Part 2
"Die lag mij in den weg, toen ik van avond thuiskwam, juist deze met het schot achter het oor. Hij wilde zich zeker aan mij vertoonen, maar toen heb ik niet veel naar hem gekeken. Later toen ik hier alleen zat, kwam hij mij juist in de gedachte, zoodat ik eindelijk niet anders kon dan hem gaan halen. Ik vond, dat het jammer was hem in de kou en de duisternis buiten te laten liggen, en dan ook--ik wou iemand hebben om mee te spreken. En toen ik hem vóór mij op de tafel zette en een glas inschonk om hem toe te drinken, zag ik, dat hij gedeeltelijk door een schot was verbrijzeld.
Wat zeg je daarvan, Bolla? Waar is hij vandaan gekomen, en waarom kwam hij juist van avond op mijn weg? Hoe kwam het, dat ik hem hier binnen moest halen, dadelijk nadat ik op jou geschoten had?"
"Dat was zeker God," fluisterde zij en vouwde de handen.
"Ja," antwoordde hij--ook fluisterend. "Zoo is het. Het was Gods wil. Hij wilde, dat ik juist dit zou zien. Die doodskop moest me toonen, wat het was, wat ik had willen doen. Hij werd me toegezonden, opdat ik mijn groote zonde en ellende zou inzien."
Ze kwamen naar elkaar toe. Onwillekeurig vatten ze elkaars handen en stonden voor den doodskop stil, met een uitdrukking op hun gezicht als van onschuldige kinderen. Hij was hun zeker door God gezonden. Hij zei hun door zijn tegenwoordigheid, dat God hen behoedde, dat Hij medelijden met hen had en hen wilde redden.
Ze voelden op eens, dat al het andere van geen beteekenis meer was. De vrouw begeerde niet, dat de man haar zou zeggen, dat hij berouw had. Ze had heelemaal vergeten, dat ze niet meer met hem het leven wilde deelen. De man dacht er niet meer aan, wie van hen beiden nu de macht in huis zou hebben. Al waren ze nog duizendmaal boozer op elkaar geweest, al hadden ze elkaar nog duizendmaal meer te verwijten gehad, dan zouden ze nog alles vergeten hebben voor die zalige zekerheid, dat God zich over hen had ontfermd en hen gered van dat vreeselijke--dat ze er toe zouden komen elkaar te haten.
God wilde hun weldoen, en daarom had Hij hun een waarschuwer gezonden. Bij zooiets groots vergaten ze niet alleen hun boosheid; ze vergaten ook hun armoede, hun zorgen voor de toekomst. Zij voelden het grootste geluk, dat menschen kunnen genieten.
DE ZONSVERDUISTERING.
Het waren Stina van Buåsen, en Lina van Vogelsang, en Kaisa van 't kleine moeras, en Maja van den grooten heuvel, en Beda in Finnmörkret en Elin, de nieuwe vrouw in 't oude soldatenhuis en twee, drie andere oude vrouwen. Ze woonden allen aan 't uiteinde van de gemeente, onderaan den grooten heuvel, in een streek, die zóó woest en vol steenen was, dat geen van de groote grondbezitters lust hadden om er de handen aan te slaan. Een van haar had haar hutje op een kale berghelling, een andere had het aan den rand van een moeras, een derde woonde boven op een heuvel, die zóó steil was, dat het een heel werk was om boven te komen. En als een van de anderen een hut had op een gunstige plaats, kon men er zeker van zijn, dat die zoo dicht onder den berg lag, dat de zon er niet op schijnen kon van af de herfstmarkt tot Maria Lichtmis toe. Allen hadden ze op een klein stukje land aardappelen verbouwd, dicht bij haar hut. En dat had veel moeite gekost, want zeker was het waar, dat er allerlei soort grond was daar onder aan den berg, maar het was ook waar, dat alle akkers moeilijk te bewerken waren. Sommigen hadden zooveel steenen uit haar akker moeten halen, dat er genoeg waren om er een schuur op een heerenhoeve van te bouwen, anderen hadden zulke diepe slooten moeten maken, dat ze voor graven hadden kunnen dienen, anderen hadden aarde in zakken naar boven moeten dragen en die op den kalen berg uitspreiden. Zij, die het 't beste hadden, moesten toch voortdurend tegen distels en melde strijden, die met zulk een kracht, en in zulk een overvloed opschoten, alsof ze meenden, dat het heele aardappelveld voor hen in orde was gebracht.
Al die vrouwen zaten alleen in haar hutjes den heelen langen dag; want al hadden ze een man, dan ging hij iederen morgen naar zijn werk en hun kinderen gingen naar school. Enkelen waren oud en hadden volwassen kinderen, maar die waren naar Amerika gegaan. Weer anderen hadden kleine kinderen, en die bleven wel den heelen dag thuis, maar die kon men geen gezelschap noemen.
Omdat ze zoo alleen in haar huisjes zaten, was het bijna noodig, dat ze elkaar nu en dan eens ontmoetten bij een kopje koffie. Niet omdat ze zoo goed bij elkaar pasten of elkaar een bizondere genegenheid toedroegen; maar enkelen vonden 't prettig om op de hoogte te zijn van wat de anderen deden, en enkelen werden zwaarmoedig, zooals ze daar dicht aan den onderkant van den berg zaten, wanneer ze niet eens menschen ontmoetten, en anderen hadden behoeften hun hart te luchten en over den laatsten brief uit Amerika te spreken, en anderen weer waren spraakzaam en hielden van scherts, en verlangden naar een gelegenheid om die groote en goede gaven Gods te kunnen gebruiken.
't Was ook niet zoo moeilijk een koffiefeestje tot stand te brengen. Koffiekannen en kopjes hadden ze allemaal, room konden ze op de heerenhoeve koopen, als ze niet zelf een melkkoe hadden, broodjes konden ze aan huis krijgen van de gemeentebakkerij, en winkels, waar koffie en suiker verkocht werd, waren overal te vinden. Neen, een koffiepartijtje in orde te maken was zoo gemakkelijk mogelijk, maar wat moeilijk was--dat was een aanleiding te vinden.
Want allen:--Stina van Buåsen, en Lina van Vogelsang, en Kaisa van 't kleine moeras, en Maja van den grooten heuvel, en Beda in Finnmörkret en Elin, de nieuwe vrouw in 't oude soldatenhuis, en de twee, drie andere oude vrouwen waren het er over eens, dat zoo maar op een gewonen dag ging 't niet aan een koffiepartijtje te geven. Als je zoo onzuinig met je tijd omging, die kostelijke tijd, die nooit weeromkomt, zou je een slechten naam kunnen krijgen.
En ook hadden ze allen de opvatting, dat 't onmogelijk was een koffiefeest te vieren op Zondag of op de groote feestdagen. Want dan hadden de getrouwde vrouwen man en kinderen thuis, zoodat ze gezelschap genoeg hadden, en de anderen wilden naar de kerk of naar 't bedehuis gaan en sommigen wilden hun familie bezoeken, en enkelen wilden 't den heelen dag doodstil in huis hebben om echt te voelen, dat het een heilige dag was.
Maar des te meer moest men alle overige aanleidingen aangrijpen. De meesten gaven een koffiepartij op hun naamdag, anderen konden de groote gebeurtenis vieren, dat het kleinste kind zijn eerste tand kreeg, of dat het jongste zoover gekomen was, dat het begon te loopen. Voor hen, die gewoon waren brieven met geld uit Amerika te krijgen, was dit een geschikte aanleiding, en ook kon het wel gebeuren, dat men de buren vroeg te helpen om een deken te stikken of een weefsel op touw te zetten.
Maar toch waren er lang niet zooveel aanleidingen als noodig waren, en eens gebeurde het, dat een van de oude vrouwen bijna radeloos werd. Ze wist, dat het haar beurt was om een feest te geven en ze had er niets tegen te doen, wat men van haar verlangde, maar ze was niet in staat iets te bedenken, waarom ze feestvieren kon.
Ze kon haar naamdag niet vieren, want ze heette Beda, en die naam is uit den kalender geschrapt, en ze kon ook geen naamdag van een van haar familieleden vieren, want die lagen allen op het kerkhof. Ze was héél oud en de deken, waar ze onder sliep, zou 't haar tijd wel uithouden, en ze kreeg nooit een brief uit Amerika. Ze had een kat in huis en zeker hield ze heel veel van dat dier, en 't was ook waar, dat die even goed koffie dronk als zij zelf, maar ze kon er toch niet toe komen een koffiefeest voor een kat te geven.
Terwijl ze over dit alles liep te peinzen, las ze meer dan eens haar almanak weer door, omdat ze meende, dat ze daar een goeden raad in haar bekommeringen moest kunnen vinden. Ze begon van voren af aan, met het koninklijke huis en de verklaring der teekens en ze las zelfs de markten en postzendingen van 't jaar 1912. Keer op keer las zij het boek door, zonder iets te vinden; maar dan begon ze weer op nieuw, alsof ze wist dat van daar de hulp moest komen.
Toen ze voor de zevende maal het boek doorlas las ze dat dit jaar, het 1912de na de geboorte van Christus, een zonsverduistering zou komen op den 17den April. Die zou beginnen 20 minuten over twaalf en eindigen om twee uur 49 minuten en 9/10 van den zonnediameter verduisteren.
Dat had ze al meermalen gelezen zonder er bij stil te staan, maar nu in eens werd het helder licht in haar binnenste. "Nu weet ik wat ik doen zal," zei ze.
Maar 't was maar een enkel oogenblik, dat zij zich zoo zeker voelde. Zij wees die gedachte af. Ze was bang, dat de anderen haar uit zouden lachen.
Maar de volgende dagen moest ze telkens weer denken aan wat haar in de gedachten gekomen was, toen zij in den almanak las, en eindelijk begon te overleggen of zij 't niet wagen zou.
Want als zij nadacht.... Wat had ze in deze wereld voor een vriend, waar ze meer van hield dan van de zon. Zooals haar hut lag, kon ze den heelen winter geen zon in de kamer krijgen, maar ze liep de dagen te tellen, die moesten voorbijgaan voor de zon in 't voorjaar weer bij haar terug zou komen. De zon was de eenige, waar ze naar verlangde, de eenige, die altijd zacht en lief voor haar was, van wie ze nooit genoeg kon krijgen. Ze voelde zich oud, en ze was oud. Haar handen beefden, alsof ze het altijd door koud had, en als ze in den spiegel keek, vond ze, dat ze er zoo wit en kleurloos uitzag, alsof ze op de bleek had gelegen. 't Was alleen, als ze in den sterken warmen, aan alle kanten haar omringenden zonneschijn stond, dat ze zich als een levend wezen voelde en niet als een rondwandelend lijk.
Hoe meer ze er over dacht, hoe zekerder ze zich voelde, dat er geen dag in 't jaar was dien ze liever zou willen vieren, dan dien dag, dat haar vriend, de zon, met de duisternis zou strijden en na een heerlijke overwinning te voorschijn zou komen in nieuwe pracht en kracht.
't Was nog maar kort vóór den 17den April; maar er was nog tijd genoeg om een koffiefeest aan te richten en toen de dag van de zonsverduistering kwam, zaten ze allemaal: Stina en Lina, en Kaisa en Maja, en alle anderen bij Beda in Finnmörkret koffie te drinken. Ze dronken 't eene kopje na 't andere, en praatten over allerlei, onder andere ook over 't feit, dat ze niet wisten, waarom Beda dit feest had aangericht. Intusschen ging de zonsverduistering rustig voort; maar daar dachten ze niet bizonder over na. Alleen toen die op 't ergst was, toen de hemel zwartgrauw werd en alles in de natuur er loodblauw uitzag en er een huilende wind kwam aanzetten, die klonk als de bazuinen van 't laatste oordeel en 't gejammer van den laatsten dag,--toen alleen voelden ze zich wat griezelig, maar ze namen een extra kopje koffie en toen ging het weer over.
Toen alles voorbij was, toen de zon haar strijd gestreden had en aan den hemel stond zoo glanzend helder, dat de vrouwen vonden, dat ze nooit zoo'n kracht en gloed had gehad in 't heele jaar--toen zagen ze de oude Beda naar 't venster gaan, en daar stilstaan met gevouwen handen. Ze zag neer op de zonnige berghellingen en toen begon ze te zingen:
Weer straalt het heldre zonnelicht! Wij danken U o Heer, Met kracht en moed en nieuwe hoop. Zie zeegnend op ons neer!
Ze stond daar zoo mager en bijna doorschijnend aan het venster, maar terwijl ze zong, speelden de zonnestralen om haar heen, alsof ze haar leven kleur en kracht wilden geven.
Toen ze gezongen had, keek ze de anderen aan en zei--half verontschuldigend: "Zie je, ik heb geen beter vriend dan de zon en daarom wilde ik dit feest geven op den dag van de zonsverduistering. Ik vond, dat we bij elkaar moesten zijn om hem te ontvangen, als hij uit 't donker weer te voorschijn kwam."
Nu begrepen ze allemaal, wat de oude vrouw bedoelde. Ze waren bewogen en begonnen veel goeds van de zon te zeggen. Ze zeiden, dat hij even goed voor armen en rijken was. Als hij in de kamer kwam in den winter, was hij even mooi als een haardvuur, en als hij scheen was 't prettig om te leven, al hadt je ook nog zoo veel zorgen te dragen.
Toen ze van 't feest naar huis gingen, waren ze allemaal blij en vergenoegd. Ze voelden zich rijker en veiliger, omdat ze er over gedacht hadden wat ze toch een goeden en trouwen vriend hadden in de zon.
* * * * *
Maar omdat dit nu een groote zonsverduistering was, zoo dat negen tiende van de zon verduisterd was, maakte die overal, waar men ze zien kon, een geweldigen indruk. Geleerden waren buiten met hun instrumenten om te berekenen en te meten. Gewone menschen maakten glaasjes en kijkers zwart en stonden lang naar de zon te kijken. De schoolkinderen mochten uit de klasse komen om de zonsverduistering te zien naar hartelust. De couranten gaven lange beschrijvingen: hoe de hemel van kleur veranderde, hoe de vogels ophielden met zingen, en hoe donker 't was toen de verduistering op 't hoogste was gekomen.
Maar hoe groot ook de indruk van de zonsverduistering was--ik heb niet gehoord, dat iemand anders dan Beda in Finnmörkret een feest gaf om de zon te huldigen, toen zij als overwinnaar uit de duisternis te voorschijn kwam.
IETS OVER LANDVERHUIZING.
Daar was de proost en de commissaris en de assessor van Högbro, en de eigenaar van de zagerij in Hyllinge, en de kleine stationschef aan de lijn met smalspoor, en een paar boeren en kooplieden.
Ze hadden de jaarlijksche vergadering voor de spaarbank gehouden en alle rekeningen waren nagezien, en 't bestuur was gedechargeerd, en de commissie voor 't nazien der rekeningen voor 't volgend jaar was benoemd, en de president had met den hamer op de tafel geklopt en de vergadering gesloten. Nu was ieder vrij om naar huis te gaan, maar ze waren blijven zitten om de groote tafel in 't bankgebouw om van gedachten over een en ander te wisselen.
En toen ze een poosje over andere zaken hadden gesproken, kwamen ze op de quaestie van landverhuizing.
En er waren een paar, die zeiden, dat het geld, dat uit Amerika inkwam, zoo weinig was, dat het niet de moeite waard was er over te praten.
En anderen zeiden, dat zij, die uit 't land gingen meer geld meênamen dan iemand wist.
En enkelen beweerden, dat 't gauw onmogelijk zou zijn in deze gemeente den grond te bebouwen, omdat alle arbeiders 't land uit gingen. En dat groote werk aan 't meer, dat begonnen moest worden, kon niet worden uitgevoerd, omdat alle jonge, ondernemende menschen waren weggegaan.
En deze en gene spraken er over, dat het door de landverhuizing was, dat ze zoo'n geweldig hooge armenbelasting moesten betalen, want als al de jongeren, die de ouden moesten verzorgen, wegtrokken, kon het wel niet anders gaan.
En anderen weer zeiden, dat het heele land in gevaar was, omdat allen, wier taak was het land te verdedigen, waren weggegaan. Nu kon de vijand ons overwinnen, zoodra hij maar wilde.
En de een was al levendiger dan de ander in 't uitspreken van zijn meening, maar op eens werd het stil. De proost bewoog zich. Hij had niet meêgesproken en nu verwachtten zij, dat hij zijn opvatting van de zaak zou zeggen.
Want zie eens, de proost was zoo, dat hij meestal een eigen opinie had, die vierkant tegen die van al de anderen inging, en al dacht je nu nog zoo zeker, dat je gelijk hadt, dan was je er toch nooit zeker van, dat hij niet een paar woorden zou zeggen, die je meest vaste overtuiging op eens onderste boven gooide. En omdat het er nu naar leek, dat de proost zich zou uitspreken, werden ze al dadelijk een beetje ongerust, de kooplieden en de boeren, en de eigenaar van de zagerij, en de assessor en de inspecteur van de nieuwe lijn.
Maar de proost zei geen woord en zat even stil als te voren, en toen werden ze steeds levendiger en weer zeker van hun zaak. Want ze waren immers in hart en ziel overtuigd, dat de proost hier ten minste geen tegenwerpingen kon maken, maar in dit opzicht hun gelijk moest geven. Want dat de landverhuizing het land schaadde--dat was toch zeker niet tegen te spreken!
En zij begonnen er weer over te spreken, dat er zooveel knappe koppen voor Zweden verloren gingen, en over al den ondernemingsgeest, die nu een ander land ten goede zou komen.
En enkelen spraken over allen, die daar ondergingen. Er waren er wel, wien 't daar goed ging, maar van allen, die tobden in nood en ellende, hoorde je nooit wat.
En er waren er, die zeiden, dat het er nog door kon, dat ze weggingen, als ze maar zoo verstandig waren niet die photographieën naar huis te sturen, waar ze in zij en fluweel gekleed op stonden, want 't waren juist die photo's, die de menschen ziek van verlangen maakten om ook naar Amerika te komen en daar hun geluk te beproeven.
En anderen weer spraken er over, hoe schadelijk en nutteloos het was, dat menschen uit hun land naar Amerika gingen. Dat kon men wel zien aan hen, die met verlof thuis kwamen. Ze waren zoo gewrongen en onnatuurlijk, dat ze bijna niet te verdragen waren.
Al dien tijd zat de proost zwijgend in zijn stoel, maar nu was er een, die opmerkte, dat hij 't hoofd omwendde en er iets in zijn oogen glinsterde. Hij stootte de anderen aan en weer hield het gesprek op, want allen wilden hooren wat de proost te zeggen kon hebben. Maar hij kwam er ook nu niet toe een woord te spreken. En dat was ook geen wonder. 't Was immers onmogelijk, dat hij anders zou denken dan de anderen over deze zaak.
En ze zeiden, dat er gemeenten waren, waar de huizen leeg en verlaten stonden, en waar men nauwelijks een mensch tegenkwam. Op plaatsen, waar verscheidene duizenden menschen hadden gewoond, waren er nu maar een paar honderd.
En ze zeiden, dat het vreemd was, dat de menschen niet begrepen, dat het verkeerd was het land, waar ze waren opgegroeid, te verlaten. Waar Vader en Moeder zich hadden kunnen redden, zou 't ook voor de kinderen wel goed genoeg zijn om er een weg te vinden.
't Werd immers nooit ergens echt gezellig voor menschen, die hun vaderland hadden verlaten, zei er ook een. Dat ging wel, zoolang je nog jong was, maar als je oud werd, kwam toch 't verlangen naar 't oude land.
Nog altijd zweeg de proost. Hij zat achterover geleund in den presidentsstoel, groot en breed, de armen over de borst gekruist.
Hij boog zich voorover over de tafel, en toen vroeg hij heel zachtmoedig, hoeveel er wel uit deze gemeente naar Amerika waren vertrokken.
Ja, 't juiste getal wisten ze geen van allen precies, maar ze waren er wel zeker van, dat het minstens vijfhonderd waren.
Toen boog zich de proost nog verder over de tafel en keek de menschen, die om hem heen zaten, strak aan.
"Nu wil ik u allen, die zoo tegen de landverhuizing zijt, iets vragen," zei hij. "Wat zoudt U met al die vijfhonderd menschen beginnen, als ze terugkwamen?"
En toen leunde hij weer achterover in zijn stoel en kruiste de armen over de borst.
Toen de proost die vraag gedaan had, deed de assessor van Högbro dadelijk den mond open om te zeggen, dat dit het beste was, wat er kon gebeuren. Maar toen kwam het hem in de gedachte, dat hij een broer had, die lang geleden naar Amerika was gegaan. En als hij nu terugkwam, zou hij zeker ook aanspraak maken op dat stuk land, dat zijn vader voor hem had bestemd, maar dat hij immers tot nu toe niet had kunnen gebruiken. En toen nu de rechter er aan dacht wat een best land dat was en hoeveel werk hij er al aan besteed had, beet hij op zijn lippen en zei geen woord.
De eene koopman hief ook zijn hoofd op om te zeggen, dat de dag, dat de Amerikareizigers terugkwamen, een dag van vreugde voor hem en de heele gemeente zou zijn. Maar op datzelfde oogenblik dacht hij er aan, dat dan ook een zuster van hem zou terugkomen, die naar Amerika was gegaan en daar met een armen man getrouwd was. Nu was ze weduwe met vijf of zes onverzorgde kinderen en 't zou niet zoo prettig voor hem zijn dat heele gezelschap op den hals te krijgen. En hoe dat nu was ... hij kwam er niet toe den proost te antwoorden; hij begon zijn papieren bij elkaar te zoeken, alsof hij heen wilde gaan.
Toen de stationschef merkte, dat deze twee, die den heelen avond het sterkst hun meening hadden geuit, den proost niet antwoordden, wilde hij juist uitroepen, dat hij dien dag, dat de Amerikareizigers op zijn station aankwamen, op het perron zou staan en "Hoera!" roepen. Maar toen dacht hij er op eens aan, dat daar in Amerika iemand woonde, wie hij eens had beloofd te trouwen en die hij verlaten had. Dat was nu wel vele jaren geleden, maar hoe oud hij nu ook was--hij zou haar toch niet graag ontmoeten, en hooren van alles, wat zij had moeten doormaken, zonder een helpende hand, die haar steunde. En in plaats van den proost te antwoorden stond hij op en zei, dat hij naar buiten moest om zijn paard te zadelen.
Toen de stationschef weg was, kuchte de eigenaar van de zagerij lang en luid. Maar juist toen hij zijn stem wilde verheffen en antwoorden, dat hij wel aan vijfhonderd menschen huis en werk en behoorlijke verdienste zou kunnen bezorgen--dat zou heelemaal niet moeilijk zijn--kwam hem in de gedachte, dat als allen, die waren heengegaan, zouden terugkomen, er ook een zoon van hem bij zou wezen, die zoo aan den drank, en zoo diep gezonken was, dat hij een plaag voor zijn vrouw en hem en alle huisgenooten was geweest. En heel stil ging hij van de tafel weg en naar de andere kamer om zijn jas en hoed te zoeken.
En tegelijk stonden twee boeren op. Want de een had een goeden vriend in Amerika, die hem wat geld gezonden had om te bewaren. Dat geld stond op de bank en gaf goede rente tot kort geleden toe. Maar juist voor een paar dagen had hij er wat van moeten leenen om de bruiloft van zijn dochter te vieren. En hij kon niet zeggen, dat hij graag wilde, dat de reizigers terug zouden komen, voor hij dat zaakje weer in orde had gebracht.
De ander, die tegelijkertijd opstond, had een zoon in Amerika, die goed oppaste en die hem geld zond tegen Kersttijd en midden in den zomer. En hij wist niet hoe hij op zijn hoeve zou kunnen blijven, als die zendingen ophielden.
De commissaris zat nog aan de tafel, maar hij dacht aan een man, die een schrik en een plaag voor de heele streek was geweest en meer dan eens gedreigd had hem te vermoorden. En hij zei tot zich zelf, dat 't juist niet zoo te wenschen was, dat die man terug zou komen. Hij stond ook op, keerde zich naar den wand en keek naar een paar groote annonces van 't toeristbureau, die daar hingen.
Nu zat er nog maar één van de kooplieden aan de tafel; maar hij had aldoor duidelijk ingezien, dat het grootste ongeluk, dat hem kon overkomen was, dat de oude koopman, die hem zijn winkel had verkocht, terug zou komen. Want die was zóó knap in zaken, en had een zóó innemende manier van met zijn klanten om te gaan, dat hij allen handel in de gemeente naar zich toe zou hebben gelokt, als hij niet in 't hoofd gekregen had naar Amerika te gaan.
De proost had al dien tijd zwijgend zitten wachten, maar toen hij merkte, dat alleen de kleinste en armste van de kooplieden nog aan de tafel zat, wendde hij zich tot hem:
"Ja, wat zegt u er van, Söderberg?"
"Ik zeg, dat wat er gebeurt het beste is."
"Ja, dat zou ik ook meenen," zei de proost. "Ik wist wel, dat allen tot die overtuiging zouden komen, als ze maar even den tijd namen om na te denken."
KALLE FRYKSTEDT.
Mijn oude tante, Nanna Lagerlöf, die met Tullius Hammargren, den proost in Karlskoga, getrouwd was, bewonderde de Gösta Berlingsaga niet.
"Zoo was het leven in dien tijd niet," zei ze tegen mij, kort nadat het boek verschenen was. "Noch de mannen, noch de vrouwen zijn juist geteekend."
Ze scheen te denken, dat het boek schande over de oude Wermelanders en hun land zou brengen.
Dat was een hard oordeel, en ik moet bekennen, dat ik niet verwacht had, dat van dien kant te hooren.