Vlaamsch Belgie sedert 1830 Eerste Deel
Chapter 10
Op 13en December 1828 kreeg Ducpetiaux van 't Assisenhof van Zuid-Brabant een jaar gevangenisstraf; acht dagen later, niettegenstaande de welsprekende pogingen van zijn advocaten Van Meenen en Van de Weyer, werd Louis de Potter tot 18 maanden gevangenisstraf en 100 gulden boete veroordeeld. De aanspraak van den beschuldigde tot het publiek na de pleidooien, -- een echt rekwisitorium tegen de regeering -- werd door de aanwezigen op luid handgeklap onthaald, de uitspraak van het vonnis integendeel op gejouw en gefluit; en 't was onder de kreten, door de woelige menigte geuit, van "Leve De Potter! Weg met Van Maanen!" dat de veroordeelde naar zijn gevangenis teruggevoerd werd. Het gepeupel wierp de vensterglazen van het Ministerie van Justitie uit.
Dit proces vond gansch Belgie door eenen ongehoorden weerklank en het oefende een beslissenden invloed op den verderen gang der zaken uit. De Potter, die in den grond een woelgeest was, en er naar hunkerde om in Belgie de rol van O'Connell in Ierland te spelen, ging door voor een martelaar.
Terwijl de regeering zich alzoo moedwillig de verschrikkelijkste verbittering der liberale dagbladschrijvers en advocaten op den hals haalde, hadden de katholieken ook de wapens niet neergelegd. Hunne leiders die vroeger tegen de moderne vrijheden der Grondwet gepruild hadden, waren nu gedeeltelijk gewonnen tot het godsdienstig liberalisme van F. de Lamennais, en zij beriepen zich voortdurend op zijne verklaringen, sedert de sluwe De Gerlache de vrijheid van onderwijs als onafscheidbaar verklaard had van die van godsdienst en van drukpers.
* * * * *
't Is met dit sophisme als grondslag dat nochtans de _Unie der Liberalen en Katholieken_ tot stand kwam, die den politieken tegenstand van Noord en Zuid in een strijd van volk tegen volk zou doen ontaarden. Dank zij hare dwaze houding was de regeering er aldus volkomen in geslaagd deze twee elkander hoogst vijandige partijen in malkaars armen te werpen.
Wanneer men de denkbeelden van den rationalistischen Louis de Potter en van den radicalen Gendebien van voor 1828 met die van den ultramontaanschen De Gerlache of den dweepzieken De Secus vergelijkt, vraagt men zich af, hoe dergelijke eendracht van het jakobinisme en van het geestelijk fanatisme --wat Willem en zijne ministers het _Monsterachtig verbond_ van de roode en de vierkante muts noemden -- kon tot stand komen. 't Zijn de gematigde liberalen als Lebeau, S. Van de Weyer en de katholieke democraten als J.-B. Nothomb en Ph. Vilain XIIII, die deze toenadering mogelijk maakten. Beide fracties verzochten de zoo hevige geschillen tusschen beide partijen op zijde te schuiven, om alleen voor de herstelling der bepaalde grieven te ijveren en de "vrijheid in alles en voor allen" te eischen.
Wij hebben gezien hoe De Gerlache, in den grond een aanhanger van gewetensdwang en bestuurlijk absolutisme, met eene machiavellistische arglistigheid, het vrijheidsbeginsel als een lokaas aan de liberalen toegeworpen had. Reeds in Maart 1827 ontwikkelde Paul Devaux, een talentvol jong publicist, in den _Mathieu Laensberg_ (later _Le Politique_) van Luik het plan van een verbond op grond van de volledige ontwikkeling der vrijheden door de Grondwet beloofd. Eerst fel bestreden door Bartels in _Le Catholique_ van Gent, door Kersten in _Le Courrier de la Meuse_ van Luik, alsook door den liberalen _Courrier des Pays-Bas_, vond Devaux' voorstel allengskens eene algemeene bijtreding. Reeds op 23en Juli 1828 kondigde het Luiker liberaal dagblad de sluiting der _Unie_ aan......
Kort na deze netelige onderhandelingen werd het wetsontwerp De Brouckere verworpen en Louis de Potter veroordeeld.
Terstond kwam door toedoen der dagbladen van alle gezindheid een ontzaglijk petitionnement tot stand (November 1828), waarvan de onderteekenaars in 't Walenland en te Brussel in de eerste plaats, de afschaffing van de belasting op het gemaal en van het besluit op de drukpers van 1815 vroegen, doch in Vlaanderen (45,000 onderteekenaars op het globale getal van 70,000) vooral het opheffen van het Staatsmonopolium van het onderwijs wilden: aldaar was de geestelijkheid van huis tot huis de onderteekenaars gaan vinden, en de talrijke kruisjes in plaats van handteekeningen onderaan de petities, bewezen voldoende op welke wijze men deze had verkregen.
De regeering bestempelde die beweging als _schandalig_.
Een tweede petitionnement, uitgaande van de Brusselsche katholieken als den ouden graaf de Merode-Westerloo, burggraaf Vilain XIIII en den correspondent der Jezuieten L. Robiano de Borsbeek, vroeg uitsluitend de vrijheid van onderwijs (Januari-Februari 1829) en verkreeg nog meer bijval dan het eerste. Er werd algemeen en met onrust opgemerkt hoe intusschen op den buiten de geestelijkheid, met eene zonderlinge bedrijvigheid, de boeren aanspoorde om zich op de lijsten der gemeentewacht te doen inschrijven, en hoe buitengewoon de burgers der Belgische steden zich eveneens daartoe beijverden. Ook de liberalen lieten niet los, en Lebeau en Rogier in _Le Politique_ van Luik onderhielden de geesten in eene ongemeene gisting.
Plots verscheen er een vlugschrift, door Louis de Potter in zijn gevangenis opgesteld, dat de eendracht der anti-ministerieelen nog zou versterken (Juni 1829). Hij stelde de voltrekking van de _Union des Catholiques et des Liberaux_ met genoegen vast en preekte de wederzijdsche verdraagzaamheid aan om des te sterker den gemeenschappelijken vijand te bestrijden. Die aanmaning tot samenwerking maakte een overgrooten opgang, omdat zij uitging van een zoo hevig anti-clericaal.
Ditmaal werden de ultra-liberale en katholieke fracties door die plotselinge bekeering van De Potter geergerd. De overtuigde liberalen vreesden voor hunne principes in dit samengaan met de ultramontanen, en Ch. Durand gaf een pamflet uit in antwoord op de _Union_. Ook de Belgische katholieken vonden het noodzakelijk, in een vlugschrift, hun gedrag bij hunne Fransche geestverwanten te verrechtvaardigen. Doch de stoot was gegeven. Ver van nu het hachelijke van haren toestand in te zien, volhardde de regeering in hare koppigheid.
Toen de verzoekschriften zoo overvloedig op de banken van de Staten-Generaal regenden, had Ch. Le Hon voorgesteld den Koning een adres aan te bieden, om zijne aandacht op den staat van gisting in de Zuidelijke Provincien in te roepen; het adres werd aangenomen door de Tweede Kamer maar door de Eerste verworpen.
De wet op de instelling van de jury bij de rechtbanken, door de vertegenwoordigers van 't Zuiden voorgesteld, onderging dit lot reeds bij de stemming in de Tweede Kamer.
Alsdan ontstonden overal Grondwettelijke Vereenigingen of Comiteiten tot herstelling der _Grieven_. Immers sedert October 1828 had de _Courrier de la Meuse_ een statistiek opgesteld, waardoor, met overvloed van cijfers uit officieele oorkonden, de partijdigheid der regeering bewezen werd in zake benoemingen tot de openbare ambten. Op 7 ministers telde men slechts een Belg, op 14 bestuurders in de ministeries insgelijks een; onder de 300 hoogere beambten der ministeries, vond men 17 Belgen. In het leger trof men 2377 Hollandsche officieren tegenover 417 Belgen aan; men insinueerde zelfs dat de Belgen slechts tot hoogere graden klommen, in Oost-Indie "om aldaar de bloedbelasting te betalen", terwijl men wist dat het aandeel der Belgen in het koloniaal leger, gedurende den opstand van Dipo-Negoro op Java (1826-1830), slechts een vijfde bedroeg. Overigens die zoo ongunstige verhouding van officieren in de troepen, verklaart zich door het feit, dat, bij de organisatie, van 't leger in 1814-15 en den oproep tot de oud-militairen om zich aan te melden met hunnen vroegeren graad, veel Hollanders en weinig Belgen zich aangeboden hadden; men voege daarbij dat degenen die zich in de Zuidelijke Nederlanden met bestuurlijke of militaire zaken ophielden, in zeer klein getal waren. Doch zooals zij voorgesteld was, bleef die verdeeling der openbare ambten eene schreeuwende ongerechtigheid. Sindsdien volgden nog andere statistieken die het Hollandsch "nepotisme" geeselden en de openbare meening verontwaardigden.
Daarbij kwam nog het wijzen op de politieke overheersching van Belgie door de Hollandsche ambtenaren, die zich tegenover het Zuiden als tegenover een wingewest gedroegen; de oppositie noemde de Grondwet eene aan het Zuiden opgedrongen keure, hekelde de taalbesluiten, het officieel onderwijs; ja, zelfs het belastingstelsel werd wegens onrechtvaardige toepassing aangevallen, alhoewel het klaar was dat de Hollanders, die zestien gulden per hoofd betaalden, vijf gulden meer dan de Vlamingen en juist het dubbel van de Walen in de Staatskist stortten.
Voor de herstelling dezer grieven, 't zij echte, 't zij ingebeelde, voerden nu vlugschriften en dagbladen een hevigen strijd, en de Constitutioneele Vereenigingen ijverden natuurlijk niet het minst voor de vrijheid van drukpers. Op dit laatste punt moest de regeering eindelijk toegeven, en 't was om zoo te zeggen met eenparigheid van stemmen dat het besluit van April 1815 door de Staten-Generaal afgeschaft werd; de zeer vrijzinnige wet van 16en Mei 1829 verving het hatelijke dwangreglement.
Doch in hare verblindheid tegen de Belgische "factie" had de regeering besloten de aanvallen der Belgische pers door aanvallen tegen hare opstellers te beantwoorden; daarom stichtte zij te Brussel een officieus blad, _Le National_ (Mei 1829); de Koning beging de onvergeeflijke fout het bestuur van dit blad toe te vertrouwen aan den Florentijn Libry, graaf van Bagnano, die sedert jaren uit Frankrijk geweken, zich uitgaf voor een slachtoffer van de reactie der Bourbons. Met een ongehoord cynisme, overlaadde hij de partijgangers der Unie en de katholieken met persoonlijken hoon en smaad, en hij aarzelde niet te schrijven -- wat de zaak der regeering meer kwaad dan goed deed -- onder andere "dat men de Belgen een muilband moest aandoen evenals de honden". Maar plots kwam het uit dat de kampioen des Konings, de vertrouweling van Van Maanen, tweemaal in Frankrijk voor schriftvervalsching in handelszaken tot dwangarbeid en brandmerk veroordeeld geweest was; en de _Courrier des Pays-Bas_ drukte terzelfdertijd drie geheime besluiten af, die het blad zich had weten te verschaffen, waardoor de Vorst aan den verdediger der regeering 85,000 gulden op het Nijverheidsfonds verleende. Een kreet van algemeene verontwaardiging steeg in Belgie bij die verpletterende openbaring op. Van toen af in vergaderingen en drankhuizen durfde men de vraag stellen of Frankrijk een opstand in Belgie gewapenderhand zou ondersteunen.
* * * * *
Rekenende op de gevolgen die een officieel bezoek kan hebben, ondernam Willem, eene omreis in de Zuidelijke Provincien. Overal zag hij de blijken van welstand en voorspoed; het feestelijk onthaal dat hem daar te beurt viel versterkte hem in de overtuiging dat de aanvallen tegen zijne regeering gericht, slechts het werk van enkele opruiende dagbladschrijvers waren, en dat de gisting niet tot in de massa gedrongen was. Tijdens zijn bezoek aan Luik (23en Juni 1829) kon de begoochelde Vorst niet nalaten zijn antwoord aan het gemeentebestuur van Luik met de volgende woorden te eindigen: "Ik zie nu wat ik moet denken over de zoogezegde grieven waarover men zooveel gerucht gemaakt heeft. Dat is aan enkele bijzonderen te wijten die uit eigenbelang handelen. Dit is een schandelijk gedrag!..." Dit onvoorzichtig smaadwoord tegen de opstellers der vertoogschriften gericht, kreeg zooveel weerklank, dat Willem's oogen hadden moeten opengaan. Te Brugge stichtte Constantijn Rodenbach dadelijk, in clericale navolging der "Geuzen" van de 16e eeuw, de _Orde der Schande_ (Ordre de l'Infamie), die op hare kenteekens de leus voerde: "Trouw tot aan de schande!" (Juli 1829). Bij het opgehitste lagere volk ontstond een ware haat tegen den Hollander en al wat Hollandsch was.
Het koninklijk bezoek had dus geenszins de bedaring verwekt die men verhoopt had, wel integendeel. Ziende dat de nieuwe wet op de drukpers de liberalen niet gestild had, besloot de regeering aan de katholieken zekere toegevingen te doen, om de Unie te trachten te verbreken en de vrijzinnige oppositie in toom te houden.
Immers ook te Rome had Paus Leo XII het verbond van de Belgische katholieken met de liberalen met een zeer kwaad oog aanschouwd; duchtende voor 't gevaar dat die eendracht voor 't geloof kon opleveren, zond hij in de Nederlanden den zeer vrijzinnigen nuntius Capaccini, die de Belgische geestelijkheid zou aanmanen niet katholieker te willen zijn dan de Paus. De kardinaal beijverde zich om het concordaat te doen uitvoeren en kon door den Koning drie nieuwe bisschoppen, namelijk voor Luik (Van Bommel), voor Gent (Van de Velde) en voor Doornik (Delplancq) doen aanvaarden. Pius VIII, die intusschen den meer toegevenden Leo XII opgevolgd was, bekrachtigde hunne benoeming op 18en Mei 1829.
Evenveel genoegen baarde aan de katholieken het koninklijk besluit van 20en Juni, waarbij het bezoeken van het Wijsgeerig College van Leuven als facultatief verklaard werd; daarbij stond Willem, door eene andere verordening van 2en October, de heropening, mits zekere beperkingen, van de kleine bisschoppelijke seminaries weder toe.
Andere toegevingen werden gedaan in den zin van de petities; de afschaffing van de belasting op het geslacht werd beloofd (19en Mei 1829); den 5en Juli werd bepaald dat op 1en Februari 1831 de nieuwe rechterlijke inrichting in werking zou treden, dat men dienvolgens onafzetbare magistraten zou hebben. De regeering liet zelfs een ontwerp van een gewijzigde wet op 't onderwijs verhopen.
Maar deze toegevingen die enkele maanden vroeger met gejubel zouden onthaald geweest zijn en die het petitionnement konden verhinderen, daar zij de hoofdgrieven uit den weg ruimden, kwamen nu te laat. De clericalen beschouwden deze vergunningen als eene onvoldoende afkorting; de liberalen weigerden allen steun aan de regeering, zoolang de ministerieele verantwoordelijkheid niet toegestaan werd. In geen enkele klasse der bevolking telde de regeering nog vrienden.
De opening der kleine seminaries, verre van de katholieken te bevredigen, had hunne aanspraken nog hooger gemaakt; zij eischten de algemeene vrijheid van onderwijs, zonder toezicht. Op 4{en} November 1829 stelden de katholieke edelen Robiano de Borsbeek, De Merode en D'Hoogvorst eene nieuwe petitie in dien zin op; de geestelijkheid belastte zich opnieuw met het inzamelen der handteekeningen en der kruisjes, en pastoors en onderpastoors teekenden ditmaal aan 't hoofd der lijsten; op de 360,000 onderteekenaars waren er 240,000 uit Vlaanderen alleen.
De schilder Geirnaert heeft ons, in een treffend tafereel, weldra door den steendruk verspreid, de handelwijze der geestelijken in deze beweging geschilderd. Zijne teekening wordt nog bevestigd door de beschrijving die Schuermans en Holtius, in hunne brieven aan Van Maanen, van de bedrijvigheid der geestelijkheid geven.
Zekere klaarziende liberalen, zooals de advocaat Napoleon de Pauw van Gent, aarzelden niet dit petitionnement, bij de Staten-Generaal, als eene verkrachting van art. 161 der Grondwet aan te klagen.
De clericale partij, die intusschen te Gent een Vlaamsch orgaan, _De Vaderlander_, gesticht had, antwoordde, kort na die aanklacht, met een vertoogschrift, dat de teruggave eischte van de goederen der geestelijkheid, door de Fransche Revolutie verbeurd verklaard.
De polemiek der Unionistische pers van Gent, Brussel en Luik tegen de Hollandsche _overheersching_ en tegen de _dictatuur_ van Van Maanen werd des te driester, daar de regeering en het gerecht het hoofd verloren hadden; en de gevallen van persovertredingen werden zoo talrijk, dat de gevangenissen van dagbladschrijvers opgepropt waren. De drukpers, in hare woede tegen de gehuurde penneknechten der regeering, ging alle palen te buiten. Men aarzelde zelfs niet de populariteit van den prins van Oranje te ondermijnen en hem op de lasterlijkste manier te beschuldigen: wanneer in den nacht van 25-26 September 1829 de diamanten zijner echtgenoote in 't paleis te Brussel op eene geheimzinnige manier gestolen werden, werden door zekere vuige lieden plakkaten op de muren van Brussel gehecht, waarin de kroonprins openlijk verdacht gemaakt werd.
Ondanks die gevaarlijke voorteekens uitte de Koning bij de opening der Staten-Generaal te 's Gravenhage (19en October) zijne vreugde over de blijken van genegenheid hem door de Belgische natie in zijne omreis gegeven; hij kondigde enkele maatregelen aan voor 't welzijn van het koninkrijk en drukte op het ontwerp van herziening der onderwijswet. Zoo verzoeningsgezind was de troonrede, dat de Hollanders deze verklaring als een aftocht der regeering aanzagen. Maar de Belgische afgevaardigden, aangevuurd door de hevigheid der dagbladen en verbitterd wegens de schandelijke drukking door de officieele ambtenaren op de laatste verkiezingen uitgeoefend, hadden beslist de tienjarige begrooting te verwerpen, indien de regeering aan al hunne eischen niet toegaf. De nieuwe petities, die reeds op 15en November in de Staten-Generaal toekwamen en die zoozeer de Hollanders verbitterden, waren niet van aard om de spanning tusschen de Noordelijke en Zuidelijke afgevaardigden te verzachten. Aan De Gerlache, die naar de audientie van den Koning gegaan was, om dezen tot nieuwe toegevingen over te halen, sprak Willem I al zijne minachting uit voor de liberalen, die hij heerschzuchtige woelgeesten noemde, en zijne misnoegdheid over de nooit tevreden clericalen; de pers overlaadde hij met smaadwoorden, en hij uitte zijne vrees voor die soort van geheime en onverantwoordelijke tegenregeering, die voortdurend beroep doet op de verderfelijkste hartstochten der onwetende en bijgeloovige massa. "Al de rechtmatige eischen heb ik ingewilligd, ging Willem voort, doch ik wil niet dat men de rollen omkeere. Indien het volk souverein is, kan de koning het niet zijn, want twee onverantwoordelijke machten kunnen in den Staat niet tegelijkertijd bestaan. Nu, mijne regeering is eene monarchie, getemperd door een Grondwet. Alle vraagstukken zijn er duidelijk in bepaald; al de tegenstrijdige theorieen zijn ongrondwettelijk, oproerig en revolutionnair! Ik ken mijn recht, ik ken mijn plicht, ik zal de bezworen Grondwet uit al mijne krachten rechthouden!"
Dezelfde autoritaire geest ademde de beruchte _Koninklijke Boodschap_, enkele dagen later uitgevaardigd (11en December 1829); en dat juist op 't oogenblik, dat voor de eerste maal de hoogere ambtenaren het gevaar der toenemende gisting aan de ministers aanwezen.
Die boodschap vergezelde het ontwerp van wijziging der pas aangenomen wet op de drukpers van 16en Mei 1829, die de Koning al te liberaal gevonden had en die hij wilde zien verscherpen.
Na een lofrede op de daden zijner regeering sedert 1815, viel hij heftig de opstellers van het petitionnement aan "die op schandelijke wijze zijne weldaden miskenden", noemde de pers "onteerd en verlaagd", waarschuwde voor de "onbedachte aanmatigingen en misplaatste bemoeiingen" van zekere woelgeesten, en deed zijn inzicht kennen om de kuiperijen van de kwaadwilligen te beteugelen. Maar ook repte Willem van de "rechten van zijn huis", verklaarde zonder omwegen zijne aanspraak op de alleenheerschappij en verwierp dienvolgens de ministerieele verantwoordelijkheid. Om den indruk van dit stuk nog te versterken, liet de regeering het gerucht loopen, dat om den weerstand te verbrijzelen, zij de hulp van een Pruisisch leger zou inroepen.
's Anderendaags zond minister Van Maanen de Koninklijke Boodschap tot al de rechters en ambtenaren, met verzoek om hem, op straffe van afzetting, in de vier en twintig uren hunne toetreding te sturen "tot de grondbeginselen welke de Vorst uitdrukkelijk verklaard had de regelen van zijn bestuur te zijn". Die bemoeiing der Regeering met de denkwijze zijner beambten en die dwang tot aflegging eener sterke politieke geloofsbelijdenis keurde zelfs de gouverneur van Zuid-Holland, graaf van der Duyn, ten strengste af. De uitslag dezer willekeurige, daad liet zich niet wachten; de katholieke _Courrier de la Meuse_ noemde de Boodschap "het manifest van het despotismus tegen de vrijheid"; de andere bladen schandvlekten de houding der Hollandsche afgevaardigden die gedurende de debatten der volgende dagen van "de alleenheerschappij des Konings" hadden durven gewagen; talrijke vlugschriften als die van den katholieken Barthelemy Dumortier en den radikalen Adelson Castiau, beiden van Doornik, vroegen de afdanking van den "hatelijken" Van Maanen, den boozen genius des Konings; ook L. de Potter, van uit zijn gevangenis te Brussel, zond zijne _Lettre de Demophile au Roi_ in 't licht, waarin hij, na de doctrine der souvereiniteit der Keure tegenover die der souvereiniteit des Konings gesteld te hebben, durfde schrijven: "Sire, uwe hovelingen en uwe ministers, uwe vleiers en uwe raadgevers bedriegen u en brengen u op een dwaalspoor; het stelsel waarin zij de Regeering doen volharden, bedreigt haar met een onvermijdelijke ramp en voert ze onwederroepelijk ten ondergang".
In de Staten-Generaal verhieven Le Hon en De Brouckere, De Stassart en De Gerlache insgelijks de stem tegen de onvoorzichtige handelwijze, der Regeering en bezwoeren ze de voornaamste eischen hunner landgenooten in te willigen. De vruchteloosheid hunner pogingen inziende, besloten de afgevaardigden van het Zuiden al hunne macht tegen de tienjarige, begrooting van wegen en middelen te richten, en zij hadden de voldoening, dank zij de ondersteuning van enkele afgevaardigden van het Noorden, die te verwerpen met 55 stemmen tegen 52; de jaarlijksche uitgaven gingen slechts met eene stem door. Voor 't overige, als bewijs dat niemand de omverwerping der regeering vergde, stemde men op staanden voet met eenparigheid van stemmen een nieuw ontwerp van wegen en middelen, voor een jaar, door 't Ministerie voorgesteld; uit die voorloopige begrooting was eindelijk de belasting op het gemaal verdwenen (19en December 1829). Deze was de eerste, maar gevoelige nederlaag van Koning Willem in de Staten.
Wel veranderde hij 't Ministerie, maar behield Van Maanen; Van Gobbelschroy, nu aangesteld voor nijverheid en kolonien, werd vervangen door een anderen Belg, De la Coste, gouverneur van Antwerpen (29en December). In plaats dus van te trachten een ministerie van verdrag te vormen, waarin enkele leiders der oppositie zouden getreden zijn, bleef de Koning aan zijn stelsel hechten en behield tevens zijn gehaten vertrouweling. Meer nog; om zich te wreken zette hij op 8en Januari 1830 zes ambtenaren, leden der Staten-Generaal, van hunne bediening af, omdat zij tegen de begrootingen gestemd hadden, en een volkomen minachting voor de grondbeginselen der regeering toonden. Op die onbehendige gewelddaad antwoordde de Belgische oppositie met, in 17 dagbladen tegelijk, eene _nationale inschrijving_ te openen om de leden der Staten, slachtoffers van het despotismus, schadeloos te stellen. Enkele dagen later stelde L. de Potter, altijd op het voorbeeld van den strijd in Ierland, de stichting van eenen _Vaderlandschen Bond_ voor, steunende op eene weerstandskas, die hunne vroegere jaarwedden aan de afgezette ambtenaars zou uitbetalen.
* * * * *