Vlaamsch Belgie sedert 1830 Eerste Deel
Chapter 12
Nochtans dachten zekere hooggeplaatste ambtenaren hem te moeten waarschuwen tegen de schijnbare rust die onder de bevolking heerschte. Immers reeds den 21en Juli had Libry-Bagnano den minister Van Maanen ingelicht, dat hij op het spoor was van eene verbintenis tusschen de Jacobijnen van hier en die van Frankrijk; zoodat Gendebien's kuiperijen schijnen uitgelekt te zijn. De voorzichtige Procureur-Generaal Schuermans raadde den koning aan, de Belgen nog op zekere punten toe te geven, en wees er op, hoe hardnekkig zekere kleine pers de populariteit van den prins van Oranje zocht te ondermijnen. De militaire gouverneur van Zuid-Brabant, graaf de Bijlandt, zag zich echter de gevraagde vermeerdering van troepen weigeren. Graaf de Mercy-Argenteau, groot kamerling, bezwoer den Koning nog wat in Brussel te vertoeven, of ten minste, voor zijn vertrek, het opperbestuur der politie in de hoofdstad te regelen voor 't geval van onlusten. De vorst stelde hem met enkele onbepaalde woorden gerust en vertrok den 12en Augustus naar zijn kasteel van Het Loo in Gelderland; hij beval alleen enkele versterkingstroepen naar Philippeville en Mariembourg te zenden; hij meende dat de snelheid waarmede het bestuur van Louis-Philippe zich gevestigd had, dadelijk de rust in Frankrijk, en bij weerslag, in Belgie zou hersteld hebben.
* * * * *
Na Willem's vertrek was te Brussel de Franschgezinde partij stoutmoediger geworden; rumoerige groepen doorliepen de straten, de driekleurige cocarde in het knoopsgat; met kwistige hand verspreidde men schriften, luidend als volgt: "Franschen! doet slechts een stap vooruit en Belgie bekoort u toe!" en men hoorde den kreet: "Leven de Franschen! Leve de vrijheid!" Voorzeker waren er zendelingen der Parijsche radicalen in de hoofdstad.
Op 15en Augustus zond het Fransche gouvernement een geheimen agent, gewezen secretaris van graaf de Celles, aan Gendebien, om hem te verzoeken de hoofdrichting der omwenteling in handen te nemen, doch de losbarsting te verdagen tot dat Frankrijk in staat zou zijn deze te ondersteunen. De agent legde den betreurenswaardigen toestand van het Fransche leger bloot en toonde dat er drie maanden noodig waren om het herin te richten; hij maande beslist aan dat men alles tot rust moest brengen en gedurende een jaar allen opstand tegenhouden. Daarop riepen Gendebien en Van de Weyer in 't geniep hunne aanhangers in de bureaux van den _Courrier des Pays-Bas_ bijeen. Zij verklaarden hun dat de omwenteling rijp was en dat men deze moest inrichten; maar zij werden door de meerderheid tegengesproken, die besliste dat men de beweging nog zou verdagen tot midden September. Den 21en Augustus vertrok Gendebien, op aandringen zijner vrienden, naar Parijs; maar onverwachte gebeurtenissen beletten hem verder te gaan dan Bergen, zijne vaderstad, waar hij ook de leiders zocht te bedaren.
Intusschen waren L. de Potter en zijne gezellen, die in Duitschland de Fransche Omwenteling vernomen hadden, in allerijl uit Straatsburg naar Parijs vertrokken. De aanwezigheid van dien woelzieken republikein in Frankrijks hoofdstad was voor de Regeering een dreigend gevaar, voor Gendebien en zijn aanhang een machtig steunpunt.
Als naar gewoonte zou men op 24en Augustus 1830 den verjaardag des Konings vieren; te Brussel besloot het gemeentebestuur er eene ongewone pracht aan bij te zetten en gansch het Park te verlichten; onvoorzichtig besloot men de gehate belasting op het gemaal te behouden om de 40,000 frank kosten te dekken. Eeeds den 22en werden briefjes rondgestrooid: "Maandag 23en Augustus, vuurwerk; Dinsdag 24en, verlichting! Woensdag 25en, omwenteling!" Verwittigd dat er oproer op handen was, besloot de politie de verlichting uit te stellen, onder voorwendsel van mogelijk slecht weder; en nochtans namen de overheden, als de gouverneur van Brabant Van der Fosse, de bestuurder der politie De Knijff, de bevelhebber der burgerwacht Germain of de burgemeester De Wellens, niet de minste voorzorg om in voorkomend geval den opstand te beteugelen! Toch kende men de oproerige taal der dagbladen der oppositie, die met eene ongehoorde woede de Regeering en zelfs den Koning sedert tien dagen aanvielen, en de hoofden trachtten op hol te brengen. Van zulken aard was de houding der Brusselsche burgerwacht, die gewoonlijk na iedere oefening de wapens aflegde, doch ze nu beweerde te behouden, dat men ze niet meer durfde bijeenroepen. Men wist, door de verslagen der politie, dat groepen werkloozen in de arbeiderskwartieren eene dreigende houding aangenomen hadden, en dat onbekende zendelingen drank betaalden, geld uitdeelden en toespraken hielden.
Die opruiers waren agenten der Fransche clubs, welke te Parijs eene geheime regeering naast het Ministerie vormden; deze, bedrijvig, hartstochtelijk en rumoerig, gansch in strijd met de vreesachtige voorzichtigheid van Louis-Philippe, spraken van propaganda en wilden dat men de hand op Belgie legde. De hoofden dezer partij, zooals de generaals Lamarque en De Richemont, onderhielden eene drukke briefwisseling met de Belgische Franschgezinden. In 't midden van Oogstmaand zond de Club _Les Amis du Peuple_ verscheidene agenten uit Parijs naar Belgie om er de geesten op te winden. Het zijn die agenten welke, in den nacht van 25en tot 26en Augustus, te Brussel het oproer verwekten, dat aanleiding tot de Omwenteling geven zou.
* * * * *
Onvoorzichtig had de politie dien avond, in den Muntschouwburg, de vertooning van _La Muette de Portici_, van Auber, toegelaten. Dat stuk was sedert de woelzieke vertooning van 1en Augustus verboden, daar het onderwerp, de opstand van den Napolitaan Masaniello tegen de Spaansche verdrukkers, uitstekend geschikt was, om aan het publiek de gelegenheid tot revolutionnaire betoogingen te verschaffen.
[Figuur: Verwoesting van het huis van Libry-Bagnano in den nacht van 25 tot 26 Augustus 1830]
Gedurende de opvoering weerklonken herhaaldelijk de kreten: "Weg met den Koning! Leve Frankrijk!" Bij 't einde van 't schouwspel schoolde de menigte saam op het geroep: "Weg met Van Maanen! Weg met Libry!" Aangeleid door voornaam gekleede belhamels, die terstond na het oproer verdwenen, liep de menigte naar de bureaux van de _National_ de ruiten inslaan, verwoestte daarna den boekwinkel van Libry, keerde zich vervolgens tegen de huizen van den Procureur-Generaal en van den bestuurder der politie die hetzelfde lot ondergingen, en stak ten slotte het vuur aan het hotel van den minister van justitie Van Maanen, den impopulairen gunsteling van Koning Willem I.
Die volksoploop, zonder plan of leiding, kon gemakkelijk door het garnizoen, hoe gering het ook was, onderdrukt worden; maar op dit oogenblik betoonden de regeeringspersonen, door hunne ongelooflijke zwakheid en hun volkomen gemis aan tegenwoordigheid van geest, een bepaald plichtverzuim. De burgemeester van Brussel was op zijn buiten! De bevelhebber der burgerwacht hield zich uit schrik in zijn huis opgesloten! Generaal de Bijlandt wachtte vruchteloos op bevelen; de militaire gouverneur hield zich alsof de zaak hem niet aanging; de troepen, die intusschen de wapens gevat hadden, moesten uit eigen beweging optreden, en om 5 uur 's morgens hadden zij nog geen bevel tot handelen gekregen! Politie en leger toonden zich zoo onmachtig en lijdzaam, dat de stoutmoedigheid der oproerlingen weldra geen palen meer kende en de oploop zich ongehinderd uitbreidde. In plaats van de troepen krachtig tegen de muiters te doen optreden, trok men ze rond den middag (26en Augustus) voor de Bank en de Paleizen samen, waar ze tot den 3en September in eene onverklaarbare werkeloosheid gehouden werden.
Bij de oproermakers had zich intusschen eene bende plunderaars gevoegd en dat gepeupel brak de wapenwinkels open, plunderde de handelsmagazijnen, vernielde het hotel van 't Provinciaal Bestuur en stak de woningen van een generaal en een kolonel in brand. Benden werklieden, meestal dronken, liepen naar de voorgeborchten en vernielden de weeffabrieken Basse in de stad, Rey te Kuregem, Bal en Fortin te Vorst, Wilson te Stalle: het was hun vooral te doen om de mechanieken te verbrijzelen die het getal handarbeiders verminderden. De beweging begon meer en meer te ontaarden in eene soort van straatrooverij, die zich om politieke beweegredenen niet bekommerde. Wel is waar stak 's morgens een vreemde belhamel de Fransche vlag op het stadhuis uit; doch Ducpetiaux verving ze dadelijk door de oude driekleur van de Brabantsche omwenteling, die op luid applaus door de samengeschoolde menigte begroet werd; reeds 's avonds droeg men in Brussel uitsluitend zwart-rood-gele linten. Van dit oogenblik af nam de beweging een Belgisch karakter aan.
Gezien de achteloosheid der overheden besloten enkele krachtdadige burgers ernstige maatregelen te nemen om de orde te herstellen. Zij verkregen van den gouverneur de herinrichting eener nieuwe burgerwacht, daar de bevelhebber der oude nergens te vinden was. Reeds waren 's namiddags 300 burgers op de Groote Markt vereenigd en gewapend, en hun getal klom 's anderendaags tot 2000; meest alle de Franschen, die zich in groot getal te Brussel bevonden, namen plaats in de rangen der wacht en verkregen, daar zij oud-gedienden waren, een of ander bevelhebberschap. Aan het hoofd werd de volksgeliefde Baron Emmanuel d'Hoogvorst geplaatst, onder wiens bevelen de dappere generaal Van der Smissen en de oud-officier uit Oost-Indie, Karel Pletinckx, stonden; beiden vroeger uit den dienst getreden, de eerste wegens eene beenbreuk, de andere bij gebrek aan bevordering.
De benden van het gepeupel achtervolgden eischend en dreigend de burgerwacht, zoodat den 27en 's avonds, bij het zicht der nieuwe gewelddaden dezer plunderaars en brandstichters, twee burgernachtronden op hunne woeste groep schoten, wat hun niet weinig schrik inboezemde.
Het gemeentebestuur, dat overigens even min kloekmoedigheid betoonde als de regeeringspersonen, had nochtans de belasting op het gemaal afgeschaft. Baron d'Hoogvorst en Graaf de Bijlandt vaardigden den 28en, wanneer de rust eenigszins hersteld was, elk eene proclamatie uit, waarin beloofd werd dat, "zoolang de goede orde, welke door de burgerwacht gewaarborgd was, niet gestoord werd, de versterkingstroepen die men verwachtte, de stad niet zouden binnendringen." Dat was eene capitulatie voor de muiters.
Reeds waren de overheden zonder invloed; zij hadden niets meer te zeggen; het kwartier-generaal der burgerwacht oefende reeds feitelijk de macht uit; de hoofden der wacht weigerden zelfs met minister Van Gobbelschroy te onderhandelen; en de dagbladschrijvers der oppositie, Jottrand, Ducpetiaux en Lesbroussart, steunende op de misnoegden die grondwettelijke vrijheden wilden veroveren en de Hollandsche overheersching afschudden, leidden op 't Stadhuis de handelingen van Baron d'Hoogvorst. Den 28en 's avonds vergaderden op 't stadhuis 50 notabelen, onder welke talrijke edelen als de twee De Merode's, graaf de Lalaing, de twee d'Hoogvorsten; Baron de Secus, afgevaardigde, werd tot voorzitter en Sylvain Van de Weyer tot secretaris gekozen. Buiten de tusschenkomst van den gouverneur of van den gemeenteraad stelden zij een Adres aan den Koning op, waarin zij, verre van te denken aan een voorstel van scheiding tusschen Belgie en Holland, eenvoudig den vorst bezwoeren de eischen der Belgen in te willigen, en verklaarden "dat indien de natie niet gerustgesteld werd, niets aan de goede burgers van Brussel verzekerde, dat zij zelf geene slachtoffers hunner pogingen tot rustherstelling zouden worden."
Aldus had de triomf van de Oppositiepartij, die den Brusselschen adel en de burgerij beheerschte, op de Fransche bent en het gepeupel, aan den oploop een gansch ander karakter weten te geven: men deed de gewelddaden eeniger roofzieke en aangehitste benden voor den wettigen opstand van eene recht eischende bevolking doorgaan! De staf der wacht wilde uit den stand der zaken partij trekken, om zijne eischen te doen gelden; de raad der notabelen neemt, zonder eenig recht, openlijk de leiding der beweging: 't is op dit oogenblik dat de omwenteling eigenlijk begint.
* * * * *
Het Adres werd toevertrouwd aan een afvaardiging samengesteld uit Felix de Merode, J. d'Hoogvorst en Rouppe, twee oud-burgemeesters van Brussel, en (o wonder!) S. Van de Weyer en A. Gendebien, welke laatste bij het vernemen der gebeurtenissen te Brussel, in allerijl uit Bergen teruggekeerd was en zijn reis naar Parijs had opgegeven.
Koning Willem, diep getroffen bij het nieuws over het gebeurde te Brussel, was uit Het Loo naar Den Haag geijld, om te beraadslagen met de prinsen en de ministers. Van Maanen raadde de onderdrukking door het geweld aan; de prins van Oranje verklaarde zich voor toegeving en verzoening genegen. Men besloot 6000 man op marschpas, onder het bevel der twee prinsen, naar Brussel te zenden en ook de Staten-Generaal voor 13en September samen te roepen. Die halfslachtige maatregel, door Willem's gewone besluiteloosheid ingegeven, werd nog verergerd door het feit, dat hij geen bepaalde volmacht aan den prins van Oranje verleend had. Na een dag te Antwerpen verloren te hebben, kwamen beide zonen van Willem hun hoofdkwartier te Vilvoorde vestigen, in plaats van op Brussel te rukken (30en Augustus).
Het langzame naderen der troepen, de verbijstering en de werkeloosheid der overheden, de stoutmoedigheid der dagbladen der oppositie, de koenheid van zekere leiders, die reeds van een Voorloopig Bewind durfden spreken, het nieuws van den opstand te Luik, waar men de Luiksche kleuren liet wapperen, en van het oproer te Verviers en te Leuven brachten in de hoofdstad eene altijd aangroeiende gisting teweeg: hoe meer de Regeering aarzelde en zich achteruittrok, hoe grooter de eischen werden.
's Anderendaags ontboden de twee prinsen in hun kamp, niet den gouverneur of den burgemeester, maar Baron d'Hoogvorst, bevelhebber van de burgerwacht. Hij kwam met generaal Van der Smissen en de twee burgerlijke raadgevers van den staf, Van de Weyer en Rouppe, en noodigde ze uit om zich alleen onder hun geleide naar Brussel te begeven. Maar de prinsen eischten de verwijdering der Brabantsche kleuren en den intocht hunner troepen binnen Brussel. Toen d'Hoogvorst die eischen van op 't Stadhuis liet afkondigen, weerklonk uit de menigte de kreet: "Te wapen! naar de barricaden!" 8000 man namen de wapens, de winkels werden gesloten en de kassijsteenen in de straten uitgebroken, door degenen die dat kunstje te Parijs geleerd hadden! Eene tweede afvaardiging onder Baron de Secus' geleide trok in den avond nog naar Vilvoorde, om de prinsen over te halen geen gewapenden aanval tegen de hoofdstad te ondernemen. Na twee lange uren bespreking, stemde de prins van Oranje er in toe, onder waarborg van zijn persoon en zijne vrijheid, alleen door zijn staf vergezeld, binnen Brussel te komen; de burgerwacht zou worden uitgenoodigd hem te gemoet te gaan; de kroonprins rekende op zijne populariteit om de gemoederen tot rust te brengen en zich op te dringen. Maar een bittere teleurstelling wachtte hem: niet alleen werd hij ijskoud onthaald, hoorde te allen kante het geroep: Leve de vrijheid! dreunen, zag slechts overal de Brabantsche kleuren, ontwaarde alleen verwoede gezichten, maar aan 't stadhuis gekomen werd hij zelfs bedreigd en moest zijn paard over eene barricade doen springen om zijn Paleis te bereiken. Zijn ridderlijke moed kon niemand meer bewegen! Niettegenstaande den aanslag tegen hem gericht, besloot hij Brussel niet te verlaten vooraleer eene verzoening bewerkt te hebben. Met dat doel vaardigde hij eene proclamatie uit die de bevolking aanmaande om de orde te handhaven, haar belovende dat de troepen niet zouden binnentrekken. Daarna benoemde hij eene commissie, onder voorzitterschap van den oud-minister hertog van Ursel, gelast om met hem de geschikte maatregelen te treffen, doch hij beging de ongelooflijke fout, op aanraden van Baron d'Hoogvorst, er ook Sylvain Van de Wever en Rouppe in op te nemen.
Dienzelfden dag kwamen de afgevaardigden uit Den Haag terug; het onthaal van het Hollandsche volk was zoo vijandig geweest, dat men een oogenblik mocht vreezen voor hun leven. Op hun aandringen tot invoering der ministerieele verantwoordelijkheid, verwijdering van minister Van Maanen, rechtmatigheid in de benoeming der ambtenaren en in de verdeeling der Staatsinstellingen, antwoordde hun Willem ontwijkend dat hij geen beslissing kon nemen, die den schijn zou hebben afgedwongen te zijn. Tot tranen bewogen, zeide hij: "Ik wil niet het bloed mijner onderdanen doen stroomen; ik heb een afschuw van bloedvergieten. Maar ik zou Europa tot spot verstrekken, indien ik met het pistool op de keel, week voor onzinnige bedreigingen, voor klachten en grieven, die alleen bestaan in de verbeelding van eenige ruststoorders." De vorst beloofde echter een buitengewone bijeenkomst der Staten-Generaal tegen 19en September. De minister La Coste hoorde zelfs met welwillendheid Gendebien's programma eener vreedzame oplossing aan, door L. de Potter reeds vroeger in een brief aan den Koning voorgesteld, namelijk _de onmiddellijke scheiding van Belgie en Holland_, met den prins van Oranje als onderkoning of luitenant-generaal. Dit werd het ordewoord der omwenteling. Nog in den nacht van len tot 2en September zocht Gendebien, die, naar aanleiding van de zending naar Den Haag, in 't Paleis in gehoor ontvangen was, den prins tot dit denkbeeld over te halen, en durfde hem voorstellen om hem den volgenden middag als Koning der Belgen te doen uitroepen. Prins Willem wees dit voorstel van den huichelaar met verontwaardiging af: "Het nageslacht, sprak hij, zal niet zeggen dat een Nassau de kroon van zijns vaders hoofd rukte om ze op het zijne te plaatsen;" hij wilde geen ander rol vervullen dan die van bemiddelaar.
's Anderendaags wandelde de prins in de Warande en in de omstreken; de stad scheen rustig; hij gaf een groot gastmaal aan de voornaamste overheden, onder welke ook d'Hoogvorst met zijne twee adjudanten, Rouppe en Van de Weyer; in den avond kwam de bevolking, opgeruid door enkele Fransche en inlandsche muiters, weer in beroering. Op de Groote Markt kreet men tegen het niets-zeggend Verslag door de afvaardiging uit Den Haag meegebracht; men scheurde het van de muren en verbrandde het met eene Proclamatie der Raadgevende Commissie, die kalmte en vertrouwen aanbeval.
Den 3en September ontving de Prins de te Brussel aanwezige leden der Staten-Generaal, waaronder degenen die pas uit Parijs teruggekeerd waren. Zij achtten zich geoorloofd te verklaren, dat Belgie's vurigste wensch de volledige scheiding tusschen de Zuidelijke en Noorderlijke provincies was, zonder andere gemeenschap dan het regeerend stamhuis, en dat, niettegenstaande de opgewondenheid der gemoederen, het behoud van het vorstenhuis het eenparig verlangen der Belgen bleef. In dezen zin had ook de Raadgevende Commissie eenparig gestemd. Om 11 uur kwam d'Hoogvorst, de opperbevelhebber der burgerwacht, omringd door zijne officieren, verklaren dat hij niet langer voor de veiligheid van den prins borg kon staan, en verzocht hem Brussel te verlaten; hij drong insgelijks aan op den aftocht der troepen en op het toestaan der bestuurlijke scheiding.
De prins aarzelde; doch het nieuws van den opstand van Leuven dat zijn garnizoen verjaagd had, en de aankomst der voorwacht der Luiksche vrijwilligers gaf hem de overtuiging dat hij aan den wassenden stroom niet langer zou kunnen wederstaan. Nochtans, vooraleer met minister Van Gobbelschroy en den hertog van Ursel bij zijnen vader naar den Haag te vertrekken om eene verzoening te bewerken, deed hij door de Burgerwacht en den Staf een proclamatie onderteekenen, waarin zij zich "op hunne eer verbonden, geene verandering van dynastie te dulden en de stad, bepaaldelijk de paleizen, te beschermen;" dit belangrijk document werd onderteekend, onder anderen door Sylvain Van de Weyer, Rouppe, Jolly, graaf Van der Meenen en Van der Linden d'Hoogvorst. Alsdan beval de prins aan de troepen van 't Paleis, Brussel voor Vilvoorde te verlaten en aan die van generaal Trip, hunnen aantocht op Leuven te staken.
Op dit oogenblik was dit gedrag van Oranje, hoe eerlijk en ridderlijk ook, eene grove fout. Hij had bemerkt hoe de overheden overrompeld waren; alleen zijne aanwezigheid, zelfs nog zonder krachtdadig optreden, was eene bemoediging voor de ware patriotten, die een overeenkomst met het huis van Oranje wilden sluiten, en een waarborg voor de rust; zijne afwezigheid integendeel versterkte de bent der wachten en der Fransche woelmakers in hare stoutmoedigheid.
* * * * *
Wij hebben gezien hoe de beweging het gansche land aangestoken had. Om dezelfde reden als te Brussel, namelijk de laatdunkendheid en het plichtverzuim der ambtenaren, gelukte het aan een groepje heethoofden gisting onder het volk te verwekken en langzamerhand de burgerij en den adel in haren opstand mede te sleepen. Kolonel Gaillard werd met zijne troepen uit Leuven verjaagd; te Verviers wapperde een oogenblik de Fransche vlag; honderden vrijwilligers vertrokken naar Brussel, uit Bergen, Doornik en Namen; alleen Gent en Antwerpen, waar de groothandel en de grootnijverheid van een oproer veel te duchten hadden, bleven rustig. Maastricht werd in bedwang gehouden door haren krachtdadigen bevelhebber Dibbits. Niet zelden gingen de opstootjes met roof en brand gepaard.
Te Luik staat de verbijsterde gouverneur Sandberg, door een onbehendig akkoord met de oproermakers, zijne overheid letterlijk in handen van den jongen advocaat Charles Rogier af, door hem toe te laten eene vrijwillig gewapende macht te vormen om de rust in de stad te handhaven, terwijl Generaal Van Boecop met de bezetting in de citadel zou blijven. Door zijn populariteit weet Rogier het gepeupel in bedwang te houden en de plundering te beletten. Maar weldra willen eenige der Luiksche vrijwilligers naar Brussel trekken; Rogier wordt met de pistool op de borst gedwongen zich aan hun hoofd te stellen, en gaat naar de hoofdstad met 300 Luikenaars en een paar kanonnen. De aankomst der Luiksche troepen te Brussel bracht de opstandelingen en niet het minst de Franschgezinde partij in geestdrift (7en September). De verdediging der stad tegen den terugkeer der Hollanders werd stelselmatig ingericht; barricaden werden opgeworpen of voleindigd door de ingenieurs Roget en Teichman. Uit de provincieplaatsen kwamen voortdurend aanbiedingen van vrijwilligers aan: Aalst bood 700, Ninove en omstreken 1500 man; de Borinage, met 15,000 mijnwerkers, was heel en al bereid: Dendermonde en Charleroi vroegen dat men aan hunne bezettingen de kanonnen zou gaan ontnemen en beloofden den steun der bevolking; maar ook de vreemdelingen te Brussel aanwezig, 4000 Franschen, benevens Spanjaarden, Italianen, Engelschen, stelden zich ten dienste der revolutionnaire leiders. Overigens stroomden voortdurend nieuwe Franschen toe, onder welke talrijke agenten van de Clubs van Parijs.