Vogels van diverse pluimage

Chapter 6

Chapter 63,794 wordsPublic domain

Ter ord. van haer E.E. D. MOSTART.

* * * * *

BLADEN UIT EEN LEVENSBOEK.

Het leven is al zoo dikwijls bij een boek vergeleken, dat het mij verwondert die vergelijking zelfs in de verte nog te durven aanroeren.

Maar als het leven een boek is, dan is het een boek, dat de meeste menschen niet lezen. Men moet ook bekennen, dat vele van die boeken het lezen, ja zelfs het opensnijden nauwelijks waard zijn. De meesten kennen noch het levensboek van anderen, noch zelfs hun eigen. Dit laatste leggen zij achteloos ter zijde, of zetten het netjes ingebonden in eene pronkkast; somtijds zien zij naar den rug en titel, maar zelden in de bladen. Ik voor mij, als alle boeken, heb ik ook die levensboeken lief; het is mij een genot te bladeren zoowel in het mijne, als in dat van anderen. En als ik dan soms een prentje ontmoet, of eene plaats, die mij doet lachen of weenen, leg ik daar een vouwtje bij en laat ze wel eens aan anderen kijken.

Zoo gaat het ook nu.

Ik neem mijn levensboek van een der boekenplanken af en blader daarin. Het is een tamelijk groot boek en nauwelijks een derde is met letters gevuld. Zal de beschrijving hier gestaakt worden en zullen de overige vellen wit blijven?--Of zal het aan dit boek vergund worden, zijne geschiedenis ten einde te zien brengen?

--Weet ik het? zegt een lezer, _passons outre_.

Welnu, het is dan in de eerste bladen, dat mijne vingers en oogen thans dwalen, en mijn geest, daardoor geleid, doet een terugblik naar de vervlogene jaren.

Met al zijne verbazende en onnaspeurlijke verscheidenheid heeft de geschiedenis van het menschelijk hart zooveel, dat van algemeenen aard is; er is zooveel in, dat alle menschen met elkander, al is het dan in verschillende maten en schakeeringen, gemeen hebben, dat, hoe verscheiden de vormen en het bijwerk zijn van al die levenstoestanden en gemoedsontwikkelingen, het _wezen_ daarvan voor vele duizenden hetzelfde blijft, en vele duizenden in het leven van éénen trekken uit hun eigen leven terugvinden. Ik zal er mij daarom niet over verontschuldigen, indien ik u met mij zelven en die eerste bladen uit mijn levensboek ga bezighouden. Misschien toch ziet gij er op sommige plaatsen u zelven als in een spiegel weder, en hoe streelend en aangenaam het is, zich in een spiegel te beschouwen, bewijst de eer, waarin dat meubel bij wilden en beschaafden gehouden wordt.

Het is geen opvolgend en volledig levensverhaal, dat gij moet verwachten, het zijn slechts bladen, die ik u laat kijken, zooals zij, een voor een of bij meerdere te gelijk omgeslagen, zich aan ons voordoen. Hoe zou ik ze u ook alle kunnen laten lezen? De eerste bladzijden zijn maar met hanepooten gevuld, van de overige zijn er daar de inktkoker over is gevallen, sommige zijn er uit gescheurd; ook zijn er, die ik getracht heb uit te wisschen, maar die telkens weer opkomen, als een oude vlek op een kleed; andere weder zijn te zeer in overstelpend geluk en verheffing geschreven, om niet bespot te worden in de dagelijksche wereld, want het staat zoo dom, gevoel te hebben, en het is alleronfatsoenlijkst het te toonen. Ook zijn er, die nauwelijks leesbaar zijn, omdat zij in duisternis of op reis, of op mijne knie, of in het geheel niet geschreven werden.

Stelt u voor, dat ik in dat dikke boek zit te bladeren, en u de bladen voorlees, als ik ze bij een of twee, drie, vier en meer te gelijk omsla.... Gij krijgt daardoor als eene bloemlezing uit het boek: Het is waar, gij krijgt op die wijze niet _alles_ te weten, maar....

Deze manier heeft het groote voordeel, dat de nieuwsgierigheid wel geprikkeld, maar niet oververzadigd wordt.

En vervolgens heb ik zoodoende eene waarschuwing van Voltaire in acht. genomen:

_Le secret d'être ennuyeux c'est de tout dire._

Ik heb vóór mijne geboorte zoo ontzettend veel beweging en opschudding gemaakt in de wereld, dat ik er bijna aan wanhoop, ooit meer zoo gewichtig op deze aarde te zullen worden, als toen ik er nog niet op was. Op die wijze en met de jaren _sempre crescendo_ voortgaande, had ik op zijn minst een schok en omkeering als Mohammed, Alexander, Napoleon, Karel de Groote, Luther, Confucius of de typographie moeten teweegbrengen.

Waarlijk het eerste woord, dat ik kon spreken, had wel een woord van verontschuldiging mogen zijn aan al de lieden, die ik zoo in beweging gehouden en naar mijne pijpen heb laten dansen.

Zoo heb ik maanden lang mijne gansche familie in rep en roer gebracht; tantes en nichten aan het werk gesteld; betreffende het peterschap de moeilijkste strijdvragen veroorzaakt; de medische faculteit en het gilde der bakers onder de wapenen gebracht; een tal van nieuwe goederen en meubelstukken te mijnen behoeve doen aanschaffen; en nu zal ik maar zwijgen van al de physische en metaphysische redeneeringen, waartoe ik aanleiding gaf, door vrouwelijke deskundigen met mijne moeder of onder elkaar over mij gehouden, over het vraagstuk of ik een meisje zou zijn dan wel een jongen, en dergelijke.

Het geheele huis werd het onderstboven gekeerd, geen kamer bijna, die hare oorspronkelijke bestemming of schikking behield; ja, op het laatst heb ik zelfs mijn vader, om voor een vreemde persoon plaats te maken, gejaagd uit het bed, waar hij volgens burgerlijk en natuurlijk recht, ja, volgens Indisch, Mohammedaansch, Egyptisch, Israëlietisch, Hottentotsch, Kaffersch, Kamschatdaalsch, Mongoolsch, Hunsch, Romeinsch, middeleeuwsch en nieuw recht, de bevoegdheid had, zijn hoofd ter ruste te leggen, en naar eene akelige, holle kamer aan het eind, van het huis gezonden om daar alleen te slapen en te peinzen over de gezelligheid van den huwelijken staat. Maar alsof dit alles nog niet genoeg ware--er was geen tak van menschelijke kennis en wetenschap, dien ik, ofschoon nog ongeboren, niet in werking bracht; het waren genealogische nasporingen en onderzoekingen voor het bepalen van mijne namen, het was opvoedkundige geleerdheid door mijne moeder te bestudeeren, burgerlijk recht en usantiën in acht te nemen en letterkunde voor de advertentiën en de brieven, alle mogelijke en al of niet te voorziene gevallen der _ars medica_ te bepeinzen; metaphysische, phychologische (de odontologische kwamen er naderhand ook nog bij) incidenten, te behandelen; ja, eindelijk deed ik zelfs chronographische en astronomische quaestiën, en daarbij de systema's van Julius Caesar en Sosigenes, van Gregorius XIII en Ludovico Lilio weer wakker worden, doordat ik ter wereld kwam in een schrikkeljaar, op den 29sten Februari.

Wat eene geleerdheid voor een kind, dat nog niet geboren is! en wat is Baco, hierbij vergeleken; Baco, die alle takken van menschelijke wijsheid omvatte!

Ik zou haast vergeten te melden, dat ik mijn vader in gevaar bracht eene lastige boete te beloopen, daar hij bijna vergat mij bij den burgerlijken stand aan te geven.

--Te duivel! zei dokter Vijzel, toen ik geboren was, het deksel zijner snuifdoos met kracht toeslaande,--door welke daad hij aan zijne redenen klem placht bij te zetten,--het verwondert mij niet, dat het kind niemand durft aanzien, en wel mag het zich schamen negen maanden lang zooveel opschudding gemaakt te hebben!

--Atsjiaaaah! zeide ik, zoodra ik ter wereld kwam. Het is allerbelangrijkst te weten, wat bij het binnentreden in dit ondermaansche de meeningen, gewaarwordingen en gezegden der menschen geweest zijn, omdat dit de eenige gelegenheid is, waarbij zij een onpartijdig oordeel kunnen vellen en den juisten indruk mededeelen, dien de wereld op hen maakt!

Later komen vooroordeel, gewoonten, partijzucht, systeem en allerlei andere agentia dit oordeel verwarren of vermommen; maar die eerste kreet is het onvervalschte gevoelen van den nieuweling.

De geschiedenis en de overlevering, die altijd grillig zijn in hetgeen zij mededeelen en verzwijgen, hebben dit slechts van enkelen bekendgemaakt.

Van Gargantua vertellen zij, dat bij zijne komst ter wereld zijn eerste kreet was: _à boire, à boire, à boire!_

Zoroaster barstte terstond in lachen uit.

Bilderdijk begon met zijne baker in haar mond te....

Van de Grieksche kinderen is het bekend, dat zij al dadelijk [Grieks:_mê, mê, mê_], riepen, dat is: neen, neen, neen!

Ik ben blijde, dat de overlevering van mij heeft medegedeeld, dat ik mijn allereerste verschijnen niesde en atsjiaaaah! zeide.

Wij kunnen hieruit opmaken, dat de wereld zich aan Gargantua voordeed als zeer zintuigprikkelend. Aan Zoroasters geest schijnt zij zich als iets ijdels en bespottelijks vertoond te hebben, terwijl Bilderdijk het al dadelijk een eerste vereischte in de wereld scheen te vinden, den menschen, al was het dan ook niet op de zachtste en aangenaamste wijze, den mond te stoppen.

Wat de Grieksche kinderen aangaat, het is duidelijk, dat zij door hunne negatieve uitdrukking een tegenwicht wilden geven aan het positieve, dat zij er te veel in vonden. Het oordeel over de wereld, dat in mijne ontboezeming lag....

Maar als ik nu al dadelijk ging meedeelen, wat mijn oordeel over de wereld was, wie zou de moeite nemen de volgende bladen te lezen?

Evenals alle merkwaardige mannen, die hunne levensbeschrijving gemaakt hebben, ben ook ik eerst geboren en klein geweest. Het is zeer streelend, alzoo drie dingen met merkwaardige mannen gemeen te hebben, en ik maak hieruit op--er worden dagelijks wel zottere gevolgtrekkingen gemaakt--dat ik dus ook een merkwaardig man ben. En mocht er iemand zijn, die mij dit zou willen tegenspreken--welnu dan betuig ik, dat ik van plan ben, het zeer spoedig te worden.

Met dit te zeggen, wil ik al dadelijk toonen, dat ik ook versierd ben--enkele oude kniesooren zouden zeggen _besmet_--met die prijzenswaardige oprechtheid en dat gevoel van eigenwaarde, welke de menschen bezielen en waarmede zij, aan hunne eigene bekwaamheden en uitstekendheid de verschuldigde hulde doende,--omdat niemand anders dit doet, zeggen weer de oude kniesooren--niet nalaten zich openlijk aan te prijzen,--als koopwaar, zouden de kniesooren al weder aanmerken.

En ik ben ook verplicht, de lezers dezer bladen hieromtrent dadelijk gerust te stellen, want waarom zouden zij zich bezighouden met iemand, van wien zij vooruit wisten, dat hij niet merkwaardig is?

Mijnheer Tjilp en dokter Vijzel hebben ook altijd gezegd, dat er veel in mij zat.

Nu zullen misschien menschen, die mijnheer Tjilp en dokter Vijzel niet eens kennen, zeggen, dat dit niets bewijst; of menschen, die mijnheer Tjilp en dokter Vijzel wel kennen, beweren, dat het van den eerste goedaardige beleefdheid en van den ander een grillig idee was--want dokter Vijzel zat vol grillige ideeën. Maar ik geef u de verzekering, dat mijnheer Tjilp en dokter Vijzel de waarheid spreken.

--Neen, die eigenwaan is al te erg, zei mijnheer Tjilp....

Mijnheer Tjilp--een vriend van mij, waarde lezer! Ik heb de eer, hem u voor te stellen. Onder ons gezegd, ik durf bij u maar half met hem voor den dag komen, want hij is volstrekt geen merkwaardig man, en hij is mijn nederige onderwijzer op de viool,--en, en ... hij ziet er soms maar heel raar en kaal in de kleeren uit.

--Waarom te erg? vroeg ik, hem dit blad voorgelezen hebbende.

--Neen jongen! neen, zei de man zich ergerende, het is niet goed, wees nederig....

--Mijnheer Tjilp....

--Neen, jongen! laat het anderen over ons te prijzen, als er iets te prijzen valt; die van zichzelven met zooveel eigenwaan spreekt, is een gek, zeg ik....

--Mijnheer Tjilp....

--Is een, gek, zeg ik, men moet....

Maar terwijl ik het uitschater om het zotte _quiproquo_, waarbij mijnheer Tjilp zichzelf voor een gek verklaarde, houdt mijnheer Tjilp voet bij stuk.

--Men moet....

--Mijnheer Tjilp, zei ik, eindelijk aan het woord komende, en hem met een knipoog wenkende:--gij weet immers, dat men de waar koopt naar het uithangbord; als het uithangbord nederig is, gelooft men, dat de waar niet deugt: er moeten trompetten en vlaggen bij, men moet uitroepen met prijzenswaardige oprechtheid: ik ben de man, die het land zal redden! ik ben een groot dichter! ik ben een uitstekend humorist! ik ben verbazend geleerd! ik ben een hoogst merkwaardig man!--Het is waar, gij kunt dat ook laten, maar zonder dat _trumpetting oneself_, is er ook geen sterveling, die u voor een groot dichter, een verbazend geleerde, een hoogst merkwaardig man zal houden; en daarom ... u begrijpt mij?

Mijnheer Tjilp schudde toch bedenkelijk en ontevreden het hoofd.

* * * * *

Maar om tot mijn begin terug te komen,--ik ben dan eens geboren en eens klein geweest.

Wanneer ik geboren werd doet er niet toe; hoe klein ik was, weet ik niet. Behalve dit, weet ik weinig uit mijne piepjonge jaren mede te deelen, dan twee, door bakerstraditie, in de familie bewaard gebleven voorvallen.

Het eerste was, dat ik eens eene kapel voorbij het venster ziende fladderen, het glas in stukken sloeg om het mooie beest te vangen.

Het tweede gebeurde, toen, op een avond in onze woonkamer, mijn vader met eene menigte boeken voor zich zat, en mijne moeder naast hem met een kind op haar schoot, voor wiens hoofd zij eene muts gereed hield. Zij streek met de hand door de witte, zijdeachtige haren van het kind.

--Het is verwonderlijk, zeide zij, eene opmerking willende beginnen over de haren van het kind.

--Ja, het is verwonderlijk, viel haar man haar in de rede, die lang--met afgetrokkenheid het kind had zitten aanstaren,--het is verwonderlijk, als men bedenkt, wat al ontwikkeling dat kleine hoofd moet ondergaan! Verbazend, als men bedenkt, wat dat kleine hoofd zal moeten opnemen en bevatten van dien ontzettenden voorraad van wijsheid, dien de menschen in boeken hebben neergelegd! Begrijpt gij iets van de elasticiteit der hersenen?

--Ik geloof, dat het beste is, de keelbandjes wat ruimer te make dan zal de muts er niet aan hinderen, zeide mevrouw Van N.----

Krak zei de pijp van mijnheer Van N.---- toen door het plotseling afbreken van den draad zijner gedachten, de schok, die de werking der hersenen deed ophouden, zich van daar langs de spieren van den hals, den schouder, den arm en de handpalm verbreidde, door de vingerspieren de vingers zich om den dunnen steel deed samentrekken en eene gelijke werking, als in het spiritueele had plaats gehad, overbracht op het stoffelijke.

--Wat al gedachten, zei mijnheer Van N.---- eene nieuwe pijp genomen en den afgebroken draad weder opgevat hebbende,--wat al gedachten dringen zich op bij de beschouwing van kinderen! Belangrijke kiemen, die eene ontzettende som van nog verborgen en sluimerende krachten inhouden, waardoor al wat op of in de aarde is zal bewogen worden! Kind, verwonderlijke microcosmos, klein wicht, wat zult gij worden?

--Ingeënt zal hij worden, zeide mevrouw, morgen zal hij ingeënt worden.

Op dit oogenblik--de overleveringen zijn daaromtrent eenstemmig--schoof ik zeer kalm een schoteltje met eten, dat voor mij stond, met den eenen arm van de tafel af, en, terwijl er op het rinkelende geluid der gevallen scherven, bij mijn mond eene spierbeweging plaats greep, die mijne beleefde vrienden een lach noemden en waarvoor zij het geheele schoteltje vergaten, word ik gezegd met de andere hand den glimmenden heel--lederen band van een naast mijn vader liggenden kwartijn gestreeld te hebben, daarbij zeer duidelijk "da" zeggende.

Dat dit woord "da" in de kindertaal beteekent: "_Ik wil dat boek hebben_", daaromtrent is noch toen, noch nu, in mijne familie eenige twijfel geweest. Het was bij deze gelegenheid, dat mijnheer Tjilp en dokter Vijzel zeiden, dat er veel in mij zat, en dat mijn vader, voorspellende, dat ik aanleg had voor geleerdheid, mij het boek toeschoof, en, de kap der lamp wat doende zakken, omdat er iets prikkelde in zijn oog, mij kuste.

* * * * *

Of reeds op zulk een vroeg tijdstip, als hier vermeld is, de liefde voor boeken in mij wakker was, zal ik niet beslissen, maar zeker is het, dat eenige jaren daarna, toen ik een knaap was, de bibliotheek van mijn vader mij het genoeglijkste plekje van het geheele huis was.

De bibliotheek van mijn vader was de wonderlijkste kamer in het huis. Zij was een groot vierkant vertrek, dat zulk eene onbegrijpelijke hardnekkigheid had van nooit recht netjes opgeredderd te kunnen of te willen worden, dat het de wanhoop van mevrouw Van N.---- uitmaakte. Er is een tooververhaal, waarin een boek voorkomt, waarvan de bladen, hoe dikwijls er uit gescheurd, met verdubbelde kracht en in ontelbare menigte telkens aangroeien; eene dergelijke kracht moet die kamer bezeten hebben; want hoe ook schoongemaakt en opgeredderd, binnen een halven dag was alles weer overhoop en vol met papieren en boeken: het scheen eene ongeneeslijke kwaal van die kamer te zijn.

De bibliotheek was een groot vierkant vertrek op den tuin uitziende: een zware iepeboom, die vlak voor de ramen stond, maakte, dat maat weinig van het zonlicht de vensters kon bereiken, en daar worden dan nog die enkele lichtstralen, nadat zij zich door de dichte bladeren heen een weg hadden gebaand, door de ontelbare latjes der kleine ruiten zeer bemoeilijkt in het binnentreden.

Het was er bij gevolg niet altijd licht genoeg om in den versten hoek te kunnen zien, en er school dus in die hoeken eene zekere geheimzinnigheid, die maar zelden door licht werd opgeheven. Door den zonderlingen smaak van een vroegeren eigenaar, was de verf van beschotten en zolderingen een vaal steenrood. Er hingen enkele portretten, die mijne moeder te leelijk of te vuil vond om ze bij de andere in de woonkamer te gedoogen, en die, sinds jaren aan die schemering gewoon, zeker pijnlijk met de oogen geknipt zouden hebben, als zij opeens in het volle daglicht waren geplaatst. Verder waren de wanden, voor zoover er plaats was tusschen en boven de kasten, met eenige schilderijen en gegraveerde af beeldingen van beroemde personen behangen, wier koppen voor mensch- en zielkundige studie belangrijk waren. In het midden stond eene groote tafel met platen en kaarten en oudheden, daar achter eene aard- en hemelglobe, boven de kasten pleisterafgietsels van beroemde antieken, bij de ramen een paar oude met groen laken bekleede schrijftafels, met duizenden papieren en boeken overdekt, en in de rondte was alles verder boeken, boeken, boeken.

Het was duidelijk, dat de bewoner iemand was van veelzijdige studie en onderzoek, wien _omne quod ad humanitatem pertinet_ belang inboezemde. Het was ook bij den eersten aanblik van deze kamer zichtbaar, dat de heer Van Nijwoude een man was, die weinig hield van uiterlijken sier, maar gehecht aan het oude en eenvoudige. Hij beminde zijne oude meubelen, deels omdat zij hem lang gediend hadden en hij met hen oud was geworden, deels omdat zij herinneringen aan zich hadden van zijn gansche leven. Die gehechtheid strekte zich zelfs uit tot allerlei kleinigheden, of tot wat mevrouw Van Nijwoude "_oude prullen en lorren_" geliefde te noemen, en het was hem een weemoedig gevoel, als hij van eenig oud en dierbaar, hem gewoon geworden stuk, moest afstand doen. Ik heb zelden gezien, dat vrouwen dezen trek bezaten. Kan dit psychologisch verschijnsel misschien daaruit verklaard worden, dat de vrouw een meer practischen en minder bespiegelenden geest heeft? Dat het positieve en het tegenwoordige sterker op haar werken dan de poëzie van het verledene, en dat zij dus meer liefde heeft voor het heldere heden dan voor het schemerachtige verleden?

Hoeveel sympathie mevrouw Van Nijwoude ook met haren man gemeen had, deze neiging deelde zij volstrekt niet met hem; want zij was eene echt Hollandsche vrouw in haar zin voor helderheid en frischheid, voor bezems en sponsen, voor opredderen en netjes houden; met echt nationalen tegenzin en vijandschap tegen stof, spinnewebben en warboelen--als de bibliotheek, bij voorbeeld! Die bibliotheek noemde zij dan ook het _spinnekoppennest_, en zij wenschte niets vuriger dan viermaal in het jaar met eene bende schoonmaaksters het _spinnekoppennest_ gewapenderhand binnen te trekken, eene overweldiging, die vroeger periodiek gelukte, maar nadat een heerlijke _Boetius de Consolatione philosophiae, a-0. 1490 Daventriae per Jacobum de Breda_, verleden jaar was weggeraakt, werden de schoomnaaksters geweerd, want mijnheer Van N.---- beweerde steeds, dat deze zijn _Boetius_ hadden gestolen.

--Maar lieve man, zeide zijne echtgenoote, hoe kunt gij nu zoo praten; wat zouden zij daaraan hebben, een oud, leelijk stoffig boekje misschien, en dan Latijn: dat is immers voor die menschen zonder enige waarde.

--Oud en leelijk! En mijn vader wist niet of hij boos moest worden of bedroefd.--Oud en leelijk! dat zijn je schoonmaaksters! en Latijn--En geene waarde! een drukje van Jacobus de Breda, van 1490 Een kostbare incunabel, die honderden guldens waard is!

--Het is zonde van het geld, meende mevrouw Van N.

--Phoe! zei mijnheer Van N.----, met een geluid, dat zoowel een familietrek had van een zucht als van een verontwaardigingskreet, zette zijn hoed op en stapte de deur uit.

Voor mij was het spinnekoppennest een paradijs vol geneugten: het was een lusthof, waar ik niet alleen bekende, maar telkens nieuwe bloemen en vruchten ontdekte. De profane wereld vond die kamer akelig en somber, maar voor een ingewijde--en uit instinct was ik eenigszins een ingewijde--wat eene geheimzinnigheid en poëzie in die vergadering, samengesteld uit den levenden geest van allen, die ooit op het gebied van verstand, hart en verbeelding groot waren. Het was alsof de omgeving dier duizenden boeken daar een zekeren invloed en geestelijke aantrekking uitoefende. En het was eene zonderlinge gedachte, dat die duizenden schrijvers, wier stof over de geheele aarde verspreid was, hier in eene kleine ruimte vergaderd waren in den geeste en in perkamenten of lederen banden.

Welk eene dwaasheid zou het geweest zijn, zoo die bibliotheek aan eene woelige, bedrijvige straat ware gelegen, waar ratelende karren de glazen zouden hebben doen rinkelen en de oude heeren op hunne planken doen dansen, waar de voorbijgangers den neus der materiëele werkelijkheid in dit heiligdom des geestes hadden kunnen steken. Menigen ochtend zat ik aan den voet van eene der groote kasten in de boeken te snuffelen, nu eens tot over de ooren verdiept in stoute daden of avontuurlijke reizen en ontdekkingen, dan weder, als een vlinder, op de bloemen, her- en derwaarts, van het eene boek op het andere vallende.

Die onverzadelijke dorst naar _weten_, die den mensch bezielt! Als kind breken wij ons speelgoed om te zien, hoe het van binnen is saamgesteld. Als knaap vragen wij aan alles, _hoe_? en _waarom_? En het geheele leven door houdt de denkende geest niet op met vragen en zoeken.

Voor vragen en zoeken was stof genoeg in de bibliotheek. Zij bevatte verscheidene boeken, die mijn vader niet gaarne had, dat ik zag of las,--maar! die hadden niet zelden de meeste aantrekkelijkheid voor mij! en al had ik nog niet gelezen het _nitimur in vetitum semper, cupimisque negata_, de waarheid van dat gezegde was toch reeds op mij toepasselijk.

* * * * *

Of is het wel alleen dat verlangen naar het verbodene, dat ons naar andere boeken deed grijpen dan die voor ons gemaakt waren?--Is het niet een meer samengesteld verschijnsel? Ik denk ja. Het moet een instinctmatig zoeken zijn om onze behoefte te voldoen.

Leg voor een jongen, aan de eene zijde, alle met opzet en studie voor hem geschrevene werken, en aan den anderen kant, wat ge maar wilt van werken van wetenschap, letteren of kunst, die niet met het oog op zijne behoeften geschreven zijn, en die men soms meent, dat te hoog voor hem zijn, hij zal zonder missen naar de laatste soort grijpen. Hoe komt dat?