Vlindertje: een Haagsche roman
Part 10
„—Ik ben nu zoo gelukkig, Pim,” ging ze voort. „Veel gelukkiger nog dan vroeger. Ik zou altijd kunnen zingen van geluk. En nu moet je niet bedroefd zijn om mijn geluk. Ik ben toch je zuster. Jij moet toch ook blij zijn als ik gelukkig ben.—Straks aan tafel zal pa aan al de kennissen zeggen, dat ik het aanstaande vrouwtje ben van Maurice. Ik ben eigenlijk een beetje verlegen, dat ze dat dan allemaal zullen weten. Maar toch ook zoo blij, zoo blij! Kom, laten we nu maar vast naar beneden gaan. Ze zullen nu wel gauw komen. Wil je mijn langen mantel even naar beneden dragen? We gaan misschien nog wat in den tuin na het dessert. En hoe vind je mijn nieuwen witten waaier? Een cadeautje van hém....”
En ze wuifde zich even wat koelte toe met den ivoren, beschilderden waaier. Zachtjes bewogen wat losse gouden haren uit haar kapsel, en het struisveeren kopje trilde en trilde....
En in zijn hart beefde het van ingehouden smart. Hoe ze daar stond in haar witte blankheid, zoo teêr als een bloem met haar lucht, rank kinderfiguurtje, zoo heelemaal niet iets voor het Leven, want véél, véél te broos....
„—Ellie,” zeide hij ernstig, „je kent toch wel dat mooie vers van Heine:
„Du bist wie eine Blume So schön und hold und rein; Ich schau dich an und Wehmuth Schleicht mir ins Herz hinein?”
Ze begreep hem niet.
„—O ja, een mooi vers. Waarom?”
„—Omdat ik het nu ineens zoo heel erg voel, dat vers, nu ik jou daar zoo zie staan, Ellie.
„Mir ist als ob ich die Hände Aufs Haupt dir legen sollt, Betend dass Gott dich erhalte So schön und rein und hold.”
De tranen stonden hem in de oogen, en zijn stem beefde.
Maar ze was te veel het Vlindertje om het allerfijnst mooie van het vers te begrijpen. Ze voelde alleen, dat Maurice straks komen zou, en dat ze naar hem verlangde, verlangde, verlangde.
Maar waarom beefde Pim nu zoo? En kijk, er rolde een traan over zijn wang, dien hij gauw afveegde....
„—Dat vers doet me zoo aan,” zeide hij. „Je weet, hoe gevoelig ik ben voor verzen. En nu ik op het punt ben om mijn zuster te verliezen....”
„—Maar ik zal toch altijd je zuster blijven,” troostte ze. „Wat dacht je nu? Al ben ik nu honderdmaal geëngageerd, daarom blijf jij toch Pim voor me. Hoe kom je dáár nu aan. Dacht je, dat ik ooit zonder Pim zou kunnen leven, jongen, en dat ik hem ooit zou vergeten....”
„—Je moet denken, Ellie, ik heb niet veel, behalve jou. Jij bent alles, wat ik heb op de wereld, dat weet je wel. En als jij ooit van me werd afgenomen....”
Hij kon niet doorgaan. Hij kon zich absoluut niet voorstellen wat zijn leven ooit zijn zou zonder háár.
„—Malle jongen! Wie wil je nu iets afnemen? Toe, geef me een arm, dan gaan we heel deftig naar papa beneden. Nu ben jij nog mijn cavalier, hoor, en als Maurice er niet is, neem ik je dadelijk in beslag.”
Gewillig nam Pim den langen, wit-bonten avondmantel over zijn linkerarm, en gaf den rechter aan Ellie, als zoovéél keeren vroeger. Maar inééns bedacht hij zich, hoe heerlijk het zou zijn als zij als zijn verloofde eens zoo naast hem liep, en straks de gasten het nieuws eens hoorden, dat hij de bruidegom zou worden van het ranke, blanke meisje aan zijne zijde.
Beneden hoorde hij al stemmen roezemoezen in de gang. Er waren zeker al menschen gekomen. De feestvreugde zou zóó beginnen.
En het was hem opeens bij het langzaam afdalen van de trap, of hij haar nu van de sfeer, waarin ze altijd voor hem geleefd had, naar de ruwe werkelijkheid geleidde, naar het harde, meêdoogenlooze leven, waar de droom niet was, waar heel gewoon een man een maagd-meisje wachtte, om haar, fijn, broos, melkblank kind, te nemen in zijn ruwe, sterke armen, zonder medelijden, zonder vrees voor het heilig mysterie, dat haar omhulde, om haar te maken tot zijn vrouw, zooals zoovéél andere meisjes de vrouwen worden van anderen, heel gewoon en natuurlijk....
Dáár stond Mombreuil al beneden in de gang. Hij hoorde zijn diepe stem, hij zag zijn groote, forsche gestalte van sterken man, en zijn dikke, zwarte wenkbrauwen, en zijn grooten, zwarten knevel....
De mán van Ellie.... de mán.... voor dit ranke kind-meisje de groote, zware, donkere màn....
HOOFDSTUK XVI.
Heel het uitgaande den Haag praatte een paar dagen over de verloving van Ellie van Taats met Jhr. Maurice Mombreuil. Voor de meesten was het eene verrassing. „Het Vlindertje” geëngageerd, wie had dat ooit gedacht! En nog wel met Mombreuil, den romantischen held van Atjeh!
Zij vertoonden zich nu overal samen, in de stad, in het Bosch, en op ’t Kurhaus, en werden in den eersten tijd erg nagekeken, waar zij kwamen. Er was dan ook iets bizonder romantisch in, hen zoo gearmd te zien loopen, hij zoo forsch en breed gebouwd, met die rechte, militaire houding, dat donker gebronsde gezicht en dien zwaren, zwarten knevel, en zíj zooveel kleiner, zoo rank en teêr nog, in zoo kinderlijke zachtheid, met de vriendelijke, blauwe meisjes-oogen, als heel lichte viooltjes, en het glanzend goudblonde haar. Er was iets aandoenlijks in het zich toeneigen van het teedere, zachte en lichte van kind-meisje naar het forsche, sterke en donkere van man. En als iemand hen zoo samen, vlak bij elkaar zag, hij zoo hoog en genadiglijk op haar neêrziend, zij zoo klein, en als smeekend tegen hem opkijkend, voelde hij, hoe gemakkelijk het hem zou zijn, dat lichte wicht in zijn armen te breken, als een ranke bloem, met één hardheid te knakken voor goed....
In ’t begin vond Ellie het erg amusant, met hem te loopen waar veel menschen waren, om aan iedereen haar groot geluk te toonen. Al de menschen moesten zien, hoe zij was uitverkoren, en hoe die groote, mooie man, die held, háár, klein, broos vlindertje als ze was, uit allen had gekozen. En ze genoot van de bewonderende blikken, waarmede men hen aanzag en van de eerbiedige groeten, die hun tegenwuifden van vrienden en kennissen.
Maar later begon haar dit juist te vervelen, en verlangde zij meer met hem alleen te zijn.
Zij wandelde nu meer met hem in de Boschjes, en in het Haagsche Bosch.
Vroeger had zij er nooit zoo bizonder op gelet, maar nu begon zij er hoe langer hoe meer van te houden om buiten te zijn. Zij had zich langzamerhand meer verwant gevoeld aan de natuur, sedert de liefde in haar was opgebloeid. Zij hield van de wolken, die aan den hemel voorbijdreven, voelde zich gelukkig met de boomen en de bloemen, en keek ’s nachts naar de sterren als naar nieuwe, lichte vrienden, die zij nooit had gekend en nu opééns had gevonden. En in het groote Bosch voelde zij zich nu véél meer thuis dan vroeger aan het strand, in al die drukte van menschen, of in het Kurhaus.
Het was nu ook zoo heel eenzaam en toch zoo heel vertrouwd, met hem samen in dat groote, groote Bosch. De zomer begon al zacht te verdroomen in den herfst, en de laatste, lage zonnestralen maakten de boomen goud. En het was haar, of ze met hem liep in een nieuw, heerlijk land, waar zijn hand haar voortleidde door een droom van geluk, die altijd zou duren.
„Het is net of ik hier in het Bosch meer van je houd dan in de stad,” had ze eens tegen hem gezegd.
Toen had hij haar bedankt, en eerbiedig op het voorhoofd gekust.
Hij was altijd tegen haar van een groote reverentie, eerbiedig en hoffelijk als een ridder uit oude tijden. Als hij haar kuste was het heel voorzichtig, zonder hartstocht, als was hij bang, haar te verschrikken. Hij luisterde aandachtig naar haar vroolijk gebabbel, en als zij het hem vroeg, vertelde hij haar erg bescheiden, en zonder zijn eigen daden te releveeren, van zijn avonturen in den oorlog op Atjeh. Dan werd ze dikwijls heel bang, als hij van ’t groote gevaar vertelde, waarin hij gestaan had, en hield angstig stijf zijn arm vast, als om te voelen dat hij er heusch nog was.
Maurice was werkelijk, ernstig en innig in zijn hart, een grooten eerbied voor haar gaan voelen, toen hij haar wat beter had leeren kennen dan na de eerste, nog zoo vluchtige ontmoetingen. En naarmate die eerbied dieper werd, voelde hij de verantwoordelijkheid grooter worden, die hij op zich genomen had, toen hij oom Mombreuil had verzocht, om de hand van Ellie te gaan vragen. Hij besefte er pas goed de geheele portée van toen hij zag, hoe innig zij van hem hield, en hoe weinig hij haar voor haar liefde kon teruggeven.
Hij had weinig werkelijk onschuldige, blank-maagdelijke meisjes gekend, en wat hij van de liefde meende te weten, was niet meer, dan wat de vrouwen uit zijn studententijd hem konden geven, en wat hij nu pas weêr met Joh had doorgemaakt.
Maar intuïtief voelde hij, dat in Ellie een groot, heilig mysterie woonde, dat te rein voor hem was, niet voor zijn handen om te durven aanraken, en waar hij vèr van behoorde te blijven, als hij geen misdaad wilde begaan. Wát het was, wist hij niet, maar er wás iets aan Ellie, en haar naïeve, zich zoo gansch gevende, vertrouwende liefde voor hem, dat hem wel eens bang maakte. Somtijds, als zij hem zoo liefdevol met haar blauwe kinderoogen aankeek, voelde hij een vage ongerustheid, wetend, al wist hij niet waarom, dat er iets gebeurde dat niet was zooals ’t behoorde, en hem iets gegeven werd, dat hem niet toekwam en dat hij niet mocht aannemen, als hij een eerlijk man was.
Mombreuil was door veel lage, inferieure dingen van het leven gegaan; zijn aanleg en de omstandigheden hadden hem niet voor hooger en reiner emoties vatbaar gemaakt dan die, waar zijn zinnelijke natuur nu eenmaal niet buiten kon, maar een gemeene kerel was hij niet. Hij had, absoluut niet wetend wat zoo’n meisje eigenlijk was, ook niet beseft, wat hij doen ging door zich met Ellie te verloven, maar naarmate hij sterker voorgevoelde, welk maagdelijk mysterie in haar leefde, dat hij niet waard was te beroeren, begon een vaag berouw in hem op te wellen, dat langzamerhand al klaarder en klaarder uitnevelde, tot helderder bewustzijn.
Hij begon te begrijpen, dat hij eigenlijk niet mocht aannemen, wat dit meisje hem in zoo groot vertrouwen wilde geven, niet wetend wie hij was, en wie hij geweest was. Hij wist dat hij door veel te veel dingen was gegaan, om nu nog de reine, maagdelijke Liefde te kunnen voelen, die hij in Ellie vaag vermoedde als een mysterie, te heilig voor zijn begrip. Hij voelde ook, dat, als hij zich niet bij tijds beheerschte, hij eindelijk Ellie nog eens zou gaan zien, zooals hij zoo véél vrouwen gezien had, dat hij misschien ééns in denzelfden, ruwen hartstocht als toen met de anderen, zijn groote, ruwe handen zou slaan om haar teêr, maagdelijk lijfje, en haar reinen mond bezoedelen met dezelfde kussen, die hij zooveel andere vrouwen in wilden wellust had gegeven. En hij voelde met een al klaarder en klaarder wordende bewustheid, dat dit een misdaad zou zijn.
Voor dat ándere, dat vage, onbestemde, voor hem onbegrijpelijke, dat hij enkel maar vermoedde, maar dat héél heilig moest zijn, vèr buiten zijn sfeer, daar was hij toch geen man meer voor, dát wist hij zeker. Dáár was hij al te ervaren voor, en had hij te veel meêgemaakt.
Hij wist ook, dat hij Joh niet geheel kon vergeten, en dikwijls vurig naar haar verlangde, naar háár, en anders naar een andere vrouw, en dat hij het toch op den duur niet zou uithouden, die onthouding, die hij zich had opgelegd sedert zijne verloving. Hij had zich goedgehouden, en zou er ook tegen vechten zoovéél hij kon, maar ééns zou hij toch bezwijken, als het beest in hem sterker werd dan zijn wil. En hoe zou het dan voor hem wezen, als hij bij Ellie moest komen, en haar moest kussen, na een nacht van wilden hartstocht met eene andere?
Wat Ellie van hem dacht, was hij niet, en wat zij dus in hem zag en in hem liefhad, was maar een illuzie. Hém, zooals hij werkelijk was, en met al de dingen van zijn verleden, kon ze zich natuurlijk niet eens voorstellen, en kon ze natuurlijk ook niet liefhebben. En hij begon zich te voelen, alsof hij een leugen was, dien hij haar op-drong, en die haar verblindde. Dikwijls was hij er heel stil van, en liep naast haar zonder iets te zeggen, met het groote berouw opwellend in zijn hart, en bang voor den aandrang, dien hij voelde, om haar eerlijk alles te zeggen en zijn toekomst voor goed te vergooien. Want nu hij eenmaal Ellie had genomen, zou oom Mombreuil het hem nooit vergeven als hij het engagement verbrak, en onverbiddelijk zijn.—En hij werd bang voor die mooie reine liefde, die Ellie hem wijdde, en die hij al grooter en grooter zag worden. Als hij haar een arm gaf, deed hij het licht en voorzichtig, alsof hij iets aanraakte, dat te heilig voor hem was, en als hij haar kuste was het met grooten eerbied, angstig van binnen, dat zijn onzalige hartstocht opééns in hem uit zou breken, als een wild beest, en bang, haar blank voorhoofd te bezoedelen met zijn onreine lippen. En ook in hém trilde een bevende ongerustheid, een onbestemde vrees, hoe dit ééns zou moeten afloopen, en waar dit heen zou moeten op den duur, als niets tusschenbeide kwam. En toch was iets als geluk, van een nooit gekende zachtheid en goedheid, in zijn ziel gekomen met die groote teederheid voor Ellie, die hij nog voor niemand had gevoeld. Voor ’t eerst in zijn leven vermoedde hij het heilig mysterie van het Meisje en voelde hij met een vaag berouw, dat hij in zijn wilde leven van hartstocht had bezoedeld wat rein en goddelijk was van wezen.
Wat oom Mombreuil gedacht had, was gebeurd, en Ellie had door haar reinen invloed werkelijk veel aan Maurice gedaan. Maar daardoor was juist het bewustzijn in hem gekomen, dat hij niet mocht aannemen, waar hij geen recht meer op had, en zijn beter ik plaagde hem elken dag met grooter berouw, om haar blanke, maagdelijke onschuld van hemzelf te redden, die niet waard was in haar reine sfeer te leven.
Ellie begreep niet, wat in hem omging, en zag zijn teruggetrokkenheid en zwijgen aan voor eerbied en ontzag. Zij was hem er dankbaar voor, dat hij zoo heel voorzichtig met haar deed, want, al verlangde zij er heimelijk naar, toch was zij eigenlijk altijd wat bang, als hij dicht bij haar kwam, en zij voelde zijn handen en zijn warme lippen op haar zachte huid. Als zij maar éven die aanraking voelde, ging er een gloeiing, bevend en rillend, door haar lijf, zalig en toch verschrikkelijk, en zij had kunnen lachen van geluk en tegelijk weenen van verdriet er over. Er was iets in haar, dat met onweerstaanbaren aandrang naar hem toe wilde, om hem heelemaal in zich op te nemen, en wèg met hem te vergaan, en tegelijk iets dat heel bang was, en huiverend wegkroop als het den gloed voelde van zijn schitterende, donkere oogen.
Terwijl zij, zoo schijnbaar één, gearmd naast elkaar voortliepen was er in beiden een onrust, een zenuwachtige onzekerheid, die zij voor elkaar verborgen, hij bang voor eigen doen, wetend dat hij haar niet waard was, en angstig dat hij ooit voor haar zou durven voelen als voor andere vrouwen, zíj verlangend om héél dicht bij hem te zijn, om meer kussen van zijn warme lippen te krijgen en zoete streeling van zijn handen, en toch zoo bang, zoo doodsbang dat hij het doen zou, en iets, wat heel teêr en broos was, in haar zou breken.
En om hen heen treurde de herfst al zachtjes-droevig door het stille bosch, bladeren vielen ritselend in langzamen val, en overal was de vage en vreemde weemoed van het mooie, dat de verre nadering voelt van den dood.....
HOOFDSTUK XVII.
Frederik van Klaerbeke had hem er zoo dikwijls voor gewaarschuwd, hoe verkeerd het was, Ellie altijd zoo apart, buiten het groote leven om te zien, als in een bizondere sfeer. Zij was een meisje als alle anderen, had hij zoo dikwijls gezegd, een wezen van vleesch en bloed, heelemaal menschelijk, en daarom volstrekt niet minder mooi. En eens zou ze ook doen als alle andere meisjes, verliefd worden op een man, en met hem trouwen en kinderen krijgen.
Maar Pim had het in den grond van zijn hart nooit willen gelooven. Voor hèm was Ellie wel degelijk buiten het groote leven, dat hij om zich heen zag, en veel te teeder, in een veel te reine sfeer, om te doen de voor hem grove, harde dingen die des levens zijn.
Ellie was het meisje bij uitnemendheid, zooals zijn eerste jongensdroomen het droomden, met altijd iets van de engel in zich, die is neêrgedaald uit den hemel, om te troosten en te zegenen, en wier wezen enkel teederheid en liefde is. Je ziet dat zoo in alles van haar: een enkele beweging en een enkel gebaar, je hoort het in het geluid van haar stem, en uit haar oogen vloeit het zoo zachtjes in je. Zoo heel gevoelig is alles aan haar, als aan een bloem. Raak dit niet aan, en ontwijd het niet met ruwe handen, want het is heilig tot in eeuwigheid....
En met een dwaze, maar sublieme negatie van de werkelijkheid vlak bij hem, was hij in ieder meisje iets van die engel blijven zien. Hij wist het, dat het ongezond was, dat het was uit den tijd, dat het was niet modern, en romantiek, maar hij kon er niets aan doen. De grond van zijne vereering voor mooie vrouwen was eene aanbidding van een onmenschelijk, onsterfelijk ideaal in haar, buiten het ruwe leven om, en ver boven hartstocht uit, van eene onsterfelijke engel Gods, van wezen ongenaakbaar en hoog-heilig, die zich in haar openbaarde.
En alle dingen aan en om haar waren met iets van die heiligheid overtogen. Wat werd een bloem anders als zij in de handen was geweest van een lieve vrouw! Wat klonken heel gewone woorden anders uit den mond van een lief meisje! Wat was er iets héél bizonders gekomen aan een lintje, aan een kantje, aan een handschoen, die door een vrouw waren gedragen!
Het was een bijna religieuze liefde voor die teederheden en zachtheden, die Pim altijd van omgang met veile vrouwen had afgehouden en hem kuisch had doen blijven. Een ruw woord, een ongracieus gebaar van een vrouw deden hem pijn en maakten hem ongelukkig. En hij die heelemaal van het lieve mooi van vrouwen leefde, begreep niet, hoe zijn vrienden zich konden inlaten met wezens, die datzelfde mooi besmetten en veil hielden, omdat zijn weinig hartstochtelijke natuur nog niet den impuls in al zijn hevigheid kende, die hen er toe dreef. Heimelijk dweepte hij ook nog altijd met de oude ridderverhalen, waarin ridders jonkvrouwen van roovers en draken bevrijdden, en met onmenschelijk nobele en edelaardige heldinnen als Wanda van Ouïda, en helden als Corrèze uit „Moths” en Bertie Cecil uit „Under two Flags.”
Het leven, zooals het was, kende hij niet, en van het leven was hij bang. Hij voelde intuïtief, dat het te groot en te sterk voor hem was, dat hij, klein mannetje, met zijn lief-zacht gedroom daar niet tegen op kon, en er op den duur in onder zou gaan.
Frederik had hem al zoo dikwijls gewaarschuwd, en aangeraden, wat te durven en het leven te leeren zooals het waar en mooi was, hoewel anders dan hij droomde. Maar hij had niet gedurfd. Hij was maar stil en veilig verscholen gebleven in zijne vereering voor Ellie en voor het lieve van meisjes en vrouwen, in zijn zacht gedroom over verzen en muziek, en zijn genieten van mooie kleuren en lijnen, en alles wat maar teeder en fluweelig was om áán te voelen.
En nú was het als een groote catastrophe in hem, toen hij zag, hoe Ellie ineens was veranderd. Die gejaagdheid, die onrust in haar, die zenuwachtigheid, die het angeliek kalme van haar kind-gezicht verstoorden! Er was iets in haar gezicht gekomen, dat hij niet kende, en dat hem bijna onsympathiek was. Zoo heel, heel vreemd was het voor hem, wat in haar aan ’t gebeuren was. Het was of zich ineens in haar een andere Ellie had geopenbaard, dat verre, mysterieuze wezen in haar, dat hij somtijds al eens vaag vermoed had, en waarvoor hij al ééns was bang geweest, toen hij met haar in het boudoir had gesproken over verdriet hebben en ongelukkig zijn. Dat vreemde wezen, dat hem niet verwant was, keek wel eens uit haar oogen, die somtijds een nieuwen, ongekenden glans hadden, als zij sprak over Maurice, of als zij met hem samen was.—Het deed hem aan, met een zacht medelijden, en tegelijk een vagen schrik, alsof er een ziekte in haar was opgekomen, die haar rustige schoonheid zou verwoesten.
Waren er dan in haar altijd onbewustheden geweest, die hij niet kende, vèr buiten de lieve, broeder-en-zuster-intimiteit, die hem met haar verbond? Was het dan niet haar innigste, zuiverste wezen geweest, die kalmte en engelachtige rust van reinheid, waarom hij haar zoo liefhad, en had er achter dat blank-maagdelijke, lelieë-sneeuwen van haar meisje-zijn altijd dat hevige, sombere vuur gesmeuld, dat nú wel eens blonk in haar oogen, en dat hij met een angst, die bijna afkeer was, zag gloeien over haar gezicht, als Maurice haar kuste?
En met de intuïtie van aan haar verwante ziel, die bijna alles van de tweeling-ziel kan vermoeden, raadde hij, hoe het gevoel, dat Ellie naar Mombreuil toedrong, meer verliefdheid was dan wèlbewuste, zuivere liefde, dat het niet langzaam rustig kon opgebloeid zijn uit de witte lelie-weiden van haar maagdelijke ziel, maar plotseling was uitgebarsten uit lager gelegen onbewustheden, die hij noch zij zelve in haar vermoedden.
Want hij voelde, dat die onweerstaanbare verliefdheid, die haar geheele natuur zoo bruusk had veranderd, té plotseling was uitgebarsten om een blijvend deel van haar beste, innigste wezen te zijn. Wat hàd er dan toch voor geheimzinnigs in haar kunnen gebeuren, dat zij inééns, in een paar dagen, zoo maar haar geheele, vroolijke, gelukkige meisjesleventje aan dien grooten donkeren man had gegeven, dat haar vlinderachtig wezentje, altijd maar zorgeloos heen-en-weer fladderend van ’t eene pretje naar het andere, opééns naar dien éénen, en naar niets anders dan dien éénen kant was blijven neigen, waar zijn vroeger haar geheel vreemde leven was?
Was hij dan als een brandend, en toch donker licht, waar het vlindertje opeens in dolle blindheid op af was gevlogen, met zenuwachtig wiekjesgeklep, en waar zij straks jammerlijk in zou vergaan?
Hier zoo’n groote, zware, donkere man, met zulke zwarte oogen, zulke dikke wenkbrauwen en zoo’n zwaren knevel! En dan die diepe stem, zoo heel niet lief of vriendelijk, en zijn zware gang! Hij was als een groote, donkere, dreigende schaduw....
En daar dat ranke, slanke kind-meisje, zoo luchtig en vluchtig, in zoo fijn en blank gewaad, met het glanzend, goudblond haar, en de blauwe onschuld-oogen, en het klare sopraanstemmetje, als een veêren vogeltje zoo teer!....
Hoe kon dit zijn, hoe kon dit zijn, het lichte samen met het donkere, het blanke met het zwarte, het blijde van een blonden morgen en het sombere van den duisteren nacht....
Zij zal breken, zij zal verwelken, zij moet als een broze bloem geknakt worden als zijne groote, sterke handen haar omvatten, dacht hij angstig, o! droeviglijk zal zij gehavend worden in het harde, groote Leven, mijn lichte, lieve wicht van teederheid en vrede, als een arm vlindertje, verknetterd in het laaiende vuur....
Hij zag haar weinig in den laatsten tijd. De gezellige boudoir-middagjes werden niet meer gehouden, want meestal kwam Ellie pas laat thuis, juist op tijd voor het diner. Ook wandelde hij weinig meer met haar, omdat ze altijd uitging met Mombreuil, en hij zich niet als derde wilde opdringen.
Na de zenuwachtige uitbarsting in hem op den avond, dat hij uit Parijs terugkwam, was er een zachtdroeve berusting over hem gekomen, zonder schokken. Hij wist zich nu eenmaal klein en zwak in het leven, en hij wist dat het geluk was voor de sterken en grooten. Hij voelde, wat Mombreuil op hem voorhad, en wat hij hem niet eens benijdde. En de hoofdzaak was toch, dat Ellie gelukkig was. Wat was hij, nietig mannetje, met zijn kleine smart, bij het héél groote, dat Ellie gelukkig was? En als Mombreuil haar geluk was, dan zou hij hem respecteeren, en zonder rancune beschouwen als zijn besten vriend. Hijzelf zou dan wel heel graag in stilte lijden en treuren, als Ellie maar gelukkig bleef.
Toch verlangde hij dikwijls naar haar met een brandend verlangen. Zij was het éénige liefs voor hem op de groote wereld, waarin hij zich zoo klein en eenzaam voelde.