Vlindertje: een Haagsche roman
Part 9
Toen Maurice bij hem was, verklaarde de oud-minister hem met groote autoriteit, waar het op stond. Hij releveerde nogeens zijn heldhaftig gedrag op Atjeh, en bracht hem onder het oog dat het niet aanging, na de Koninklijke onderscheidingen, nu weer als een boemelend student te gaan leven. Alleen door een huwelijk was zijn leven te regelen. Op strengen, vaderlijken toon las hij hem de les, en verklaarde uitdrukkelijk, dat hij zijn beurs voor goed gesloten zou houden, als Maurice niet precies deed wat hij verlangde. Hij wilde hem voor het huwelijk geen meisje opdringen, dát vond hij onzedelijk, maar vroeg hem alleen ronduit, of hij Ellie van Taats een goede vrouw voor hem zou vinden.
Maurice zag wel in, dat het nergens toe dienen zou, zich te willen verzetten. Oom had nu eenmaal het geld, en daar hield alles mee op. Alleen vroeg hij een paar dagen bedenktijd, om het eerst degelijk te overwegen.
Hij praatte er thuis nog eens over met Wies, die hem vertelde hoe zij gezien had, dat Ellie van ’t eerste oogenblik af op hem verliefd was, en hoe vol bewondering zij over hem sprak.
En hij zag dat er hem niets anders overbleef, dan aan oom te gehoorzamen. Hij had Ellie altijd een heel lief meisje gevonden, al was ze een vreemd leven voor hem, ver buiten zijn sfeer. Hij kon zich ook absoluut niet meer indenken in zoo’n meisje als Ellie. Wèl vermoedde hij, dat het iets veel hoogers en beters was, dan hij ooit had kunnen droomen, iets dat voor hém misschien veel te goed en te rein was, maar hij besefte niet, hoe broos en breekbaar zoo’n meisjeszieltje was van essentie. Hij dacht, dat het wel terecht zou komen, als hij maar eerbiedig en galant tegen haar was, en dat hij, als ze maar eenmaal zijn vrouw was, haar wel nader zou komen, en vertrouwelijker met haar zou kunnen omgaan. Nú had hij nog maar een vage teederheid voor haar, met een beetje medelijden vermengd, omdat ze nog zoo’n kind bleek te zijn. Dat ze zoo dadelijk verliefd op hem was geworden, verwonderde hem niet, en streelde hem niet eens zoo bizonder. Het was iets heel natuurlijks voor hem. Hij was nu eenmaal een mooie man, en van zijn vroegste jeugd af aan had men hem „le beau Maurice” genoemd. Zonder er bepaald trotsch op te zijn, of er mede te affecteeren, had hij vroeger, in zijn goeden tijd, als een pacha altijd de hulde van meisjes en vrouwen aangenomen, als iets dat van zelf sprak. En dat Ellie nu op hem verliefd was, vond hij volstrekt niet zoo’n groote conquête. Physiek was zij zijn „genre” niet eens. Hij hield niet van die kind-meisjes, die nog zoo onnoozel zijn, en nog zoo vaag van vormen, en waar je den eersten tijd maar zoo weinig aan hebt. Hij kon er ook nog zoo slecht mede omgaan, en je moest altijd zoo voorzichtig zijn, dat je haar niet verschrikte met een verkeerd woord, of gebaar.
Maar er was nu eenmaal niets aan te doen geweest. Hij moést trouwen, had zijn oom gezegd, daar stond hij op. En oom had het geld. Daar viel weinig tegen te redeneeren. Oom vond Ellie nu eenmaal een geschikt meisje voor hem. Wel is waar was ze niet van adel, maar dat was juist wel goed, want om haar in de aristocratie te doen komen, zou papa van Taats eerder over een minder glansrijke periode in Maurice’s leven heenzien. Ze was een lief, onschuldig jong meisje, had oom gezegd, die juist een verzachtenden, veredelenden invloed op hem zou uitoefenen. En ze had ook wel wat geld ook. Dus het moest Ellie zijn, Ellie en geen ander. En Maurice had er verder niets tegen ingebracht. Als hij toch moest trouwen, was het hem vrijwel om het even, of het met Ellie van Taats was of met een andere. En hij vond haar gedistingueerd en aristocratisch genoeg om eene mevrouw Mombreuil te worden.
Maurice was zoo ingeroest in de heerschende Haagsche begrippen, dat hij er volstrekt niets slechts en ignobels in zag, met een meisje geëngageerd te zijn, waar hij eigenlijk niet van hield. Zelfs vond hij, dat het wel degelijk een eer voor haar was, zijn verloofde te zijn, en eene Mombreuil te worden, al was hij te veel gentleman, om dat ooit te laten bemerken.
Hij had haar altijd met een hartelijke, welwillende vriendelijkheid behandeld, meer als een goed, argeloos kind dan als een vrouw, met iets medelijdends, omdat ze nog zoo naïef was, en nog zoo weinig van het leven wist. Hij verwonderde er zich dikwijls over, dat ze in sommige opzichten nog zoo onnoozel was. Van een Haagsch meisje had hij dat niet verwacht. En eigenlijk hinderde het hem een beetje. Hij hield niet van ingénues. Dat werd later altijd zoo lastig. En hij kon zich zoo verbazend moeilijk in zoo’n wezentje verplaatsen, hij, die zooveel ervaring had, en zoo goed wist, wat nu eenmaal het leven was!
Het speet hem erg voor Joh. Die goeie, beste meid, waar hij zoo’n innigen lol mee had gehad! Die zou hij nu natuurlijk er aan moeten geven. Oom, die nu eenmaal van zijn liaison met haar afwist, zou hem den eersten tijd natuurlijk wel in de gaten houden. En er viel niet met hem te spotten. Het was een kwestie van to be or not to be.
Hij ging naar oom Mombreuil, en zeide hem, dat hij, na rijp nadenken, alles zou doen wat hij van hem verlangde, en voortaan een geregeld leven zou trachten te leiden. En hij vroeg zijn oom tevens, den ouden heer van Taats eens te gaan polsen over het plan.
Wies was den volgenden morgen al heel vroeg bij Ellie, om haar voor te bereiden op het groote nieuws. Het was nog vroeg, en Ellie was juist uit haar slaapkamer in haar boudoir gekomen, waar zij altijd ’s morgens vroeg haar kop chocolade dronk.
„—Alweer groot nieuws, Ellie!” riep Wies, „nu raad je nooit wat ik je te vertellen heb!”
„—Nu? Wat dan? Is het héél gewichtig?”
„—Héél, héél erg, hoor!.... Maar je kunt het tóch niet raden..... Het is iets van Maurice!...”
„—Van Maurice!....”
En Wies zag, dat Ellie erg schrikte, en bleek werd.
„—Ja, van Maurice!” zei ze, een beetje plagend... „nou kijk maar niet zoo verschrikt.... er is geen ongeluk met hem gebeurd, hoor!.... héélemáál niet.... maar je raadt nooit wat hij doen wil....”
„—Nu, wat dan?....”
„—Hij wil gaan trouwen!”
Ellie keek haar aan, met groote, starende oogen. Ze vroeg niet eens met wie. Het was haar zoo inééns overvallen, dat ze niet spreken kon.
En Wies vertelde dóór.
„Ja, hij gaat trouwen... met een héél lief meisje... het liefste meisje van den Haag.... lichtblond haar heeft ze, en erg zachte, blauwe oogen, die niet zoo verschrikt mogen kijken, want daar zijn ze véél te mooi voor.... ben je nu niet nieuwsgierig?.... weet je nu nog niet wie het is?.... Maar hij heeft het zelf nog niet durven zeggen.... dat is niets voor hem, zulke dingen... hij kan beter vechten en heldendaden doen.... maar vandaag of morgen komt oom Mombreuil er al over spreken met den papa van het meisje.... weet je ’t nog altijd niet, wie het is?.... ze zit toch zoo héél dicht bij me, hier, in dit mooie boudoirtje....”
„—Wies!”
Ellie stond op, en knielde bij Wies neer op een pouf, met de handen smeekend opgeheven. Haar oogen keken heel bang, als van een verschrikt vogeltje.
„—Wies!.... het is toch niet waar, hè?.... je maakt maar een grapje, hè?.... het is toch niet voor mij, hè, dat Maurice komt.... dat kán immers niet.... wat zou hij aan mij kunnen vinden.... ik, zoo’n arm, klein vlindertje maar!....”
Wies kuste haar op de wangen, en nogeens, en nogeens.
„—Het is voor jou, hoor!.... jij wordt het vrouwtje van Maurice, heusch, en dan word je mijn lief mooi zustertje meteen!.... maar waarom kijk je nu zoo verschrikt?....”
Toen legde Ellie het hoofd in haar schoot, en zei heel zacht, of ze meer in zichzelve sprak dan tot Wies:
„Ik kán het bijna niet gelooven dat het waar is.... en toch heb ik het al voelen áánkomen... ik ben zoo gelukkig, zoo heel gelukkig.... maar ook zoo bang, zoo bang.... ik ben somtijds zoo heel bang voor het geluk....”
HOOFDSTUK XIV.
Toen Pim vier dagen daarna van Parijs was teruggekomen, met den laatsten avondtrein, vond hij op zijn kamer een briefje van Ellie. Hoe kende hij de kleine, roze envelopjes, waar haar lievelingsparfum hem uit tegemoet geurde, een zachte, vage geur van Violettes de Parme! Haastig deed hij het open. Zeker weêr over een leuk plannetje voor morgen.
Beste Pim!
Ik ben zoo gelukkig. Ik heb willen wachten tot je thuis was om het publiek te maken. Ik ben geëngageerd met Maurice Mombreuil. Je zult het niet kunnen gelooven. Hij, de held van Atjeh, de groote, sterke held, en ik het arme, kleine vlindertje maar! En toch is het heusch waar, Pim, en ik ben zoo gelukkig. Jij zult ook zeker gelukkig zijn met het geluk van je zusje. Overmorgen, den 15en, is er een klein dinertje, voor de heel intiemen, en dan maken we het publiek. Kom je me héél gauw feliciteeren, zoodra je thuis bent?
Je liefhebbende zusje
Ellie.
Pim besefte eerst niet goed wat hij gelezen had. Hij zag wel de letters, en wist wel de volgorde van de zinnen, maar het idee kon nog niet heelemaal in hem doordringen. Nog eens goed overlezen.... Nu nog eens... hárd op, heel duidelijk....
Maar dat kan toch niet.... welneen, verbééld je nu eens, dat is toch immers onmogelijk.... het is te dol.... Ellie geëngageerd.... Ellie, zijn zusje, zijn kleine, ranke, teêre lieveling, zijn fijne, broze, blanke vlindertje.... geëngageerd.... trouwen.... trouwen met een man.... hoor je, met een man.... met een man trouwen.... met een man.... een man haar meênemen, haar heelemaal meênemen, voor zich alleen, héél haar leliewitte, mysterieus reine maagde-lijfje.... een mán....
En ineens, van uit de verre, nooit vermoede diepten van zijn ziel, uit de innigste, heiligste onbewustheid, die hem nog nooit geopenbaard was, stuipte het in hem op, en uitte zich in een hoogen gil van angst en vreugde:
Dat kán niet, dat kán niet, mijn God,.... want zij is van mij, van mij, en niemand anders.... ze is alles van me, alles wat mij lief is op heel die groote, groote wereld.... en zonder haar is er niets meer....
En ineens hoorde hij het zich hardop zeggen, duidelijk als was het de stem van een ander náást zich, en even verwonderd over die vreemde, verschrikkelijke tijding:
„Maar ik heb haar zelf lief!.... Ik heb haar lief, mijn God!....”
En hij duizelde onder dat ontzachelijk droeve, ontzachelijk blijde nieuws, dat uit die nooit vermoede onbewustheden van zijn wezen zoo plotseling omhoog was gerezen, hel en onverwacht, als een opgebliksemde vuurpijl in den nacht.
Hij had het nooit geweten, en hij zou het ook misschien nooit geweten hebben, als daar niet ineens die groote, zwarte, donkere man was gekomen, en gegrepen had naar het allerlichtste en liefste van zijn ziel.
Ellie was áltijd van hém geweest, maar zoo natuurlijk, zoo van-zelf-sprekend, zoo altijd-bij-hem en altijd-door-bereid, dat hij er het eindelooze en zéér bizondere geluk niet eens geheel van beseft had. Ze was zoo héélemaal één met hem, en onverbrekelijk met zijn gansche leven verbonden, dat zij was als een ziel in zijn eigen ziel, die zich zonder haar niet bewust werd. Zij was zoo onontbeerlijk aan zijn ziel als de lucht aan zijn longen, die hij ademde, het licht aan zijne oogen, dat hij opnam, zonder te weten, van-zelve, in de onbewustheid van zijn natuur. Hij had er evenmin aan gedacht, dat zij ooit uit zijn leven kon weggenomen worden, als dat hij op eens blind zou kunnen zijn, en het daglicht niet meer zien.
Wel had hij dikwijls met haar geschertst, en gesproken over verliefd zijn, en geëngageerd raken, en trouwen later, maar eigenlijk zonder het zelf te gelooven, en nooit er ernstig over denkende, dat het nog eens werkelijk zou kunnen gebeuren.
En nu stond het verschrikkelijke feit ineens vreemd en onheilspellend voor zijn verbaasde oogen. Hier stond het, in sombere, zwarte letters, door haar eigen hand geschreven, in een onmiskenbare realiteit, plotseling, met een groote, zwarte schaduw dreigend boven zijn leven. En hij hoorde als een stem, door zijn ooren heen, vèr weerklinkend in zijn ziel:
„Ze gaat van je weg.... Ellie gaat van je weg, naar een ánder....”
Hij kreunde van de pijn, die daar opschrijnde, wreed door zijn hart.
„Maar ze is toch van mij,” dacht hij smartelijk, „ze is toch altijd van mij geweest. Haar lief, vriendelijk meisjesgezichtje, haar hééle rijke, gouden, blonde haar, en haar wangen zoo roze, en haar blauwe, reine kinderoogen, en haar zachte lipjes, maar ze zijn toch van mij, van mij alléén.... ze zijn zoo heelemaal één met me, ik heb er toch altijd meê geleefd samen en van gehouden, en ze aangebeden met mijn hééle ziel.... hoe zou dat nu zoo maar inééns van een ander kunnen worden.... het is toch een deel van mijn eigen wézen.... neen, het kán niet, het kán niet.... dat gáát toch maar zoo niet....”
En tegelijk die vreemde verwondering in hem, die opperste verbazing over de allergewichtigste ontdekking, die nú eerst geopenbaard:
„Maar dan houd ik ook van haar als een Liefste.... maar dan is ze ook niet alleen maar mijn zuster geweest.... en dat kon ook niet.... want als ik maar eventjes nadenk is ze eigenlijk ook in ’t gehéél geen zuster van me.... ze had een ánderen vader, een andere moeder.... o God! dan heb ik haar altijd liefgehad als mijn Lief, en nu óók heb ik haar lief, heb ik haar lief, heb ik haar lief!....”
Hij peinsde even na, in dat wonder verbazen. En in zijn gruwbaren angst, dat hij haar verliezen zou, mengde zich een weldadige vreugde, toen hij opeens den rijkdom zag van zijn ziel.
Had hij haar dan ál die lange, lange jaren liefgehad zonder het te weten? Had hij dan zijn geheele leven lang die heerlijke liefde voor Ellie met zich rondgedragen als een kostbaren schat, dien niemand, ook hij zelf niet kende? Maar wat was hij dan rijk geweest, wat was hij dan vol beladen geweest met liefelijk geluk, en wat groot en volheerlijk van glorierijken zegen was zijn leven geweest, dat hij zoo dikwijls klein en nietig dacht!....
Maar vreemd, al had hij haar liefgehad, met de uiterste spanning van zijn ziel, toch had hij nooit voor haar gevoeld den hevigen hartstocht, waarvan hij zooveel in boeken las, toch had hij nooit gebeefd en zijn hart wild hooren kloppen als hij haar somtijds kuste, en had hij nooit de begeerte in zich gevoeld naar haar lijf.... En in het even denken hieraan voelde hij zelfs iets als een verwijt, of hij haar had besmet met een profane gedachte.
Had hij haar dan toch niet lief? Vergiste hij zich dan toch nog op het láátst?
Was hij dan te slap, te zwak van temperament om dát hevige voor een vrouw te voelen, was hij niet man genoeg om op te durven gaan in den fellen gloed, waarin passie uitslaat, en was zijn ziel te schuchter en te broos voor dat wild en lief oproer, dat hartstocht is?
Of was zijn liefde voor haar er zooveel te heiliger om, dat zij was opgebloeid uit louter rust en vrede, dat zij was als een stille weide aan hare voeten, van kuische witte bloemen, waar géén winde-adem zucht? Had niet juist de wijding van zijn eerbiedvolle aanbidding het opwellen van zijn menschelijke passie tot nu toe onderdrukt?
Nooit, nooit had hij er zelfs maar over gedacht, dat hij nog ooit iets anders voor Ellie zou kunnen voelen dan vereering en intieme vriendschap.
Maar nu, nu daar opeens een ander was gekomen, een donker, krachtig man, en het denkbeeld flitste in hem op, dat deze zijn Ellie kon begeeren en de zware handen leggen op haar lief, blank lijf van meisje, nu voelde hij opeens een warrelende duizeling in zijn hoofd, en een felle, brandende gloed schroeide opeens over al zijn leden.
Hij zag haar plotseling voor zich zooals hij haar nog nooit te voren gezien had, hij dacht opeens haar roode, lief-geplooide lippen half-open, als vragend om een kus, en alles van haar, de vage welving van haar borst, het blanke, zachte vleesch van haar hals, het lichtte opééns voor hem op, in een heel nieuw, heel vreemd licht.
„Maar dat is van mij, van mij,... van mij,” riep hij angstig in de stilte van de kamer. Hevige snikken stuipten in hem op, de tranen stroomden hem langs de wangen, en zijn geheele lichaam rilde, als van koorts. In een plotseling, geweldig ontwaken van zijn uit een langen sluimer eindelijk gewekte mannelijkheid, voelde hij opééns in een duizeling van al zijn bloed het groot menschen-verlangen in hem opstaan. Het wemelde voor zijn oogen, hij wankelde, en alles om hem heen scheen in wilde warreling te draaien, terwijl hij wijd de leêge armen uitstrekte, met krampachtigen greep van handen, als om het liefelijk, eindelijk begeerlijk geworden beeld te omvatten van zijn Ellie, zijn lieveling, die opééns als vrouw hem was geopenbaard....
HOOFDSTUK XV.
Toch had Pim zich heel goed gehouden, na die felle uitbarsting in zijn ziel.
Hij was den volgenden ochtend naar Ellie gegaan, en had haar, met zoo vroolijk mogelijke stem, hartelijk gefeliciteerd.
Maar met die fijne intuïtie, die een meisje heeft, had ze gevoeld dat er iets haperde, en heel bezorgd gevraagd:
„Je vindt het toch ook wel heerlijk, Pim? Je voelt je toch ook wel gelukkig?”
Hij had geen ja geantwoord, dat kon hij niet; maar om zijn pijn te verbergen, had hij een quasi-pruilenden toon aangenomen, en gezegd, dat hij nu verwaarloosd zou worden, dat hij zijn gezellige half-uurtjes niet meer hebben zou in haar boudoirtje, en hij nooit meer mede zou mogen om boodschappen te doen, of samen met haar te lunchen in Scheveningen.
Toen had ze hem uitgelachen, en een bedorven kindje genoemd, en hem gezegd, dat hij altijd de oude Pim zou blijven, altijd en altijd, en niets te kort zou worden gedaan. Hij bleef toch immers haar broer? Daar werd toch nooit iets aan veranderd, al was ze nu geëngageerd?
Ze had hem nu juist heel erg noodig, want er kwam nu van alles te doen. En hij moest helpen adressen schrijven op verlovingskaarten.
„Overmorgen is er een diner, voor heel intiemen,” zei ze, „en dan kom je op den gewonen tijd om vijf uur in mijn boudoir, hoor, net als vroeger, om me te laten zien dat er niets veranderd is. Ik heb een nieuw costuum aan, dat je ’t éérst zien moet.... dat zou Maurice nog niet eens mogen, zoo heel intiem alleen in mijn boudoirtje komen.... ik réken er op, hoor!”
Hij had niet durven weigeren en had beloofd te komen. Hij voelde dat hij zijn pas aan hem bewust geworden geheim van liefde altijd voor haar moest verbergen, om toch vooral háár geluk niet te storen.
En den volgenden dag om vijf uur kwam hij in ’t boudoir, als vroeger, of er niets gebeurd was.
Even keek hij rond. Niets was veranderd, alles stond nog als vroeger, even teêr, even intiem.
Dáár ging de deur open.
Een licht frou-frou van rokken, en ze stond voor hem, opeens, als een verschijning van droom.
Zoo teêr, zoo heel blank en bloode, in haar costuum van witte chineesche zijde, dat zachtjes tintelde van zuiveren glans!
Heel eenvoudig was ze, als een kalm kind, met de lage, afzakkende mouwtjes, en over beide schouders een parelsnoertje, alsof de japon daaraan hing. Dat gaf iets heel broos en luchtigs, alsof die witte zijde zonder zwaarte was, en al dat glanzende en lichte los om haar droomde, als een wade van licht.
Hoe kinderlijk was ook nog haar hoofdje, al was het fijne, blonde haar deftig gekapt, met een wit struisveeren kopje. En in welke zaligheden van onschuldige onbewustheden lachten haar blauwe oogen, glanzende van haar ziel!
„Ziezoo, hier ben ik,” zeide ze vroolijk. „Ben ik nu niet mooi, Pim? Draagt mijn toiletje je hooge goedkeuring weg? Vin je ’t goed zoo, die kanten berthe om ’t décolleté, en diezelfde kant geïncrusteerd op mijn rok! Mooie kant, hè, en allemaal echt, uit Brussel! Ik had eerst het corsage ruimer willen nemen en dan schuin gesloten, met een chou van wit satijn lint, en dan dikke, witte bloemen geborduurd op den rok. Maar zoo vond ik het toch nog beter.”
Pim zeide niets. Hij had haar maar stil aangezien, en had opeens een vreemde droefheid gevoeld.
Zoo blank, zoo blank, zoo blank....
Haar blanke hals, haar kuische borst van maagd-meisje, weifelend en vaag als een droom, in een éven-opwelving, een ronding van broze teederheid, het deed hem aan met een droevige ontroering.
Er was in die blankheid iets dat hem sloeg met een stille ontzetting, een angst, dat deze teederheid zich zoo toonde in weerlooze naaktheid van onschuld, en dat één adem die reinheid zou besmetten.
Neen, dit is te fijn, dacht hij, te zwak, te broos, dit kán niet zoo maar in het Leven gaan, het zou breken. En toch....
„Nu, Pim? Zeg je niets?” vroeg ze ongeduldig.
Toen zag ze ineens dat hij heel bleek zag. Zoo bleek, en zoo vreemd, en zoo oud ineens....
„Wat is er Pim.... Ben je ziek?....”
En bezorgd boog ze zich over hem heen, waar hij gedoken zat in een fauteuil, of hij van iets erg moe was, en legde haar wit geganteerde hand op zijn voorhoofd.
„Niets, Ellie, niets,” zeide hij zacht, „ik weet zelf niet wat het is. En ik vind je costuumpje prachtig, hoor! Ik ben alleen een beetje zenuwachtig, van de emotie, weet je, dat je nu straks aan de menschen zult vertellen dat je geëngageerd bent. Dat komt me nog zoo vreemd voor. En ik kan het nog bijna niet goed gelooven!”
„—Malle jongen, is het dáárvan? Nu, daar behoef je niet zenuwachtig om te zijn. Het is toch niets dan geluk? Is het geen geluk voor me dat Maurice me heeft willen hebben? Hij, zoo’n groote, mooie held, zoo’n ridder, en ik, zoo’n héél gewoon, fladderend vlindertje?”
Hoe enthoesiast zei ze dat weer, „zoo’n groote, mooie held!” Wat moest ze van hem houden!
„—Heeft willen hebben!” antwoordde hij, zacht-verwijtend. „Hij mag blij zijn. Het liefste, mooiste meisje van den Haag! Wie zou te goed zijn voor mijn Ellie? Kijk eens in den spiegel en zeg dan eens of het waar is of niet!”
Lachend keek ze. En heimelijk vond ze dat hij gelijk had. Ze zág er lief uit, allerliefst, dát moest ze toegeven.
„—Ja Ellie,” schertste ze koket tegen het beeld in den spiegel. „Het is waar, je mag gezien worden, al zeg ik het zelf. En die groote held zal zijn kleine vrouwtje nog niet zoo heel kwaad vinden, hoop ik. Denk jij ook niet, Pim?”
„—Ik denk dat hij al een heel erge held zal moeten zijn om mijn Ellie waard te wezen.”
„—Maar waarom kijk je nu zoo ernstig? En je bent zoo bleek. Is er wat, Pim? Waarom zeg je het dan niet?”
Toen kon hij zich niet meer inhouden en barstte los.
„—Er is eigenlijk niets, Ellie, dan iets heel vreemds. Maar ik zal het je zeggen. Ik kan nu eenmaal niets voor je verbergen, dat weet je wel. Het is misschien heel gek, maar je moogt er niet boos om zijn. Ik ben bedroefd, dat je de oude Ellie niet meer bent. Dat je verliefd bent op iemand. Niet omdat het Mombreuil is. Als het een ander was zou het net eender zijn. Ik wou dat je nog net zoo was als vroeger. Als ik je zoo vóór me zie, zooals nu, zoo heelemaal blank en wit, zoo met al de vriendelijkheid van je oogen, en den glans van je haar, dan vind ik je toch zoo’n heel apart, bizonder wezentje, al weet ik dat je maar heel gewoon bent, zoo apart en bizonder voor mij alléén dan ook. Ik vind je dan véél te goed voor wien ook, véél te goed voor het Leven. Ik wou dan, dat je maar altijd een meisje kon blijven, en nooit trouwen, en nooit ouder worden, altijd blijven zooals je nú bent, en nooit, nooit veranderen. Ik vond het zoo heerlijk en zoo goed, zooals het was. En dat zal nu allemaal weggaan....”
„—Arme Pim,” zeide ze medelijdend. „Trek je je dat zóó aan? Maar ik vind juist, dat ik nu pas begin te leven, nu ik van Maurice ben gaan houden. Ik voel me nu juist of ik eigenlijk pas geboren ben, en eigenlijk nooit bestaan heb voor dien tijd. Je wéét dat zoo niet, Pim, omdat je het nog niet kent.”
Hij was op het punt om het uit te gillen, dat hij het kénde, o! dat hij het zoo héél, héél goed kende, al was het hem pás geopenbaard. Maar hij hield zich goed.