Chapter 5
--Het bleek nu wat burgemeesteren hadden zitten schrijven onder de preek. De geschrevene aanteekeningen kwamen ter sprake. Smout aarzelde eerst en draaide er omheen, doch eindelijk op den man af daartoe opgeëischt, erkende hij, dat hij met de beroerders van Israël den magistraat, met Rehabeam de burgemeesters bedoeld had. Nu zal men moeten bekennen, dat het minder vleiend is openlijk een beroerder van Israël genoemd en met een boozen koning vergeleken te worden; en, is het dus in burgemeesteren te begrijpen, dat zij daarmede niet gediend waren, dan strekt het hun tot lof, dat zij hem met gematigdheid vroegen of hij dan niet op andere wijze zijn beklag had kunnen doen, en hoe hij meende te kunnen verantwoorden, dat hij aan de gemeente aldus het recht tot opstand predikte.
--De ergernis is publiek gegeven en moest ook publiek gestraft worden, zeide Smout. Hij trad daarop in een lang betoog over den schutterseed, over de Arminiaansche ketterijen, en sinds wanneer, vroeg hij, sinds wanneer weigert men der kerk het recht om in kerkelijke zaken te beslissen en over predikanten te oordeelen,--sinds wanneer zou een predikant niet meer het recht hebben de gemeente te vermanen over hare afdwalingen? De heer Oetgens vroeg, waarom ik niet elders beklag gedaan; meent hij daarmede bij den prince? Dat is meermalen zonder vrucht geschied--en het schijnt we, dat Zijne Doorluchtigheid ook in Amsterdam niet alles kan of durft.
Dat was een stout woord. Der Amsterdamsche regeering--de kern dier autocratische en oligarchische macht, die steeds rijzende was naar het toppunt van schier onbeperkte heerschappij, en in wier hand de prediker thans geheel was als een schaap onder de wolven--al konden de herders het naderhand wreken--, aan die regeering in het aangezicht te durven zeggen, gij, die mij van heerschzucht beschuldigt, gij ziet den balk in uw eigen oog voorbij!
Een stout woord, en zoo dit uwe bedoeling geweest is, dan hebt gij, "de hand in de tasse gestoken ende eenen steen daar uyt genomen, ende dien geslingerd en getroffen den Philistijn in zijn voorhoofd."
Of het een schoen was, dien men zich aantrok, omdat hij scheen te passen, dan wel of het alleen om de beleediging was, burgemeester Boom zag den spreker strak in het gelaat en vorschte naar het doel. Dat gelaat loog niet--het was rood, de grijze oogen schitterden onder de gefronste wenkbrauwen. Boom richtte zich op in zijn armstoel, en de saamgenepen hand wat zwaar op de tafel leggende, zeide hij langzaam:
--De heer Smout vergete zich niet--en bedenke, dat hij voor burgemeesteren van Amsterdam staat.
Dat was zeker geene kleinigheid, en er was geen zweem van snorkerij in deze woorden. Menig stout spreker zou hier wat ingebonden, menig hoofd hier gebogen hebben. Burgemeesteren van Amsterdam--die heeren en meesters van Amstels macht en rijkdom, die in de weegschaal tegen de stadhouders zoo dikwijls de zwaarste bleken, die slechts de Staten boven zich rekenden, wier besluiten zij toch zoo vaak verlamden, en die zoo dikwijls tot de heerschzuchtigste willekeur vervielen; maar ook, men moet het nooit vergeten, de mannen, die rusteloos den lande dienden, mannen, die minder geleerd en welsprekend dan men er thans zoo velen vindt, maar gewoon waren zelve, nú te velde, dán op de vloot, dán als gezant of in de raadzaal, alles te gelijk te wezen, mannen van de pen, van het woord en van het zwaard.
Het was een stout woord, Smoutius, en zoo wij u eene deugd moeten toekennen, is het zeker die van onversaagd uwe meening te uiten. Maar ook Smout stond niet alleen; mocht hier voor het oogenblik de kans niet gelijkstaan, op den duur en op een anderen grond was zij dit wel, want achter den eenvoudigen prediker stond de kerkeraad, maar vooral het volk, dat zich laat opwinden en als werktuig gebruiken, en dan met blinde kracht voortholt.
Belangrijk was het, die twee machten tegenover elkander te zien, de wereldlijke en de geestelijke, de wet en de kerk, strijdende wie heerschen zou.
Toen Smout bemerkte, dat het ernst werd, kwam hij met een voorslag aan; de kerkeraad namelijk had twee predikanten willen afvaardigen om burgemeesteren de bewijzen af te vragen, die zij tegen Smout hadden, en hij betoogde weder, dat het alleen aan den kerkeraad stond in deze geheel kerkelijke zaak te oordeelen.
Het was gedurende dit geheele onderhoud zijn streven, de kern der zaak te ontwijken. De voorzittende burgemeester gaf hem dit duidelijk te kennen.
--Noch de verbindbaarheid van den schutterseed, zeide hij,--noch de strijd tusschen Dordt en de remonstrantsche sociëteit, noch het recht der kerk om over hare predikanten te oordeelen, zijn punten in quaestie, maar uwe politieke bemoeiingen en openlijke beoordeeling uit den preekstoel van daden des magistraats. Daarom zullen wij niet dulden, dat de zaak kerkelijk behandeld worde, maar ze _politiek_ behandelen en zonder vorm van proces alle seditieuze predikatiën weren.
Daar dit zooveel gezegd was als:--wanneer wij het morgen goed vinden, zetten wij u de stad uit, en het voorbeeld van collega Kloppenburg[3] hem voor den geest kwam, meende Smout nog ééne poging te moeten wagen op hun gemoed, daar hij tegen verstand en wil tevergeefs had gestreden.
--Ach, mijne heeren! zeide hij--komt nog tot bekeering, werpt u voor des Heeren voeten, buigt u neder voor den Heere van Israël, gij zult het moeten verantwoorden, zoo gij de ware religie in gevaar stelt,--doch de hartstocht en het fanatisme, waarmede hij vasthield aan wat hij de goede zaak meende, sleepten hem weder mede:--Gij zult de verdrukking der kerk moeten verantwoorden, vervolgde hij scherper; denkt aan Jerobiam, als hij de hand tegen den man Gods uitstrekte, zoo verdorde zijne hand: --wat mij aangaat, ik zie wel, hier geen recht te zullen erlangen en dat elders te moeten zoeken.
--Heer predikant, antwoordde Boom met kalmte en waardigheid, ook wij hebben te verantwoorden--de rust van stad en gemeente. Elders recht zoeken, zegt gij; bij wie? Meent gij, dat gij de zaak wederom op den kansel zult brengen en het volk opruien? Dan weten burgemeesteren wat hun te doen staat, en dan zullen zij het volk en de waarachtige religie tegen dergelijke seditieuze procedures beschermen; het is niet voor niets, dat nieuwe vendelen zijn ingenomen, en zoo het tot het ergste komen en daarvan mocht gebruik gemaakt worden, burgemeesteren zullen zich voor God en hun geweten kunnen verantwoorden.
--Uwe zaak zal in advies gehouden worden.
Het verhoor werd gesloten. Smout vertrok zooals hij gekomen was, en terwijl burgemeesteren nog eene wijl "in het torentje" beraadslaagden, werd de draad, waaraan het zwaard boven zijn hoofd hing, al dunner en dunner.
NOOT:
[3] Vroeger om gelijke reden de stad uitgezet.
* * * * *
DE VRUCHT DER PREDIKING.
En geen Monarch zoo gau Zijn heir brengt op de been, als wij het woeste graau Kalchas in Vondels _Palamedes_.
Welig opgeschoten onder de broeiende hitte van het steeds opwekkende woord was het zaad rijkelijk voortgewassen en droeg weder vruchten tienvoud en honderdvoud. Wat in de eerste jaren van 1600 een strijd was geweest tusschen twee theologen, maar toen althans (voordat hij zich over hunne leerlingen ging uitstrekken) binnen de wetenschap bleef, was allengs van alle zijden in het leven ingedrongen en was ook onder het volk geraakt met zijn nasleep van verblinden hartstocht en woeste driften.
Evenals in het algemeen deze twist dier eeuw geen zuiver theologische bleef, maar tevens een staatkundige was geworden, was dat ook onder het volk. De handhaving van de ware religie was altijd de hefboom, en de meest blootliggende reden, maar daaronder school voor de groote heeren, de burgers en het gepeupel, naar ieders aard, een wereldscher inzicht. Het volk had natuurlijk evenveel begrip van de stadhouderlijke en staatsche politiek, als van Drebbels toen pas uitgevonden pepetuum mobile: maar dat groote gemoedsleven, door geen verstandsleven verlicht, wordt zoo gemakkelijk in beroering gebracht door eenige woorden, die het nauw begrijpt. Vandaar dat er altijd zooveel gezeten burgers gevonden werden onder het muitende gepeupel, dat alleen troebel water verlangde.
In eene der achterstraten in den omtrek van het noordelijk deel der Prinsegracht, was eene herberg, _het Moriaentje_ genaamd naar een beeldje, dat boven den luifel als uithangbord uitstak, en dat met de traditioneel--nationale kenteekenen van zijn ras, zwarte bloote beenen en armen, een koolzwart gezicht met dikke, roode lippen, veel wit in de verbaasde oogen en een vederbos op het hoofd, was uitgedost. Deze personage, zoo hij eenmaal in zijn vaderland gruwelen gezien had, zag er thans niet minder, want zijn waard en meester kon zich beroemen het beste bier en den besten sterken drank te schenken (welk een sarcastisch woord is dat _schenken_!) aan het slechtste gespuis, dat er toen in Amsterdam te vinden was.
Het Moriaentje was tegenwoordig eene politieke club; daar kwamen nu gewoonlijk, behalve al die heidenen, die eene groote stad in de kelders en zolders harer stegen bewaart, ook nog de helden en staatslui van de kan en de kroes, en die ontevredenen, die zich van de troebelen iets beloofden.
Onder die groepen, op de bierbank gezeten, was er eene van de anderen eenigszins onderscheiden; te zeggen, dat die drie mannen van beter gehalte waren dan de rest, is wellicht te gunstig gesproken; misschien waren zij nog slechter dan de overigen, omdat zij beter hadden kunnen zijn.
De een zag er half als een krijgsman, half als een burger uit; de breede groef dwars over zijn bruin gezicht had hij zeker niet door de kan of het mesje, maar op eerlijker wijze, wellicht onder Maurits in het open veld opgeloopen; eenige zorg aan baard en knevel besteed, en een platte, vrij zindelijke halskraag toonden, dat hij niet tot het laagste gemeen behoorde. Half vrijbuiter, zooals de toenmalige soldaat was, kon hij zich nu buiten dienst moeielijk rustig houden; even dapper als hij dronk, schonk hij van het krasse bier aan zijne kameraads, waarvan de een, een klein gezet kereltje, met een burgerlijk rood gezicht, en de dichte kroeze door eene muts met eene haneveer gedekt, reeds vrij opgewonden was. De derde had eene soort van deftigheid over zich, daaruit voortspruitende, dat hij de geleerde van de bent was, en de man ijverig in het besturen van geheime bijeenkomsten, in het opstellen en doen onderteekenen van petities en dergelijke karreweitjes.
Deze drie personen genoten in dit gezelschap eenig aanzien en zaten ook afzonderlijk. De vierde, die bij hen kwam, was een theologische geestdrijver, lang en schonkerig, een groezelig gezicht vol schaduwen, die men niet wist van waar zij kwamen, met dat leelijke soort van vel, dat nooit schoon wordt, alsof er in plaats van bloed inkt in zijne aderen zat en door het vel doorscheen.
Op het tijdstip, dat wij hen nu zien, waren de drukte en het rumoer op het hoogst gestegen. De laatst binnengekomene, met het vuile gezicht, had onder die groepen in het voorbijgaan eenige woorden gestrooid--vonken in het buskruid.
--Wat is er aan de hand? vroeg hem de eerste van de drie personen, die wij meer bijzonder beschouwden.
--Er is sprake, hoe die Arminiaansche Belialskinderen weer aan den gang zijn, antwoordde de toegesprokene, zij houden eene groote bijeenkomst van avond.
--Naar den Satan met de Arminianen! klonk het onder de menigte.
--Sint Velten schen ze! zij hebben eergisteren ook al gepreekt; zij komen van avond weer bijeen.
--Bisschop is in de stad gezien; die komt ze weer opruien.
--Waar--waar komen ze van avond?
--Bij Joris Klaaszoon. Jaagt ze uiteen!
Dat kruiste elkander uit dertig monden.
--Wat voert de magistraat uit, als hij dit niet belet bulderde onze gewezen soldaat.
--Steek me de moord! riep het driftige, kleine kereltje met de haneveer, opstaande en zijn kroes zwaaiende,--dan moeten wij er tusschen komen, als de magistraat het niet doet! Er uit mannen, jaagt het paapsche koventikel uiteen!
--Wat zou de magistraat doen? vroeg de politieke zendeling,--de magistraat is zelf Arminiaansch.
--Hoezee! klonk het, juist gesproken, leve Meester Jansen!
De geleerde voelde zich daardoor aangespoord om nog een woordje te zeggen, en hij ging, op de bank staande, eene redevoering houden.
--Wat moet er met den paapschen magistraat gedaan? Hem dwingen, de goeden te beschermen tegen de Arminiaansche scheurmakers--of anders hem zelf wegjagen....
--Er is geen heil meer, bromde de sombere stem van het vuile gezicht er tusschen, dan voor libertijnen en ongodisten; "Maranatha!"
--Weet gij wat het drijven der regeering is? sprak de andere door. Zij heulen met den Spanjaard, om het volk weer paapsch te maken; daarom willen zij den prins ook weghebben....
--Altijd beter een prins in de verte dan burgemeesters dichtbij! riep de opgewonden kroeskop.
De redenaar gaf hem een trap om deze onvoorzichtige woorden, die het publiek, meer dan noodig was, in hun kaart liet kijken.
--Wat heb jij op den prins! riep de soldaat, uit een oud zwak, tegen zijn al te democratischen makker;--leve de oude tijd,
Toen mijnheer de Prins Gommers zijd' die boven hing Troostte met zijn stalen kling.
--Leve de stalen kling, dat is de beste bezem om ze van 't kussen te vegen!
--Wee wee, wee over de boozen, die heulen met den Satan, die het ware geloove vervolgen; zij zullen uitgeroeid worden die hoereeren met de Baälim! klonk weer de sombere tusschenzang, die zich telkens te midden van het gekrijsch der andere stemmen liet hooren.
--Houd op met dat uilengekras! riep de woelige en verhitte kroeskop tegen den viezen boetprediker, die hem bijzonder, begon te vervelen,--houd op, dat is alles mooi en wel; maar hier zitten wij onder ons, en weten wel beter; we hebben die vroomheid niet van noode; hei, licht liever de kan eens op, hoezee! Leeg ze op den stalen bezem--kling meen ik,--hoezee! nog eens, zwarte raaf! omhoog met de kan en giet haar in je rechtzinnigen gorgel op het lange leven van alle vroolijke hanzen en de eeuwige verdoemenis van alle krassende uilen--zooals jij!
De ruwe luidruchtigheid van dezen oproermaker had een troep der aanwezigen om hem verzameld; de dweper, zooals hij daar zat, met den breedgeranden hoed, waaronder nooit de heldere zon hem in de oogen kon schijnen, somber door de vuile kleur van geheel zijn gedaante, en stokstijf door een ruggegraat, die in plaats van uit wervels uit één stuk gemaakt scheen, leverde een potsierlijke vertooning op bij den andere, die hem de kannen biers deed inzwelgen, den hoed nog dieper in de oogen sloeg en hem eindelijk omhelsde.
Terwijl de wijsheid bij de mannen in omgekeerde evenredigheid stond met het ledigen van de kannen, bracht dit tooneel niet weinig bij om de woeste opgewondenheid hooger te doen stijgen.
Wij zullen het vuur laten voortsmeulen; wij hebben nog maar den rook gezien, straks zal de vlam met lichterlaaie uitslaan.
De zon, veer de huizen in de straten reeds ondergegaan achter de woningen der overzijde, verlichtte nog de toppen der westelijke geveltoppen en verguldde de ruitjes der bovenvensters.
De burgers, die na het eind van het dagwerk, rust van den arbeid, of verademing van de warmte binnenshuis, in den koelen dampkring daar buiten zochten, en die, onder den luifel op de bank, de nieuwtjes bepraatten, welke de laatste _loopmaren_ of _courante novellen_ hadden medegedeeld over de vorderingen van den prins voor Den Bosch, maar helaas ook over de dreigende nadering van den keizerlijken en Spaanschen vijand in het land, begonnen zich weldra over ongewone beweging en rumoer te verwonderen onder eenige horden volks, die hen voorbijtrokken. Als een loopend vuur ging het al ras rond, dat het volk op de been raakte om eene Arminiaansche vergadering uiteen te drijven. Het leed dan ook niet lang of de kleine kern, die wij zich hebben zien vormen, dijde tot eene van alle zijden aanwassende volksmassa uit. Elke steeg, die zij doorkwam, leverde nieuwen aanwas, en al wat zich op straat bevond voegde zich er bij, gedreven door die onweerstaanbare kracht van aantrekking en opwinding, die elke oploop voor het volk bezit en waardoor zoovele beteren met het gespuis worden mede gesleept. Aan het eind van een paar lange straten gekomen, steeg de menigte de Prinsegracht op, en hield daar weldra stil voor een huis van vrij aanzienlijke gedaante, waar Joris Klaasz., de verdachte, woonde.
--Hier zijn de Arminianen! krijschten de stemmen, hier zijn zij ter preek!
--Er in mannen, valt aan! slaat dood! trapt de deur in! rijt luiken open!
Een aantal vuisten rammeide op deuren en vensters, terwijl men schreeuwde om den huisheer. Er verliep eenige tijd, waarna een der bovenvensters geopend werd en Joris Klaasz. de onstuimige menigte tot stilte wenkte, die zich als eene golvende watermassa beneden hem bewoog.
--Hier ben ik mannen--wat wilt gij van mij?--wat heb ik ulieden misdaan?
--Lever den Arminiaanschen prediker uit! riepen een paar stemmen.--Neen, klonk het van eene andere zijde, dat is niet genoeg, laat ons binnen--er wordt hier gepreekt--wij moeten ook wat van de mis hebben!--de deur open of je huid is er mee gemoeid!
--Gij bedriegt u, goede vrienden--men bedriegt u;--er wordt hier niet gepreekt--er is hier geen Arminiaansche vergadering.
--Dat lieg je--de deur open--of het gaat in brand!
--Welaan, dat twee of drie van u hier komen--die kunnen zien....
Een steen zwierde door de lucht en rukte, de ruit des vensters doorvliegend, den burger de muts van het hoofd. Toen sleet hij het luik, twijfelend wat te doen. Een oogenblik later stoof hij de trap af, naar de binnenkamer; grooter schrik nog, dan de aanval verwekt had, joeg hij zijne vrouw aan, toen hij het boven de schouw hangende geladen roer afnam. Hij had besloten zich te verdedigen; de luiken waren stevig, de deur was goed voorzien van klink en ketting, en hij kon het uithouden tot wellicht de schout of een korporaalschap der bezetting zou opdagen. Zoo stond hij in het voorhuis, de wakkere burger, de kogeltasch om de schouders en leunende op het lange roer, gereed den eerste, die de schendende hand aan zijn huis zou slaan, door het raam neer te schieten,--zoo stond hij als tegenover een vreemden vijand, als in een bolwerk of walgang. Doch wat hij niet zoo spoedig gewacht had gebeurde; met een langen balk door het muitende gespuis ingeramd, splinterde de deur en bezweek ten halve. Toen bemerkte hij door het half geopende paneel, dat hij weinig kans had zich tegen de woedende gezichten, die hij ontdekte, te verdedigen. Hij wierp zijn musket op den grond, want hij dacht om de zijnen; naar het achterhuis te vliegen, vrouw en kinderen den tuin in te drijven en over den muur bij een buurman te redden--dat was de oogenblikkelijke uitvoering van een kort beraad, en werd hem nog vergund door de belemmering, die de half ingevallen deur den binnendringenden aanbood.
Toen het grauw binnen was, vond het geen Arminianen, geen predikant, geen kettersche vergadering,--niets dan een verlaten huis. Het was nog bezig met de meubelen uit de ramen te werpen, blinden en vensters af te rukken, ja zelfs tot van het dak pannen en sparren naar beneden te slingeren, toen eindelijk eenig krijgsvolk aanrukte. De schout was al eens komen kijken, maar op zichzelven niets kunnende doen, weder vertrokken, en het had lang opgehouden, eer men overeengekomen was een korporaalschap musketiers van de bezetting, of wat ruiters van de wacht te doen oprukken, want zooals men eenerzijds machten had, die telkens in elkander ingrepen, was er ook somtijds weder zulk eene vrees voor de grenzen van elks gezag, dat men in het geheel niet handelde.
Zoo onze aandacht niet geheel op het huis gevestigd ware geweest, hadden wij aan den zoom der tierende volksmenigte een jongen man kunnen opmerken, die er naar scheen te kijken en tevens geheel in de beschouwing verzonken was. Die in zijn binnenste had kunnen lezen, zou er een vergeten van het gruwelijke van het feit, en eene zonderlinge soort van welgevallen in die beweging, in die koppen en figuren vol hartstochtelijke uitdrukking, in die door elkander woelende groepen hebben opgemerkt. Door een gedrang om zich heen werd hij uit zijne studie gerukt. Er was een bejaard man, reeds grijs van haren, en met een wijden tabberd met bonten zoom, als beschutting tegen de avondkoelte, gekleed, dien eenigen uit den hoop bezig waren te beleedigen. De krijschende stem van een woest wijf had geroepen:--ik ken hem, hij is ook al van 't hondje gebeten! En--een kettersch predikant, dat liep als een vuurtje rond. Men trok hem reeds bij den tabberd, toen de jonge man hem onder den arm vatte en het wijf ter zijde duwde.
--Weg! riep hij. Die man is zoo rechtzinnig als Smout--of als jij en ik, liet hij er op volgen, terwijl de knevel den sarcastischen trek om zijn mond bedekte,--op zij!
Of men opzag tegen de forsche en breede gestalte, het scherpe en vaste oog, en de fiksche vuist, die uit de mouw van het wambuis stak, of dat men door een vernieuwd getier aan de zijde van het geplunderd wordende huis word afgetrokken, toen--hij zich met den linkerarm ruim baan maakte en met den rechter--den andere medevoerde, zeker was er niemand, die zich daartegen kantte.
--Gij hebt een goed werk gedaan, God loone u! zeide de oudste, onder het voortgaan, kent ge mij?
--Neen, was het antwoord.
--Ik heet Sylvius, predikant alhier. De jongeling lichtte den hoed even van het hoofd.
--Geen dank, heer Sylvius, wat ik deed is niet meer dan natuurlijk.
--Woont gij hier? Wie zijt gij?
--Ik woon niet hier--doch hoop dit met het volgende jaar te doen. Vaarwel, heer Sylvius, daar ginder ligt de schuit, ik moet naar Leiden.
--Kom bij mij, zoo gij hier wederkeert, zeg mij toch uw naam.
--Rembrandt van Rhijn, zeide de andere, de hand ten afscheid schuddende en den hoed afnemende.
Ziehier wellicht de eerste aanleiding tot hunne kennismaking: toen de schilder in 1630 zich te Amsterdam gevestigd had, leed het niet lang of hij vond bij dien predikant zijne Saskia van Uylenburgh, het zusterskind van Sylvius' vrouw.
* * * * *
Doch zoo wij u naar die trekschuit leidden, het was niet om er Rembrandt te zien instappen, maar om er u den weg te wijzen.
Wij moeten den 8sten Januari van het volgende jaar, 1630, weder naar dit veer, om er weder eene trekschuit te zien afvaren. Het is nacht, maar men kan toch zien, dat er dichte groepen van nieuwsgierigen staan, die zich hierheen begeven hebben. Er wordt daaronder op velerlei wijze gedacht en gemompeld over het gebeurde.
Dat gebeurde, het was dat de kerkeraad op aanvraag der regeering geweigerd had iets tegen Smout en de zijnen te doen; dat deze nog eens bij burgemeesteren ontboden was, omdat hij, wel verre van zich in te toomen, had verkondigd vroeger algemeen gesproken te hebben, doch nu bijzonderlijk te zullen spreken, van inquisitie en persecutie had gewaagd en gezegd had: gij geveinsden werpt den balk uit uw oog, gij, die de religie onderdrukt;--het was, dat burgemeesteren weer vergeefs wachtten, dat de kerkeraad daartegen iets deed; het was eindelijk, dat burgemeesteren, met advies der vroedschap, besloten de zaak nu ten leste politiek, dat is buiten vorm van proces af te doen.
* * * * *
Het is ten gevolge van dit alles, dat in den nacht van 8 Januari de woelgeest, dien wij kennen, te midden van de nieuwsgierigen doorgaat, en in de schuit stapt om daarmede de stad te verlaten.
Dat hij dit zoo gedwee doet, het komt daarvan, dat de dunne draad, waaraan boven zijn hoofd het zwaard hing, gebroken was, en hij een papier in den zak draagt van dezen inhoud:
* * * * *
Burgemeesters ende Regheerders der Stadt Amsterdam belasten D. Adriaen Smout, om redenen, op morghen voor 't ondergaen van de Sonne, de Stadt en de Vryheydt van dien te ruimen, sonder daer weder in te komen, op pene indien hy voor de voorsz. tydt niet en vertreckt, van door den Heere Officier daer uitgeleyt te worden. Actum den Sevenden January 1630.