Vlaamsch Belgie sedert 1830 Eerste Deel
Chapter 11
De gezanten der vreemde Mogendheden lieten bij dien toestand van opwinding in de Nederlanden, hunne ongerustheid aan hunne wederzijdsche regeeringen kennen. De Fransche gezant seinde zelfs het valsche gerucht over, als zou Willem zijn inzicht te kennen gegeven hebben, hier 25,000 Pruisische soldaten te ontbieden om de rebellen te straffen. De strijdlustige Polignac, die met toestemming van Rusland het "groote plan" had opgevat Belgie in te palmen, dacht er zelfs aan, troepen op de Belgische grenzen samen te trekken. Maar Frankrijks gevolmachtigde, Lamoussaye, had zich deerlijk omtrent 's Konings bedoelingen bedrogen; verre van er aan te denken om den weerstand met geweld te beteugelen, zagen Willem en zijne ministers met verachting neder op die oppositie welke hij voor een handvol twistzoekers en woelgeesten aanzag. De jongste daad dezer bent, het plan van den _Vaderlandschen Bond_, besloot de regeering voorbeeldig te straffen. Onverhoeds werden de papieren en de briefwisseling, die De Potter onvoorzichtig bij zich in de gevangenis gehouden had, aangeslagen. Uit de correspondentie bleek dat Tielemans, een referendaris bij 't ministerie van buitenlandsche zaken, de ware ingever van het ontwerp geweest was.
Die ontdekking bracht in de ministerieele kringen eene ware verbijstering te weeg; nu begreep men hoe de oppositie terstond over al de besluiten of ontwerpen der regeering ingelicht werd: de hoogere beambten der bureaux, de personen uit de onmiddellijke omgeving der regeering speelden de verklikkers en verschaften wapens aan de tegenpartij,
Vruchteloos wilde Tielemans zijn plan als een "Utopie" doen doorgaan; hij werd aangehouden met L. de Potter en met de twee opstellers van _Le Catholique des Pays-Bas_, die den _Vaderlandschen Bond_ aanbevolen hadden, Bartels en J.-B. de Neve, voor het Assisenhof van Brabant verzonden, beticht een aanslag en eene samenzwering beraamd te hebben om de regeering om te werpen of te veranderen. Na een debat van elf dagen werden L. de Potter tot acht jaar, F. Tielemans en Adolf Bartels tot zeven en J.-B. de Neve tot 5 jaar ballingschap verwezen (30en April 1830).
De Brusselsche bevolking, op wie de koene pleidooien van Van Meenen en Van de Weyer een diepen indruk gemaakt hadden, vernam deze nieuwe veroordeeling met de grootste verslagenheid. De politie, overigens zeer slecht ingericht, kon er niet in slagen de opstellers van een hevig plakkaat te ontdekken, waarin, voor de eerste maal, een oproep tot het geweld te lezen stond: "Slaapt gij, Belgisch volk? Ontwaakt en wet uwe dolken, om ze in den boezem uwer verdrukkers, Van Maanen en consoorten, te ploffen ... Vrijheid voor den heer De Potter! Weg met het ministerie, of de _omwenteling_! Leve de vrijheid!"
De gisting groeide nog aan, wanneer drie dagen na 't proces, niettegenstaande het voorafgaandelijk protest van De Potter's advocaten, dezes aangeslagene papieren en zijne briefwisseling met Tielemans door Libry-Bagnano in druk gegeven werden: de griffier van het tribunaal had ze met toestemming van minister Van Maanen aan den ellendeling geleverd! Vruchteloos kloegen de beide veroordeelden dit schandelijk misbruik bij den Koning en de Staten-Generaal aan; beiden moesten zonder genoegdoening het land verlaten; Frankrijk weigerde de ballingen te ontvangen, die daarop besloten een toevluchtsoord in Zwitserland te zoeken; in Pruisen, dat zij doortrokken, ontmoetten zij allerlei moeilijkheden.
De misnoegdheid sloeg van de straat naar de openbare tribune over. Wel is waar werd eindelijk het langdurige werk der herinrichting van het gerecht door de aanneming van een minder wreed strafwetboek volmaakt; maar bij de bespreking der herziening der wet op de drukpers van 16en Mei 1829, die de regeering al te vrijzinnig geoordeeld had, werden zulke harde woorden door de afgevaardigden van het Zuiden uitgesproken, dat zekere ministerieelen van het Noorden, in woede ontstoken, allen eerbied voor hunne collega's vergaten. Den 18en Mei 1830, daar men aan de Staten twee Nederlandsche verslagen aanbood, zonder ze in 't Fransch volgens gewoonte samen te vatten, bedreigde de Belgische volksvertegenwoordiger Barthelemy de Hollanders met het gezamenlijk vertrek der Zuidelijke afgevaardigden. Tweemaal onderging het ministerieele ontwerp eene nederlaag, en slechts met merkelijke wijzigingen kwam de wet er door (1en Juni 1830).
Na de kleine seminaries te hebben heringericht, begonnen de nieuwe bisschoppen, de strijdlustige Van Bommel, Delplancq en Van de Velde, hunne herderlijke omreis in hunne bisdommen. Het jubileum van Mei, dat aanzienlijke aflaten verleende, had het gansche land door aanleiding gegeven tot eene ongemeene opwelling van godsdienstigheid; ook het toedienen van het vormsel, waarvan sinds lange jaren vele personen verstoken gebleven waren, gaf aanleiding tot tooneelen van overdreven vroomheid. In Juni vormde Delplancq in het arrondissement Bergen alleen 40,000 personen en Van Bommel in Limburg meer dan 20,000. Volkomen beheerschte de geestelijkheid de plattelandsche bevolking; en gezien den oorlog, die zekere onverzoenbare pastoors de regeering, niettegenstaande hare laatste toegevingen, aandeden, kan men zich een denkbeeld vormen van de gisting, waarin de buiten gehouden werd. Is het dan te verwonderen dat wij later op de lijst der revolutionnaire _Association Belge_ van Parijs, de namen van drie priesters ontmoeten, J.-J. de Smet en Vandermensbrugghen van Gent en De Haerne van Ieperen, als "bijzonder geschikt om eene beweging op touw te zetten"?
Willem was intusschen zelf naar Brussel gekomen om den toestand der gemoederen te toetsen; hij besloot nieuwe toegevingen te doen. De belasting op de koffie, door de Belgen gevraagd, werd op 12en Mei ingevoerd. Het ontwerp der nieuwe onderwijswet werd ingetrokken, en den 27en Mei vaardigde hij eene verordening uit, die zonder de algemeene vrijheid van onderwijs te verleenen, toch de besluiten van 14en Juni en 14en Augustus 1825 vernietigde. Zoo paaide hij de katholieken. Om de gunst der liberale advocaten te winnen, stond hij, de volgende week (4en Juni), het gebruik der Fransche taal in de Vlaamsche gewesten, als gerechts- en ambtspraak, opnieuw toe. Met vreugde werden beide besluiten door de belanghebbenden onthaald.
Het scheen nu dat de hoofdgrieven der oppositie uit den weg geweerd waren; de dagbladen der Unie spraken hunne hoop uit op eene verandering van regeeringsstelsel; de verzoening scheen nakend; de prins van Oranje was zelfs in onderhandeling met Rome om de katholieken uit de Unie te doen treden, wat den tegenstand zou verbroken hebben.
Doch plotseling kwam een nieuwe onbehendigheid van het ministerie den heilzamen uitslag van die reeds eenigszins laattijdige overeenstemming vernietigen.
Gedurende den laatsten veldtocht tegen de regeering had de _Courrier des Pays-Bas_(Augustus-October 1829) in navolging van den _Courrier de la Meuse_, den Staatsalmanak uitgeplozen, en, met statistieken, de begunstiging van Holland en de verongelijking van Belgie in de vestiging van alle voorname Staatsinrichtingen, getoond: het Krijgsgerechtshof en het Muntwezen waren te Utrecht gevestigd; het Krijgsarsenaal te Delft; de Krijgsschool te Breda; eindelijk in den Haag, waar reeds alle twee jaren de Staten-Generaal bijeenkwamen, waren de Ministeries, de Rekenkamer, het Hof van Adeldom en de Kanselarijen der koninklijke orden gevestigd. Deze kritiek had de regeering, niet zonder grond, weerlegd, met te toonen dat Belgie voortdurend het gevaar van eenen Franschen inval liep, 't geen dus de vestiging der openbare instellingen in het Noorden noodzaakte, en met te wijzen op zekere belangrijke uitgaven, welke zich de regeering in het uitsluitend voordeel van Belgie getroost had. Aan de tegenwerping dat de Hollanders alleen de groote Staatsambten bekleedden, antwoordde men door eene andere lijst, die bewees dat de Eerste Kamer der Staten-Generaal, door den Koning benoemd, dertig Belgen en zes-en-twintig Hollanders telde, de Staatsraad twaalf Hollanders en elf Belgen, de Rekenkamer evenveel Belgen als Hollanders, en dat de hoogste post des rijks, namelijk die van Gouverneur-Generaal van Oost-Indie, bekleed was door een Belg, Burggraaf du Bus de Ghisignies, tot groot misnoegen der hoogere kringen in Holland.
Die verklaringen konden echter niet opwegen tegen den indruk in Belgie verwekt door de afkondiging der lijsten van den _Courrier des Pays-Bas_. Men beschouwde zich als diep verongelijkt.
En nu, in zulk een toestand kwam eene verordening van 21en Juni 1830 den zetel van het nieuwe Hooger Gerechtshof in Den Haag vestigen. Opnieuw haalden de dagbladen der oppositie hunne statistieken uit den hoek; opnieuw werd geschreeuwd over de Hollandsche overheersching. Overigens, er werd klaar bewezen dat dit besluit onbillijk en onzinnig was, daar in tien jaar de Belgische gerechtshoven vijf maal meer burgerlijke processen te beoordeelen gehad hadden dan het Hof in den Haag. De hartstochtelijke aanvallen der Belgische drukpers haalden haar nieuwe vervolgingen op den hals; er was bijna geen enkel dagblad der oppositie, of een zijner opstellers was voor de rechtbank gedaagd. En intusschen stortte Libry-Bagnano de hatelijkste scheldwoorden en lasterlijkste aantijgingen uit in _Le National_, over de tegenstrevers der regeering, zonder aanzien van personen; zoodat verkleefde dienaars van het huis van Nassau zelf zijne verwijdering aanraadden.
Ziehier hoe op 21en Juni 1830, de Oostenrijksche gezant, graaf de Mier, zich over de Belgische toestanden in een vertrouwelijk schrijven aan zijne regeering uitdrukte: "Sedert de tien jaar dat ik dit land bewoon, heb ik slechts een voortdurend veranderen van stelsel, in al de takken van bestuur, aanschouwd. Ik heb slechts zien breken en maken, zich eerst aan iets wagen en koppig volharden om dan achteruit te gaan en met kwade luim toe te geven; een slechte wet voorstellen, veranderen, intrekken, dan opnieuw, aanbieden; het gemaal belasten, dan vrijstellen; het wijsgeerig college verplichtend, later facultatief maken en het eindelijk afschaffen; de studien in den vreemde verbieden en ze weer toelaten; eene zoogezegde nationale taal opdringen, die door de helft der natie niet begrepen wordt en dan met tegenzin op die willekeurige handelwijze terugkomen; de drukpers vrijlaten en ze weer intoomen; -- met een woord, bestendigheid in niets. Is het dan te verwonderen dat zulk een staat van zaken een bijna algemeene ontevredenheid verwekt heeft, en dat deze redenen, gevoegd bij eenige niet minder belangrijke, dit talrijk petitionnement veroorzaakt hebben, dat men eerst als oproerig bestempelde, en later voer belachelijk heeft willen doen doorgaan? Maar dit petitionnement voor de herstelling der grieven heeft grootendeels den uitslag bekomen, dien zijne inrichters beoogden -- , en de regeering, ofschoon zij deze als voorgewende grieven en de oppositie als woelziek uitgeeft, heeft de wezenlijkheid dezer grieven herkend met ze te herstellen, heeft zich door de bent overwonnen verklaard met aan hare klachten toe te geven, en heeft zich zelf gelogenstraft, met heden aan de kwaal te meesteren, die zij gisteren nog ontkende. Zoo is 't dat, dank zij 't petitionnement, de belasting op 't gemaal uit de Staatsbegrooting verdwenen is, dat het heffen van een accijnsrecht op de koffie een stelsel ingevoerd heeft, minder nadeelig voor de landbouwbelangen der Zuidelijke provincien, dat de bepaling, die de beambten met burgerlijke onbevoegdheid sloeg, wanneer het bestuur hun geen eervol ontslag verleende, afgeschaft is. Zoo is 't eindelijk, dat, op dezelfde wijze, de besluiten op onderwijs en taal afgeperst geworden zijn. Moet dit alles de regeering en den Koning niet kleineeren in de oogen zijner eigene onderdanen, en ze vernederen bij de andere regeeringen?"
Men begrijpe goed den zin dezer gegronde opmerkingen; de vreemde gezant veroordeelt Willem's regeeringstelsel niet om zijne veranderingen, hij is geenszins een voorstander van het koppig vasthouden der slechte besluiten; maar hij laakt het verkeerde beleid van den Vorst die altijd in der haast, zonder voorafgaandelijke inlichtingen, zonder voldoende kennis der toestanden, verordeningen uitschreef die alras, zoo niet onbillijk, dan toch onvoorzichtig bleken te zijn.
Alhoewel klaarziende opmerkers, zooals Thorbecke, in dien tijd hoogleeraar te Gent, alsdan reeds eene scheuring voorzagen, leefde het opperbestuur te midden van de gisting der gemoederen in een vast zelfvertrouwen, in een bewustelooze zekerheid. Uitgaande van den geest der Hollandsche bevolking die elke andere drijfveer op den achtergrond schoof en zich alleen gevoelig betoonde voor de oeconomische belangen, dacht de regeering dat het voldoende was grooten bloei en welstand aan de Zuidelijke provincien te verzekeren, om hunne genegenheid te verwerven. Dit denkbeeld versterkte zich bij den Koning, na de opening in Juli 1830 van de Nationale Tentoonstelling te Brussel, die, overigens een welverdienden bijval genoot. De vooruitgang van nijverheid, wetenschap en kunsten, waarvan zij getuigenis aflegde scheen hem een verheerlijking van zijn bestuur; de stoffelijke voorspoed van het koninkrijk bleek hem een waarborg voor de openbare rust.
En inderdaad, op dat oogenblik, dacht niemand noch aan scheiding, noch aan omwenteling. De latere getuigenissen van de hoofdleiders van de beweging, L. de Potter, J.-B. Nothomb, baron de Gerlache, stemmen daaromtrent eenparig met de toenmalige verslagen van de gezanten overeen. De oppositie bleef steeds binnen de palen der wettelijkheid, toen eensklaps de gebeurtenissen in het naburige Frankrijk, die toenmaals veel meer dan nu zulke hevige weerkaatsing op de Belgische aangelegenheden uitoefenden, het koninkrijk der Nederlanden, dat heerlijk gebouw door de Mogendheden in 1814 opgericht, op zijn grondvesten deden beven en met geweld instorten.
Bibliographie
a) OFFICIEELE AKTEN: J. J. F. Noordziek, _Verslag der handelingen van de Staten Generaal_, 's Gravenhage, 1862, vlgde; _Nederlandsche Staatscourant_, sedert 1814; -- b) DAGBLADEN: _Le Courrier des Pays-Bas_ (Gent, sedert 1821, liberaal); _Mathieu Laensberg_ (Luik, 1824) later _Le Politique_ (1829, liberaal); _Le Belge_ (Brussel, 1826, gematigd liberaal); _Le Journal de Gand_ (Gent, 1815, liberaal); _Le Courrier de la Meuse_ (Luik, 1820, katholiek); _Le Catholique des Pays-Bas_ (Gent, 1826); _De Vaderlander_ (Gent, 1829, katholiek). -- _De Nederlandsche Gedachten_ ('s Gravenhage, 1829) en _Le National_ (Brussel, 1829), organen der regeering. Vgl. W. P. Santijn Kluit, _Dagbladvervolgingen in Belgie_ ('s Gravenhage, 1892). -- c) VLUGSCHRIFTEN: De 126 voornaamste zijn opgesomd bij Pater Delplace, _La Belgique sous Guillaume I_ (Leuven, 1899), blz. 221-224. --d) BRIEVEN: A. R. Falck, _Brieven_ ('s Gravenhage, 1861) en _Ambtsbrieven_ ('s Gravenhage, 1878); _Catalogue des lettres autographes formant les archives de M. C. F. van Maanen_ ('s Gravenhage, 1900). -- e) GEDENKSCHRIFTEN: J. Lebeau, _Souvenirs personnels et Correspondance diplomatique_ (Brussel, 1883); J. J. Raepsaet, _Journal de la Commission chargee d'elaborer la Loi Fondamentale_, in _OEuvres Completes_, dl. VI (Gent, 1838). -- L. de Potter, _Souvenirs personnels_, 2 dln. (Brussel, 1839); H. de Merode-Westerloo, _Souvenirs_ (Brussel, 1864). -- f) GELIJKTIJDIGE WERKEN: J. B. Nothomb, _Essai historique et politique sur la Revolution beige_ (Brussel, 1833) en B^on C. de Gerlache, _Histoire du Royaume des Pays-Bas_ (Brussel, 1839); beide werken, opgesteld door twee hoofdleiders der katholieke partij tegen de regeering van Willem I, zijn eerder twee verdedigings- of ophemelingsschriften hunner schrijvers en dus zeer partijdig -- B^on de Mortemart-Boisse, _Le Royaume des Pays-Bas_ (Parijs, 1836); A. Quetelet, _Recherches statistiques sur le Royaume des Pays-Bas_ (Brussel, 1829); A. J. L. Van den Bogaerde van Ten Brugge, _Essai sur l'importance du commerce, de la navigation et de l'industrie dans les Pays-Bas_ (Brussel, 1844). -- g) MODERNE GESCHIEDKUNDIGE WERKEN: L. Hymans,. _Histoire politique et parlementaire de la Belgique de 1814 a 1830_, dl. I tot 1815 alleen verschenen (Brussel, 1869). -- P. Poullet, _Les premieres-annees du R^me des Pays-Bas_, 1815-1818 (_Revue Generale de Belgique_, 1896-97); _Relations inedites sur les debuts de la Revolution belge (Ibid._ 1897); nog dezelfde, _La Sainte Alliance et le R^me des Pays-Bas (Annales Internat. d'Histoire_, Congres de Paris, 1901). -- Deken S. Balau, _70 ans d'histoire contemporaine de la Belgique_, 1815-1884 (Leuven, 1891); Pater Jezuiet L. Delplace, _La Belgique sous Guillaume I_ (Leuven, 1899). -- J. de Bosch Kemper, _De staatkundige geschiedenis van Nederland tot 1830_ (Amsterdam, 1868); Dr W. J. Nuyens, _Geschiedenis van het Nederlandsche volk van 1815 tot op onze dagen_. (Amsterdam, 1883 vlgde);. W. H. de Beaufort, _De eerste Regeeringsjaren van Koning Willem I_ ('s Gravenhage, 1885); W. J. Knoop, _Herinneringen aan de Belgische Omwenteling van 1830_ ('s Gravenhage, 1886); Dr Th. C. Colenbrander, _De Belgische Omwenteling_ ('s Gravenhage, 1905). Zie verder B^on de Keverberg, Ch. White, Th. Juste, Ch. de Bavay.
DE BELGISCHE OMWENTELING
DOOR
VICTOR FRIS
"Indien er geen geweldige beweging in Frankrijk ontstaat, schreef de gezant De Mier in het verslag dat we aan het slot van het vorige stuk ontleed hebben, mag men gerust zijn dat dit land hier niet zal verroeren" (21en Juni 1830). Doch toen reeds was Parijs in volle gisting; de reactionnaire minister De Polignac, de Van Maanen van Karel X, die domweg op eene onmogelijke omkeering der openbare meening rekende, had de Kamer ontbonden en nieuwe verkiezingen uitgeschreven; deze echter vermeerderden nog het getal van de afgevaardigden der oppositie. Alsdan, steunende op den bijval en het gezag van het leger dat Algiers juist ingenomen had (6en Juli), dacht zich de Regeering sterk genoeg om een Staatsgreep te plegen: door vier verordeningen werd de Kamer naar huis gezonden, nieuwe verkiezingen bepaald, een kiesstelsel in twee graden ingevoerd en de vrijheid van drukpers afgeschaft (26en Juli). 's Anderendaags brak te Parijs, dank zij die daden van geweld, de Juli-Omwenteling los; koning Karel X vluchtte naar Engeland, zijn neef Louis-Philippe van Orleans werd luitenant-generaal van het Rijk benoemd (31en Juli) en aanvaardde op 't einde der week het koningschap.
Men kan zich ternauwernood voorstellen met welk gejuich de Parijsche opstand gansch Europa door onthaald werd. Al de volken die gebukt gingen onder het juk van het Heilig Verbond, al de vrijzinnigen die eenigszins onder dwang leden, staarden met vreugdige oogen naar de wereldstad, die zich zoo onverwachts, zoo snel en zoo zeker van een reactionnair bewind bevrijd had. Terstond snelden ballingen, uitwijkelingen en ook liberalen uit den vreemde naar de oevers der Seine, om zich aan de bron der vrijheid te gaan laven.
Geen wonder dan, dat in het nabijgelegen Belgie, waar de gansche dagbladpers, trouwens grootendeels in handen van Fransche opstellers, voortdurend het oog gericht had op Parijs en hare lezers met het nieuws uit Frankrijk voedde, de opstand van Parijs de grootste ongerustheid baarde. Verschillend was de indruk op de beide partijen der Unie: terwijl de Katholieken den val van Karel X, bondgenoot der geestelijkheid, bejammerden, juichten de Liberalen de overwinnaars der Juli-Omwenteling, als de verdedigers der grondwettelijke theorieen, dapper toe; zij wezen zelfs Van Maanen op Polignac's handelwijze als op een voorbeeld en voorspelden hem hetzelfde lot.
Doch er was een derde partij, die tot dan toe zeer gering in aantal en zonder invloed op de massa gebleven was, maar door den buitengewonen aard der omstandigheden plots een onverwacht belang verkreeg. Zij was hoofdzakelijk samengesteld uit gewezen ambtenaren van de Fransche Republiek en van het Keizerrijk, die koning Willem onvoorzichtig in zijne bureaux had opgenomen, uit talrijke Fransche ballingen, meestal Jacobijnen of oud-soldaten van Napoleon, en uit ettelijke Waalsche advocaten. Deze laatsten, aan wier hoofd Alexander Gendebien, een hartstochtelijk vereerder van Frankrijk en een vijand van Holland stond, waren meest allen Franschen door afkomst of door opvoeding. De meesten onder hen waren vroeger leden van de liberale oppositie geweest, maar medegesleept in de Fransche bent door den machtigen redenaar en volksopruier die Gendebien was, namen ze nu deel aan de kuiperijen die de samenzwering begonnen voor te bereiden: zoo de beide Rogiers, Charles en Firmin, te Saint-Quentin geboren; later Ch. De Brouckere en Le Hon. Onder de Klerikalen verborgen de beide De Merode's, Frederik, oud-meier van St Luperce bij Chartres, en Felix, pas in Februari uit Frankrijk teruggekeerd, hunne voorliefde voor hun geboorteland niet; en Robiano de Borsbeek, de correspondent der Fransche Jezuieten alhier, schijnt geld van hen ontvangen te hebben om de regeering te bestrijden.
De voornaamste Fransche uitwijkelingen, op dit oogenblik te Brussel aanwezig, heetten P. Chazal (geboortig van Tarbes, in Zuid-Frankrijk), A.-J. Mellinet (Corbeil-bij-Parijs), Ch. Niellon (Parijs), Burggraaf de Culhat en Ernest Gregoire (Charleville); daarnevens eindelijk de Spanjaard don Juan van Halen. Enkele dezer ballingen waren republikeinschgezind, en Gregoire stond bepaald in betrekking met La Fayette, den bekenden held der groote Fransche Omwenteling van 1789.
Gendebien besloot met de Fransche Clubs overeen te komen, die, niet tevreden met den triomf hunner denkbeelden in Frankrijk, de omwenteling in de naburige landen wilden overbrengen; alsook met die fractie, door generaal Lamarque en Mauguin aangevoerd, welke den Parijschen opstand en de oorlogszucht der menigte wilde gebruiken, om de Fransche grenzen tot aan den Rijn uit te breiden. "Sedert den 2en of 3en Augustus, briefde hij aan De Potter over, heb ik naar Parijs geschreven om te vragen, dat men rechtuit zou verklaren, of men de Rijngrenzen verlangde, en ik waarborgde een volledigen uitslag in geval van aanval". Op hunne beurt vertrokken De Brouckere, Le Hon en De Stassart naar Parijs om er de nieuwe Regeering nopens hare inzichten te polsen, en zij onderhandelden aldaar eveneens met de generaals Lamarque en La Fayette en met den leider der Liberalen, Odilon Barrot, over de inlijving van Belgie bij Frankrijk. Bij hunnen terugkeer vergaderden de Franschgezinden, op aandrang van Gendebien, in de bureaux van den _Courrier des Pays-Bas_, om te beslissen hoe men uit de Juli-Omwenteling partij zou trekken, en op eene stem na, verklaarden zij zich allen voor de vereeniging met Frankrijk (8en Augustus 1830).
Dienzelfden dag was koning Willem in Brussel aangekomen, en ging den 10en Augustus met prins Frederik en minister van Gobbelschroy de Brusselsche Tentoonstelling bezoeken. Met gejuich, door de bevolking onthaald, werd hij nog in zijne zekerheid gesterkt door de persoonlijke bevestiging van getrouwheid, welke zekere liberale hoofdleiders aan den prins van Oranje gegeven hadden, en niet minder door de gematigde taal welke de voornaamste dagbladen voerden.