Vlindertje: een Haagsche roman
Part 11
Dan ging hij op de dagen dat hij bij zijn stiefvader at, maar naar haar boudoir en ging daar stil wat zitten lezen. Het was of er daar toch nog iets van haar bij hem was. Er was iets van haar teêre ziel in al die broze, fijne, zachte meisjesdingen om hem heen. Jim, zijn terrier, liep onrustig heen en weer, overal zoekend, en keek nu en dan vragend naar hem op, waar de vrouw toch bleef. En in dat onrustige zoeken van het hondje was iets treurigs, waar hij wel eens de tranen van in de oogen kreeg.
Als zij dan om half zes nog niet thuis was, ging hij maar naar beneden, met een gevoel van gelatenheid, alsof hij in ’t geheel niet meer bij haar behoorde, en hij niets meer in haar huis te maken had.
Zoo zat hij vele middagen op haar te wachten, wetende dat het toch voor niets was.
En altijd grooter werd zijn hunkerend verlangen, dat er toch eindelijk weer eens één vertrouwelijk uurtje voor hem mocht komen van intiem met haar samenzijn....
Totdat het op een avond van-zelf weêr kwam.
Het was tegen half zes, en hij zat in haar boudoir te bladeren in Helène Swarth’s gedichten, die hij voor haar had meegebracht. Jimmy zat aan zijne voeten.
Buiten was de eerste droefenis van den herfst al over de dingen neêrgedaald. De hooge boomen aan den overkant van de Koninginnegracht, over het weiland, gloeiden al van donker stervensgoud, en er was ik weet niet wat voor treurig gepeinzen droomende door die stille boomen, die waren in zacht wachten van droefs, dat komen gaat. De koeien in de weide stonden vaag in het waas van mist, dat langzaam opsteeg boven het gras. En uit de iepen langs het Kanaal vielen nu en dan dorre bladeren, in treurig langzamen val.
Pim zag het aan, en nog nimmer had hij zoo diep de droefheid gevoeld van mooi dat gedaan is, en nu zachtkens in het niet zal vergaan, om nooit weer terug te komen. Zijn eigen ziel, die ’t liefste mooi verliezen ging, voelde nú eerst de ziel van de natuur, en het was of hij in zich zelf zag, toen hij in het landschap staarde, waaruit de zomer heen ging sterven.
Opeens stond Ellie voor hem. Hij had haar niet binnen hooren komen. Wat een troost ineens, haar vertrouwd gezichtje, zoo vriendelijk naar hem genegen!
Maar ze lachte niet, als anders. Ze was een beetje bleek, en keek heel niet blij.
„Wat prettig dat je er bent,” zeide zij. „Zoo trouw zit je toch te wachten, al kom ik weinig meer. Ik heb nu juist zoo’n behoefte om mijn hart eens aan je te luchten.”
Ze zette alleen haar hoed af, maar deed niet eens haar manteltje uit en kwam vlak naast zijn fauteuil zitten op een pouf.
„Ik voel me een beetje verdrietig, Pim. Het komt misschien van den herfst, die al in het bosch is, en die de boomen zoo vreemd maakt. Maar ik voel me niets prettig vandaag, en zoo alleen. Ja, zoo alleen, Pim, en nu heb ik behoefte om bij je te zijn en met je te praten. Je kent me zoo goed en ik weet dat je me begrijpt.”
„Maar Ellie,” antwoordde hij troostend, „je was toch met Maurice. Dat is toch niet alleen....”
„—Dat is het juist, Pim.... dat is het vreeselijke voor me, ik voel me bij hem wel eens alléén. Hij is altijd heel lief tegen me, en houdt ook van me, dat weet ik wel. Maar soms,—ik kan het zoo niet uitleggen, maar ik voél het—is het of ik heel alleen ben als ik tegen hem praat, of hij niet weet wat ik voor hem voel, en hoe ik aan hem denk,—het is zoo vreemd, maar dan is het net of het héél ver is, of hij eigenlijk een vreemde is.... En toch houd ik dol van hem, Pim, ik kan niet meer zonder hem.... maar.... soms is het of hij het toch niet is, of hij niet dezelfde is, waar ik zoo naar verlang.... Zoo vreemd, Pim, zoo vreemd.... En het doet zoo’n pijn van binnen. Het is zoo onrustig. Ik ben altijd onrustig als hij er niet is.... Pim, het is net of ik de oude Ellie niet meer ben....” En ineens, als een vogeltje dat bang en heel moe is, leunde zij haar hoofd tegen Pim’s schouder.
Hij zag dat haar blauwe kinder-oogen van ingehouden tranen blonken. Zoo heelemaal een kind nog met die oogen, die zoo verschrikt hem aanzagen, niet begrijpend, en hulpeloos.
„Maar Ellie,” zeide hij verwijtend, „maar Ellie.... niet huilen.... een flinke meid zijn, hoor, en niet zoo toegeven.... Kom jij maar bij je ouden, trouwen Pim, hoor, die je wel zal helpen.... en vertel me nu maar eens alles, maar kalm hoor....”
En in zijn borst een groote blijdschap, ondanks ál het droeve, dat ze eindelijk, eindelijk weer bij haar broer troost zocht, als vroeger.
„—Het is zoo moeielijk om te zeggen, Pim, en ik begrijp het zelf niet heelemaal.... ik heb het je ook niet willen zeggen, en het is ook in den laatsten tijd pas gekomen.... Maar ik ben zoo onrustig.... Als hij er niet is, zie je. Dat verlangen naar hem, dat verlangen.... Het is of er iets in me is, dat me vooruit wil duwen, vooruit, altijd maar vooruit, naar hém toe.... Soms hoor ik mijn hart bonzen.... En tóch ben ik bang voor hem, echt bang.... Zijn oogen zijn zoo donker, en zijn zware, zwarte wenkbrauwen, en zijn zwarte knevel.... Als hij zijn arm om me heen slaat, en mij zoent, dan beef ik, Pim.... en toch ben ik blij ook, en vind ik het prettig.... Als hij weg is, voel ik of hij iets van mij meegenomen heeft.... Ja, dát is het eigenlijk, Pim, hij heeft iets van me weggenomen.... En.... het is zoo moeielijk om te zeggen, zoo héél vreemd... tegelijk is het, of er iets van hém in mij is gekomen.... iets, wat er vroeger niet was, Pim, iets heel vreemds in me, dat niet meer weg wil.... en me zoo onrustig maakt.... en van mijzelf is wèl iets weg, iets wat nooit terug zal komen.... ik ben de oude Ellie niet meer.... er is iets wèg in me, iets weg.... en daarom heb ik nu geen rust meer, en voel ik me zoo vreemd, zoo heelemaal niet meer als anders....”
Hij durfde niets te zeggen, en liet haar maar praten, nu en dan haar troostend op haar zachte schoudertjes kloppend, als een groote broêr.
„Zeg, Pim,” ging ze voort, „weet je hoe ik nooit met hem zijn kan? Zooals met jou. Zoo heel rustig, zooals met jou, en hem zoo heelemaal alles vertellen, zoo als echte kameraden samen óp deelen alles, zoo kan ik maar niet met hem zijn. Het is altijd onrustig, en ik ben altijd een beetje bang. Hij is heel lief en hartelijk, en heeft nog nooit iets gezegd, wat me bedroefde, maar, Pim, ik geloof toch niet dat hij me alles zegt wat hij alzoo voelt en denkt. Ik kén hem nog heelemaal niet. Hij is ook eigenlijk veel te groot en te sterk voor zoo’n zwak, dom meisje als ik. Wat zou hij aan me vinden? Want al zeggen ze dat ik er wel lief uitzie, bizonder interessant ben ik niet, dat weet ik wel.... Weet je wat ik wel eens denk, Pim?.... wáárom houd ik toch eigenlijk van hem? wáárom?.... soms is het zoo heel akelig en vreemd, Pim, nét of er nog een ándere Ellie in me is, die zoo van hem houdt, en die dol op hem is, dol.... maar of de oude Ellie van vroeger doodgaat, heel langzaam doodgaat, en of dié niet zoo van hem houdt, of hij die heeft doodgemaakt eigenlijk.... en die oude Ellie, Pim, die is heelemaal niet verliefd, die zou eigenlijk net als vroeger willen zijn, en die houdt van haar oude, lieve thuisje, van haar boudoirtje en al haar intieme dingetjes, die houdt alleen van pa, en van jou, goeie, beste Pim,.... maar dan komt die andere, en die heeft geen rust meer, die wil ál maar vooruit, naar hém toe, naar hém.... en daar ben ik zoo moê van, Pim, en ik ben de laatste dagen zoo bang, zoo bang, ik weet niet waarvoor....”
Ze lag nu tegen zijn arm te snikken. Haar geheele lijf trilde, en haar hoofdje schokte zenuwachtig op zijn schouder.
Pim wist niet wat te doen om haar te bedaren. Hij voelde, dat troostwoordjes niets helpen zouden, en dat het nog het beste was, als ze maar eens een beetje uithuilde. Het zou van zelf wel weer overgaan, dacht hij. Maar hij voelde intuïtief wat het leed was, dat zijn Ellie zoo heftig beroerde.
Het was het Meisje in haar, dat instinctmatig voelt, dat het sterven moet, zoodra een man haar kuische mysterie heeft beroerd van rust en vrede. De ziel van het Meisje schreide in haar uit, die ziel van niets dan teederheid en lichten droom, die bang was voor het groote Leven buiten, bang voor het harde en onrustige van hartstocht, waarin zij branden moet, eer zij op kan gaan tot het grooter mysterie van moeder-zijn, waartoe zij is gewijd.
En hij bedacht zich met schrik, of haar blanke, vluchtige vlindernatuurtje wel sterk genoeg was voor het groote vuur, of het niet véél te teer en te ijl was en of zij niet angstig, met droef gehavende wiekjes zou terneêrvallen bij de minste aanraking met iets dat harder was dan haar luchte, vage meisjesdroom van het leven....
Hoe kinderlijk klein leek ze nog, waar ze met haar rank figuurtje tegen hem aanleunde, en steun bij hem zocht als een hulpeloos wicht.
Hoe pasten al die fijne, teêre dingen van haar boudoirtje bij haar! Dat zachte tapijt, die porseleinen vaasjes en pullen, al die satijnen strikken en linten, die zijden kussens, die lichtkleurige bloemen, hoe behoorden zij precies bij het liefelijke en broze van haar verschijning. Hoe absoluut weerloos en ongeschikt leek zoo’n voorzichtig, als een exquis „objet d’art” opgekweekt dame-meisje toch voor het koude, harde Leven, dat haar buiten wacht, en waar ze opééns, genadeloos en bruusk, wordt ingestooten bij haar huwelijk!
Zij snikte wat uit, en stamelde toen langzaam door:
„Het kán niet meer Pim.... maar soms ben ik bijna boos op Maurice, dat hij me dit heeft aangedaan.... soms wou ik dat ik maar weer het oude vlindertje was, dat in alles zoo’n pret had en toch altijd rustig was, zonder dat angstige voortjagen van binnen.... zou dat altijd zoo blijven?.... En vanmiddag was het ineens zoo vreemd in het bosch.... de blâren waren al zoo geel, en er vielen er ook al af van de boomen, voor onze voeten.... die waren dood.... vroeger zag ik dat zoo niet, maar nu dacht ik er ineens om, hoe nu die heele, mooie zomer doodging, waar ik mijn nieuw geluk in heb gekregen.... en toen was het ineens of er iets wegging, Pim, iets dat ook van mij was, en dat nooit meer terug zou komen.... Mijn leventje was nu eenmaal zoo prettig en zoo knusjes.... het had altijd zoo moeten blijven....”
Ze veegde haar tranen af met haar fijn, batisten zakdoekje, en probeerde zich weer goed te houden.
„Maar nu heeft die arme Pim niet eens zijn glaasje gehad... die wordt nu verwaarloosd voor dien boozen, lieven man, die zoo ineens in ons vroolijke leventje is gekomen... En Jimmy, arme lieveling, die wacht op zijn koekje... gauw hoor, hier is het karafje, ziezoo.... en nu de glaasjes.... alstjeblieft meneer.... wees maar niet boos dat je dwaze, verliefde Ellie zulke rare dingen zegt, ze is een beetje zenuwachtig.... Maar ze meent het goed, en, wat er ook gebeurt, Pim zal altijd Pim blijven, en als ik eens lekker wil uithuilen mag ik toch altijd weer bij je komen, hè?....”
Toen voelde hij op eens een vreemde, groote vreugde, en het was hem, of hij toch eigenlijk niets verloren had, of het beste en innigste van Ellie toch nog altijd van hém was gebleven, en er iets in haar voor hém was, dat haar man misschien nooit krijgen zou.
Iets was er dan toch in haar voor hém alléén, iets van het Meisje, van het reinste in haar, dat nooit weg zou gaan al was ze ééns vrouw en moeder, en dat niemand hem ooit af kon nemen....
„Dát weet je wel, Ellie,” zeide hij ernstig. „Ik zal altijd de oude Pim blijven, aan mij zal nooit iets veranderen, en je blijft mij houden net als vroeger.”
„—Heusch, Pim, heusch altijd?”
„—Altijd, Ellie, geloof me.”
„—Dan zal ik ook zoo bang niet meer zijn... want ik ben weleens bang, zei ik je daarnet al... ik ben weleens bang voor iets, en voor wat weet ik niet. En ik kán nu eenmaal niet tegen verdriet, Pim, dat weet je, ik ben er nu eenmaal niet voor gemaakt... Ik ben immers het Vlindertje maar, jij hebt het zelf het eerste gezegd, ik ben maar het Vlindertje....”
HOOFDSTUK XVIII.
Het was een zware slag geweest voor van Taats, toen de oude Mombreuil om Ellie’s hand was komen vragen voor zijn neef.
Hij was er in ’t geheel niet op voorbereid, en nooit had hij ernstig gedacht om de mogelijkheid, dat hij ooit Ellie zou kunnen verliezen. Zij was het éénige, dat nog heilig voor hem was in het leven, het éénige klare, reine licht in zijn duister. Als zij van hem wegging was er niets meer voor hem dan de misère, zonder er ooit weer uit weg te kunnen, en dan moê uit te rusten in een goed, warm thuis. Zonder háár zou hij zich ook thuis niet meer veilig voelen, en er zou niets meer voor hem over zijn dan zijn eigen ellende.
En tóch had hij niet allereerst om zich zelf gedacht, maar alleen om háár. Hij dacht er geen oogenblik aan, haar aan zijn eigen geluk op te offeren, of met unfaire middelen haar liefde in den weg te staan. En hij had den ouden Mombreuil geantwoord, dat hij alles aan Ellie zou overlaten. Hield zij van Maurice, dan vond hij het huwelijk goed, hield zij niet van hem, dan kon er ook geen sprake van zijn. Toen hij dit zeide, had hij niet vermoed, dat Ellie werkelijk van Mombreuil kon houden. Hij beschouwde haar nog altijd meer als een kind dan als een vrouw, nog zoo ver buiten het eigenlijke Leven, iets aparts en bizonders in haar ranke teederheid, waarbij het denkbeeld van trouwen immers véél te hard en te reëel leek. En hij was erg tevreden over de diplomatieke manier, waarop hij den ouden Mombreuil weer had weggekregen.
Groot was dan ook zijn verwondering, en pijnlijk zijn schrik, toen Ellie hem dadelijk bekende, dat zij van Maurice hield, en hem snikkend om den hals was gevallen en hem smeekte, haar lief, goed, oud vadertje, om haar toch gelukkig te maken, want dat ze anders zeker zou sterven van verdriet. Maar hij had zich goed gehouden en dapper zijn noodlot aanvaard. Tegenover háár, zijn eenige liefs op aarde, wilde hij onbaatzuchtig en eerlijk blijven. Hij wist dat het een genadeslag voor hem was, maar Ellie’s geluk ging vóór, en hij gaf zijn toestemming tot de verloving. Hij had ook met véél respect Maurice’s loopbaan in Indië gevolgd, en dacht niet anders, of hij was als een serieus, degelijk man teruggekeerd, die zijn vroeger leven door edele daden voor goed had uitgewischt. Met de betrekking, die voor hem open was en het groote fortuin, dat hij later van den minister zou erven, was hij in alle opzichten een uitstekende partij voor Ellie, die als de vrouw van een Mombreuil in de hoogste kringen van den Haag zou worden ontvangen.
En zoo had van Taats zich gewillig overgegeven aan zijn naderend noodlot, bereid tot alles, als Ellie maar gelukkig werd. Hij voelde, dat hij, als hij haar niet meer had, nu ook al dieper en dieper zou zinken in zijne ontaarding, en zich voor altijd zou overgeven aan de misère van zijn verloren leven.
Hij probeerde het zoo goed mogelijk te verbergen, om Ellie toch vooral geen pijn te doen, en was altijd hartelijk en vriendelijk tegen Maurice, tegen wien hij in zijn hart vijandig voelde, omdat die hem zou afnemen zijn kind, het éénige licht in zijn leven van donkere zonden. Zoo weinig kende hij van het ware wezen der liefde, dat hij ook huiverde bij het idee, dat Ellie was gaan houden van een man, en het hem was, of zij er minder om was geworden, en alsof zij iets verloren had van haar maagdelijkheid, die nu niet meer zoo rein voor hem scheen als vroeger. Hij had, onbewust, eigenlijk altijd gehoopt dat zij altijd hetzelfde, onbezorgde meisje zou blijven, veilig buiten het groote Leven, in een aparte sfeer van blanke reinheid, ver boven hartstocht, als een blij, kalm kind van God, in wit gewaad van onschuld. Maar nu zij lief had, en hij haar de oogen had zien sluiten van geluk onder den kus van een man, was het hem, of zij uit die teêre sfeer was neergedaald in de harde realiteit van het Leven, en zij niet meer dát voor hem zijn kon, wat zij ééns geweest was. Dat het van háár iets absoluut reins en heiligs zijn kon, was te ver boven zijn begrip van cynischen viveur, die nooit de ware liefde had vermoed, maar enkel het gemeene kende van den hartstocht in het menschelijke beest. En elken keer, dat hij haar met Mombreuil samen zag, was het hem, of er iets van zijn kind wegging, of het mooie in haar van hem werd afgenomen, en zij langzamerhand dichter en dichter daalde naar laagten van de realiteit, waarin hij leefde. Het deed hem pijn, alsof hij haar zag naderen tot een gevaar, zonder dat hij ook maar een woord kon zeggen, om haar te waarschuwen voor wat haar wachtte.
In de ziekelijke degeneratie van zijn verbeelding, die hem geen vrouw kon doen zien zonder perverse bijgedachten, had hij, in een ander uiterste, zijn kind in een onbestaanbare sfeer van bovenmenschelijke heiligheid gedacht, maar wat tusschen die twee uitersten van laagste verdorvenheid en opperste goddelijkheid lag, kende hij niet. En door Ellie elken dag samen te zien met een man, een man, die haar weg zou nemen uit zijn huis en tot zijn vrouw zou maken, als zooveel mannen doen met meisjes, werd het engelachtig beeld, dat hij van haar had, al meer en meer verduisterd, en verloor hij het éénige in zijn leven, waar hij met reine oogen naar kon zien, en waarvoor zijn vuile, duistere gedachten angstig wégscholen, als wilde dieren voor een heilig vuur. Toen zocht hij het verdriet hierover te vergeten in een’ láátsten roes van ontaard zingenot. Hij was juist erg moê geweest de laatste maanden, en was véél thuis gebleven, of uitgegaan met Ellie mede, als een goed vader, respectabel en fatsoenlijk. Maar nu barstte het beest in hem weêr los, en hij brak weêr uit, in een serie van duistere gangen, heimelijk als een dief. Het kwam er nu niet meer zoo erg op aan, vond hij. Hij zou nu toch heel gauw alleen zijn, en niets anders meer hebben. Het éénige licht van reine goedheid in zijn leven was niet meer voor hém. En ook zij, dacht hij, zijn blanke kind van onschuld, zij zou uit de sfeer van rustige zielevrede vallen in het vuur van hartstocht, dat hem verteerd had, zijn geheele, onzalige leven lang.
En het blonde Antje, die hem héélemaal kende, en precies wist, wat hij van haar wilde, zag hem weer avonden achtereen bij haar.
Totdat het fatale gebeurde, onverbiddelijk en onverwacht.
Van Taats, een bezoek voorwendende aan een oom in Utrecht, was een nacht bij Antje gebleven. Hij was laat opgestaan, en had het zich gemakkelijk gemaakt, had fijn bij haar geluncht, met champagne, en was een sigaar blijven rooken, tot drie uur. Daarna voelde hij zich weer behagelijk genoeg om in zijn pose van achtenswaardig, bezadigd oud heer wat te flaneeren door de stad. Toen hij de trap afging hoorde hij schellen. Erg onaangenaam, als ze je op zoo’n bekend adres uit de deur zagen komen, op den Fluweelen Burgwal. Maar aan den anderen kant, wie zou hier loopen, die hem kende? Misschien was het een slager of een bakker, of zoo iets. En hij liep gerust door, en deed de deur open om haastig naar den anderen kant van de straat te gaan.
Vóór den drempel stond Mombreuil.
Beiden schrikten. Zij zagen elkander éven met bevreemding, ietwat droevig, aan. Zij begrepen onmiddellijk de ontzettende portée van wat gebeuren zou als zij elkaar herkenden. De vader van Ellie, de verloofde van Ellie, beiden de gunsten betalend van ééne veile deerne.... Ze dachten allebei, tegelijk en alleen om háár. Het kón niet, het mocht niet, wat hier nu voorviel. Het lag niet in de natuurlijke orde der dingen. Het zou haar dood zijn. Dit gruwzame feit moest genegeerd worden, wèg uit de realiteit, en het was eenvoudig nooit gebeurd, en kón ook nooit gebeurd zijn....
En beiden beseften zij dat er maar één weg was. Zij zwegen en kenden elkaar niet, evenmin als vreemden. Mombreuil week even wat ter zijde om van Taats door te laten, die hem niet aanzag en kalm voortstapte, schijnbaar in gepeinzen.
Zij hadden elkaar begrepen.
Zij hadden elkaar niet gezien....
HOOFDSTUK XIX.
Het werd nu een treurige tijd voor Pim. Hij had geen plezier meer in het strand, en zelfs ’s avonds in het Kurhaus kon het mooi van de muziek hem niet meer troosten. Hij had behoefte aan iets, waar zijn verdriet in weêrklonk, en zijn eigen zielsstemming in weende. En de muziek van de Berlijners vond hij nu ineens te beschaafd, te geacheveerd, alsof de uiterste volmaaktheid de smart zelfs in het droevigste Adagio had verweekt.
Toen vond hij het eindelijk bij de Zigeuners, wat hij zocht.
Het vorig jaar had hij een Hongaarschen huzarenluitenant ontmoet, Zichy, die hem met enthoesiasme had gesproken van de muziek der Zigeuners. Hij was toen met hem naar de Kurhaus-bar geweest en naar het Seinpost-paviljoen, waar Zichy had gevraagd, om Hongaarsche wijzen te spelen. Maar Pim had het niet zoo bizonder mooi gevonden, en dat ook eerlijk bekend.—
„Dan heb je zeker nog nooit een groot verdriet gehad,” had Zichy gezegd. „En zonder groot verdriet kan je de Hongaarsche muziek niet begrijpen.”
Pim was het al lang vergeten, maar op een avond, toen hij langs de Kurhaus-bar liep, dacht hij er ineens aan, en ging binnen. En hij vroeg den kapelmeester of hij eens wat Hongaarsch wilde spelen. De Zigeuner, altijd even beleefd, liet dadelijk het bordje ophangen met „Hongaarsche Wijze.”
Er waren weinig menschen, want het was nog vroeg. Pim ging zitten in een stil hoekje.
En ineens barstte het los. Hoog uitgeschrei van een viool, als een klagende ziel, wilde val van cimbaal-klanken als een neêrstroomen van sombere tranen, en het donker mineur uithuilen van een doodsbedroefde cel, als de laatste wanhoopsjammer van een van liefde stervend hart. Hoor, daar smeekte het hoog-weenend uit, het liefde-leed van de biddende viool, dáár vielen de donker-zilveren tranen brandend in de ziel, uit den zondvloed van ’t ruischende cimbaal, en donkerder en donkerder gromde de wanhoop door de lang uitgehaalde klachten der sombere violoncel!
Hoe eindeloos droevig treurde het zielsverdriet in de langzame opneurieïng van het „Lassen”, met het tranen-droppelen van cimbalen-klanken, hoe staat het trotsch, op fieren cadans, weer op in het „Czardas” om dan ineens in wilden triomf woest-dansend uit te barsten in de hoog-opslaande golfrythmen van den onstuimigen „Frisko”!
Dan is de ziel aan de smart ontstegen, triomfeerend opgerezen boven de vlammen van hartstocht uit, en in een wild opdeinenden roes van vrijheid danst zij op de trotsche cadanzen van het glorierijk geluk, dat niets haar meer kan nemen....
Toen voelde Pim ineens wat het eigenlijk was, de Hongaarsche muziek. En met gloeiend hoofd en tranen bevend in zijn oogen liet hij zich met ál zijn verdriet wegduizelen in die stormen van trots en geluk, die uitjuichten na zoo eindelooze smart.
En een groote bewondering kwam in hem op voor die Zigeuners. Zeker, het waren héél ordinaire kerels in het gewone leven. Zichy had het hem verteld, hoe onbetrouwbaar ze meestal waren, en hoe lui, en hoe weinig ze wisten. Maar hun ziel was één en al muziek. Als ze maar éven speelden waren ze tot de reinste hoogten van de ziel gestegen, waar ál ’t weten nooit kan reiken, en alleen ’t intuïtieve voelen komt. En ze kenden geen noot muziek, omdat dat ook niet noodig was, omdat ze zélve al muziek waren, onbewust.—