Vlaamsch Belgie sedert 1830 Eerste Deel
Chapter 7
Op intellectueel gebied veel hooger staande, beschouwden de Hollanders de Belgen geheel als ondergeschikten, en deze houding kwam het verschil in karakter nog verscherpen.
Terwijl benoorden den Moerdijk taal en zeden van zuiver Germaanschen aard gebleven waren, hadden, sedert de 16e eeuw, in het Dietsche zoowel als in het Waalsche gedeelte der Zuidelijke Nederlanden, Fransche taal en Fransche zeden de hoogere klassen veroverd; en die invloed van het naburige Frankrijk was niet weinig versterkt gedurende de twintigjarige overheersching van de Republiek en van het Keizerrijk. In scholen, gerechtshoven, bestuur, vergaderingen, vereenigingen, dagbladen, openbare of private briefwisselingen zwaaiden in de Vlaamsche gewesten de Fransche spraak en de Fransche denkbeelden onbetwist den schepter.
De Hollander, aan de voorvaderlijke levensgewoonten getrouw gebleven, was stijf, koel, plechtig en teruggetrokken; de Belg, onder Franschen invloed beweegbaar en losser in handel en wandel geworden, was van de moderne denkbeelden die de Fransche Omwenteling met zich gevoerd had, doordrongen; daarom ook werd de Fransche wetgeving in 't Zuiden met genoegen onthaald, terwijl men ze in 't Noorden beschouwde als eene "nieuwigheid" door den overweldiger opgedrongen.
Even stoer stonden tegenover elkander de dweepzieke Katholieken van 't Zuiden en de bekrompen Calvinisten van 't Noorden; de laatsten overtrotsch om hunne onmiskenbare verstandelijke superioriteit, de eersten fier op hunne zegepraal tegenover Jozef-de-Tweede's liberale hervormingen, en tevens bereid om, na hunne lange onderwerping tijdens het Fransch bestuur, de overhand van hunnen godsdienst te herstellen.
Die verschillen, waarbij nog moet gevoegd worden de tegenstelling der staathuishoudkundige belangen van beide landen -- handeldrijvend en dus voorstanders van vrijen in- en uitvoer in 't Noorden, levend van nijverheid en landbouw en daardoor beschermingsgezind in 't Zuiden -- waren oorzaak dat er weinig neiging tot vereeniging bestond bij de Belgen, tenzij bij zekere ontwikkelde lieden; zoodat de onhandige pogingen van de enkele Orangisten, die de openbare meening tot de vereeniging moesten voorbereiden tijdens het voorloopig bestuur van den hertog van Beaufort, de zaak van prins Willem bijna in gevaar brachten.
Machtig integendeel was de Fransche partij, gesteund door de regeering van Lodewijk XVIII, die de hereeniging met Frankrijk wenschte. Zij was uit zeer uiteenloopende bestanddeelen samengesteld. Zij bestond ter eener zijde uit de partijgangers der Fransche denkbeelden. Deze stonden in bewondering voor het regeeringsstelsel door de Republiek ingevoerd, dat in Belgie aan de verschillende grondgebieden, aan de afwisselende locale gewoonten en verouderde rechtsgebruiken, de eenvormigheid van bestuur, wetboeken en rechtbanken, benevens de concentratie der openbare machten opgedrongen had. Dan had men de menigte der uit Frankrijk teruggekomen Belgische krijgslieden en ambtenaren die den grooten keizer gediend hadden, en wie het tegen de borst stootte dat hun land onder de heerschappij van het kleine Holland gesteld was. Eindelijk waren daar nog de Fransche ballingen en uitwijkelingen, conventioneelen en bonapartisten, die de vervolgingen van de clericale "Terreur blanche" uit Frankrijk ontvlucht waren.
Een aanzienlijk gedeelte der bevolking, voornamelijk de geestelijkheid en de adel, in een woord, de leiders der Brabantsche Omwenteling die zich later met keizer Leopold verzoend hadden, betrachtte, na den val van Napoleon, den terugkeer van onze provincien onder het Oostenrijksch bestuur. De twee bevoorrechte standen beschouwden die herstelling van het gezag der Habsburgers als innig verbonden met de herstelling van het Oud Regime, waarvan zij droomden.
* * * * *
De ontvluchting van den Corsicaanschen dwingeland uit het eiland Elba bedreigde plotseling het pas gevormde Rijk der Nederlanden. Willem maakte gebruik van de algemeene verwarring in Europa, om zich op 14en Maart 1815 den titel van Koning der Nederlanden toe te kennen. Daarna bezocht hij de Zuidelijke gewesten, waar hij met uitbundige vreugde ontvangen werd: alzoo betoogden de Belgen hoe gelukkig ze waren, van het langdurige Fransche juk verlost te zijn, onder hetwelk zij niets anders dan afpersing, knevelarij, geweldenarij en dwang gekend hadden.
Zonder dralen riep hij 25,000 Belgen te wapen, die in spoed opgekomen en met evenveel Hollanders vereenigd, onder bevel van den prins van Oranje, zijn oudsten zoon, het Engelsch leger van Wellington gingen versterken. De Nederlandsche troepen vochten met leeuwenmoed te Quatre-Bras, en twee dagen later, toen het Fransche Keizerrijk ten onder ging in de vlakte van Waterloo (18en Juni 1815), zei Wellington dat hij hunne dapperheid niet genoeg kon prijzen. Die strijd van Hollanders en Belgen zij aan zij, droeg veel bij tot eene toenadering tusschen beiden. De Nederlandsche Leeuw werd te Waterloo opgericht als een gedenkteeken van Europa's bevrijding en van Nederlands roemrijk aandeel in die overwinning.
Het Congres van Weenen erkende Willem als koning der Nederlanden, als belooning voor zijne krachtdadige tusschenkomst; en door het tweede Congres van Parijs verkreeg hij eene uitbreiding van grondgebied, n.l. het hertogdom Bouillon, Philippeville en Mariembourg (20en November 1815).
Uit een oeconomisch oogpunt was het Rijk, waarover Willem nu heerschte, eene prachtige schepping; nooit was een land zoo plotseling in een zoo voordeeligen toestand geplaatst, want het was tegelijkertijd machtig door de rijkdommen van den grond, den handel en de scheepvaart. Bezat Holland groote havens, waar onophoudend de belangrijke handelsvloot van hare millioenrijke kooplieden de schatten van het weelderige Insulinde of van andere kolonien binnenvoerde, Belgie, met zijne vruchtbare landouwen -- de klassieke grond van landbouw en veeteelt -- met zijne ijzer-, kool- en loodmijnen, door eene nijverige bevolking uitgebaat, vond in zijnen grond de schatten, die Holland op den Oceaan zocht. Beide landen vulden elkander aan.
Overigens, was het volk in twee groote afdeelingen gesplitst en in vele opzichten gescheiden, in andere opzichten hing het samen; er bestond meer dan een overgang tusschen de twee landstreken, dien men tot het vormen van een gemeenschappelijk leven kon benuttigen. Doch evenals alle willekeurig geschapene inrichtingen, bezat dit kunstmatige rijk slechts weinig vastheid op zich zelf, en het moest recht gehouden worden door de talenten van zijn Vorst.
[Figuur: Willem I]
Deze Vorst, wien de moeilijke taak was opgedragen, de samensmelting van deze twee landen te voltooien, bezat groote hoedanigheden. Hij was een toonbeeld van huiselijke en persoonlijke deugden; hij onderscheidde zich door zijne minzaamheid en rechtschapenheid; hij was zeer verstandig en bezat een sterk geheugen.
Willem I streefde er naar, de genegenheid zijner onderdanen te winnen, en verleende op gestelde dagen, iedere week, gehoor in zijn paleis aan groot en klein, arm en rijk. Zeer werkzaam, strekte hij zijne bedrijvigheid uit over bezigheden van zeer uiteenloopenden aard.
Maar de Vorst was ook een man van zaken, dien de geldzucht bijna tot de gierigheid dreef. Zijne verwaandheid over de onfeilbaarheid van zijn oordeel, zijne koppigheid en zijn gemis aan doorzicht, droegen veel bij tot zijne impopulariteit, en zijn bestuur vonden de Belgen des te onverdragelijker, daar hij protestant en Hollander was.
Ziedaar de man van wiens persoonlijk karakter en bestuurlijke begaafdheid het afhing in hoeverre de Hollanders en de Belgen zich broederlijk als zonen van hetzelfde vaderland zouden leeren beschouwen.
De prins van Oranje, de oudste zoon van den Koning, en Wellington's leerling in den krijg, verschilde volkomen met zijn vader wat karakter en denkwijze betreft. Zeer eigenzinnig en, als gemaal eener Russische groothertogin, zeer hoogmoedig, werd hij weldra door den Koning uit het bestuur van het krijgswezen ontzet, en gedurende tien jaren van de staatszaken verwijderd.
Zeer ontwikkeld en zeer geliefd, oefende prins Frederik, Willem's tweede zoon, als grootmeester der Nederlandsche vrijmetselarij, een zekeren invloed uit op de liberale partij in Zuid-Nederland. Het beleid van 't krijgsbestuur werd hem in 1817 opgedragen; doch evenals zijn vader, miste hij bezieling en geestdrift en kon die dus aan anderen niet mededeelen.
Willem koos in den beginne voorname en ervaren mannen als ministers, meest allen Noord-Nederlanders. Maar noch Gijsbert Karel van Hogendorp, een ontwikkeld staatsman, een edel en open karakter, aan wien de koning zijne kroon verschuldigd was en die zeer goed ingelicht was omtrent het bestuur van het land; noch de bekwame en kundige Falck, die inschikkelijker was, noch Van Nagel, noch Roell, konden lang overeenkomen met een Koning, die alles alleen wilde doen en voor de persoonlijke regeering was in den echten zin van het woord.
[Figuur: A. R. Falck]
Hoe kwam het dat in den beginne het bestuur van Willem in 't buitenland geprezen werd als het toonbeeld van een goede liberale regeering? Dit dankte hij aan zijne zelfstandige houding op het Congres te Weenen tegenover de reactionnaire vorsten van Pruisen en Rusland; voorts aan de gastvrijheid die hij aan de bannelingen van alle natien verleende, op het oogenblik dat de Europeesche landen onder de bloedige verdrukking van de vorsten van de Sainte-Alliance zuchtten; en eindelijk aan het schenken van eene Grondwet aan zijne onderdanen.
* * * * *
Uit eigen beweging had Willem, in Maart 1814, een Grondwet aan Holland gegeven. Deze verleende het volk meer vrijheid en meer waarborgen dan in de voormalige Vereenigde Provincien, maar verzekerde ook aan den Vorst een uitgebreider macht dan ooit een stadhouder bezeten had. Dadelijk na de oprichting van de Nederlanden tot koninkrijk, was een commissie tot stand gekomen om de Grondwet te herzien en om de noodige veranderingen er aan toe te brengen, in overeenstemming met den nieuwen staat van zaken (22en April 1815). G. K. van Hogendorp zat die commissie voor, samengesteld uit 12 Hollanders en 12 Belgen. Onder deze laatsten telde men de reactionnaire graven de Merode, de Mean en de Thiennes met den griffier Raepsaet, verder radicalen als Dotrenge en Leclercq, en twee knappe en vooruitstrevende mannen, Gendebien vader en Holvoet.
Hevige redetwisten grepen plaats over de ministerieele verantwoordelijkheid, die verworpen werd ondanks de liberalen. Men kon het ook niet eens worden over de aanduiding van de hoofdstad, Amsterdam of Brussel, en daarom besloot men geene melding hiervan te maken. De nationale vertegenwoordiging vooral was het voorwerp van langdurige beraadslagingen. Niettegenstaande Hogendorp's tegenwerpingen die slechts eene Kamer wenschte, werd, op Raepsaet's voorstel, beslist dat men er twee zou hebben, die den verouderden en volkomen iets anders beteekenenden naam van Staten-Generaal behielden.
De Belgische aanhangers van het Oud Regime vroegen de vertegenwoordiging der drie standen; maar dit was onmogelijk in Holland, waar de abdijen afgeschaft en de ambachtsgilden verdwenen waren. Dan stelden ze voor om den adel en de bisschoppen in de Eerste Kamer te doen treden; dit alweer werd afgestemd en de geestelijkheid hield daardoor op als een bijzondere stand herkend te worden.
Men besloot dat de Hooge Kamer bestaan zou uit 40 of 60 leden, levenslang door den koning benoemd; en de Tweede Kamer uit 55 Hollanders en 55 Belgen gekozen voor 3 jaar door de Provinciale Staten, met jaarlijksche vernieuwing van een derde.
Vruchteloos verzette zich Gendebien tegen de gelijkheid in het getal der afgevaardigden van de Tweede Kamer, omdat Belgie 3 millioen inwoners en Holland er minder dan 2 millioen bezat. Van Maanen antwoordde dat de Vereenigde Provincien sedert twee eeuwen als een zelfstandige Staat bestonden, en het overwicht der Belgen niet zouden dulden, en Hogendorp voegde er bij, dat men het belang der Hollandsche kolonien met hunne millioenen inwoners en de intellectueele ontwikkeling der Noorderprovincien niet uit het oog mocht verliezen. In die omstandigheden werd het voorstel der regeering door al de Hollanders en door twee Belgische afgevaardigden (De Mean en De Merode) aangenomen.
Het was zoo moeilijk om de artikelen te doen aannemen, over de volkomen geloofsvrijheid, over de gelijke bescherming van alle godsdiensten en over de benoembaarheid van alle burgers tot de openbare ambten, dat het noodig was de verplichting in zake gewetensvrijheid in te roepen, door de groote Mogendheden in het Protocol van Londen of Verdrag der acht artikelen den Koning opgelegd; dit werd nu eerst aan de bevolking bekend gemaakt.
Nauwelijks was het ontwerp opgesteld (18en Juli 1815), of de Raad van de Kroon stelde een lijst der Belgische notabelen op, die de Grondwet zouden aannemen of verwerpen. Ze waren ten getale van 1600, een per twee duizend inwoners, en werden benoemd door een soort van bekrachtigende stemming door middel van het algemeen stemrecht. Het ontwerp van Grondwet was, op voorhand, in 't geniep medegedeeld aan de bisschoppen De Broglie van Gent, Pisani van Namen en Hirn van Doornik. Den 28en Juli richtten zij _Eerbiedige Opmerkingen_ tot den Koning, waarin zij de gewetensvrijheid als eene gevaarlijke nieuwigheid bestempelden, en zich beklaagden dat de geestelijkheid, vroeger de eerste stand in den Staat, nu uit de wetgevende vergaderingen en uit de lijst der notabelen gesloten was, en dat zij niet eens het recht bezat de onwaardigen van deze lijst te schrappen. Daar de Koning aan die eischen geen gehoor gaf, besloot de strijdlustige en dweepzieke bisschop van Gent in het perk te treden.
In zijn herderlijken omzendbrief van 2en Augustus verbood hij aan al de notabelen van zijn bisdom voor de nieuwe Grondwet, die de vrijheid van godsdienst en de gelijkheid van de eerediensten waarborgde, te stemmen. Het gevolg was dat, terwijl de Staten-Generaal in Holland eenparig de Grondwet aannamen, de Belgische notabelen, op 18en Oogst 1815 te Brussel vergaderd, met 796 stemmen tegen 527, diezelfde Grondwet verwierpen. In de vier arrondissementen van Oost-Vlaanderen telde men slechts 67 stemmen voor en 168 tegen. Bijna al de ontkennende stemmen waren gegrond op de artikelen 190 en volgende, aangaande de gewetensvrijheid; 126 briefjes hadden dit uitdrukkelijk verklaard.
De Koning, die zulks niet verwacht had, en overigens gebonden was door het Verdrag van Londen, toonde zich erg verbolgen. Nochtans, daar het ontwerp de meerderheid had in de Nederlanden door de eenparige stemmen van de Staten-Generaal in het Noorden, besloot hij over de moeilijkheid heen te stappen. Hij verklaarde dat hij de afwezige notabelen, 280 in getal, als goedkeurende stemmers beschouwde; hij vernietigde het honderdtal ontkennende gemotiveerde briefjes die hij onwettig vond, en na deze zonderlinge berekening kondigde hij af dat de Grondwet aangenomen was (24en Augustus 1815).
De Grondwet verzekerde de vrijheid van persoon, van eigendom en van geweten, en ook, doch slechts in zekere mate, die van drukpers; want een streng besluit, den 20en April 1815 tijdens Napoleon's inval uitgevaardigd, waarbij zekere persmisdrijven, als het verspreiden van valsche geruchten en dergelijke, met brandmerk, zes jaar gevangenisstraf en duizend frank boete gestraft werden, werd niet ingetrokken.
De koninklijke macht was beperkt door eene volksvertegenwoordiging, maar de vorst benoemde de leden van de Eerste Kamer, en in de Tweede Kamer bezaten de afgevaardigden noch het recht van wijziging noch dat van initiatief. Verder bestond er geene ministerieele verantwoordelijkheid; de ministers waren de dienaren van den vorst, niet van de natie.
De begrooting moest door de Staten-Generaal goedgekeurd worden; doch was verdeeld in een buitengewoon budget dat alleen jaarlijks onderzocht werd, en in een gewoon budget waarover slechts alle tien jaren moest gestemd worden, zoodat een toezicht over de financien schier onmogelijk was.
In het rechtswezen had een eenvoudig besluit van November 1814 reeds de jury, die de koning eene instelling der barbaarsche tijden noemde, afgeschaft; en de onafzetbaarheid der rechters was slechts voor lateren tijd beloofd.
Een additioneel artikel bepaalde dat alle gevestigde overheden in hun ambt bleven en alle in zwang zijnde wetten hun kracht behielden, totdat daarin op andere wijze zou worden voorzien. Dit liet, onder 't deksel van wettelijkheid, de deur open voor allerlei willekeur, daar het opstellen van sommige noodwendige wetten op de lange baan werd geschoven.
Men ziet daardoor dat de Vorst zich een aanzienlijk overwicht in de regeering voorbehouden had. Het koninkrijk der Nederlanden was constitutioneel alleen in naam, 't was eene monarchie door eene Grondwet gematigd.
En nochtans was die Grondwet, vergeleken bij hetgeen toen ter tijde op Europa's vasteland gebeurde, zoo vrijzinnig, dat zij in den grond algemeen goed onthaald werd. Zelfs de katholieke De Gerlache keurde ze goed; maar wat de Belgen ergerde, waren de voorwaarden betrekkelijk de gelijkheid van 't getal volksvertegenwoordigers, en hetgeen in 't bijzonder de katholieken niet konden aannemen was de gewetensvrijheid. Wat juist bijdroeg tot de scheiding tusschen Noord en Zuid, alhoewel de Mogendheden aan Willem de volkomen samensmelting van de twee landen opgedragen hadden, was de gelijktallige volksvertegenwoordiging en het aanstellen van twee hoofdsteden, Brussel en den Haag, waar afwisselend de Staten zouden zetelen, alsof de keus van Antwerpen zich niet had moeten opdringen.
* * * * *
Nauwelijks had Willem, den 21en September 1815, te Brussel zijn eed afgelegd en zijn plechtige inhuldiging gevierd, of een hardnekkig verzet werd door de Belgische bisschoppen tegen art. 190 en 191 van de Grondwet begonnen.
De inrichting van de katholieke kerk in Belgie was sedert jaren door Napoleon's Concordaat geregeld. Tijdens het Voorloopig Bestuur had men besloten dat de kerkelijke zaken in de handen der geestelijken zouden blijven. Den 26en Mei 1814 was de vurige Maurits de Broglie, een zoon van den Franschen maarschalk van dien naam, naar zijn bisdom Gent teruggekeerd, gestaald door den langen weerstand dien hij den machtigen Keizer had geboden. Die vreemdeling, teleurgesteld omdat Belgie aan de heerschappij van de Bourbons, die krachtdadige beschermers van de geestelijkheid, ontsnapte, en in beginsel een protestantschen vorst vijandig, onderhield gedurende zes jaren een zeer gevaarlijke gisting onder de Belgische onverdraagzame en dweepzieke katholieken. Reeds den 8en October 1814 deed hij door zijnen vicaris-generaal, den Franschman Lesurre, een memorie opstellen, gericht tot de afgevaardigden op het Congres van Weenen. Daarin vroeg hij: de teruggave aan de geestelijkheid en aan de kloosters van al hunne oude voorrechten, de herstelling van de tienden en van de kerkelijke rechtbanken, de toekenning van het bestuur van het onderwijs aan de prelaten, het verbod van oprichting van protestantsche tempels; maar hij liet nochtans toe, dat de vorst binnen zijn paleis de protestantsche godsdienstoefeningen mocht houden. De leden van het Weener Congres lieten dit stuk natuurlijk zonder antwoord.
Wij hebben gezien hoe heftig Maurits de Broglie het volgende jaar het ontwerp van de Grondwet bestreed. Door talrijke edellieden en door de reactionnaire partij in 't algemeen ondersteund, voerde de geestelijkheid een hevigen strijd tegen de Grondwet, ter wille van de artikelen over de gewetensvrijheid. De ultra-katholieke partij zag niet in, dat een terugkeer tot den ouden staat van zaken onmogelijk was; zij hield geen rekening met den ommekeer in de denkbeelden teweeggebracht. Door gansch West-Europa eischte de openbare meening de onbeperkte vrijheid van denken; in Belgie zelf bestond er een aanzienlijke liberale groep, radicalen, oud-Vonckisten of Voltairianen, die niet alleen de godsdiensten onverschillig, maar ook vijandig waren, benevens gematigden of doctrinairen die den voorrang van de burgerlijke macht op de geestelijke luide verkondigden. En het was juist dit kenmerk van den Nieuwen Tijd, die zucht naar ontvoogding van den menschelijken geest, die de klerikale partij zoo hevig bekampte.
Ook toen de bisschoppen in hunne _Herderlijke onderrichtingen_, oorzaak van het verwerpen van de Grondwet door de Belgische katholieken, verklaarden dat zij "dit verderfelijk grondbeginsel, gansch tegenstrijdig met het katholiek geloof, dat alle godsdiensten even goed zijn" niet konden aannemen, voer de Koning in zijne bekrachtigingsverordening van de Grondwet uit "tegen deze lieden die de maatschappij tot voorbeeld van verdraagzaamheid en van evangelische liefde zouden moeten strekken". In zijn verzet tegen de aanmatiging der Belgische geestelijkheid, wist hij overigens dat hij volkomen in den geest zijner Hollandsche onderdanen handelde.
Toen de Grondwet toch aangenomen werd, kondigden de bisschoppen een _Leerstellige Uitspraak_ (Jugement doctrinal) af, waarin ze zeiden dat de Katholieke Kerk het volk verplichtte zich te verzetten tegen de Grondwet. Zij verboden aan al de geloovigen, wilden zij zich niet schuldig maken aan het ergste verraad tegenover de heiligste belangen van den godsdienst, de verschillende eeden af te leggen, die de Grondwet voorschrijft; verder teekende bisschop De Broglie, die de voornaamste opsteller van het mandement was, protest aan tegen art. 196, waardoor aan den Koning was opgedragen om te zorgen dat de verschillende eerediensten zich onderwierpen aan de wetten van het land. Dientengevolge noodigde de bisschop van Gent zijne geestelijkheid uit, om de absolutie te weigeren aan de notabelen, afgevaardigden en burgemeesters die den eed aan de Grondwet zouden zweren (14en Mei 1816). Dadelijk weigerden talrijke openbare ambtenaren hun ambt te bekleeden, en de leiders van de katholieke partij, de fanatieke Robiano de Borsbeek, de graaf de Merode en de hertog van Beaufort wilden hunnen zetel, ondanks 's Konings misnoegen, in de Eerste Kamer van de Staten-Generaal niet aanvaarden.
De weigering van absolutie had, vooral in Vlaanderen, eene geweldige gisting in de gemoederen verwekt. De _Leerstellige Uitspraak_ oefende nochtans den invloed niet uit, dien De Brogue verhoopt had, want Paus Pius VII en de legaat Consalvi, alhoewel geenszins den weerstand van de bisschoppen lakende, toonden zich niet geneigd om de betrekkingen met de Nederlandsche regeering te bederven. De laatste prins-bisschop van Luik, prins de Mean, was door Willem tot aartsbisschop van Mechelen aangeduid; maar uit Rome verwachtte men nog zijn aanstelling tot dit ambt. Als lid der Eerste Kamer had reeds deze grijsaard den grondwettelijken eed afgelegd, doch onder voorbehoud van de pauselijke goedkeuring. De vernuftige Reinhold, gezant van Nederland bij het Vatikaan, gelukte er in het geschil tot eene minnelijke schikking te brengen: De Mean stelde eene openbare verklaring op, waarin hij bekende dat zijn eed hem tot niets verplichtte dat in strijd was met de leer der Kerk, en dat hij de grondwettelijke bescherming, zonder onderscheid aan alle eerediensten toegezegd, slechts uit een burgerlijk oogpunt opvatte (18en Mei 1817). Daarop werd De Mean door den Paus aangesteld, en hield weldra als aartsbisschop zijne plechtige intrede te Mechelen. De verklaring van den primaat stilde de gemoederen; vele geestelijken en leeken, die tot dan toe den eed hadden geweigerd, legden hem in denzelfden zin af.
In Vlaanderen nochtans bleef de toestand gespannen: de absolutie werd voortdurend aan de partijgangers van de regeering geweigerd; de geestelijkheid ruide de dweepzieke bevolking door allerlei vlugschriften op. De regeering besloot het gerecht te doen optreden.