetjes van insecten, boomvruchten en deelen van kruipende dieren gefabriceerd, welke manlief haar in den puntigen snavel aanreikt.

Jozef’s moeder had blijkbaar geen aanleiding tot jalouzie opgeleverd; toen het groote oogenblik van verlossing was aangebroken zal het ouderpaar het metselwerk met vereende krachten hebben verwijderd, en op zekeren dag zag de Maleier op de takken van den boom een door het lange, bewegingloos zitten nog stijve moeder en haar kroost, wonderlijke wanstaltige wezens. In de omgeving had de man geen andere anggang’s opgemerkt en toen hij eenigen tijd later, ingelicht door een dwaas geweld dat een anggang laag bij den grond maakte, tusschen de struiken een jong vond, begreep hij een lid van het hem bekende gezin te hebben gevangen. Hij en zijn kinderen voerden het dier met pisang (bananen) en gekookte rijst, zooals de doorsnêe binnenlander gewoon is alle gevangen vogels te voederen; zij zijn dan zeer verbaasd, indien een of andere roofvogel weigert te eten en zich maar „koppig” neerzet om in de kleine kooi te sterven; ditmaal ging het best, toevallig kon men den kleinen anggang geen beter voedsel in den grooten bek wringen. En toen er een behoorlijke prijs voor hem kon worden gevraagd, werd hij aan ons verkocht.