Part 4
Heer Eskil deed een paar haastige vragen om te weten, waar de kinderen waren, en snelde toen door zijn opzichter gevolgd naar 't bootenhuis. Maar eer ze nog zoover gekomen waren, zagen ze Vrouw Lucia aankomen met alle kinderen, op het steile pad, dat van het meer naar Börtsholm leidde.
De jonge vrouw was dien keer niet met de kinderen meegeweest, maar was weer naar huis gegaan om haar werk te doen. Maar 't scheen, alsof ze een waarschuwing had gekregen door de hemelsche helpers, die haar beschermden, want plotseling was ze uit den burcht naar buiten gegaan om naar de kinderen te zien. Daardoor had ze gemerkt hoe ze wuifden en riepen om hulp van 't land. Ze was haastig in haar eigen boot naar hen toe geroeid, en 't was haar gelukt ze op het laatste oogenblik in haar boot over te brengen uit het zinkende vaartuig.
Toen nu Vrouw Lucia en haar stiefkinderen op den strandweg aankwamen, was ze zoo verdiept in 't vragen hoe de kinderen in zulk een gevaar gekomen waren, en de kinderen in 't vertellen, dat ze heelemaal niet zagen, dat de Heer Eskil hun te gemoet kwam. Maar hij, die wat wonderlijk te moede was geworden door wat Vrouw Rangela zei van een stiefmoedersstreek, gaf snel zijn opzichter een wenk, en verborg zich met hem achter een van de wilde rozenstruiken, die groot en welig bijna den heelen strandheuvel bedekten, waarop de burcht Börtsholm lag.
Daar hoorde Heer Eskil de kinderen aan Vrouw Lucia vertellen, dat ze in een goede boot waren uitgevaren, maar terwijl ze Vrouw Rangela bezochten, was hun vaartuig omgeruild tegen een oude, slechte boot. Ze hadden 't niet gemerkt voor ze al op 't meer waren en 't water aan alle kanten begon binnen te stroomen, en zeer zeker zouden ze verdronken zijn, als hun lieve moeder hun niet zoo snel te hulp gekomen was.
't Scheen alsof Vrouw Lucia een vermoeden kreeg van de oorzaak van dit omruilen van booten, want ze bleef doodsbleek staan midden op den steilen weg, met tranen in de oogen en de handen tegen haar hart gedrukt. De kinderen drongen zich om haar heen om haar te troosten. Ze zeiden, dat ze toch behouden uit het gevaar waren gekomen, maar zij bleef onbeweeglijk en machteloos.
Toen legden de twee oudsten van de kinderen, een paar kloeke jongens van veertien en vijftien jaar hun handen ineen tot een stoel en droegen haar zoo den steilen weg op, terwijl de jongeren volgden, lachend en in de handen klappend.
Terwijl de kleine stoet zoo tusschen de bloeiende rozen door in triomf naar Börtsholm trok, stond Heer Eskil in gedachten verdiept vrouw en kinderen na te zien. De jonge vrouw kwam hem zoo lief en zeldzaam stralend voor, toen ze hem voorbij gedragen werd, dat hij wenschte, dat zijn ouderdom en waardigheid hem hadden veroorloofd haar in zijn armen te nemen en naar zijn burcht te dragen.
Misschien bedacht Heer Eskil ook in dit oogenblik hoe weinig geluk, en hoe veel moeite hij oogstte in dienst van de hooggeplaatsten, terwijl misschien vrede en vreugde hem aan zijn eigen haard wachtten. Hij sloot zich tenminste dien heelen dag niet in zijn eigen kamer op, maar gebruikte zijn tijd om met zijn vrouw te spreken en naar de spelen van zijn kinderen te kijken.
Vrouw Rangela daarentegen zag dit alles met groot misnoegen, en verliet haastig Börtsholm, zoo spoedig ze dit zonder aanstoot te geven kon doen. Maar daar niemand haar in ernst durfde te verdenken van het leven van haar kleinkinderen in gevaar te brengen om Vrouw Lucia bij haar man in ongenade te brengen, werd de vriendschappelijke omgang niet verbroken en kon ze voortgaan met haar pogingen om de jonge burchtvrouw haar hooge positie te berooven.
Lange tijd scheen het, alsof het de oude vrouw niet gelukken zou, want het goede hart en 't onberispelijk gedrag van Vrouw Lucia, gepaard aan de hulp van haar hemelsche beschermster maakten, dat alle aanvallen op haar afstuitten zonder haar te schaden. Maar tegen den herfst gebeurde het, tot Vrouw Rangela's groote blijdschap, dat haar nichtje iets deed, wat Heer Eskil wel moest afkeuren.
Dit jaar was de oogst op Börtsholm zóó overvloedig geweest, dat hij dien van alle vorige jaren overtrof, zoolang men zich herinneren kon. Ook de jacht en de visschen hadden tweemaal zooveel opgeleverd als anders. De bijenkorven vloeiden over van honig en was, en de hopvelden van hop. De koeien gaven stroomen melk, de wol van de schapen werd lang als gras en de varkens werden zoo vet, dat zij zich nauwelijks konden bewegen. Allen, die op den burcht woonden, merkten dien zegen op, en zij beweerden al spoedig, dat die ter wille van de jonge Vrouw Lucia op de hoeve neerdaalde.
Maar terwijl men nu op Börtsholm zoo goed mogelijk bezig was al die goede gaven te ontvangen en te verzorgen, verschenen daar een menigte menschen, die in nood verkeerden. Zij kwamen allen van den oostelijken of noordoostelijken oever van 't groote Weenermeer. Ze vertelden onder veel tranen en met droevige gebaren hoe de geheele streek, van waar zij kwamen, door een vijandelijk leger was geteisterd, dat daar was rondgetrokken--brandend, plunderend en moordend. De krijgsknechten waren zoo boosaardig geweest, dat ze zelfs 't koren op den akker in brand staken, en al 't vee meegenomen hadden. De menschen, die hun leven hadden behouden, gingen den winter tegemoet, zonder levensmiddelen en zonder dak boven hun hoofd. Sommigen waren begonnen te bedelen, anderen verborgen zich in het bosch, anderen weer zwierven rond tusschen de verbrande woningen zonder kracht om iets te doen, alleen treurende over wat ze hadden verloren.
Toen Vrouw Lucia deze verhalen hoorde, werd het gezicht van alle levensmiddelen, die zich op Börtsholm opstapelden, haar een pijniging. Eindelijk werd de gedachte aan al die hongerende menschen aan den overkant van het meer haar te machtig, zoodat ze geen bete brood meer over de lippen kon krijgen.
Elken dag dacht ze aan de verhalen, die ze in het klooster had hooren voorlezen, van heilige mannen en vrouwen, die zich tot op het bloote lijf hadden ontkleed om armen en ellendigen te helpen. En vóór alles dacht ze aan haar eigen beschermheilige, de heilige Lucia van Syracuse, die zóó ver in barmhartigheid was gegaan tegenover een heidenschen jongeling, die haar liefhad om haar wondermooie oogen, dat zij haar oogen uit de oogholten genomen had en ze hem dof en bloedend gegeven had om hem te genezen van zijn liefde voor haar, die een christenmaagd was en hem niet kon toebehooren. De jonge vrouw werd ten uiterste beangst en gepijnigd door deze herinneringen, en ze verachtte zich zelf diep, omdat ze over zooveel nood kon hooren spreken, zonder eenige ernstige poging te doen om te helpen.
Juist toen die gedachten haar 't allerergste kwelden, kwam er bericht van Heer Eskil, die haar vertelde, dat hij op last van den koning een reis naar Noorwegen moest doen en dat zij hem niet tehuis kon verwachten vóór Kerstmis. Maar dan zou hij niet alleen met zijn eigen zestig man komen, maar ook met een groote schare vrienden en verwanten, waarom hij Vrouw Lucia verzocht zich voor te bereiden op een groot en langdurig feest.
Denzelfden dag, dat Vrouw Lucia op deze wijze hoorde, dat haar man dien herfst niet thuis zou komen, deed zij een krachtige poging om den angst, die haar zoo lang had gekweld, te bezweren. Zij liet haar volk bevelen alle levensmiddelen, die op Börtsholm waren opgehoopt, naar het strand te brengen. Zoo werd dus den heelen wintervoorraad op schuiten en pramen geladen, zeer zeker tot groote verbazing van alle burchtbewoners.
Toen de kelders en provisiekasten geleegd waren, begaf Vrouw Lucia zich, door haar kinderen en dienstboden gevolgd, aan boord van een goed bemand schip, en terwijl ze op Börtsholm alleen een paar oude wachters achterliet om den burcht te verzorgen, liet zij zich met al haar bezittingen voortroeien op het groote meer, dat voor haar lag, onbegrensd aan alle zijden als een zee.
Van die reis van Vrouw Lucia bestaan nog allerlei oude sagen en berichten. Zoo vertelt men, dat het gedeelte van den oever van 't Weenermeer, waar de vijand 't meeste verwoest had, bij haar aankomst bijna door de inwoners verlaten was. Vrouw Lucia had daar zeer teleurgesteld voortgeroeid en naar 't geringste teeken van leven of beweging uitgezien, maar geen rook was naar den hemel opgestegen, geen haan had gekraaid, geen koe had geloeid.
Hier was nog in een gemeente een oude geestelijke achter gebleven, die Heer Kolbjörn heette. Hij had gevonden, dat hij niet met zijn gemeenteleden moest meegaan, toen deze uit hun verwoeste hoeven en huizen vluchtten, want hij had de pastorie en de kerk vol menschen, die in den strijd gewond waren. Hij was bij hen gebleven, had hun wonden verbonden en wat hij had, onder hen uitgedeeld, zonder zich zelf spijs of rust te gunnen. Daardoor was hij zóó verzwakt, dat hij den dood nabij was. Toen had, op een van de donkerste herfstdagen, toen zware wolken over 't meer neerzonken, toen 't water met zwarte golven kwam aanrollen en de duisternis in de natuur de hopeloosheid en den nood nog verzwaarde, die arme Heer Kolbjörn, die geen kracht meer had de mis te lezen, geprobeerd aan het touw van de kerkklok te trekken, om zoo Gods zegen over zijn zieken af te smeeken. En zie, nauwlijks hadden de eerste klokketonen geklonken of een kleine vloot scheepjes en pramen was naar land komen roeien. En uit een van die scheepjes was een jonge vrouw aan land gestapt, met een gezicht, als doorstraald van licht. Voor haar uit liepen acht heerlijke kinderen, en achter haar volgde een lange rij dienstknechten, die ladingen van allerlei levensmiddelen droegen: gebraden kalveren en schapen, lange staken vol droge broodkoeken, kruiken met drinkwaren en zakken vol meel. Op 't laatste oogenblik kwam de hulp als door een wonder.
Niet ver van de kerk van Heer Kolbjörn op een landtong, die spits in 't meer uitliep en Saxudden genoemd werd, had reeds lang een oude boerenhoeve gelegen. Nu was die verbrand en uitgeplunderd, maar de eigenaar, een zeventigjarige, had de hoeve zóó lief, dat hij er niet toe komen kon die te verlaten; zijn oude vrouw, een kleinzoontje en een kleindochter waren bij hem gebleven. Zij hadden van visscherij geleefd, maar de storm had hun vischtuig vernield, en nu zaten zij bij de puinhoopen en verwachtten den hongerdood. Maar terwijl ze zoo lagen te wachten, dacht de boer op eens aan zijn hond, die bij hen lag en geduldig verhongerde. Hij rukte een pook naar zich toe, en met inspanning van zijn laatste krachten, sloeg hij den hond om hem weg te jagen, want hij wilde niet, dat het dier zou sterven door iets wat het niet aanging. Maar bij dien slag huilde de hond luid en liep weg. Den heelen nacht zwierf hij hardnekkig huilend op de hoeve rond. En hij werd ver over 't meer gehoord. Eer nog de dag was aangebroken, roeide Vrouw Lucia, door zijn geblaf geleid, naar land met hulp en redding. Nog verder weg lag een huisje, met een muur omringd. Daar woonden eenige heilige vrouwen, die God hadden beloofd het huis nooit te verlaten. Voor deze vrome zusters hadden de oorlogvoerenden zóóveel eerbied gehad, dat zij haar zelve en haar huis niet hadden geschaad, maar ze hadden haar van al haar wintervoorraad beroofd. 't Eenige wat ze hadden mogen behouden, was een duiventil vol duiven, en die hadden ze één voor één geslacht, tot er maar één overbleef. Maar die duif was heel tam, en de vrome vrouwen hadden het dier zoo lief, dat ze haar leven niet wilden verlengen door het op te eten; en ze openden de kooi en lieten de duif wegvliegen. Toen steeg de witte duif eerst hoog naar den heuvel op, toen daalde ze neer en zette zich op het dak. Toen nu Vrouw Lucia voorbij het strand roeide, uitziende naar iemand, die hulp noodig had, zag zij de duif, en begreep, dat waar die was, ook menschen zijn moesten. En ze kwam aan land en schonk de vrome vrouwen zooveel spijs, als ze noodig hadden om den winter door te komen.
Nog verder naar het Zuiden had bij den oever van het Weenermeer een kleine koopstad gelegen, die nu geplunderd en verbrand was. Alleen de lange steigers, waar vroeger de schepen aankwamen, waren nog overgebleven. Daar onder de steigers had zich, terwijl de verwoesting gaande was, een man, die men Lasse, den kramer noemde, met zijn vrouw verborgen, en terwijl het krijgsrumoer boven hen raasde, was daar hun kind geboren. Maar daarna was de moeder zóó ziek geworden, dat ze niet vluchten kon, en de man was bij haar gebleven. Ze waren nu in groote ellende en elken dag smeekte de vrouw den man aan zich zelf te denken en haar te verlaten; maar hij kon er niet toe komen en weigerde. Toen probeerde ze op een nacht haar schuilplaats te verlaten en met haar kind in 't water te loopen, want ze dacht, dat haar man, als zij dood waren, wel zou vluchten en zijn leven redden. Maar 't kind schreeuwde luid, toen het 't koude water voelde, en de man werd wakker. Hij bracht ze beiden weer aan land, maar 't kind was zóó geschrikt, dat het den heelen nacht schreide. En dat geluid werd over 't water voortgedragen en riep de welwillende helpers, die zoekend en wachtend op 't meer roeiden.
Zoolang ze nog iets had, roeide Vrouw Lucia rond langs den oever van 't Weenermeer en was op dien tocht zoo blij en wel te moede als nooit te voren. Want zooals er niets vreeselijkers is dan stil en werkeloos neer te zitten, als men hoort van ongeluk en ellende van anderen, zoo is het voor ieder 't grootste geluk en de liefelijkste rust, al is 't maar nog zoo weinig te kunnen helpen. Dezelfde verlichting en vreugde zonder 't minste vermoeden, dat haar eenig kwaad kon overkomen, voelde ze nog, toen zij naar Börtsholm terugkeerde, den dag vóór St. Luciadag, vrij laat op den avond. Aan den avondmaaltijd, die uit niet anders bestond dan een paar bekers melk, sprak zij met haar reisgenooten over den heerlijken tocht, dien ze gemaakt hadden, en allen waren 't er over eens, dat ze nog nooit zulke vreugdedagen hadden beleefd.
"Maar nu krijgen we een drukken tijd," ging ze voort, "morgen kunnen we den St. Luciadag niet vieren met een feestelijken maaltijd, zooals andere jaren. We moeten duchtig aanpakken en brouwen, bakken en slachten, zoodat we 't Kerstfeest klaar hebben als Heer Eskil terugkomt."
Dat zei de jonge vrouw zonder den minsten angst, want zij wist immers, dat haar stallen en schuren vol van Gods goede gaven waren, al was op dit oogenblik ook nog niets daarvan toebereid voor menschenvoedsel.
Hoe heerlijk de tocht ook was geweest, toch waren alle reizigers uitgeput van vermoeidheid en gingen vroeg ter ruste. Maar nauwlijks had Vrouw Lucia de oogen gesloten of buiten den burcht weerklonken paardengetrappel, gekletter van wapens en een luid roepen. De burchtpoort draaide knarsend in haar hengsels, op de steenen op de plaats klonken haastige voetstappen. Ze begreep, dat Heer Eskil was thuis gekomen met al zijn ruiters.
Vrouw Lucia sprong haastig uit bed om hem te gemoet te gaan. Toen ze eenigszins haar kleeren in orde had gebracht, haastte zij zich naar het balkon om de trap naar de burchtplaats te bereiken. Maar ze kwam niet verder dan de eerste trede, want midden op de trap stond Heer Eskil al op weg naar haar kamer.
Een fakkeldrager liep voor hem uit en bij het licht van den fakkel meende Vrouw Lucia te zien, dat op het gezicht van Heer Eskil een uitdrukking van vreeselijken toorn lag. Een oogenblik hoopte zij nog, dat zijn gezicht door de roode walmende fakkelvlam zoo donker en dreigend leek: maar toen zij zag hoe de kinderen en de dienstboden met bedrukte gezichten en neergeslagen oogen voor hem terugweken, moest ze wel gelooven, dat haar man heel boos was thuisgekomen, met het voornemen gericht te houden en te straffen. Terwijl Vrouw Lucia daar stond en op Heer Eskil neerzag, bemerkte hij haar ook, en ze zag met toenemenden angst, dat zijn gezicht zich vertrok tot een gedwongen glimlach.
"Komt mijn schoone huisvrouw mij nu met een maaltijd verwelkomen?" vroeg hij hoonend. "Maar nu zijn uw vriendelijke zorgen vergeefsch, want ik en mijn mannen hebben reeds bij uw verwante, Vrouw Rangela, avondeten gehad. Maar morgen," voegde hij er bij, en toen overmeesterde zijn toorn hem zóó, dat hij met de hand op de trapleuning sloeg, "verwachten wij, dat U, ter eere van uw beschermheilige Lucia, ons onthaalt op een maaltijd, zoo goed als ons huis maar opleveren kan, en U moogt ook niet vergeten mij mijn morgendrank bij 't eerste hanengekraai te laten brengen."
Geen woord kon de jonge vrouw antwoorden. Evenals den vorigen zomer toen zij voor 't eerst vermoedde, dat Vrouw Rangela haar strikken spande, bleef ze staan, de handen tegen 't hart gedrukt en de oogen vol tranen. Want ze kon wel niet anders dan begrijpen, dat het Vrouw Rangela was, die ten ontijde Heer Eskil had teruggeroepen, en hem had opgewonden door hem te vertellen wat Vrouw Lucia met zijn bezittingen had gedaan.
Maar Heer Eskil liep nog een paar treden verder de trap op, en zonder in 't minst bewogen te worden door den angst van zijn vrouw, boog hij zich over haar heen en zei met een vreeselijke stem: "Bij het kruis van onzen Heer, Vrouw Lucia! Onthoud dit wèl, dat als deze maaltijd mij niet voldoet, dan zal je dat levenslang berouwen!"
Toen legde hij zijn hand zwaar op den schouder van zijn vrouw en schoof haar voor zich uit de slaapkamer in.
Terwijl zij daar binnen ging, was het Vrouw Lucia, alsof iets wat tot nu toe op een wonderbare wijze voor haar verborgen was gebleven haar plotseling helder werd. Zij begreep, dat zij onbezonnen en eigenmachtig had gehandeld, en dat Heer Eskil wel reden had om boos op haar te zijn, omdat zij zonder het hem te vragen over zijn eigendom had beschikt. Zij probeerde nu ook, toen zij alleen waren hem dat berouwvol te zeggen en hem te vragen haar die onbedachtzaamheid te vergeven, maar hij liet haar niet aan het woord komen.
"Ga nu naar bed, Vrouw Lucia," zei hij, "en pas op dat je niet vóór den gewonen tijd opstaat. Als de morgendrank en de maaltijd mij niet voldoen, zou 't kunnen zijn, dat je een gang moest gaan waar je al je krachten voor noodig hebt."
Met dat antwoord moest zij tevreden zijn, hoewel 't haar angst nog deed toenemen, en men kon wel begrijpen, dat ze dien heelen nacht geen oogwenk sliep. Zij lag er aan te denken wat haar man had gezegd, en hoe meer ze zijn woorden overdacht, hoe duidelijker 't haar werd, dat hij daarmee een sterke bedreiging tegen haar had uitgesproken. Zeker had hij zich voorgenomen, dat hij haar niet wilde veroordeelen, voor hij zelf gezien had, dat zij zóó verkeerd had gehandeld als Vrouw Rangela had beweerd. Maar als zij niet in staat was hem te onthalen, zooals hij verlangde, dan was het maar al te duidelijk, dat een vreeselijke straf haar wachtte. 't Minste was wel, dat ze onwaardig verklaard zou worden, langer zijn vrouw te wezen en naar haar ouders teruggezonden, maar uit zijn laatste woorden meende zij te begrijpen, dat hij haar bovendien zou veroordeelen in galop tusschen zijn knechts mee te loopen als een gewone dievegge.
Toen zij uitgemaakt had, dat het zoo was,--en dat was werkelijk het geval, want Vrouw Rangela had Heer Eskil tot een waanzinnige woede gebracht, begon Vrouw Lucia te beven en te klappertanden en meende te sterven van angst. Ze wist, dat ze de uren van dezen nacht moest gebruiken om hulp en een uitweg te vinden, maar haar groote schrik verlamde haar, zoodat ze onbeweeglijk bleef liggen.
"Hoe zou 't mogelijk kunnen zijn morgen al mijn gemaal en zijn zestig man een maal voor te zetten?" dacht ze in haar wanhoop. "Ik kan even goed stil blijven liggen, tot het ongeluk over mij komt."
't Eenige, waartoe ze in staat was voor haar redding te doen was onophoudelijk vurige gebeden op te zenden tot Sancta Lucia van Syracuse. "O Sancta Lucia, mijn lieve beschermende moeder," bad zij, "het is morgen de dag, dat gij den marteldood hebt ondergaan en binnengetreden zijt in het Hemelsch Paradijs! Herinner U hoe donker en koud en hard het is te leven op deze aarde, kom bij mij van nacht en breng mij weg van hier! Kom mijn oogen sluiten voor den eeuwigen slaap! Ge weet, dat dit mijn eenige uitweg is om aan schande en een onteerende straf te ontkomen."
Terwijl ze zoo de hulp van de heilige Lucia aanriep, gingen de uren van den nacht voorbij en de zoo gevreesde morgen naderde. Lang vóór zij het verwachtte, werd het eerste hanengekraai gehoord, de bedienden, die voor het vee zorgden, liepen over de plaats naar hun werk, en de paarden stonden met geraas op in den stal.
"Nu wordt ook Heer Eskil wakker," dacht zij. "Hij zal me dadelijk bevelen zijn morgendrank te halen en dan moet ik erkennen, dat ik zóó onverstandig heb gehandeld, dat ik bier noch mee heb om hem mee te verkwikken."
Op dat oogenblik van 't hoogste gevaar voor de jonge burchtvrouw, kon haar hemelsche beschermvrouw Sancta Lucia, die bedacht, dat haar beschermeling alleen uit al te groote barmhartigheid had gefaald, haar lust tot helpen niet langer bedwingen. Haar heilig aardsch lichaam, dat honderden jaren in de nauwe grafkamer van Syracuses katakomben had gerust, werd op eens van geest en leven vervuld, hernam zijn schoonheid en 't gebruik van zijn ledematen, kleedde zich in een gewaad uit sterrenlicht geweven en begaf zich weer de wereld in, waar zij vroeger had geleden en liefde gegeven.
En reeds eenige oogenblikken later zag de verbaasde wachter op den poorttoren van Börtsholm, dat een nachtwonder: een vuurkogel, ver in het zuiden opdook. Die doorkliefde de ruimte sneller dan een menschenoog het volgen kon, kwam recht op Börtsholm af, vloog voorbij den wachter, zóó dicht, dat hij hem bijna raakte en was verdwenen. Maar op dien bol van vuur,--dat meende de wachter ten minste,--bevond zich een jong meisje, zóó, dat zij met de teenen er op rustte, en terwijl zij de armen in de hoogte hief, al dansend en spelend dit gloeiende voertuig gebruikte.
Bijna op 't zelfde oogenblik zag Vrouw Lucia, die in angst en beven slapeloos neerlag, een lichtschijn door een spleet in de deur van de slaapkamer dringen. En toen de deur onmiddellijk daarop openging, trad tot haar verbazing en vreugde een schoone maagd binnen, gekleed in een gewaad, zoo wit als sterrenlicht. Haar lang zwart haar was bijeen gebonden met den tak van een plant; maar aan dien tak zaten geen gewone bladen en bloemen maar fonkelende sterren. Die verlichtten de heele kamer, en toch vond Vrouw Lucia, dat ze in 't niet verdwenen bij de lieve oogen van de vreemdelinge, die niet alleen helderder glansden dan iets anders op de wereld, maar ook hemelsche liefde en barmhartigheid uitstraalden.
In haar hand droeg de vreemde maagd een groote koperen kan, waaruit een zachte geur van edel druivensap opsteeg, en daarmee zweefde ze door de kamer op Heer Eskil toe, schonk iets van den wijn in een kleine schaal en bood hem die aan.
Heer Eskil, die goed geslapen had, werd wakker toen de lichtglans op zijn oogen viel, en bracht de schaal aan zijn lippen. Half wakker als hij was merkte hij niet meer van het wonder, dan dat de wijn, die hem geboden werd, heerlijk smaakte en hij dronk de schaal tot den laatsten droppel uit. Maar die wijn, die niet anders kon zijn dan edele Malvasier, de eer van Sicilië en de vorst van alle wijnsoorten, was zoo slaapwekkend, dat de ridder nauwlijks de schaal had neergelegd, voor hij slapend in 't bed terugzonk. En op datzelfde oogenblik zweefde de schoone heilige maagd de kamer uit, en liet Vrouw Lucia achter in toestand van sidderende verbazing en herlevende hoop.
De lichtende helpster vergenoegde zich niet met alleen Heer Eskil te onthalen. In den duisteren, kouden wintermorgen zweefde ze door al de sombere zalen van den Zweedschen burcht, en aan alle slapende krijgsknechten bood zij een dronk van den vreugdewekkenden wijn van het zuiden.
Allen die dronken, kwam het voor, dat ze iets van hemelsche heerlijkheid genoten. Zij vielen ook allen aanstonds weer in slaap, vol droomen van streken, waar eeuwige zomer en eeuwige zonneschijn heerschten.