Vlaamsch Belgie sedert 1830 Eerste Deel

Chapter 8

Chapter 83,435 wordsPublic domain

Priester De Foere uit Brugge, beticht ophitsende artikels in zijn Fransch tijdschrift te hebben geschreven, werd, krachtens het besluit van 20en April 1815, tot twee jaar gevangenis veroordeeld (21en Maart 1817).

Die onpolitieke daad werd vijf dagen later door een bevel van aanhouding gevolgd, door den procureur-generaal tegen bisschop De Broglie uitgevaardigd. De bisschop vluchtte naar Frankrijk; zijn proces werd bij gebrek aan een Hooger Gerechtshof door een Voorloopig Hof beoordeeld. Hij werd bij verstek tot de deportatie verwezen om zich tegen de aflegging van den eed verzet te hebben en zonder oorlof in briefwisseling met den Paus getreden te zijn (8en November 1817). Om zich over zijne ontvluchting te wreken, liet de regeering zijn vonnis te Gent, op eenen marktdag, tusschen twee tentoongestelde misdadigers aan de kaak aanplakken. Dit was de aanhangers van den bisschop nutteloos uitdagen; daarmee vernielde men den goeden indruk door het rechtmatige vonnis tegen hem teweeggebracht, en de verbannen prelaat won veler genegenheid. Dit bleek klaar, toen de regeering de met De Broglie in briefwisseling staande vicarissen-generaal van Gent wederrechtelijk voor het tribunaal daagde: zij zag ze vrijspreken en het gepeupel het vonnis met luid gejubel begroeten.

De dood van den strijdlustigen prelaat (20en Juli 1821) bracht dadelijk eene verzoening met de geestelijkheid teweeg. Na zes jaren strijd legden de vicarissen-generaal van Gent den voorwaardelijken eed af, en een menigte priesters volgden dit voorbeeld.

Het scheen dus dat de Koning en de katholieke geestelijkheid voortaan in vrede gingen leven; maar in Vlaanderen zetten de priesters in 't geniep hunne kuiperijen tegen de regeering voort en verspreidden ondanks de waakzaamheid der overheden ontelbare libellen onder het volk; de onhandige besluiten van 1825 zouden den strijd hardnekkiger dan ooit aanvuren.

Gedurende dien wapenstilstand tusschen Kerk en Staat, waren er, door de onbehendigheid van de regeering, andere oorzaken van misnoegdheid ontstaan. Gansch Belgie door morde men, omdat de Zuid-Nederlanders benadeeld werden in het verleenen van de openbare ambten. Men had opgemerkt dat er in 1815 onder de ministers slechts een Belg, de hertog van Ursel, aan het departement van den Waterstaat aangesteld, was; wanneer hij dit ambt in 1819 neerlegde, werden al de Belgische ingenieurs, door hem benoemd, vervangen door Hollanders. Al de hoogere ambten in het diplomatisch korps, in het leger, eigenden deze laatsten zich toe; ook in alle burgerlijke betrekkingen genoten zij de voorkeur. Men wees er op, hoe de voornaamste instellingen van de regeering en van het bestuur in het Noorden gevestigd waren; het was kenmerkend hoe, alle twee jaren, bij de verplaatsing van de Staten-Generaal naar Brussel (art. 98 van de Grondwet), het Hof, de Staatsraad en de ministers wel tijdelijk verhuisden, maar de bureaux in den Haag bleven en de overgekomen beambten reis- en verblijfkosten ontvingen, als waren zij in den vreemde. Voor het overige gedroegen zich de Hollandsche ambtenaren, namelijk in het verachterde Vlaamsch-Belgie, waarop zij met minachting neerzagen, met eene trotsche stijfheid, die hun de sympathie van de bevolking ontnam en hevige verbittering tegen de "Kaaskoppen" deed ontstaan.

* * * * *

Intusschen vleide zich de Koning met het denkbeeld dat hij de gunst en de dankbaarheid der zuidelijke bevolking zou winnen, met zich in te spannen voor hunne oeconomische belangen. Hij gebruikte de Hollandsche koopvaardijvloot om de talrijke producten der Belgische nijverheid naar den vreemde en vooral naar de Nederlandsche kolonien uit te voeren. Daarom moesten havens ingericht worden. De Scheldekaai en de Stapelplaats in Antwerpen werden voltooid; het getal binnengeloopen schepen steeg tusschen 1818 en 1829 van 585 tot 1028; ook te Oostende kwamen jaarlijks meer dan 500 vaartuigen binnen. De eerste stoombooten verschenen op de Schelde reeds in 1824. Van Gent naar Terneuzen werd eene breede vaart (1825-1827) gegraven, die aan de eerste stad eene prachtige haven schonk sedert het aanleggen van de dokken. Het kanaal van Pommeroeul naar Antoing liet de koolschepen toe van de Hene naar de Schelde te varen, zonder op Franschen bodem te gaan, het Zuid-Willemskanaal (1822) bracht Maastricht met 's Hertogenbosch in verbinding, en de vaart van Charleroi naar Brussel zou weldra Rupel en Samber verbinden. Overal werden steenwegen door het land getrokken om het vervoer te vergemakkelijken, en dusdoende handel en nijverheid te bevoordeeligen.

In 't algemeen mag men zeggen dat de Koning, wat de stoffelijke belangen betreft, Belgie meer begunstigde dan Holland. Om Engelands mededinging op Insulinde te kunnen weerstaan, gaf het handelshuis gebroeders De Smet te Gent aan de regeering den raad om de invoerrechten op de Engelsche manufacturen in Java te verhoogen, en terzelfdertijd onze nationale scheepvaart en handel krachtig te steunen. Einde Maart 1824 kwam de _Algemeene Handelsmaatschappij_ tot stand, met een fonds van 37 millioen, waarvan 4 door den Vorst zelf ingeteekend. Zij stelde zich tot doel den uitvoer te vergemakkelijken door uitsluitend nationale schepen te gebruiken, en zoo ziet men den handel, die in 1824 de som van 215 millioen gulden bedroeg, in drie jaren tijds tot 350 stijgen.

Deze Handelsvereeniging was de noodzakelijke aanvulling der _Algemeene Maatschappij tot begunstiging der nationale nijverheid_ (28en Aug. 1822), die mijnen en fabrieken tot den heerlijksten bloei ontwikkelde. Dit machtig geNotenchap, gesticht met een kapitaal van 50 millioen, schoot aan de nijveraars aanzienlijke gelden voor. De belangstelling van Koning Willem in John Cockerill's onderneming te Seraing is voldoende bekend. Gent, dat 16,000 spinners en wevers telde, leverde bijna alleen de veertig duizend stuks katoen die Java jaarlijks gebruikte; van 1823 tot 1825 klom het getal textielfabrieken met elf, en in 1830 telde de stad niet minder dan 62 weefgestichten; de Phoenix, eene belangrijke mekaniekfabriek aldaar, werd insgelijks door den Koning gesteund.

Brussel behield het monopolium van weelde- en modeartikels, zooals borduurwerk en lint. Te Verviers en te Dison nam de lakenweverij een nieuwen bloei; de tapijtweverij en het porseleinwerk kwamen weer op te Doornik. Met behulp der regeering verrezen hoogovens met coke te Couvin en te Seraing, en bijzonderen bouwden er te Couillet. Men ontgon de koolmijnen in de Borinage en in het Luikerland met koortsachtigen ijver, en in 1825 bracht de glasblazerij van Val-St-Lambert bij Luik hare eerste kristallen op de markt. Daarbij verspreidde zich snel het gebruik der stoommachines met hooge drukking; Gent bezat er slechts drie in 1819, en tien jaren later reeds 50. Eerst voerden de bijzonderen, kort daarop de stedelijke besturen (1827), de gasverlichting in. Nieuwe nijverheden, als het kaarsgieten en het maken van kunstbronzen, rijzen op, dank zij de milde bescherming van de regeering.

Men mag dan ook zeggen dat het Nijverheidsfonds, dat is het millioen gulden dat de Staten-Generaal jaarlijks ter beschikking van den Koning stelden om de nijverheid te begunstigen, meer bij Belgische dan bij Hollandsche fabrikanten terecht kwam. Dank zij den aanhoudenden uitvoer naar Insulinde was het loon der arbeidende klassen tamelijk hoog, en werk was er bijna altijd verzekerd; bij verplichte staking zag men dikwerf den Koning met aanzienlijke sommen ter hulp der werkloozen komen.

Willem zorgde ook voor den Belgischen landbouw en veeteelt; maar hier stuitte hij op den ouden slenter en op de onwetendheid van de Vlaamsche boeren; echter door de belasting op de vreemde granen konden de inlandsche hunne waarde behouden. Want Willem had de koopwaren, waarvan men er genoeg bezat om ze te kunnen uitvoeren, door middel van zeer hooge invoerrechten beschermd, niettegenstaande den tegenstand van de Hollanders, partijgangers van den vrijhandel. De weefstoffen, de ijzerwaren, de stoomwerktuigen, de steenkolen uit Belgie konden alzoo tegen de vreemde voortbrengselen concurreeren.

De tentoonstellingen der nationale nijverheid te Gent (1820), te Haarlem (1825) en te Brussel (1830) gaven klinkende bewijzen van den nationalen voorspoed. En de cijfers der bevolking, die op den tijd van 13 jaar (1816-1829) van 615 tot 733 duizend in Oost-Vlaanderen en van 519 tot 601 duizend in West-Vlaanderen geklommen was, getuigen genoeg van den stoffelijken vooruitgang.

[Figuur: B. Schreuder]

Willem wilde tegelijk op intellectueel gebied bewerken, wat hij op oeconomisch terrein volbracht had. Wat den Vorst in Vlaamsch-Belgie vooral getroffen had, was de diepe onwetendheid, een gevolg van den rampzaligen achterlijken toestand van het onderwijs. Daar de lagere volksscholen zeer verwaarloosd waren, besloot de Koning in 1815 in Belgie de Hollandsche schoolwet van 1806 toe te passen, waarbij het lager onderwijs, onzijdig en kosteloos, door gediplomeerde onderwijzers gegeven, onder het toezicht van den Staat verstrekt werd. Te Lier werd eene kweekschool voor onderwijzers opgericht, onder het bestuur van den knappen Schreuder, een katholiek onderwijzer uit Holland, die zich schitterend van zijne taak kweet. Weldra was er geen enkel dorp zonder lagere school; in vijftien jaar tijds liet Willem's regeering meer dan 1100 schoolgebouwen en 650 woningen voor onderwijzers oprichten, en de vier duizend Staatsscholen telden op het einde meer dan drie honderd duizend leerlingen. Volgens een ministerieel verslag van 1826 zouden er, op eene bevolking van zes millioen zielen, nog slechts 240,000 personen aan te treffen zijn, die noch lezen noch schrijven konden. Ruim voorzagen gemeenten, provincien en Staat in het onderwijs en de toelage aan jaarwedden steeg van 158,000 fr. tot 448,000 fr.

Tegelijk was de beurt aan het middelbaar onderwijs. Door het reglement van 25en September 1816 werden, bij de twee nog bestaande keizerlijke lycea te Brussel en Luik, de athenea van Brugge, Gent, Doornik, Antwerpen, Luksemburg, Namen en Maastricht gevoegd. De ingedommelde stedelijke colleges werden heropgebeurd. Van 1818 tot 1825 klom het getal leerlingen van de Latijnsche scholen met een derde, en de colleges en athenea telden in laatstgenoemd jaar 5,500 studenten.

Hetzelfde hooger genoemd besluit van 1816 richtte in het Zuiden drie hoogescholen op, evenveel als in het Noorden; namelijk te Leuven, te Luik en te Gent; het getal studenten klom voor de drie, van 892 in 1820 tot 1557 in 1828. Naast talrijke Belgen waren aan de hoogescholen als professoren aangesteld jeugdige Hollandsche geleerden, zooals Kinker, Thorbecke, Holtius en Ackersdijk, of Duitschers als Warnkoenig, Haus en Biernbaum.

Die prachtige inrichting van het onderwijs was grootendeels het werk van den knappen minister Falck. Voegt men daarbij de lofwaardige pogingen van het bijzonder initiatief, vertegenwoordigd door de machtige vereeniging _Tot Nut van 't Algemeen_, die zich uit Noord-Nederland naar Vlaamsch-Belgie uitbreidde, en in het belang van het volksonderwijs openbare bibliotheken en scholen voor volwassenen stichtte, dan rijst voor ons oog een prachtig tafereel van de verstandelijke wedergeboorte van onze Vlaamsche gewesten.

Om het gebouw te bekronen werd de Brusselsche Academie voor wetenschappen en fraaie letteren, door keizerin Maria Theresia gesticht, maar door de Fransche Republiek afgeschaft, door Willem I opnieuw in 't leven geroepen (18en November 1816) en 't Instituut der Nederlanden schitterde weldra onder de geleerde geNotenchappen van Europa. Hier en daar werden zelfs muziekscholen opgericht; en zoo ook was 't aan Willem te danken, door de stichting der schilderscholen te Antwerpen en te Amsterdam, dat onze Vlaamsche schilderschool omstreeks 1830 met Wappers en anderen mocht herleven. Onnoodig te zeggen hoe dusdoende Willem zich de gunst der liberalen verwierf.

[Figuur: J. R. Thorbecke]

Te Gent werd de _Maatschappij voor Nederlandsche Letterkunde_ (1821) gesticht, en te Brussel het _Museum voor Natuurwetenschap en Geesteswetenschappen_. Scholen voor handwerkkunst, gestichten voor doofstommen, benevens talrijke inrichtingen van weldadigheid, volledigden het stelsel. De bedelarij, een der plagen van 't land voor de vereeniging met Holland, werd, door toedoen van de _Maatschappij van Weldadigheid_, door 's Konings initiatief in 1821 gesticht, derwijze ingekrompen dat men weldra in het koninkrijk der Nederlanden niet meer dan 46,000 noodlijdenden telde, met de gevangenen, krankzinnigen en vondelingen inbegrepen.

* * * * *

Dit heerlijk gebouw voor geestesontwikkeling werd geenszins geevenaard door dit der wetgeving. Anti-franschgezind en anti-revolutionnair, wilde Willem de laatste sporen der Fransche overheersching alhier doen verdwijnen. Alhoewel Napoleon's wetboek in 't Zuiden bepaald ingeplant was, beschouwde hij het, met de Hollandsche rechtsgeleerden, als slecht en gevaarlijk. Nochtans bleef het volgens art. 2 der Grondwet, in gebruik tot verdere schikking. Doch de besluiten van het Verbrekingshof te Parijs hielden op rechtsgezag te hebben in Nederland. Overigens, volkomen ingenomen met de Hollandsche landswetten, toonde hij weldra zijn neiging om tot dezelve terug te keeren. Den 21en Augustus 1814 herstelde een besluit de stokslagen in 't leger; wij hebben gezien hoe den 6en November de jury afgeschaft was geworden alsook de openbaarheid van het rechterlijk onderzoek. Het ontwerp door 't ministerie in 1820 ingediend, tot verandering van het Burgerlijk Wetboek, leed schipbreuk voor de krachtdadige verdediging der Fransche wetgeving door de twee Belgische afgevaardigden Dotrenge en Reyphins; men vergenoegde zich dus met de volgorde der artikels van het _Code Napoleon_ te veranderen en er een onbeholpen Nederlandsche vertaling van te geven. Wij zullen verder zien hoe deerlijk insgelijks het ontwerp van een Strafwetboek, met echt middeleeuwsche bepalingen doorspekt, in 1827 moest ingetrokken worden.

Hooger heeft men gelezen, dat ofschoon art. 227 der Grondwet de vrijheid van drukpers uitriep, het draconisch reglement van 20en April 1815 de persmisdrijven, in zeer vage bewoordingen aangeduid, op zeer strenge wijze strafte: een buitengewoon bijzonder Hof was gelast de betichte dagbladschrijvers te vonnissen. Onder de drukking der Groote Mogendheden werd den 28en September 1816 de _Wet der 500 gulden_ gestemd: zij bedreigde met een boete van dit bedrag, en bij hervalling met een gevangenzetting van een tot drie jaar, al degenen die vreemde vorsten aanvielen of gispten. Op deze wijze kon men voortaan alles als persmisdrijf bestempelen.

Priester De Foere had, gedurende De Broglie's moeilijkheden, zijn vranke schrijven met twee jaar gevangenis moeten bekoopen. Wel is waar werd door eene wet in 1818 de bijzondere vorm van procedure van het besluit van 1815 afgeschaft; de drukpersovertredingen zouden in het vervolg voor de gewone en niet meer voor buitengewone rechtbanken gebracht worden, maar de strenge straffen werden behouden.

In 1819 deed de regeering den schrijver Van der Straeten een geruchtmakend proces aan, daar hij haar in zijn vlugschrift: _De l'Etat actuel du Royaume des Pays-Bas_, gelaakt had; doch eene openbare inschrijving kwam de boete van 3000 gulden dekken waartoe hij veroordeeld werd. Vier jaar later werd die publicist opnieuw vervolgd en in de gevangenis opgesloten voor zijne snedige artikels in zijn blad _L'ami du roi et de la patrie_; ziek gevallen, stierf hij drie dagen na het vonnis, en dit nieuws verwekte het land door eene hevige ontroering. Onophoudend werden de dagbladen der oppositie vervolgd; en alhoewel zekere dezer vonnissen gewettigd waren, als de veroordeelingen van Ph. Lesbroussart en pastoor Zinzerling, had de handelwijze der regeering, die rondom sommige zaken te veel gerucht maakte, of aan andere, onbeduidende gevallen te veel gewicht en belang bijzette, tot gevolg dat de veroordeelden in de oogen des volks met de martelaarskroon omstraald glinsterden.

Willem's pogingen om eene "nationale" taal in te voeren verwekten ook hevigen tegenstand. Gewis spraken ongeveer vier millioen en half van zijn onderdanen op zes Hollandsch of Vlaamsch; maar in de Zuidelijke Nederlanden was van lieverlede het Fransch de gewone taal der zaken en der openbare instellingen geworden; de hoogere klassen, zelfs in Vlaanderen, gebruikten deze bijna uitsluitend; zij was ook de taal der ontwikkelden: advocaten, notarissen, geneesheeren, die in deze spraak hunne studien hadden gedaan. Overigens, gedurende het twintigjarig Fransch regime was alleen het gebruik van 't Fransch wettelijk geweest. In Vlaanderen zelf vond in 't algemeen het gebruik der beschaafde Nederlandsche taal weinig bijval; men hield van het gebruik der Vlaamsche dialecten; men legde, en zoo deed nog de _Gentsche Almanak_ van 1823, den nadruk op het verschil tusschen Hollandsch en Vlaamsch. De geestelijkheid bijzonderlijk beweerde dat het Hollandsch, zelfs door geleerde en onberispelijke personen geschreven, altijd de kiemen der ketterij in zich droeg..

Willem begon met in October 1814 een decreet uit te vaardigen waardoor het gebruik der talen vrij verklaard werd, als tijdens het Oostenrijksch bestuur. Niettegenstaande de vermaningen van Hogendorp, die den koning tot voorzichtigheid aanspoorde, besliste eene koninklijke verordening van 15en September 1819, dat van af 1en Januari 1823 de "nationale taal" -- die voorzeker die niet was van de Waalsche gewesten -- in de provincien Limburg, Oost- en West-Vlaanderen en Antwerpen de eenige taal van het ambtelijk verkeer zou wezen; bij arrest van 26en October 1822 werd deze bepaling uitgebreid tot de steden en gemeenten van de arrondissementen Brussel en Leuven; de ambtenaars die na den vastgestelden termijn de Nederlandsche taal niet machtig zouden zijn, zouden naar het Fransch gedeelte verplaatst worden.

Daargelaten nog de woede der in de Vlaamsche gewesten gevestigde Walen wien men aldus eene onbekende taal opdrong, verhief zich bij de afkondiging dier besluiten een storm van protesten, voornamelijk van wege de Vlaamschonkundige advocaten, de Waalsche studenten der Hoogescholen of al degenen die zich tot de openbare ambten voorbereidden zonder het Vlaamsch te willen kennen. Talrijke zonen van begoede Belgische familien zagen zich aldus een loopbaan sluiten die zij reeds betreden hadden of gingen betreden.

Het taalverschil veroorzaakte menige wrijving in het Parlement evenals in het leger. Terwijl de Zuidnederlandsche afgevaardigden, waaronder Vlamingen, die slechts een dialect en niet de beschaafde omgangstaal kenden, zich bijna uitsluitend van het Fransch bedienden, begonnen vele Hollandsche vertegenwoordigers met opzet het Nederlandsch te gebruiken bij alle besprekingen, morrende wanneer de vertaling door de Vlaamsch-onkundigen geeischt werd. Ook zag men Hollandsche soldaten met hunne makkers van het Zuiden handgemeen worden; de Hollandsche sergeanten kwelden de Vlaamsche recruten, en gaven soms aan de Waalsche arrest wegens hunne onkunde van het Vlaamsch.

Die wassende afkeer tusschen Noord en Zuid had, nog voor 1820, bij klaarziende toeschouwers de onmogelijkheid van de versmelting van de beide volken doen inzien, en hen doen besluiten dat de redding in eene federatie lag, waarin Belg en Hollander hunne zelfstandigheid zouden bewaren.

* * * * *

De toestand werd nog door noodlottige toevallen verergerd. Het verschil tusschen de stoffelijke belangen van Holland en Belgie, door den financieelen toestand van de twee landen nog grooter gemaakt, zou weldra aanleiding geven tot het eerste openbare geschil tusschen beide volken.

Volgens latere berekeningen, bezaten de Zuidelijke Nederlanden, in 1814, eene schuld van omstreeks 100 millioen gulden. De Hollandsche Staatsschuld, integendeel, was zoo groot dat Napoleon, toen hij Holland in 1810 bij zijn Keizerrijk binnenpalmde, door een soort van bankroet, geweigerd had de twee derden er van te erkennen. Willem wilde die oneerlijkheid niet bekrachtigen, en om de schuldeischers van den Staat te voldoen, nam hij zijn toevlucht tot een voor de Staatskas zeer nadeelig stelsel: de oude schuld werd verdeeld in werkelijke schuld voor een derde, en uitgestelde schuld, zijnde deze de door Napoleon afgeschafte twee derden. Mits eene storting van 100 gulden per titel van 45 gulden rente, erkende men aan drager, vooreerst 2000 gulden kapitaal in werkelijke schuld die eene jaarlijksche rente van 50 gulden opbrachten, en daarbij 4000 gulden in uitgestelde schuld, die door jaarlijksche trekking tot de loopende schuld overgingen. Door dit erbarmelijk stelsel bevond zich Holland in 1815 voor eene werkelijke schuld van 573 millioen en eene verdaagde van 1 milliard. Nu, volgens 't Verdrag der acht artikelen en de Grondwet van 1815 moest Belgie natuurlijk de helft dezer schuld dragen.

Een amortisatiefonds werd in 1816 in 't leven geroepen; men kon voorzeker de begrooting der Staatsuitgaven merkelijk verminderen, maar de schuld vermeerderde van jaar tot jaar; in 1820 was de werkelijke schuld reeds met 50 millioen gulden vermeerderd en tien jaar later betaalde de Staat jaarlijks nog 10 millioen gulden meer aan zijne schuldeischers. Nu, 't was de Koning zelf die zich door de Grondwet het opperbestuur van 't Geldwezen had doen toevertrouwen; elk toezicht over de financien was verder onmogelijk ter oorzake van de tienjarige begrooting. Dit toezicht werd nog verminderd toen de vorst het _amortisatie-syndikaat_ schiep, een vereeniging van kapitalisten belast met het onderhoud van wegen, bruggen, vaarten en mijnen en de ontvangst hunner rechten; dat geheim beheer werd zeer erg besproken.

Om het deficiet te dempen moest de Regeering voortdurend naar nieuwe geldmiddelen uitzien, en schiep tolrechten en belastingen. Overweegt men nu den aard der beide landstreken, het Zuiden agrarisch en industrieel, het Noorden handeldrijvend, zoo ziet men dat hunne belangen regelrecht tegen malkaar in strijd waren. Den vrijhandel in Belgie uitroepen was landbouw en nijverheid dooden; beschermende rechten in Holland opleggen was handel en scheepvaart stremmen. Er bestond aldus een noodzakelijke mercantiele naijver. In dien nood begon Willem met de invoerrechten op vreemde koopwaren en gemaakt werk, die aan de Belgische nijverheid zulke hooge vlucht gaven, uit te schrijven (25 tot 30%); in 1819 deed hij zelfs, trots den tegenstand der Hollandsche groote kooplieden, eene belasting op suiker en koffie stemmen. Maar gehoor gevende aan de klachten die hem van wege de handelsaristocratie uit 't Noorden gewerden, veranderde in 1821 de Koning plots van zienswijze.

Tot dan toe hadden de Belgische afgevaardigden in de Staten-Generaal eene tamelijk lijdzame rol gespeeld; zij hadden geen ander verlangen dan den nieuwen Staat te versterken, en de tegenstand van de meesten was altijd kalm en hoffelijk geweest. Doch bij het zicht van de nieuwe handelspolitiek en het nieuwe belastingstelsel der Regeering, greep er een plotselinge ommekeer in hunne houding plaats, zoodat de donkere voorspellingen over de ontbinding der Nederlanden, van een pessimist als den Oostenrijkschen afgezant Binder, zich weldra dreigden te verwezenlijken.