Waar mensch en tijger buren zijn

Part 9

Chapter 94,077 wordsPublic domain

De bediende vloog op, haalde de koffer, die ergens in het gras was gelegd, en kwam even later met een groezelige flesch water; een glas kon hij niet bezorgen, want de glazen stonden in de etenskast, in huis, meneer sliep en hij was bang zijn baas wakker te zullen maken.

„Ben jij hier alleen?”

„Ja, toean.”

„Zeg eens, die meneer van jou...”

„Allah, toean! Ik houd ’t hier niet meer uit!”

„De controleur is gek, geloof ik, niet?”

„O, meneer, ’t is verschrikkelijk als hij zoo’n bui heeft.”

„Waar zijn de oppassers?”

„Als de controleur zóó is, zijn ze bang, ze zijn weggeloopen; als er wat met meneer gebeurt, willen zij niet als getuigen opgeroepen worden.”

„Maar is meneer gevaarlijk? slaat hij jullie wel eens?”

„O, toean, ik durf u niet alles te zeggen...”

„Nee, djongos, dat hoeft ook niet meer. Maar ik wil hier niet blijven, ik ga nog even wat liggen en dan moet je mij straks naar de kampoeng brengen en ervoor zorgen, dat ik ergens kan slapen. En zoek van avond de oppassers op en zeg hun, dat ik morgen heel vroeg weg wil, zij weten wel hoe het stationneeren van de paarden gewoonlijk geregeld wordt.”

„Ja meneer, dat zal ik doen.”

Zelfs op een vloer van harde planken en in een wolk van muskieten kan een gebroken man slapen als een goede dosis slaapmiddel in hem is. Goddank, de dokter voelde het weldadig gevoel van rust komen, nu zou hem niets meer deren...

Geen vijf minuten kon hij geslapen hebben, toen eenige donderende slagen onder tegen den vloer hem op deden vliegen. Waar was hij? wat was dat??... o, dat hoofd, wat nu weer? Schoten? opstand? aardbeving?... leguanen??

In den vloer waren overal breede naden tusschen de planken, de dokter loerde. Onder hem stond van Langen, in dezelfde luchtige kleedij van daareven, een chambrière in de hand. Hij kon er juist staan, zijn wilde haren raakten bijna den vloer. Eenige paarden waren aan korte touwen aan de palen gebonden, twee onder de matras van den gast.

Klets! ging de chambrière, en alle paarden sloegen in de grootste opwinding met de hoofden tegen den vloer.

Nu werd het den dokter te machtig. Hij zei eenige bijzonder leelijke woorden in zijn eigen taal.

„Haha!” riep de controleur vroolijk, „bent u al wakker? Kom dan ’s kijken hoe ik mijn paarden dril!”

De maat was vol; Jan Mes sloop met zijn koffer de kamer uit, zocht den djongos op en liet zich langs het achtererf naar de kampoeng brengen. In een armzalig huisje kreeg hij onderdak; hij voegde aan zijn brief nog toe, wat er nu nog gebeurd was en gaf hem aan den djongos mee, die voor de verzending zorgen zou. De dokter bracht een slechten nacht door op een onsmakelijke matras van zijn nieuwen gastheer, en in den vroegen morgen heesch men hem op het makste paard en op het zachtste zadel. De volgende tien uren waren niet de beste in zijn leven. Hij hoopte nu maar vurig, dat de resident den controleur Robbers dadelijk zou inlichten over den collega, dien hij had durven verdedigen.

De resident deed dit dan ook, hijzelf had woorden gehad met Robbers, die hem hardheid tegenover van Langen had durven verwijten; hij kon een gevoel van leedvermaak geen weerstand bieden.

Robbers hoorde hem zwijgend aan en was diep onder den indruk. Die arme kerel, was hier nu niets aan te doen... hij was dus tòch abnormaal.

Enkele dagen later kwam de nieuwbenoemde eerstaanwezend ambtenaar van den waterstaat bij Robbers om hem inlichtingen te vragen voor de eerste dienstreis, welke de architect wilde maken ter kennismaking met zijne ambtenaren in de binnenlanden en om verschillende gouvernementswerken en gebouwen te inspecteeren. Hij was een braaf, opgewekt man, maar hij had geruchten gehoord over den controleur aan het meer, waar ook zijn weg heen voerde, en nu kwam hij Robbers vragen, hoe hij een verzoek aan van Langen om hulp op reis zou moeten inkleeden.

„Ja, ’t is een lastig geval. Ik zal u maar precies zeggen, wat de dokter in zijn huis heeft ondervonden. Hoe ’t mij ook spijt voor mijn vrind van Langen, ik moet nu ook wel gaan gelooven, dat hij niet heelemaal normaal is. Ik zou u raden hem wel te waarschuwen en hem op te zoeken, maar ik geloof, dat u wel het best doet om onderdak te zoeken bij zijn schrijver, die heeft een aardig huisje en hij zal u stellig wel willen logeeren, ik zal u een briefje voor hem meegeven.”

Robbers vertelde den architect het gesprek in de sociëteit en wat de resident hem, na het bezoek van den dokter aan van Langen, had meegedeeld. Beide mannen hadden grooten humorzin, en ofschoon de gekwelde esculaap uit den aard der zaak de humoristische zijde van het geval niet belicht had in zijn rapport aan den resident, danste er een ondeugend vlammetje in Robbers’ oogen, en beiden verkneukelden zich inwendig.

„Nou, meneer Robbers, na wat u over uw vrind gezegd hebt, waag ik het er op. Maar ik zal toch maar ’n beetje oppassen, arme kerel!”

Een week later bereikte ook de architect den oever van het meer. Hij had ervoor gezorgd er vroeger te zijn dan de gewoonte was, en hij dankte den koetsier niet af, men kon niet weten of het hem ook gelukken zou een inlandsche prauw in te huren.

„Maar meneer,” riep de koetsier, „kijk ’s!”

Om een landtong, dicht bij de aanlegplaats, draaide een keurige witte sloep recht op hen af. Er werd hard geroeid, trotsch woei de Nederlandsche vlag van den achtersteven. De sloep van den controleur. Blij verrast haastte de architect zich naar de aanlegplaats. Nooit nog had hij in de diepe binnenlanden van eilanden buiten Java gereisd, en voor de eerste maal ondervond hij de ontroering, welke de Hollander voelt, als hij plotseling, zoo „ver van de wereld”, de mooie, de eigen driekleur ziet wapperen.

„Is de controleur niet ziek?” vroeg hij den roerganger.

„Wel neen, meneer, de controleur is nooit ziek. Hij laat u zijn groeten overbrengen. Het spijt mij, dat u heeft moeten wachten, maar u is hier veel vroeger dan de gewoonte is.”

Welk een weelde te tronen in een keurige sloep, als men erop gerekend heeft het met een klein prauwtje te moeten stellen. Sterke mannen in net uniform deden het water klotsen aan den boeg, en knutterend wapperde de dierbare vlag.

De architect genoot, maar was in stomme verbazing. Hij wilde graag meer vragen maar voelde, dat hij dit niet kon doen.

Een weergaloos natuurschoon aan den oever gleed voorbij, in hooge boomen stoeiden de apen, hier en daar slopen zij langs den waterkant op jacht naar krabben; rondom doemden groene heuvels op, daarachter de blauwe bergen. En zie! ginds kwamen inlandsche woningen in zicht, en boven een bosch van klapperboomen woei weer de driekleur, aan den vlaggemast vóór de controleurswoning.

„Kijk,” zei de roerganger, „daar staat meneer aan de aanlegplaats.”

„Is dàt de controleur??”

Een goed gekleed, beschaafd man met een prettig, open gezicht, stak hem de hand toe om hem uit de sloep te helpen.

„Welkom! goede reis gehad? Ik heb uw brief ontvangen en u blijft natuurlijk bij mij logeeren. Is ’t niet een heerlijk land hier? Ik kijk me nooit zat aan het meer met zijn telkens wisselende tinten, aan de bergen ginds, die alles domineeren. Elke dag is er weer nieuwe blijheid!”

De architect drukte hem geroerd de hand, wie had zulk een ontvangst durven verwachten!

„Kom! u zult wel ’n hapje willen eten na zoo’n reis, we zullen maar dadelijk de proef nemen of mijn kokki haar zaakjes nog kent.”

Weer leguaan?? vroeg de architect zich even bang af. Alles leek nu wel heel mooi, maar een abnormaal man is onberekenbaar.

Een paar goed gedrilde oppassers brachten de bagage naar het controleurshuis, aan den voet van de trap stond een keurig gekleede djongos. In de goed gemeubileerde voorgalerij werd even een bittertje gedronken, daarna volgde een korte kennismaking met de logeerkamer, aan den voorkant van het huis, waar men een heerlijk uitzicht had op het meer, en daarna voerde de controleur zijn door verbazing geslagen gast aan tafel. Een tafel, onverbeterlijk gedekt, met vroolijke bloemen, en een maal, dat men den Koning zou kunnen voorzetten.

De controleur praatte druk, over zijn werk, over de bruggen welke in zijn ressort werden gebouwd en over andere werken, noodig geacht in het belang van de bevolking. Uit alles bleek zijn kennis van zaken, zijn blijde toewijding voor het bestuurswerk en voor de belangen der inheemschen.

Zijn gast kon maar niet op gang komen, het was hem of hij droomde. Maar hij was te braaf en te eerlijk, dan dat hij deze vreemde beklemming langer kon dragen.

„Meneer van Langen, u moet het mij niet kwalijk nemen, maar ik moet u iets vragen. U hebt hier een dag of veertien geleden toch den dokter gehad?”

„De dokter?? Nou!”... en de controleur lachte een blijden, uitbundigen lach. „En nu verwondert het u zeker, dat u een beetje anders ontvangen wordt?! Is het dat niet? zeg ’t maar ronduit. Maar u komt toch ook niet om te constateeren, dat ik met molentjes loop! Robbers had mij in bedekte termen geschreven, dat mijn briefwisseling met den resident „zonderlinge vermoedens” gewekt had en dat de dokter eens zou komen kijken; daar begreep ik uit, wat het bezoek van dien pedanten vent beteekende, en ik heb ’t hem zoo makkelijk mogelijk gemaakt!”

„Maar”...

„Wat maar? Vraag maar op, ik heb aan Robbers opzettelijk niets geschreven; vraag en vertel, dan hoor ik meteen, wat die knul van ’n dokter aan den resident heeft gerapporteerd.”

„Ja, die leguaan...”

„O hemel, man, spreek er niet van! Ik ben er zelf twee dagen ziek van geweest. En je goed te houden, als je zelf doodmisselijk bent en je ziet een ander zich ’t binnenste buiten keeren. ’t Was een onbehoorlijke geschiedenis, maar was-ie tòch niet goed?”

Beide goedlachsche mannen brulden. Zelfs de keurige djongos kreeg het te kwaad en ging even de kamer uit.

„En die paarden?”

„Ja, wat vind je al niet uit om zoo’n man ’n goed lesje te geven. Maar hij was al weg, lang voor ik mijn programma had afgewerkt. Ik had ’t zoo goed voor elkaar. Het kan mij nu nog spijten, dat ik er niet van heb kunnen genieten, hoe de man zou reageeren op een spook in zijn kamer; jammer, hij is er stil vandoor gegaan, en Ali heeft hem erbij geholpen, maar hij heeft er ’n standje voor gehad, hè Ali?”

„Was deze djongos dan in het complot?”

„Natuurlijk! maar verder niemand. Er was toevallig een bruiloft in een naburige kampoeng, en daar heb ik mijn kokki en de oppassers heen gestuurd. Ik vond ’t niet goed om een Europeaan zóó te pakken te nemen in hun tegenwoordigheid, maar Ali is een ouwe getrouwe, die houdt z’n mond. Het was ’n lust, hoe die dokter erin geloopen is, en ik had welverdiende voldoening toen Ali mij den brief aan den resident liet zien, ik had hem dolgraag gelezen! Het schrijven van dien brief heb ik hem ook makkelijk gemaakt, door in zijn overigens niet overvulde kamer wat papier en potlooden en zelfs postzegels te strooien. Mijn postzegels heeft hij gebruikt om aan mijn chef te schrijven, dat ik stapelgek ben! Is ’t niet heerlijk? Ik heb hard gewerkt voor dit blijspel, al mijn meubels moesten het huis uit en in mijn kantoorlokalen worden opgeborgen; ’t heette, dat er groote schoonmaak moest gehouden worden. Maar ik had het er voor over, niet alleen die pedante knul, ook de resident moest een lesje hebben!”

Nu ging er weer een brief naar „beneden”, de architect lichtte Robbers over het geval in; deze stapte snel naar den resident, en het kostte hem heel wat moeite zich goed te houden en zoo zakelijk mogelijk te blijven.

En dienzelfden dag nog renden ijlboden den dokter achterna met een brief van den resident. De brief was zwaar gelakt en in de hoeken waren een paar kippeveeren gestoken en met lak bevestigd; dit was voor iederen looper, die den brief van zijn voorganger overnam, het bewijs, dat groote spoed vereischt was. En in dien brief gaf de resident aan Jan Mes den raad om langs een anderen weg naar Kota Balei terug te keeren, en hij verzocht hem in gansch niet vriendelijke termen om in het vervolg wat meer op zijn hoede te zijn.

Om de kletstafel in de sociëteit zaten dien dag weer eenige mannen te deinen op hun wipstoelen, de voeten op de ijzeren staaf. En Robbers maakte den dokter voor eeuwig belachelijk; niet alleen met dat doel vertelde hij het verhaal in kleuren en geuren, maar vooral om zijn braven makker te rehabiliteeren.

XI. PENJOE, DE TRAGE ZEESCHILDPAD

Het was een nacht van louter zilver en zwart.

Hier, aan het witte duinen-strand van Poelau Djemoer, met zijn zwarte rotsen waar de branding op beukte, waren geen andere kleuren in den fellen maannacht. De sterren waren in den zwarten hemel terug geweken voor den toovergloed van den zilveren brand, en inktzwart was de zee, waar slechts zoo nu en dan een bolle deining met vloeiend zilver werd begoten.

Boven, op een rots, stond de vuurtoren; zonder dit licht zou de groote scheepvaart in de Straat van Malaka, de wereldstraat van Azië, niet mogelijk zijn. Behalve de lichtwachter met zijn helpers woonden op dit eenzame eiland slechts enkele Maleiers, in een hutje aan den voet van den rotsheuvel; zij verzamelden schildpadeieren, welke zij voor ’n paar gulden de honderd in de groote havenplaatsen aan den Sumatra-wal verkochten.

Het was juist een maand geleden, dat ik deze plek op een mijner dienstreizen bezocht had, en toen ik in het hutje der Maleiers een groote kist had zien staan, half gevuld met schildpad-eieren, waren mij de verhalen in herinnering gekomen, welke men mij in Zuid-Sumatra verteld had over schildpadden en haar eieren; wanneer deze dieren aan wal waren om eieren te leggen, zouden zij gemakkelijk te benaderen zijn, ja, de eierzoekers zouden wel eens meehelpen om het gat te graven waarin de eieren worden gelegd, om maar tot spoedige resultaten te komen! En ik had den Maleiers ongeloovig gevraagd, of zij mij niet eens ooggetuige konden laten zijn van hun nachtelijke ontmoetingen met eierleggende schildpadden. Zeker, hadden zij gezegd, en of ik dien nacht niet kon overblijven? Er was weliswaar weinig kans, want het was dien dag zwaar weer geweest en er stond hooge zee, maar het was niet uitgesloten, dat enkele dieren toch aan wal zouden komen in den nacht; het zou wel moeielijk zoeken zijn, er waren verschillende legplaatsen en de mannen hadden met hun lichte prauw kreken over te steken om alle plekken af te zoeken. Of ik het niet zoo zou kunnen schikken, dat ik een anderen keer, ook bij volle maan, een nacht kon overblijven? als de zee dan niet zoo hol was, konden zij er voor instaan, dat ik schildpadden zou zien en ze zien eieren leggen!

Dat was wel heel sterk! had ik gedacht. Het was toch wel vreemd, dat men dien dag er in het geheel niet op gebrand was om mij te overtuigen, dat onmogelijk schijnende dingen werkelijk toch wel mogelijk zouden zijn.

En nu wilde het toeval, dat ik nu, juist een maand later, weder naar het zuiden ging. Het doel van mijn reis waren de Chineesche panglong’s, de houtkapperijen bij Bengkalis, waar Singapore jaarlijks meer kubieke meters hout weghaalt dan de geheele jaarlijksche productie van djati-hout op Java bedraagt; daar waren dingen voorgevallen tusschen de Chineezen onderling, zóó ernstig, dat ik onverwijld een plaatselijk onderzoek wilde instellen.

Een schoolmeisje met vacantie maakte dit gedeelte van de reis mee; ik had haar het verhaal van mijn vorig bezoek gedaan en zij smeekte om Poelau Djemoer aan te laten doen, nu het weer volle maan was; zij vond het wel „eng”, maar toch ook „dol” om eens op den rug van een zeeschildpad rond te rijden! Het eiland lag op de route, wij zouden laat in den avond aankomen, en enkele uren kon ik wel aan de schildpadden besteden... als men ons tenminste niet duchtig bij den neus had met al die verhalen. Maar dit was op zichzelf al de moeite van een onderzoek waard.

Nauwelijks lag ons kleine schip voor anker, of aan den wal verscheen een lichtje, dat in rhytmisch zwaaien bewoog; men had ons op het eiland zien aankoersen en er liepen menschen, die nu stellig een prauwtje van het strand het water in zouden slepen om ons te bezoeken.

Een half uur later stonden de lichtwachter en twee Maleiers aan dek. Zij hadden de fluit van de „Diana” herkend, het was volle maan, misschien was de gouverneur aan boord, die zoo ernstig beloofd had ééns, als de maan vol was, te zullen komen om schildpadden te zien. Toch waren zij verrast, dat ze zich niet vergist hadden, zij wisten, dat de gewestelijke bestuurder te Médan slechts zelden tijd kon vinden voor reizen naar de zuid, die zoovele dagen in beslag namen.

„En hoe staat het met de schildpadden?”

„Nou, meneer, voorzoover wij weten zijn er nog geen aan wal, maar als u wat geduld wilt hebben zult u ze toch wel kunnen zien, wij verwachten ze vannacht stellig, want de zee is rustig en het wordt nu de goede tijd van het jaar.”

„Maar hoe lang zou het dan nog duren?”

„Dat kunnen we onmogelijk zeggen, maar mogen wij zoo afspreken, dat een van ons telkens drie malen achtereen met een licht zal zwaaien aan het strand, als er penjoe’s aan wal zijn? Wij zullen de wacht hier aan boord waarschuwen om u te wekken als u wilt gaan slapen.”

De mannen roeiden in hun kleine prauw weer naar den wal, al spoedig zagen wij alleen maar het deinend lichtje van de lantaren, welke zij in den voorsteven hadden gezet, flets rossig in het zilveren maanlicht.

Wij besloten te wachten, een goed boek helpt den tijd wel dooden. Eerst twee uur later kwam een matroos ons waarschuwen, dat het sein aan den wal gegeven was. Zouden we nu werkelijk schildpadden zien? Vier man zaten al in de neergestreken sloep, de halve bemanning; onder het roeien werd druk gepraat, ook voor hen was het een nieuwtje, al hadden zij er dikwijls van hooren vertellen; en dat het schoolmeisje mee aan wal ging, werd blijkbaar zeer interessant gevonden. Toen wij het strand naderden, bleek de branding nog vrij woelig te zijn, maar de lantaren aan den wal wees ons de beste plek om te landen.

„Zijn er werkelijk schildpadden?” vroeg ik in spanning.

„Ja meneer, er zijn pas twee dieren aan wal, maar wij wilden u niet langer laten wachten. Zie, dit is het spoor van een ervan, de andere is wat verderop.”

Van het water liep een spoor, van zeker een halven meter breed, het lage witte duin op; in het midden leek het ’t spoor van een aan wal getrokken prauw, aan de kanten stonden op regelmatige afstanden de indrukken van grabbelende pooten. Inderdaad, hier had een dier uit de donkere zee het veilig tehuis verlaten om aan de groote wet, het scheppen van een kroost, te voldoen. Zij, schildpadden konden niet, als de visschen, haar schat aan het water toevertrouwen; maar haar instinct wees haar den weg, dien ook haar moeders en grootmoeders hadden gevolgd, naar eenzame stranden waar rul, diep zand was om de eieren te verbergen en ze tot leven te stoven in de gloeiende zonnewarmte. En zij kozen den diepen nacht om heimelijk den grooten tocht te doen. De armen, zij weten niet, hoe slim de allergevaarlijkste aller dieren is, en hoe het speuren dien mensch gemakkelijk gemaakt wordt door het breede spoor, dat zij in het zand slepen en dat alleen door hevigen regen of door stormwind wordt uitgewischt.

In oogenblikken, dat men wondere dingen der Natuur zal zien, is het of ’s menschen geest glimlacht; of deze stelling ook voor anderen dan devote bewonderaars der natuur opgaat, weet ik niet; wel, dat ik het voor de tweede maal in mijn leven zoo voelde. Jaren tevoren, toen men mij voor het eerst in het Barisangebergte de Rafflesia Arnoldi zou laten zien, volgde ik met dezelfde gewaarwording een Maleier, die deze wondere reuzebloem had gevonden. Ik wist, hoe groot de blijde trots was voor dr. Arnold, toen hij in 1818, te Poelau Lebar aan de Manna-rivier, „the biggest flower of the world” vond, en hoe opgetogen Raffles en Lady Raffles waren, toen Arnold met de geweldige parasiet hun tent binnen kwam... nu zou ook ik die wonderbloem zien. Daar lag zij op den grond in het stille bosch, bijna een meter in middellijn; de vijf prachtig kastanjekleurige bladeren, dicht bezaaid met de crême „wratten”, omvatten de kom, waarin, als een altaar, de centrale zuil ligt; toen glimlachte mijn geest niet meer maar zonk als het ware neer voor dit wonder, in vrome dankbaarheid.

Hier gold het „maar” een schildpad en nu bleef de glimlach, want overheerschend was een gevoel van verbazing, al was het gemengd met medelijden voor het dier, dat in onweerstaanbaren drang haar omgeving geheel vergeten scheen. Zij was druk in de weer; de klauwige voorpooten graaiden met kracht het zand langs de flanken naar achter het lichaam, en de twee platte achterpooten vlijden het zand vast aan.

„Wat doet ze nu?” vroeg ik.

„Zij heeft haar eieren gelegd en nu graaft ze den kuil dicht en slaat het zand vast aan.”

Wij gingen dicht om het met volle kracht doorwerkende dier zitten, en met een stokje tikte ik haar zacht op den grooten kop, benieuwd of zij hem in zou trekken; zij protesteerde wel even, hijgde kreunend, maar er kwam niet de minste stoornis in houding of arbeid; integendeel, meer dan ooit kwam het er op aan haar schat snel te verbergen. Graai! graai! ging het vóór, en plak! plak! haastten zich de achterpooten. Arme drommel, een struis steekt tenminste den kop nog weg en verbeeldt zich dan alleen te zijn, de schildpad ziet het allergrootste gevaar om zich heen letterlijk in de oogen, en verbeeldt zich, dat die oogen niet zien.

„Jullie doet deze dieren toch nooit kwaad?”

„Neen, meneer, wij zijn veel te blij, dat ze geregeld hier komen, verscheidene van de dieren kennen wij aan de kleur of aan schelpen, die zich aan hun schild vastkleven.”

„Maar als ge door regen of wind de sporen niet vindt, of als ge ’s nachts niet waakt, hoe vindt ge dan de eieren?”

„Dan zoeken wij overdag naar plekken waar het zand sporen vertoont verstoord te zijn, en wij sondeeren het met een ijzeren laadstok; voelen wij een hardere plek, dan steken we voorzichtig door, en als we de eieren raken, dan is de punt van den stok kleverig en er blijven zandkorrels aan hangen. Maar soms vinden wij niets, het is veel beter ’s nachts alle plekken, waar zij gewoonlijk komen, langs te gaan; een goed deel van den nacht loopen wij rond en waden de kreken door, die de stukken strand van elkaar scheiden. Wij zullen nu eens zien, hoeveel eieren deze schildpad gelegd heeft.”

De mannen sleepten voorzichtig de alles trotseerende moeder eenige meters van haar nest weg; hoeveel zij woog, is niet te zeggen, maar zij mat van neus tot staart precies een meter. En nu werd de hardere plek op het nest behoedzaam ontgraven. Maar wij beiden hadden te doen met de bedrogen moeder en hielden haar in dit moment van diepe vernedering en teleurstelling gezelschap... zóó voelt de mensch het aan; maar de schildpad sloeg op de nieuwe plek onmiddellijk weer aan den arbeid, haar hersens liepen blijkbaar minstens een kwartier achter, zij had niets van de manoeuvre begrepen, slechts die eene gedachte bezielde haar: graaf! je bent nog niet klaar, verberg je schat! en de voorpooten graaiden weer, en de andere twee plakten weer dicht, steeds sneller; eindelijk drong het tot haar door, dat zij toch niet geheel onbespied was op haar strand! Zoo verwoed graaiden de voorpooten, dat ons het zand om de ooren fladderde toen wij achter haar gingen zitten.

Men had het nest met eieren nu ontbloot, wij telden er 108; eieren als ping-pong ballen, maar zachter, verscheidene met de deuk erin, welke die ballen na eenig gebruik vertoonen. Het schoolmeisje stond erop de moeder enkele van haar eieren te laten zien, maar ze keek niet eens verbaasd en zwoegde al maar door, ze was alle maat en tijd kwijt.