Waar mensch en tijger buren zijn
Part 11
Wij wisten al, dat een anggang niet geliefkoosd kan worden; aaien over den kop of over den rug is een genot voor papegaaien en loeri’s, maar buiten deze „kopje-krauw’s” zijn vogels er niet bijzonder van gediend. Maar als men een jongen anggang, die zich al enigszins aangepast heeft aan de nabijheid van den mensch, liefkoozend toespreekt, dan reageert hij in een zachten, onderdrukten eenklank, dien wij als „jóos” hoorden. Daarom heetten bij ons de anggang’s Jozef, en deze Jozef reageerde altijd, als men een lief buiginkje in zijn naamklank bracht.
Jozef had in een klein, vies hokje gezeten, zijn toilet was slecht verzorgd, de lange oogharen om de verstandige oogen met hun menschelijke oogleden, waren dicht bezet met roode luisjes, en het deed hem geweldig pijn toen hij er voorzichtig van verlost werd; hij heeft mij dat in jaren niet geheel kunnen vergeven.
Jozef was eigenlijk wanstaltig, vooral in de eerste jaren van zijn leven, toen hij nog niet volgroeid was, een proces, waarover de anggang minstens drie jaren doet. Vooral de nestharen aan den zwaren nek stonden zoo weinig gesoigneerd, en dan die malle kop! Eerst later, toen de roode kroon aanzwol en de veeren glad waren, zag Joos er representabel uit, maar toch bleef hij een wonderlijk geheel, vooral als hij mal rondhupte op de grove grijpvoeten; zij waren ganschelijk niet daarvoor geschapen, toch deed hij het met blijkbaar pleizier, al moest op een langen tocht wel telkens halt worden gemaakt. Trouwens, daarvoor waren ook andere redenen; er kon niets boven hem vliegen of bewegen, tot zwaluwen hoog in de wolken toe, of Jozef draaide den kop 90 graden en bekeek het object in peinzend filosofeeren met het naar boven gewende oog, en hij trok er zich niets van aan, als de menschen er om lachten.
Jozef was den geheelen dag bezig, in beweging, of als wijs filosoof; zelden sliep hij overdag als er menschen in de buurt waren met wie hij op zijn manier voeling zocht. Zijn dagelijksche omgang was de tuinjongen, die voor planten en dieren zorgde, het gras op de gazons kort hield en de paden wiedde. Vooral bij dit laatste werk was Jozef vol daadwerkelijke belangstelling, en uren lang zat hij bij den „kebon” en keek toe, zocht telkens den hemel af met één oog en zei zoo nu en dan heel zacht: jóos. Maar in het bijzonder gold zijn belangstelling de heel mooie witte steentjes op de grindpaden, hij zocht ze uit, voelde ze aan, slingerde ze een paar decimeter de lucht in en ving ze weer op. Jozef was een geweldig vanger, hij miste nooit. Toen dit opviel, werden natuurlijk allerlei vangproeven met hem genomen, en nooit hebben wij gezien, dat hij den kleinsten rijstkorrel miste!
Niet doorloopend had de kebon zijn gezelschap, dat hing van de gebeurtenissen van den dag af. Toen onze kinderen tijdens den wereldoorlog uit Holland overkwamen, ging een belangrijk deel van zijn affectie op hen over. En als de meisjes in de achtergalerij aan handwerkjes bezig waren, kon hij een ganschen morgen naast haar op het traliewerk om de galerij zitten, droomerig filosofeerend of zich uitslovend om een buit gemaakt kleurig wollen draadje op te slingeren en weer op te vangen, waarbij hij uit den aard der zaak met groote moeilijkheden te kampen had.
In dit rustig bestaan kwam opeens een zeer belangrijke gebeurtenis een nieuw veld van belangstelling en arbeid openen. De kinderen hadden ergens twee heel jonge aapjes uit de handen van plagende jongens gered, en de tuinjongen had een jong biggetje, dat op onbegrijpelijke wijze ergens uit een Chineesch varkenshok was ontsnapt en in een bijna drogen put was terechtgekomen, uit de modder gevischt. Nu kon het niet anders, of er moest een groote volière worden gebouwd, waarin deze menagerie tot haar recht kon komen. Al spoedig vermeiden de aapjes zich op rekstokken en schommeltjes, in de volière aangebracht, en een hunner deed dagelijks een rit op den rug van het heftig protesteerend biggetje. Voor Jozef een nieuwe wereld, en een drukte en actie als hem zelf geheel vreemd waren. Maanden lang was hij belangstellend toeschouwer, van buiten het gaas, en al dichter en dichter waagde hij zich bij de grijphandjes der apen, die met plotselinge uitvallen trachtten den staart van Jozef te pakken te krijgen als hij daartoe de kans gaf. Maar een straffende tik met het bijltje, zooals wij Jozef’s snavel noemden, deed hen terug deinzen, om dadelijk weer de goede kans te beloeren. Soms hielden zij Jozef met een plagend handje bezig, om, met een uitgestreken gezicht, behoedzaam een achterpoot door de grove mazen van het gaas rechtuit te schuiven en zoodoende den aanlokkelijken staart te benaderen. Maar het bleef steeds een zachtaardig spelletje en nimmer deden zij elkaar bepaald kwaad. Zoo was een groote vriendschap ontstaan, en als zij in den middag hun maaltje rijst en bananen of andere vruchten kregen, was het bij de volière een gezellige drukte, de aapjes en het biggetje binnen, Jozef als belangstellend publiek buiten de volière.
Op een goeden dag zagen wij iets zeer merkwaardigs gebeuren.
Jozef had een blijkbaar voldoende portie pisang opgeslokt en bleef met een stuk banaan in den snavel zitten. Plotseling nam hij een besluit, wipte tot vlak tegen het gaas en stak een der aapjes het stukje pisang toe, dat dadelijk en met graagte werd aanvaard; de wangzakjes waren eigenlijk al vol, geen nood, met den rugkant van ’t handje werd duwend toch nog plaats gemaakt. Dat moest toeval zijn! Wij wisten hoe „menschelijk” Jozef was, maar dit leek ons zoo ongelooflijk, dat hier aan zuiver toeval moest worden gedacht. Maar neen, sinds dien dag bleef Jozef de heertjes geregeld bedienen. Vooral Klappie, de kleine klapperaap met zijn guitig varkensstaartje, werd bevoorrecht en de kleine schavuit beschouwde dit spoedig met een zeker air van quasi-onverschilligheid als een hem toekomend recht. Als hij zag, dat het moment gekomen was, schurkte hij zich in een hoekje van de volière, op den grond, de handjes op schoot, het hoofd onverschillig afgewend. En de brave Jozef hupte aan en presenteerde hem het smakelijk hapje, dat met één handje, als was het hem eigenlijk te veel, genadig werd aanvaard. Als wij gasten hadden, werd telkens de vertooning gegeven, velen hebben zich dan ook van dit merkwaardig gebeuren overtuigd.
Toen kwam de groote verhuizing naar Palembang, onze kinderen hadden ons alweer verlaten, en zoo namen wij afscheid van de aapjes en het biggetje, dat inmiddels een vet knorrepotje geworden was; zij gingen over in handen van een anderen dierenvriend; door hun de vrijheid te geven, zooals wij met onze boschvogels hadden gedaan, zouden wij de ontaarde kereltjes den dood hebben ingejaagd. Maar Jozef reisde natuurlijk met ons mede. Het residentshuis te Palembang heeft aan de achterzijde een groot erf, geheel door bijgebouwen en zware hekken afgesloten en beplant met verschillende schaduwrijke vruchtboomen, een dorado voor Jozef. Hij zal zijn aapjes wel zeer gemist hebben; wel hadden wij een jongen hond, maar deze had het veel te druk met ronddribbelen dan dat hij een rustig vriendje voor Jozef kon zijn. Maar de slimmerd wist raad, hij wachtte tot het hondje ergens lag te slapen, benaderde hem en trachtte een of andere lekkernij tusschen de dichtgeknepen lippen te wringen! maar de ontsteltenis was telkens groot, het dier kon niet vatten, dat Jozef’s scherp bijltje als teeken van vriendschap en zorgende liefde hem in het tandvleesch prikte, en telkens vloog hij met een naren gil op en ontvluchtte kermend het nog juist ontsnapte levensgevaar. Arme Jozef keek dan wel heel ongelukkig, en hij draaide het eene oog naar de wolken om den hemel tot getuige te nemen van zijn nobele bedoelingen.
Toen kwam op een morgen een man uit de Boven-Moesi met een jong hert te koop, een bok, maar er was nog geen spoor van de eerste geweiknobbels. Hans werd nu Jozef’s kameraad, een wild hert uit de ruige struiken en een vogel uit de hooge boomen gezworen kameraden!
Toch duurde het maanden voor de twee gewend waren aan elkaars onmiddellijke nabijheid, maar toen was ook voor Jozef het oogenblik daar, om blijk te geven van zijn affectie. Ook Hans was er in het geheel niet van gediend, voor hem was het eenvoudig om aan het bijltje te ontkomen, hij stak den kop de lucht in, de ooren in den nek, maar telkens weer deed de brave vogel zijn best, en te oordeelen naar wat later gebeurde, moeten zijn pogingen toch niet altijd zijn afgewezen.
Op een goeden morgen namelijk werden wij geroepen door onze kokkin, wij moesten dadelijk komen kijken, nu gebeurde er iets, dat de bediendenschaar in groote verbazing bracht!
De kokki had ’s morgens vroeg een partijtje aardappels, die begonnen uit te loopen, te luchten gelegd op het groote waterreservoir van beton, dat op het achtererf van de woning is aangebracht. Hans rook, dat daar iets naar zijn gading lag, maar al ging hij ook op de teenen staan en spande zijn hals als een vioolsnaar, de zoekende mummellippen reikten nog niet aan den rand van den bak. Nu zag Jozef zijn kans, hij vloog op het reservoir, zocht de beste aardappels uit en reikte die zijn vriend aan!
Dit is voor ons, dierenvrienden, die allerlei dieren hebben gehad en getracht hebben al hun eigenaardigheden te leeren kennen door goed voor hen te zijn, een moment geweest, dat nu nog telkens wordt opgehaald als het merkwaardigste, dat wij van onze „redelooze” vrienden hebben beleefd. En eerst nu, dat ik de geschiedenis van braven Jozef vastleg, heb ik hem begrepen. Het kan niet anders, of Jozef voelde in zich den drang te doen wat zijn vader en zijn grootvaders hadden gedaan, toen zij hun ingemetseld wijfje de zorgvuldig bespaarde hapjes door het klei-venstertje aanreikten; Jozef’s vaderhart sprak! En al klinkt dit mal, als men een vergelijking treft tusschen den aard en de lichaamsgrootte van een hert en een vogel en daarbij het hert als de moeder met de babies denkt, Jozef voelde zich de vader en hij voldeed aan de groote wet, die hem de voederplicht had opgelegd.
Jozef is natuurlijk met ons mee verhuisd naar Médan, met Hans. Maar deze werd al spoedig de baas van het hertenparkje, en Jozef heeft nimmer meer een bijzonderen dagelijkschen vriend onder de dieren gehad. Trouwens, hij had er nu ook weinig tijd voor, want hij had het oppertoezicht op zich genomen over alle dieren op het erf der gouverneurswoning te Médan, dat eerder de betiteling van park verdient en waar een gezin van dierenvrienden zich naar hartelust aan hun hobbies kan wijden.
Zijn dagelijksche mensch-vriend was nog steeds de trouwe tuinjongen van Bengkoelen en meer en meer sloot Jozef zich bij hem aan en keek toe, dat hij geen der mede-dieren te kort deed. En er waren er zoo eenige. Het werk begon in de vroegte bij de kippen, waaraan de tuinjongen de uiterste zorg besteedde; hij, Lakasah, was zeer trotsch op de Plymouth Rocks, die kregen de eerste zorg; dan volgde het kleine toom Rhode Islands, maar daar keek hij op neer sinds er een veerenpikker onder was, die zijn baas maar niet wilde opruimen. Jozef vond kippen weinig interessant; of hij deed maar zoo, want kuikens hadden zéér zijn belangstelling, zóó zeer, dat hij eens verrast werd, juist bezig om een achterlijk stumperdje een waardig graf te bezorgen. Dat kuiken bleef telkens achter, als moeder-kip met haar kroost voort-kloekte; Jozef zag zijn kans, zijn onderbewustzijn sprak van heerlijke muizen en kruipend gedierte, die een belangrijk deel uitmaken van het anggang-menu in de wildernis, de moederkip was achter een struik verdwenen, hij hoefde niet te vreezen, dat ze als een fregat met volle zeilen op hem af zou stormen... en het nimmer missende bijltje deed zijn werk goed.
Bij de groote kooi van den béo, den praatvogel, bleef Jozef dikwijls een tijd achter op den dagelijkschen rondegang van Lakasah. Hij, Jozef, die alleen maar zoo nu en dan zijn zacht geluid deed hooren, moet wel respect gehad hebben voor den béo, den meest perfecten praatvogel ter wereld; kon deze niet roepen en spreken en fluiten als de menschen; en dan zijn meesterlijk kuchen en hoesten!... was daar weer die akelig rochelende Chineesche koeli, die maanden geleden steenen had aangesjouwd? waarom ging daar, plotseling, knarsend de zware garagedeur open, terwijl ze dicht zat? Ja, ja, dat doe ik! zei de béo met een houten gezicht; langs zijn gelen snavel loerden de scherpe kraaloogen naar den stillen Jozef met zijn reuzekop.
Dan ging hij maar weer voort, Lakasah achterna. Nòg zoo’n schreeuwer kreeg nu diens bezoek; hij was een vlamroode loerie van Ternate, dien een dankbare Maleische jongen, ginds ambtenaar geworden, mij had toegezonden; daarom was de loerie erkentelijk aanvaard, maar hij zette zoo nu en dan de geheele omgeving op stelten; hij kon engelachtig lief teemen en vleien; bij het afroepen van de namen van de bedienden was zijn geluid al meer een oorverscheurend geschater, maar als hij het op zijn heupen had en Ternataansch sprak, tenminste onverstaanbaar, dan kwam er in zijn toespraken zulk een gloed, dat het razen en vloeken leek, zóó, dat een fuselier er eens van bloosde.
Nu was Dora aan de beurt, de baby-orang hoetan, die op dezen tijd van den dag haar fleschje melk savoureerde; maar Dora was geen hartsvriendin van Jozef, zij was hem te sluw. Voor de menschen was zij een zacht, drenzend kind en lief keken haar mooie, bruine oogen; maar o wee! als een of ander dier, dat ze aandurfde, onder haar bereik kwam; dan schoot de gespierde arm onverwachts uit, en Jozef had ondervonden, dat die arm veel en veel langer was dan men zou verwachten.
Zoo verrichtte Jozef bij nog vele andere dieren zijn dagelijkschen rondgang, en daarna meldde hij zich bij de huisvrouw, als kwam hij rapport uitbrengen. Meer en meer hechtten wij ons aan het brave, gezellige dier, dat haast geen dier meer was; er was ook zoo’n menschelijke uitdrukking gekomen in de oogen met hun mooie, lange oogharen; beste, brave Joos.
Op een namiddag, in den zomer van 1923, zat Jozef te rusten op een lagen tak, kijkend naar de dalende zon. Hij had mij met zijn zachten roep gegroet, toen ik hem voorbij ging, naar het tennisveld. Dadelijk daarop moet het gebeurd zijn, want ik had het veld nog niet bereikt, toen Lakasah mij achterna kwam rennen, doodsbleek en met trillende lippen, om mij te zeggen, dat Jozef dood in het gras lag, onder den tak, waar hij zijn baas den laatsten groet gebracht had. Een hartverlamming moet hem van ons hebben weggenomen.
Dien avond was de lach gestorven in het gouverneurshuis te Médan.
XIV. DE EERSTE ONTMOETING MET BABY-OLIFANT
Eerst te vier uur was de vergadering met de ambtenaren, hoofden en notabelen van Manna afgeloopen en kon ik in mijn fonkelnieuwe, lichte Amerikaansche auto naar Bengkoelen terug keeren.
Een rit, langs den kustweg, van 123 kilometer. Dit is voor Zuid-Sumatra nu niet zoo’n belangrijke afstand, maar het traject heeft zijn bijzondere moeielijkheden, doordat er vijf breede riviermonden in liggen, welke niet overbrugd zijn. En in den tijd, waarop deze schets betrekking heeft, bestond er nog geen geregeld autoverkeer; mijn wagen was de eerste automobiel, welke dit traject aflegde.
De overvaart aan de riviermonden geschiedde met vlotten van op elkaar gebonden lagen bamboe’s; dit was voor het licht verkeer voldoende. Weliswaar sloegen die vlotten bij bandjir’s dikwijls weg en werden in de branding aan flarden gebeukt, en het nam eenige dagen om nieuwe vlotten te maken, zoodat aan beide oevers een kamp ontstond van wachtende transportkarren, maar dit gebeurde ook dikwijls wanneer bandjir’s het oversteken gevaarlijk maakten; dat was zoo erg niet, men had geen haast; en de karrevoerders wisten met een gezellig dobbelpartijtje en veel slaap den tijd wel te dooden.
Mijn auto, de baanbreekster voor een nieuwen tijd, bracht de eerste malen groote ontsteltenis voor hen, die de overvaarten geregeld bedienden, eenvoudige brave mannen uit de binnenlanden, die met open mond en verbleekte gezichten den snorrenden wagen met onverwachte snelheid zagen aankomen, zonder eenig trekdier; en nog meer schrikten zij van het gewicht van het nieuwe voertuig, dat gewoonlijk de vlotten onderdompelde en, tot de assen in het water, van oever tot oever overzwaaide. Het spreekt vanzelf, dat er allerlei kleine en grootere ongelukjes gebeurden bij het op- en afrijden van de wankele vlotten, die volstrekt niet altijd behoorlijk konden worden vastgemeerd aan de telkens door bandjir’s aangevreten oevers.
En indien automobielen wezens waren met rede begaafd, dan zouden zij, die gefolterd zijn om en bij bamboe-vlotten in Zuid-Sumatra, gedenkschriften hebben nagelaten, welke reeds lang aanleiding zouden hebben gegeven tot het bijeen roepen van een congres tegen koloniale gruwelen.
Nu hebben alleen de eigenaren pijnlijke herinneringen, welke vastgelegd zijn in bundels kwitanties van auto-herstellers.
Maar toen ik dien dag in mijn licht Amerikaantje stapte, had ik dergelijke souvenirs nog niet, en dien keer werden ze mij toevallig bespaard.
Het was een bijzonder warme dag geweest, op het nog kale plein voor de nieuwe Controleurswoning trilden de hittegolven.
Maar indien men eenmaal in beweging is, hindert de hitte niet meer, en zij was het dan toch ook, die de heerlijke geur gestoofd had uit de kruidnagelboomen langs den weg. Prachtige boomen zijn het, en zij zouden doen denken, dat de cultuur loonend zou zijn voor deze kuststrook, een verwachting, die ook Raffles had. Maar de verschillende proeven zijn mislukt, en van de laatste ervan zijn alleen deze boomen overgebleven; bij de inheemsche bevolking houden zij de herinnering wakker aan den Controleur, die ze liet aanplanten [22], en dien zij nog steeds den Kruidnagel-meneer noemen, toean tjabé tjongkah, een man, die streng èn goed was en daarom dankbaar herdacht wordt.
De zon daalde tropisch snel, en nu trad de mooiste periode van den Indischen dag in,—als de scherpe lichtcontrasten plaats maken voor de halftinten, als de hemel niet zoo strak blauw meer is en de wolken zich voorbereiden om zich te tooien met de wondere pracht van kleuren, waarmee de zon haar en den hemel tinten zal.
Bij een der rivierovergangen moest rust worden gehouden, de veerlieden hadden het nog druk met het herstellen van het vlot, dat op een of andere manier een knauw had gekregen. Ik was er dankbaar voor, omdat het bosch aan de kust hier een eigenaardige bekoring heeft, en ik glipte weg in de stilte onder de machtige aroe-boomen. [23]
Het fijne loof van deze casuarinen doet op het eerste gezicht sterk denken aan naalden en men noemt ze wel eens denneboomen, ook omdat de afgevallen grijsbruine naalden den bodem dik bedekken, als in een dennebosch; maar verder gaat de vergelijking niet op met deze reuzen van veertig, vijftig meter hoog en met hun ijl, grijsgroen loof, dat elken harsgeur mist.
De bodem is er droog en egaal bedekt door de doode naalden, die op hun weg van boven dikwijls een tijdlang hangen blijven aan de losbladderende schors der boomen. Door de ijle struiken, die het onderhout vormen, ziet men den oceaan, geheel open tot aan de zuidpool. De witte rollers eindigen eeuwig weer in een laatsten rimpel, die zich in bochtige, telkens veranderende lijn, zacht uitstrijkt over het heldere, vlakke zand.
Het bruisen van de branding wordt in het ijle loof nagefluisterd; maar beneden, tusschen de zware stammen, heerscht de stilte. En als er in de gloeiende middaguren van mooie dagen geen zuchtje wind is, als de kleffe zeelucht niet verwaait, dan hangt de stilte loodzwaar neer; de cicade, die hier het eenige levende wezen schijnt en die halfweg een stam zijn hoog-snerpend deuntje telkens weer herhaalt, kan die stilte niet verbreken, accentueert nog meer de eeuwige rust en de verlatenheid.
Aan den horizont streepte een lange rookveer, daar stoomde een boot, een mailstoomer misschien naar Holland, naar onze kinderen...
Een scherpe steek op mijn hand riep mij plotseling uit het lieve vaderland terug. Een roode mier was van den stam, waar ik tegen geleund stond, op mij overgewandeld en nam bezit van de onverwachte prooi; zij zijn verzot op vleesch, deze kararangga’s, ze slaan de vervaarlijke kaken er stevig in, en zegevierend tilt het achterlijfje zich loodrecht op.
Arme drommels, hij en ik, wat waren we een oogenblik in de war! Ik was even, in een droom, in het verre vaderland, hij, in zijn vitaliteit, dacht zich zóó zeker van zijn prooi. Ik maakte zijn greep los en zette hem weer op zijn stam, waar hij even verdwaasd neerzat, maar dan vlug de pijnlijke kaken bevoelde, het achterlijfje in verbazing hoog in de lucht.
En nu ik weer tot de werkelijkheid terug gekeerd was, merkte ik niet meer alleen te zijn; aan het strand liepen twee kleine meisjes in haar nationaal badkostuumpje een eind de zee in; ook hier doen de kinderen aan „pootje baden”; maar zij waren zoo doodverlegen, toen zij den vreemden man ontdekten, dat ik me bepaald schuldig voelde en mij weg haastte, naar de auto, die reeds aan den overkant van de rivier stond te wachten; en Amin, mijn brave chauffeur, keek zacht verwijtend, wij moesten immers nog zóó ver!
Het weggedeelte dat nu volgde, voert door een der eenzaamste streken van Sumatra, welke men per auto kan doorkruisen. Links, aan de westzijde, loopt een smalle rand van jong bosch, dat het uitzicht op den oceaan afsluit. Aan den oostelijken kant strekken zich zwaar begroeide moerassen uit, ontstaan door de bandjir’s der rivieren als zij worden teruggedreven door den springvloed uit zee, en waardoor de lage oevers en het vlakke land overstroomd worden. Breeduit getakte ficusboomen steunen als met tal van licht gekleurde armen hun reusachtig dak, de zijtakken vormen loopbruggetjes naar andere boomen in een chaos van groen en van lianen en hoog klimmende, doornige rotans. De bodem is grootendeels drassig en staat in den regentijd diep onder water; er groeien pandanen en andere scherpbladige planten, en overal staan boschjes van jonge rotan, alles dicht, doornig en scherp. En worstelt de mensch zich door dien chaos, dan hangen overal, altijd juist ter hoogte van zijn oor, de bekende weerhaakjes aan de punt der sierlijke vederbladeren van den rotan, en telkens doen zij hun werk en zij bijten het gevangen oor nijdig hun bijnaam in: „wait-a-bit!”
In deze ondoordringbare moerasbosschen, waar men maar zelden het geluid van vogels hoort, zal de wereld van klimmende dieren misschien de overhand hebben, maar zij zijn ook een dorado voor slangen en varanen[23]; en het wilde varken vindt er altijd nog droge plaatsen genoeg om er in groote gezelschappen te leven. Zelfs de slimme olifant komt er geregeld; hij heeft er, van geslacht op geslacht, zijn veilig gebleken paden in vast getrapt en ze in de moerasranden uitgeschuurd. Wee! den jager—ik ondervond het later persoonlijk—die zich foppen laat en zonder dubbel op zijn hoede te zijn, een aangeschoten olifant volgt in zulke bosschen, in de overtuiging, dat de tonnen-zware reus hulpeloos en verloren is in die moerassen. Den Grooten van het woud deren bovendien de dorens van pandan en rotan niet, zij eten zelfs met smaak de jonge, stekelige uitspruitsels; en als zij de weeke onderlip maar met den slurf beschermen en de oogen dicht knijpen, dan loopen zij, op hun massieve rubber-zolen, door de dichtste dorenbosschen als een voetbal door het gras.
Die moerasbosschen zijn niet zwaar bevolkt, maar zij huisvesten eigenlijk alle dieren, behalve den tapir en den neushoorn. Ook de malaria-muskieten, de gevaarlijkste sluipmoordenaars van Indië, wonen er, en zij zijn een terreur voor de schaarsche bevolking van deze kust.