Vonken

Part 3

Chapter 34,116 wordsPublic domain

De vrouw van den proost in Karlskoga was zelf een groote liefhebster van 't vertellen van sagen uit Wermeland, en ik wist, dat ik niet alleen enkele van haar beste verhalen, maar vooral veel van haar eigenaardigen kijk op de menschen van vroeger tijd in mijn boek had weergegeven.

Omdat ze niets goeds van het boek zeggen kon vermeed ze meestal er over te praten, als ik in de pastorie mijn gewoon zomerbezoek kwam brengen. Maar eens kwam zij er toch toe te vragen, wien ik als voorbeeld voor Gösta Berling genomen had.

Ik antwoordde haar, dat mijn held de zoon van een proost in Sunne was, waarover ik mijn vader had hooren spreken. Hij was zoo, dat er vreugde opbloeide op het feest, alleen al wanneer hij zich vertoonde, en dat het ellendigste klavier vol en rijk klonk, zoodra hij de toetsen aanraakte.

De oude vrouw begreep dadelijk op wie ik doelde.

"Jawel, Kalle Frykstedt," zei ze. "Ik dacht wel, dat je aan hem had gedacht."

Ik durfde niet vragen of ik hem goed had geteekend. In plaats daarvan vroeg ik mijn tante of ze veel met hem had omgegaan in haar jeugd.

Haar ouderlijk huis op Mårbacka lag juist een mijl van de pastorie van Sunne en daar had mijn tante vaak groote feesten bijgewoond.

Neen, ze had hem niet in zijn huis ontmoet. Hij was immers veel ouder dan zij. Maar ze was een paar keer met hem samen in Karlstad geweest, nadat ze getrouwd was.

"Was hij toen al door den drank gesloopt?" vroeg ik.

"Kalle Frykstedt!" riep de oude vrouw met een scherpe stem. En ze zag mij zóó verbaasd aan, alsof ze heelemaal niet begreep wat ik zei.

Nu was mijn tante zoo, dat ze door deze wereld had mogen gaan met haar eigen betooverden kring om zich heen. Mooi en innemend en rijk begaafd als zij was geweest en nog steeds was, hadden allen, die zij ontmoette, haar hun besten kant willen toonen, en uit dankbaarheid daarvoor was zij hun trouw, en zag hen altijd voor zich als edele, goede, verstandige menschen. Ze was volstrekt geen onervaren kind; ze wist hoe grof en dwaas de menschen zich gewoonlijk gedragen, maar die wetenschap schoof ze op zij en datzelfde verlangde zij van allen, die in haar nabijheid kwamen.

Ze bleef een poos stilzitten en liet haar naaiwerk op haar knie rusten. Maar toen zag ze op met een fijnen glimlach: "Wacht eens, nu zul je hooren hoe Kalle Frykstedt was," zei ze, en ik begreep, dat ze mij nu zou toonen hoe verkeerd ik mijn Wermelanders had geteekend.

"'t Was in den tijd, dat ik pas getrouwd was," begon ze. En nu wist ik, dat ik iets heel moois zou hooren. Mijn tante had geen beminlijker verhalen dan die in den tijd speelden, toen haar man als jong leeraar op de jongensschool in Amål was aangesteld en zij zoo verbazend weinig hadden om van te leven. Ik vergeet nooit een verhaal van een pakkist, die haar eerste salonsofa werd. Ze kon zoo mooi en vroolijk van die pakkist vertellen, dat ik later nooit een groote kist zag, zonder dat ik bewogen werd en toch lust tot lachen had.

Nu vertelde zij, dat, toen ze een jaar getrouwd was, haar man besloten had het predikantsexamen te doen. Hij had al zijn candidaatsexamen in Upsala gedaan, maar in dien tijd was het gewoonte, dat de schoolmeesters ook predikanten moesten zijn.

"Moest hij dan naar Upsala terug?" vroeg ik.

"Neen, alleen maar naar Karlstad," antwoordde mijn tante. "Toen kon je dat examen in Karlstad doen."

Tante Nanna en haar man trokken toen weg uit hun klein tehuis in Amål en verhuisden naar Karlstad, waar ze bleven, zoolang de studie over 't predikantsexamen duurde.

En al dien tijd moesten ze van geleend geld leven.

"Neen, hoe durfde hij dat te wagen?" zei ik.

"Ja, het moest wel," antwoordde mijn tante, en aan haar stem was het nog te hooren hoe angstig ze was geweest, toen ze die gewaagde onderneming begonnen.

"Maar ik zou nu niet van ons vertellen," ging ze voort, "maar van Kalle Frykstedt. Hij zou ook het predikantsexamen doen en studeerde in Karlstad net als Hammargren. Hij had de laatste jaren als huisonderwijzer rondgezworven, maar nu hadden enkele vrienden hem overgehaald om dit examen te doen, om eindelijk eens behoorlijk zijn brood te kunnen verdienen."

"En toen u hem ontmoette, werd u zeker even sterk door hem bekoord als alle andere menschen," zei ik.

"Eerst was ik meer bang voor hem, want hij was bijna nooit nuchter."

"O!" riep ik, héél verbaasd. "En ik dacht..."

"Je vroeg of hij door den drank gesloopt was," zei mijn tante. "Maar hij was zóó knap en zoo geniaal, dat zijn examinatoren er tegen opzagen, toen ze hem moesten examineeren. Maar drinken--dat deed hij. Hammargren en de anderen namen hem gewoonlijk zijn schoenen af op den avond voor een tentamen, want anders konden ze er zeker van zijn, dat hij den heelen nacht in de kroeg zou zitten, en den volgenden morgen niet op zijn beenen kunnen staan."

Toen ik dat hoorde vond ik wel, dat dit beter bij mijn beschrijving van Gösta Berling paste, dan ik verwacht had, maar ik wachtte me wel iets in die richting te zeggen.

"Kwam hij ooit zoover, dat hij dat examen doen kon?" vroeg ik.

"Ja, hij deed het gelijk met Hammargren en kwam er met den hoogsten graad door. Ik had wel gewild, dat hij er niet door gekomen was," voegde zij er bij.

Toen dacht ik, dat mijn tante gemerkt had, dat Kalle Frykstedt niet voor het ambt van predikant paste, maar dat zou ze zeker nooit willen erkennen. Er mocht niets af te keuren zijn in de gebruiken en gewoonten van den ouden tijd, en zij deed, alsof het heelemaal in orde was, dat Kalle Frykstedt tot predikant zou worden gewijd, en een gemeente te verzorgen krijgen.

Neen, 't was om heel andere reden, dat ze gewild had, dat hij niet door zijn examen kwam. Haar man en zij voelden zich genoodzaakt een diner te geven op den dag van het examen, voor den bisschop, de heeren van den kerkeraad en de examinandi. Mijn tante had Kalle Frykstedt niet bij het feest willen hebben, omdat zij overtuigd was, dat hij zich dronken zou drinken en alle feestvreugde bederven, maar nu hij door zijn examen gekomen was, kon ze immers niet laten hem ook uit te noodigen.

't Was niet met een gevoel van blijdschap, dat zij de voorbereidselen maakte voor dat feest. Haar man en zij hadden een kleine woning gehuurd met slaapkamers en een eetkamer op een hooger verdieping, terwijl de keuken en de werkkamer van den man beneden waren. Men moest het met haar eens zijn, dat hier geen goede gelegenheid voor een diner was. 't Eten was niet zoo moeilijk te krijgen: haar moeder zond haar daarvan het grootste gedeelte van Mårbacka. Maar ze had geen porselein en glazen en zilver genoeg voor zooveel gasten, zoodat ze, wat zij te kort kwam, van vrienden en bekenden moest leenen.

Maar de grootste zorg was toch, dat ze Kalle Frykstedt had moeten vragen.

't Diner had plaats. De bisschop kwam met den heelen kerkeraad, de examinandi kwamen en Kalle Frykstedt bleef ook niet weg. En, wonderlijk genoeg, werd dat het allerbeste feest, dat mijn tante ooit had beleefd.

Ik dacht er aan hoe innemend en onderhoudend zij nog op haar ouden dag als gastvrouw kon zijn. En den tijd, dat ze jong en mooi was, moest ze wel onweerstaanbaar geweest zijn. En ik vroeg kalm of het haar verdienste geweest was, dat het feest zoo voortreffelijk was geslaagd.

Maar dat ontkende zij zoo beslist mogelijk. Die eer kwam haar niet toe, maar Kalle Frykstedt. Hij was ten eerste zoo mooi geweest, met die diepe, melankolieke oogen en dat volle golvende haar. Er was iets plechtigs, iets stralends over hem geweest. De vreugde, dat het hem gelukt was in een nieuwen werkkring te komen, had hem met een mooie, levendige geestdrift vervuld.

Mijn tante had nooit gedacht, dat een mensch zoo sterk geïnspireerd kon zijn. Hij sloeg den eenen toast na den anderen, en dat waren geen gewone toasten, maar toespraken vol diepzinnige gedachten. Alles wat hij dien middag zei, was zoo belangrijk, dat allen gaarne naar hem luisterden. Hij werd het middenpunt der gesprekken, en hij voerde allen mee naar nieuwe ongekende werelden. Maar hoewel zij diep werden getroffen door de hooge en ongehoorde gedachten, die hij uitsprak, vonden allen, dat hij zelf het grootste wonder was. Allen genoten van het verheven schouwspel 't genie te zien vonkelen en branden in een menschenziel.

Er waren vele uitnemende persoonlijkheden onder de genoodigden. Bisschop Agardh zelf was geniaal, terwijl velen van de gasten geleerde en begaafde mannen waren. Ze werden door Kalle Frykstedt meegesleept; ze verhieven zich allen uit hun grauwe, alledaagsche gedachten en spraken welsprekende en diepzinnige woorden. Maar toch was niemand als hij.

Terwijl hij aan tafel zat, roerde Kalle Frykstedt den wijn nauwelijks aan, en over 't geheel werd bij dit feest aan spijzen en dranken niet veel aandacht geschonken. Toch bleven de genoodigden uren aaneen aan tafel zitten. Eindelijk stond de bisschop op en nam afscheid terwijl hij den jongen gastheer en gastvrouw dankte, voor het aangenaamste feest, dat hij nog ooit in zijn bisschopsstad had bijgewoond. Tegelijk met den bisschop vertrokken velen van de andere heeren, en ook de gastvrouw trok zich terug. Maar velen van de gasten konden nog niet besluiten naar bed te gaan. Ze droegen flesschen en glazen naar beneden naar de werkkamer en daar zetten zij het feest voort tot het helder dag werd.

Kalle Frykstedt hield steeds heerlijke toespraken, maar nu begon hij ook te drinken. Tegen den morgen stond hij te spreken, tegen de tafel geleund, waar de glazen en karaffen op stonden. Plotseling wankelde hij, viel om en trok het tafellaken meê met al het glaswerk.

Toen mijn tante den volgenden morgen wakker werd, had ze nauwlijks den tijd gehad om aan den vorigen dag terug te denken en er zich over te verheugen, dat alles zoo goed was gegaan, toen ze hoorde, dat er een massa glazen en karaffen gebroken waren. Men kan zich haar schrik en verdriet voorstellen. 't Zou al treurig zijn geweest als het gebroken goed haar eigendom was, maar nu was immers bijna alles van anderen geleend. Er waren kostbare oude erfstukken onder, die met geen mogelijkheid terug te koopen waren. Mijn tante schreide, als ze aan alle uitgaven dacht, die ze zouden moeten doen om de schade te vergoeden, aan alle verontschuldigingen, die ze zou moeten maken, en aan al de ergernis, die haar vrienden zouden voelen, omdat ze hun eigendom niet beter had verzorgd.

Later op den morgen kwam Kalle Frykstedt een bezoek brengen. Mijn tante droogde haar oogen en ontving hem als altijd. Nu was hij nuchter en kalm, bedankte haar voor den aangenamen middag en bleef nog een poosje praten over allerlei. Maar hij was wat onrustig, hij zag mijn tante onderzoekend aan. Hij scheen een uitbarsting van verdriet of bitterheid te verwachten. Eindelijk deed hij een poging om zich te verontschuldigen.

"Ik weet 't niet recht meer..." zei hij en streek met de hand over het voorhoofd. "Er staat me iets voor... Ik heb me toch gisteren niet onbehoorlijk gedragen?"

"Neen," zei mijn tante, en ik kon me voorstellen hoe ze hem toen aanzag met haar bekoorlijken glimlach. "U hebt u heelemaal niet onbehoorlijk gedragen. Integendeel, u was degeen, die ons allen genoegen deed--dat is veel te weinig--die ons allen in verrukking bracht."

Hij zag haar verwonderd aan. Haar antwoord had hem niet geheel gerustgesteld. "Ik moet mijn excuses maken, als er toch iets was..."

"U hoeft u waarlijk voor niets te excuseeren," zei mijn tante op stelligen toon.

Ik begreep zoo goed, waarom ze hem zoo antwoordde. De man, die voor haar stond, had haar verdriet en groote onkosten bezorgd, maar zij had hem leeren kennen als een hoogstaand genie, en zij kon het niet over zich verkrijgen te toonen, dat ze van zijn vernedering wist.

"O! wat ben ik blij!" had de arme stakker uitgeroepen. "Wat ben ik blij!"

Hij had mijn tante de hand gekust als een bedelaar, die een groote aalmoes had gekregen. Toen had hij zich opgericht en was stralend en vol geest geworden als den vorigen dag.

Ook ik kuste de hand van mijn tante en kon nauwlijks mijn tranen bedwingen. Er was altijd iets bekoorlijks en aandoenlijks over haar. Er lag poëzie over haar heele wezen, de poëzie van de menschen uit den ouden tijd.

Ik begreep best, wat ze mij had willen leeren, maar toen ik die les kende, jubelde er in mij iets hoog op.

"Mannen en vrouwen uit het verleden," dacht ik, "al ontkent ge het zelf,--toch zijt ge zooals ik u voor me heb gezien in een langen droom."

DE LEGENDE VAN DEN LUCIADAG.

Veel honderd jaar geleden woonde in het zuiden van Wermeland een rijke, gierige oude vrouw, die Vrouw Rangela werd genoemd. Zij bezat een burcht, of misschien moest men liever zeggen: een versterkte hoeve--aan de smalle monding van een inham, die het Weenermeer diep in 't land stuwt, en over die monding had ze een brug gebouwd, die kon worden opgehaald op dezelfde manier als een ophaalbrug over de gracht van een kasteel. Daar bij die brug hield Vrouw Rangela een sterke wacht van knechten, en voor de reizigers, die in staat waren de bruggelden te betalen, die zij eischte, lieten de wachters dadelijk de brug neer, maar voor anderen, die uit armoede of om andere reden weigerden te betalen, bleef de brug omhoog, en omdat er geen veerpont was, bleef voor hen niet anders over, dan een omweg van verscheiden mijlen te maken en rondom den inham te gaan.

Deze onderneming van Vrouw Rangela om op die wijze belasting van de reizigers te heffen, wekte veel verontwaardiging, en 't is waarschijnlijk, dat de weerspannige boeren, die haar buren waren, haar reeds lang zouden hebben gedwongen om hun vrijen doorgang te laten, als zij niet een machtigen vriend en beschermer had gehad in Heer Eskil van Börtsholm, wiens goed aan dat van Vrouw Rangela grensde.

Die Heer Eskil, die een werkelijken burcht bewoonde met muren en torens, die zóó rijk was, dat zijn landerijen een heel district vormden, die door 't land reed met zestig gewapende dienaars, en die daarenboven door den koning als vertrouwde raadgever was gekozen, was niet alleen een goed vriend van Vrouw Rangela, maar het was haar ook gelukt hem tot haar schoonzoon te maken, en in die omstandigheden was het heel natuurlijk, dat niemand de gierige vrouw in haar doen en laten waagde te storen.

Jaren achtereen zette Vrouw Rangela ongestoord haar nering voort, tot er iets gebeurde, dat haar ongerust maakte. Haar arme dochter stierf heel onverwacht, en Vrouw Rangela begreep, dat een man als Heer Eskil, met acht minderjarige kinderen en een hofhouding, die vorstelijk kon worden genoemd, wel gauw een nieuw huwelijk zou sluiten, vooral omdat hij nog niet oud was. Wanneer nu die nieuwe echtgenoote Vrouw Rangela niet goed gezind zou zijn, kon dat heel veel last geven. 't Was bijna voor haar nog noodiger om goede vrienden met de huismoeder op Börtsholm te wezen, dan met haar man, want Heer Eskil, die veel groote zaken te beheeren had, was veel op reis, en nu en dan moest zijn vrouw thuis en in den burcht alles regelen en besturen.

Vrouw Rangela overdacht deze zaak goed en toen de begrafenis voorbij was, reed zij op een dag naar Börtsholm en bezocht Heer Eskil in zijn eigen vertrek. Daar begon zij het gesprek met hem te herinneren aan zijn acht kinderen, en wat die noodig hadden, aan zijn talrijken bediendenstoet, die onderhouden, verzorgd en gekleed moest worden, aan zijn groote feesten, waarop hij niet aarzelde koningen en koningszonen te noodigen, aan de groote opbrengst van zijn kudden, zijn akkers, zijn jachtvelden, zijn bijenkorven, zijn hoptuinen, zijn vischwater: aan wat er al niet op zijn hoeve moest verzorgd worden, aan alles, in één woord, waarvoor zijn vrouw had gezorgd, en teekende op die manier een recht beangstigend beeld van de groote moeilijkheden, die hij nu, na haar dood te gemoet ging.

Heer Eskil luisterde met den eerbied, dien men zijn schoonmoeder is verschuldigd, maar ook met een zekere onrust. Hij vreesde, dat dit alles beteekende, dat Vrouw Rangela van plan was zich zelf als zijn huishoudster op Börtsholm aan te bieden, en hij moest bekennen, dat die oude vrouw met haar onderkin en arendsneus, met haar ruwe stem en haar boersche manieren juist geen prettig gezelschap in zijn huis zou zijn.

"Lieve Eskil," ging Vrouw Rangela voort, die misschien niet onkundig was van de uitwerking van wat zij zei. "Ik weet, dat er nu gelegenheid is voor een bizonder goed huwelijk voor je, maar ik weet ook, dat je rijk genoeg bent om meer aan 't welzijn van je kinderen te denken, dan aan een grooten bruidsschat, en daarom wou ik je voorstellen een van de jonge nichtjes van mijn dochter als haar opvolgster te kiezen."

Heer Eskils gezicht klaarde merkbaar op, toen hij hoorde, dat het een jong familielid was, waar zijn schoonmoeder over sprak, en deze ging voort met toenemende kracht hem te overtuigen, dat hij moest trouwen met de dochter van haar broer, de wethouder Steen Folkesson, Lucia, die dezen winter op St. Luciadag, twintig jaar zou worden. Zij was tot nu toe opgevoed bij de vrome vrouwen in 't klooster te Risaberga, en was daar niet alleen geoefend in goede zeden en strenge godsvrucht, maar had ook door deel te nemen aan 't werk in de groote kloosterhuishouding geleerd de groote huishouding in een heerenhuis te besturen.

"Als niet haar jeugd en armoede een bezwaar zijn," zeide Vrouw Rangela, "dan moest je haar kiezen. Ik weet, dat mijn overleden dochter van ganscher harte haar de zorg voor haar kinderen zou overgeven. Zij zal niet uit haar graf terug behoeven te keeren, als Vrouw Dyrit op Örehus, als je haar nichtje tot stiefmoeder maakt."

Heer Eskil, die allerminst tijd had gehad over zijn eigen aangelegenheden te denken, voelde groote dankbaarheid voor Vrouw Rangela, die hem zulk een goed huwelijk voorstelde. Hij vroeg wel om een paar weken bedenktijd, maar gaf reeds den volgenden dag Vrouw Rangela volmacht om voor hem te onderhandelen. En zoodra het mogelijk was in verband met het uitzet, de toebereidselen voor de bruiloft en den goeden toon, werd de bruiloft gevierd, zoodat de jonge vrouw vroeg in het voorjaar haar intocht deed op Börtsholm, eenige maanden nadat zij haar twintigsten verjaardag had gevierd.

Toen Vrouw Rangela bedacht hoe dankbaar haar nichtje haar wezen moest, omdat ze haar tot huisvrouw op zulk een rijken en statigen burcht had gemaakt, voelde zij zich nog veiliger dan toen haar eigen dochter daar de teugels in handen had. In haar vreugde sloeg zij het bruggegeld nog wat op en verbood streng, dat een van de buren de reizigers met een boot over 't water zou helpen, opdat niemand aan de belasting zou ontkomen.

Nu gebeurde het op een mooien lentedag, toen Vrouw Lucia een paar maanden op Börtsholm had gewoond, dat een stoet van zieke pelgrims, die op weg waren naar de heilige Drieëenheidsbron bij Sätra in Westmannaland verzochten over de brug te mogen gaan. Die menschen, die waren uitgetrokken om hun gezondheid te herwinnen, waren gewend, dat allen, die aan den weg woonden, zooveel mogelijk hun tocht verlichtten, en het gebeurde vaker, dat zij geld ontvingen, dan dat zij iets uit moesten geven. De brugwachters van Vrouw Rangela hadden intusschen strenge bevelen ontvangen geen toegevendheid te toonen, en allerminst tegen zulk soort van reizigers, die zij verdacht van niet zoo ziek te zijn, als ze wel voorgaven, en uit pure luiheid het land door te trekken.

Toen aan die zieken de vrije overtocht geweigerd werd, ontstond er onder hen een grenzenloos verdriet. De lammen en gebrekkigen wezen op hun zieke ledematen en vroegen hoe iemand zóó hard kon wezen, hun tocht een heele dagreis te verlengen, de blinden vielen op de knieën en probeerden bij de brugwachters te komen om hun handen te kussen, terwijl de verwanten en vrienden der zieken, die hen op reis hielpen, hun zakken uithaalden voor de oogen der wachters om hun te toonen, dat zij werkelijk leeg waren.

Maar de knechten stonden daar volkomen onbewogen en de vertwijfeling der armen steeg voortdurend, toen tot hun geluk de huisvrouw van Börtsholm kwam aanroeien met haar stiefkinderen. Ze kwam haastig op het misbaar toe, en zoodra ze begrepen had, wat er te doen was, barstte zij uit: "Dat is nu toch in een oogenblik te verhelpen. Nu gaan de kinderen aan land en brengen hun grootmoeder, Vrouw Rangela, een bezoek, en in dien tijd zet ik deze zieke reizigers over in mijn boot."

De wachters en de kinderen, die wisten, dat met Vrouw Rangela niet te spotten viel, als het om haar dierbaar bruggegeld ging, probeerden met blikken en teekens de jonge vrouw te waarschuwen, maar zij merkte het niet of wilde het niet merken. Want de jonge vrouw was in alles het tegenovergestelde van haar tante, Vrouw Rangela. Van dat zij een klein kind was, had zij al de heilige Siciliaansche Maagd Lucia liefgehad en vereerd. Die was haar heilige, en leefde als haar voorbeeld in haar hart. En als belooning daarvoor had de heiligheid haar geheele wezen met licht en warmte doortrokken, wat al in haar uiterlijk zichtbaar was. Er was iets lichtends doorschijnends en fijns over haar, zoodat men bijna bang was haar aan te raken.

Met veel vriendelijke woorden zette zij nu de zieken over 't water, en toen de laatste van de schare aan den overkant was gebracht, verliet zij ze, zoo overstroomd met zegeningen, dat als die even zwaar als waardevol geweest waren, ze haar boot zóó zouden hebben overbelast, dat die gezonken zou zijn vóór ze weer aan wal was gekomen.

Aan zegeningen en goede wenschen had ze ook groote behoefte, want van dit oogenblik af begon Vrouw Rangela te vermoeden, dat zij geen steun van haar nichtje te verwachten had, en het berouwde haar bitter, dat ze haar tot Heer Eskils echtgenoote had gemaakt. Zij, die met zoo weinig moeite het arme meisje zoo hoog verheven had, besloot haar, vóór ze nog meer schade had gedaan, uit die hooge positie te verdrijven, en in haar vroegere duisternis te doen terugkeeren.

Om haar nichtje te kunnen treffen, besloot ze toch vooreerst haar boos opzet te verbergen, en zij bezocht haar dikwijls op Börtsholm. Daar deed ze al haar best zooveel oneenigheid tusschen de ondergeschikten en de jonge vrouw te stichten, dat deze haar werk moede zou worden. Maar tot haar groote verbazing mislukte haar dat volkomen. Dat kan gedeeltelijk zijn, omdat Vrouw Lucia, hoe jong ze ook was, haar huis goed in orde wist te houden, maar de eigenlijke reden was, dat de bedienden èn de kinderen meenden, dat de jonge huismoeder onder een machtige, hemelsche bescherming stond, die haar tegenstanders bestrafte en hun, die haar goed en gewillig dienden, onverwachten voorspoed bezorgde.

Vrouw Rangela merkte al gauw, dat ze op deze manier niets kon bereiken, maar ze wilde de hoop nog niet opgeven, voor ze ook nog een proef met Heer Eskil had genomen. Hij was intusschen dezen zomer meestal aan het hof voor lange en inspannende onderhandelingen. Als hij nu en dan een paar dagen thuis kwam, hield hij zich meestal bezig met zijn opzichters en jagermeesters. Hij schonk maar in 't voorbijgaan aandacht aan de vrouwelijke bewoners van Börtsholm, en zelfs als Vrouw Rangela op bezoek kwam, hield hij zich terug, zoodat zij hem nooit alleen te spreken kon krijgen.

Op een schoonen zomerdag, toen Heer Eskil op Börtsholm was en in zijn kamer met zijn stalmeester zat te praten, weerklonk de burcht van zulk een luid geschreeuw, dat hij zijn gesprek moest afbreken en haastig naar buiten gaan om de reden daarvan te onderzoeken.

Hij ontdekte toen, dat zijn schoonmoeder, Vrouw Rangela buiten de poort van den burcht te paard zat en luider krijschte dan een uil.

"'t Is om je arme kinderen, Eskil," riep ze, "ze zijn in levensgevaar op 't water. Ze kwamen naar mijn strand roeien van morgen, maar op weg naar huis moeten ze water in de boot hebben gekregen. Ik zag van uit mijn huis hoe zwaar ze 't hadden en ben hierheen gereden om je te waarschuwen. Ik moet ook zeggen, al is je vrouw mijn eigen nichtje, dat 't leelijk van haar is, de kinderen alleen in zoo'n slechte boot te laten gaan. Dat lijkt op een echten stiefmoedersstreek!"