Vlaamsch Belgie sedert 1830 Eerste Deel
Chapter 9
Het aan de Staten-Generaal voorgelegde wetsontwerp deed de inkomrechten op de vreemde producten, die rechtstreeks met de nationale mededongen, tot 3 of 6% dalen; voor de Belgische fabrikanten was dit zooveel als de afschaffing der invoertarieven. Wel is waar besteedde men tegelijk een jaarfonds van 1,300,000 gulden tot ondersteuning van zekere takken der inlandsche nijverheid; maar dit kon geenszins opwegen tegen het nadeel door de vermindering der tolrechten berokkend. Daarbij stelde de Regeering een wetsontwerp met nog twee nieuwe belastingen voor, op het _Gemaal_ en het _Geslacht_, dat wil zeggen: eene belasting op brood en vleesch, waarvan de eerste op de Zuidelijke Nederlanden des te drukkender woog, daar boeren en werklieden er zich schier uitsluitend met brood voedden, terwijl in 't Noorden de aardappelteelt algemeen geworden was.
De bespreking dier wet gaf aanleiding tot een levendig verzet van wege de Belgische afgevaardigden; voor de eerste maal sloten zij zich eendrachtig aaneen: de blokpolitiek vangt aan. Dotrenge en Reyphins, die nochtans zeer Oranjegezind waren, vielen de principes van den vrijhandel heftig aan en toonden het nadeel door de twee belastingen aan het kleine volk berokkend; zij aarzelden niet te wijzen op het politieke gevaar dat de wet voor 't bestaan zelf van 't koninkrijk opleverde, door de tegenstelling der twee bevolkingen nog te verscherpen. Lecocq en Dotrenge noemden de wet een broedermoord; de eenige Belgische afgevaardigde die de wet durfde verdedigen werd door 't publiek uitgefloten. Doch de wet werd aangenomen met 55 stemmen tegen 51; de meerderheid was die van al de afgevaardigden van 't Noorden, de minderheid bestond, op drie uitzonderingen na, uit al de Belgische volksvertegenwoordigers. Even scherp bleek de tegenstelling der vertegenwoordigers van de beide deelen des koninkrijks in de Eerste Kamer enkele dagen later; van de 21 ja-stemmers behoorden er 18 tot het Noorden, van de 17 neen-zeggers waren er 15 uit het Zuiden (4en Juli 1821). Zoo erg was de Koning verbitterd dat hij zeven zijner zuidelijke Kamerheeren, die eene afkeurende stemming uitgebracht hadden, enkele dagen nadien afzette.
Bijzondere besluiten brachten het volgende jaar het nieuwe stelsel in werking. Doch dadelijk werd de persoon van den Koning zoo scherp beschimpt door spotprenten en pamfletten, dat deze de aanhechting van Belgie bijna betreurde. Klachten verhieven zich overigens ten allen kante, niettegenstaande enkele latere wijzigingen aan de toltarieven; onophoudend werden de zwaardrukkende belastingen op gemaal en geslacht (8 Januari 1823) aangevallen, en zij zullen in 't vervolg een der hoofdthema's zijn van de oppositie.
* * * * *
't Is rondom dit tijdstip dat de autoritaire inzichten van den Vorst zoo klaar uitschijnen; zijne rechtstreeksche tusschenkomst in 's lands zaken doet zich sterk gevoelen. De bekwame ministers die hem bij den aanvang zoo knap ter zijde gestaan hadden, had hij een voor een uit den weg geruimd; hij moest plooibaarder mannen hebben, die eenvoudig de uitvoerders zijner bevelen en geene raadgevers der kroon wezen zouden; zijne laatste ministers hebben geen beduidenden invloed gehad op den gang van het bestuur, met uitzondering misschien van Van Maanen; daarom valt ook op den Vorst alleen de verantwoordelijkheid der onbehendige en onpolitieke maatregelen der laatste jaren zijner regeering.
De man, dien Willem tot zijn vertrouweling verkozen had, Van Maanen, had beurtelings de Fransche Republiek en Bonaparte gediend; bedrijvig en buigzaam, bezat hij ook de koppigheid van zijn meester, die hem alleen eenig initiatief liet in zijn ministerie van rechtswezen; hij was de Belgen weinig genegen, en hij was het, die op ongelukkige wijze de bewoordingen van 't Verdrag van Parijs herinnerende, Belgie een uitbreiding van Hollands grondgebied noemde en Hollands oppermacht uitriep. 's Konings werktuigen waren de andere ministers, en voornamelijk die Staatssecretaris Van Streefkerk, dien men vergeleek bij eene klok, stom of luidend naar geliefte des Vorsten.
[Figuur: C. F. van Maanen]
Willem's gedrag wijkt niet veel af van dit der verlichte despoten der 18e eeuw en in meer dan een opzicht biedt hij eene treffende overeenkomst met Keizer Jozef II aan. Zijn strijd om het onderwijs onafhankelijk te maken van de katholieke geestelijkheid bewijst dit volkomen.
Volgens art. 226 der Grondwet was het openbaar onderwijs het voorwerp der voortdurende zorgen der Regeering. Reeds vroeger had De Broglie en de geestelijkheid die schikking fel bekampt, aan een protestantsche regeering het recht betwistende om zich met het onderwijs in het katholieke Belgie in te laten en dit recht uitsluitend voor zichzelf eischende. Bij de stichting der drie universiteiten en der athenea hadden de priesters hunnen haat niet verborgen tegen deze instellingen, wier zuiver burgerlijk karakter hen ergerde, en door smaadschriften en sermoenen trachtten zij het onzijdig onderwijs als calvinistisch, ja zelfs, ongodsdienstig voor te stellen. Op den Vlaamschen buiten waar de geestelijkheid onbetwist de plak zwaaide, werd een hevige strijd gevoerd tegen de lagere scholen door middel van biechtstoel en weigering van absolutie. Men verspreidde het gerucht dat de Koning het katholieke volk wilde protestantiseeren.
Tegenover het Staatsonderwijs poogden de clericalen een mededingend confessioneel onderwijs op te richten. De Koning en de regeering, sterk door de Grondwet, besloten het voorrecht van den Staat hardnekkig te verdedigen; Willem I gevoelde overigens den geheimen invloed der Congregatie en der Jezuieten, die alsdan Frankrijk beheerschten, en wilde hun pogingen in Belgie verijdelen. Op 22en Juli 1822 werd bij koninklijk besluit verboden het lager onderwijs te geven zonder toelating. Anderhalf jaar later werd dit besluit toegepast op de geestelijke vereenigingen, die zich met onderwijs ophielden; voortaan zullen zij nog slechts als leden hunner orde personen kunnen opnemen die een bekwaamheidsbewijs bezitten. Die verordeningen hadden den val tot gevolg van de scholen der Broeders der Christelijke Leering, die alhier uit Frankrijk overgekomen waren en in 't Walenland het lager onderwijs zochten te bemachtigen; weldra werden zelfs hunne vereenigingen ontbonden en hunne orde afgeschaft, daar zij aan eenen overste van vreemde nationaliteit gehoorzaamden.
Intusschen was de minister van binnenlandsche zaken en openbaar onderwijs, de klaarziende Falck, als gezant naar Londen gezonden, en vervangen door den buigzamen Van Gobbelschroy, een ontwikkelden Belg, die, met de beste inzichten bezield, zich met den meesten ijver op de uitbreiding van 't Staatsonderwijs toelegde. Door 's Konings toedoen besloot hij insgelijks het middelbaar onderwijs aan den invloed der geestelijkheid te onttrekken. Een besluit van 14en Juni 1825 beval de sluiting van al de niet erkende Latijnsche scholen en colleges; alleen de wereldlijke Latijnsche scholen werden toegelaten. Alzoo sloot men de _kleine bisschoppelijke seminarien_, die onder voorwendsel van tot den geestelijken stand op te leiden, aan de zonen der burgerij het voorbereidend hooger onderwijs verschaften. Wanneer later deze hunne humaniora in den vreemde, vooral in de Jezuietengestichten van St Acheul, in Frankrijk, en Freiburg, in Zwitserland, wilden gaan voleindigen, werd hun voor 't vervolg de toegang tot de Staatshoogescholen van Gent, Leuven en Luik ontzegd.
Zoolang de Koning zich als verdediger van het Staatsonderwijs aanstelde, bleef hij binnen de palen der Grondwet. Maar ondoordacht en vermetel was zijne poging, toen hij zich in de opleiding van de Belgische katholieke geestelijkheid wilde mengen. Hierin handelde hij voorzeker te goeder trouw; men heeft hem ten onrechte voorgesteld als een godsdienstigen ijveraar voor het Protestantisme; het staat vast dat hij volstrekt geen vijand was van het Katholicisme. Zooals hij in Holland met de Hervormde gemeenten gedaan had, zoo wilde hij alhier den voorrang van de burgerlijke macht boven de geestelijke vestigen. Daarom was hij voornemens, voor de toekomst, eene verstandige, verlichte, verdraagzame, nationale geestelijkheid te vormen, door middel eener hervorming der godgeleerde studien. Zoodat de Calvinistische vorst hoopte te slagen, daar waar zijn katholieke voorganger, Jozef II, bezweken was! Zelfs de tegenwerpingen zijner omgeving konden hem zijn besluit niet doen verzaken.
Den zelfden dag (14 Juni 1825) dat Willem de kleine seminarien afschafte, verordende hij de oprichting bij de Hoogeschool van Leuven van het _Wijsgeerig College_, voor de jongelingen van alle bisdommen die zich tot den geestelijken staat voorbereidden. Zij zouden gezamenlijk met de studenten der Faculteit der wijsbegeerte zekere lessen in de philosophie volgen. De bestuurder en de onderbestuurders, alsook drie leeraars, zouden door den Vorst benoemd worden, met goedkeuring van den aartsbisschop. Den 11en Juli volgt een verbod in de groote seminarien studenten te ontvangen die het Wijsgeerig College niet doorloopen hebben; en het verbod tegen degenen die in den vreemde zouden gaan studeeren, wordt ook op de toekomstige seminaristen toegepast.
"Die noodlottige besluiten zijn misschien de ergste misslag in de regeering van koning Willem I en zij getuigen van eene groote verblindheid, van een jammerlijk Staatsbeleid". Hoe kon de Koning toch verwachten dat de Belgische geestelijkheid, die voortdurend aanspraak maakte op gansch de leiding van het openbaar onderwijs, zou toelaten dat een leek, en dan nog een Calvinist, de opleiding van de toekomstige priesters zou besturen? De Paus en de bisschoppen teekenden verzet aan; de aartsbisschop van Mechelen weigerde, niettegenstaande herhaald verzoek des ministers, de plaats van opziener van het College; talrijke vlugschriften vielen de stichting aan, en de katholieke dagbladen kantten zich met hardnekkigheid tegen 's Konings inmenging in geestelijke zaken. Doch wanneer de koninklijke maatregels in de Staten-Generaal door de katholieke volksvertegenwoordigers De Stassart, Surmont de Volsberghe en vooral De Gerlache heftig werden gelaakt, vond de Regeering eenen krachtigen steun in de twee knappe Belgische redenaars, de liberale oppositieleiders, Reyphins en Dotrenge. Zij juichten de uitdrijving van de Ignorantins toe, en wezen op de pogingen van de Jezuieten om in de Nederlanden terug te keeren. Ook was de overwinning van de ministers Van Maanen, Van Gobbelschroy en Goubau, bestuurder van den katholieken eeredienst, volledig. Vele Belgische ontwikkelde groepen stemden met die anticlericale besluiten in, en Louis de Potter, een rijk en knap publicist, die zich door een geweldig anticlericalisme onderscheidde, prees de stichting van het _Collegium Philosophicum_ en den strijd van de regeering voor het Staatsonderwijs.
De liberalen waren bereid zich om het ministerie te scharen, wilde men hunne grieven aanhooren. In dien zin was het slot van Dotrenge's redevoering vol beteekenis. "Sire, zei hij, beschut ons voor de Jezuieten, doch verlos ons van de belasting op het gemaal".
* * * * *
Het scheen dus dat de Belgische oppositie verbroken was. Nochtans werd er, gedurende het debat over het onderwijs, een woord door den leider van de katholieken uitgesproken, dat voor de toekomst een schrikbaar voorteeken was. Baron de Gerlache, oud-advocaat te Parijs, thans te Luik gevestigd, waar hij beurtelings naar den gemeenteraad, naar de Provinciale Staten en sedert het vorige jaar naar de Staten-Generaal gezonden werd, had, in eene zeer welsprekende rede, waarvan de indruk door het uiterlijke van zijn persoon nog verhoogd werd, zich, niet gelijk zijne collega's op de leerstellingen van het kanonieke recht en van het Concilie van Trente beroepen, maar, evenals de liberale katholieken, en voornamelijk Lamennais in Frankrijk, op de vrijheid van het onderwijs, die hij afleidde uit alle andere vrijheden, als de vrijheid van godsdienst en van drukpers; dit was voor 't vervolg den weg afbakenen voor een verbond, dat op dien stond nochtans door niemand voorzien werd.
Om de woede der clericalen te stillen, besloot Willem enkele toegevingen te doen. Reeds vroeger was Reinhold, zijn gezant te Rome, met het Vatikaan in onderhandeling getreden, om een concordaat tot stand te brengen in den zin van dit van Napoleon, dat in Belgie van 1801 tot 1815 in zwang was; een pauselijke nuntius was zelfs te dien einde in Belgie geweest, maar moest onverrichterzake terugkeeren. Zoo bleef de zaak tot in 't begin van 1826, wanneer een katholieke afgevaardigde, de graaf de Celles, zich aanbood om de onderhandelingen te hernemen. Paus Leo XII en Koning Willem toonden zich even inschikkelijk. De Jozefist Goubau moest van het bestuur van den katholieken eeredienst aftreden, dat bij 't ministerie van binnenlandsche zaken gevoegd werd (1826); Reinhold werd als gevolmachtigde te Rome door graaf de Celles vervangen. Doch deze botste tijdens de besprekingen op talrijke moeilijkheden hem door de dweepzieke omgeving in 't Vatikaan in den weg gelegd en klaagde er bij zijne regeering over dat hij nu niet meer kon verkrijgen wat men twee jaar vroeger gemakkelijk zou bekomen hebben.
Eindelijk op 18en Juni 1827 teekende de Celles het concordaat met den kardinaal Capellari. Ieder bisdom zou een seminarie bezitten. Wat de verkiezing der prelaten betrof, deze moest geschieden door het kapittel, dat den Koning een kandidatenlijst zou voorleggen, waarop deze de kandidaten, die hem niet bevielen, zou doorschrappen; de Paus duidde dan den titularis aan.
De bulle van 17en Augustus kondigde daarenboven de oprichting van drie nieuwe bisdommen aan, nevens de vijf bestaande, namelijk te Brugge, te Amsterdam en te 's Hertogenbosch, en bevestigde dat voortaan alleen de bisschoppen voor de opvoeding hunner geestelijkheid te zorgen hadden.
De Belgische katholieken onthaalden het sluiten van het concordaat met luid gejuich; verscheidene hunner afgevaardigden stemden zelfs de begrooting zonder verzet.
De Hollandsche Calvinisten evenals de Belgische liberalen keurden integendeel de vernedering des Konings voor den Paus streng af; zij verweten aan de regeering dat zij niet alleen van haar recht van benoeming der bisschoppen afstand gedaan had, maar daarbij nog het Wijsgeerig College van Leuven opofferde. Fel aangevallen in de liberale dagbladen en voornamelijk in den _Courrier des Pays-Bas_ door de pen van den heftigen Louis de Potter, zocht de regeering de waarde van het concordaat en van de pauselijke bulle te verzwakken. Reeds op 5en October zond Van Gobbelschroy een vertrouwelijken omzendbrief aan de gouverneurs, om hun te laten weten dat de invloed des Konings op de benoeming der bisschoppen grooter was dan 't concordaat liet vermoeden, dat niets veranderd was aangaande het onderwijs der seminarien, dat het volgen der leergangen in het Wijsgeerig College eenvoudig van verplichtend, vrij geworden was, en eindelijk dat men alle overeenkomst tot het bezetten der ledig staande bisschoppelijke zetels zou verdagen. Om de liberalen te paaien, deelde zelfs Van Gobbelschroy, die met Louis de Potter bevriend was, dien omzendbrief aan den publicist mede, die zich verhaastte hem in zijn dagblad af te kondigen.
[Figuur: J. M. Schrant]
Die mededeeling (14en October 1827) en het wezenlijk behoud van het _statu quo_, verwekten bij de katholieken eene geweldige verontwaardiging. Van dan af hernam de strijd der geestelijkheid tegen de regeering met nieuwe woede. Gesterkt nog door het voorbeeld van Frankrijk, waar een katholieke prelaat de _Universite de France_, dat is geheel het onderwijs, bestuurde, en waar Karel X de wet op de heiligschennis had doen aannemen, begonnen de Belgische priesters het onderwijs der professoren van de hoogescholen en athenea aan te klagen, donderden zij van op den preekstoel tegen de "_Duivelscholen_" en verdoemden het "_Schoolvee van Van Gobbelschroy_". Pastoor Schrant, van Amsterdam, die in de oogen zijner Zuidnederlandsche collega's de onvergeeflijke zonde begaan had een leerstoel aan de Hoogeschool te Gent te aanvaarden, moest dit bezuren. De katholieke dagbladen kondigden de lijsten af der leden van het _Nut van 't Algemeen_, aan welke de priesters besloten de absolutie te weigeren. Nooit had de schoolstrijd zoo erg gewoed. In hunne redevoeringen en preeken gingen zekere dorpsherders zoover, dat de Regeering ze voor de rechtbank moest dagen en laten veroordeelen. De katholieke vertegenwoordigers in 't Parlement, wier verzet tot dan toe eerbiedig en bedaard geweest was, namen insgelijks eenen heftigen toon aan.
Had dan nog de regeering op den steun der liberale partij kunnen rekenen; maar door hare halsstarrigheid in het weigeren van zekere politieke, sociale of oeconomische eischen, en niet minder door hare dubbelzinnigheid, die wantrouwen inboezemde, bevond zij zich weldra gansch alleen.
* * * * *
Intusschen had zich in Belgie eene gewichtige verandering op intellectueel en politiek gebied voorgedaan. Tot omstreeks 1827 had de bevolking zich weinig om de Staatszaken bekommerd; zelfs de dagbladen zonden geene reporters naar de zittingen der Staten-Generaal. Immers onze voorouders, gedurende drie eeuwen onder vreemd juk gebogen, van alle deelneming aan het openbaar bestuur verstoken, voor de meerderheid in de grootste onwetendheid gedompeld, toonden zich onverschillig voor de politieke besprekingen. Aan die onverschilligheid had het ingewikkelde kiesstelsel voor de Staten-Generaal geen klein aandeel; immers de verkiezingen geschiedden in twee graden, de _kiezers_ betalende honderd gulden in grondbelasting, kozen een zeer beperkt getal _stemgerechtigden_, die de volksvertegenwoordigers benoemden; zoo konden de kleine burgerij en het kleine volk, van de verkiezing volkomen uitgesloten, zich natuurlijk voor deze niet warm maken. Voegt daarbij nog de drukking van den koninklijken commissaris, die de verkiezing voorzat en allen strijd tegen den officieelen kandidaat verijdelde.
Doch met het jaar 1827 doet zich een bepaalde vooruitgang in de politieke opleiding voor. Eene nieuwe generatie van jonge redenaars en publicisten is ontstaan, gedeeltelijk gevormd in de Staatshoogescholen. In de liberale fractie zien wij Le Hon en Ch. de Brouckere met een vroeger onbekenden gloed voor de vuist spreken, en in navolging der Fransche doctrinairen der Kamer als Royer-Collard en Benjamin Constant, in wel doordachte redevoeringen, den misprijzenden trots, waarmede de ministers vroeger op de redenaars nederzagen, tarten en onophoudend de regeering op het bankje zetten. Ch. de Brouckere durfde zelfs in 1828 in de Staten-Generaal het recht van initiatief gebruiken, dat aan de volksvertegenwoordigers ontzegd was. Met de opkomst van het liberale ministerie Martignac in Frankrijk wordt de vrijmoedigheid der partij nog grooter.
Het waren de liberale afgevaardigden en hunne vrienden die het overgroote getal der Belgische dagbladen opstelden. Niet minder dan de weerklank hunner stem buiten het Parlement, wist de snedigheid hunner pen de natie op te wekken tot belangstelling in haar beheer; en de eenparigheid waarmede sindsdien stelselmatig al de Belgische afgevaardigden, buiten drie of vier afvalligen, tegen die van het Noorden stemden, was geen geringe factor om de gemoederen eindelijk met politieken hartstocht te bezielen.
In die bewerking der openbare meening hebben de advocaten-publicisten eene overwegende rol gespeeld; Gendebien, Lebeau, Devaux en hunne aanhangers, reeds geergerd door de Taalbesluiten die hunne persoonlijke belangen gekrenkt hadden, verwoed nog om de hardnekkigheid waarmede de regeering de opstellers der artikels, die de handelingen van het bestuur aanvielen, vervolgde en strafte, verklaarden een onverzoenbaren oorlog aan het ministerie van Koning Willem.
Hadden Van Maanen en zijne collega's nochtans op zekere punten van politieken en oeconomischen aard toegegeven, dan zou de vroegere goede verstandhouding met de liberale partij misschien hebben kunnen voortbestaan. Dit was het geval toen de liberalen door de Provinciale Staten van Luik, Namen en Henegouwen, verzoekschriften aan den Koning deden zenden om de belastingen op het geslacht en het gemaal af te schaffen. De Koning in zijne koppigheid beschouwde dit verzoek als eene onwettelijke daad en weigerde het in aanmerking te nemen; de Vorst wist overigens dat de strekking der Belgische liberalen ten opzichte van een constitutioneele regeering door den oligarchischen geest der Noord-Nederlanders afgekeurd werd.
Het vraagstuk der vrijheid van drukpers bood aan de liberalen een gunstiger oorlogsterrein. Dagelijks zagen zij hunne dagbladen voor de minste critiek der bestaande verordeningen of der ministerieele handelwijze voor de rechtbank dagen, krachtens het strenge Besluit van 20en April 1815. Zoo werd, in Maart 1828, Ducpetiaux, opsteller bij den liberalen _Courrier des Pays-Bas_, vervolgd om een verdediging der doodstraf, geschreven door een referendaris van 't ministerie van justitie, weerlegd te hebben. De publicist richtte alsdan tot de Tweede Kamer een verzoekschrift, waarin hij tegen zijne vervolging verzet aanteekende.
Dit gaf aanleiding tot het hartstochtelijkste debat dat sedert Waterloo in de Staten-Generaal plaats gevonden had. De jeugdige Ch. de Brouckere, alhoewel een zoon van den gouverneur van Limburg, hekelde fel het gedrag van het gerecht en drong aan op de afschaffing van het draconische reglement: "Het schijnt mij dagelijks klaarder, sprak hij, dat men de pers in de Nederlanden dooden wil. De natie echter wil bevrijd zijn van al die uitzonderingswetten." Wel is waar beloofde de Koning in zijne troonrede, bij de opening der Staten-Generaal, de wetgeving voor de perszaken te veranderen; die belofte bleef echter een doode letter; integendeel beval minister Van Maanen aan de rechtbanken met nog meer strengheid tegen de dagbladen te werk te gaan.
Ducpetiaux, in een nieuw artikel (28en October 1828), had verzet durven aanteekenen tegen de onwettelijke uitdrijving van twee jonge Fransche schrijvers, beticht een tamelijk zwak hekeldicht tegen de belasting op het gemaal geschreven te hebben; hij werd in de gevangenis geworpen. Op 5en November dient daarop Ch. de Brouckere een wetsontwerp in, tot afschaffing der besluiten op de drukpers. Vijf dagen later kondigt de _Courrier des Pays-Bas_, die zich door de aanhouding van Ducpetiaux niet had laten afschrikken, een hoogst geweldig artikel af van den vroegeren bondgenoot der regeering, Louis de Potter. "Laat ons die schim van het gevaar der Jezuieten, waarmede de regeering voortdurend schermt en ons bedot, verwerpen, schreef hij ongeveer; laat ons voortaan beschimpen, hoonen en vervolgen de _ministerieelen_!" Het woord stond er. Door de noodlottige dwaasheid der regeering, door hare nuttelooze strengheid kwam zij voor altijd den steun der liberalen te verliezen.
De vranke publicist, van ophitsing beschuldigd, werd met Ducpetiaux in de gevangenis der Kleine Karmelieten opgesloten; intusschen bepleitte vruchteloos De Brouckere in de Tweede Kamer de vraag van de vrijheid der drukpers: met 61 stemmen tegen 44, 't zij al de vertegenwoordigers van 't Noorden met zeven van 't Zuiden, werd zijn wetsontwerp verworpen (3en December).