Vlaamsch Belgie sedert 1830 Eerste Deel

Chapter 6

Chapter 63,437 wordsPublic domain

Zoo breekt de zestiende eeuw aan. De Duitsche Habsburgers, evenals de Bourgondische hertogen, door een huwelijk in onze geschiedenis getreden, komen op den troon en de derde van hun geslacht, een Gentenaar, vereenigt op zijn hoofd de kronen van de Nederlanden, van Spanje en van het Duitsche Rijk: 't is Keizer Karel of Karel V, die geheel West-Europa tot in 1555 beheerscht. De fraaie kunsten vervolgen hunnen bloei: Quinten Matsijs en zijne Antwerpsche schilderschool zijn de erfgenamen der Brugsche meesters; te Oudenaarde, te Gent, te Middelburg rijzen prachtige stadhuizen op en Erasmus, van Rotterdam, die, eilaas! zijne moedertaal veracht en in het geleerde Latijn schrijft, is de intellectueele koning van Europa, iets als Voltaire tijdens de 18de eeuw. Op oeconomisch gebied staan de rijke nijverige Nederlanden aan de spits in 't Westen en Antwerpen wordt de grootste handelshaven, het Londen van den tijd, en tevens de hoofdstad der pas uitgevonden boekdrukkunst in het Noorden.

Doch, naast den ouden strijd voor de staatkundige vrijheid, begint nu een kamp voor de nieuwe vrijheid van denken en gelooven. De volksletterkunde fleurt weer op en weerspiegelt de hartstochten van de godsdienstige twisten: de schoolmeesteres Anna Bijns, van Antwerpen, in hare mannelijke _Refereynen_ tegen Luther en de "vermaledide Luterisce secte" en de Brusselsche edelman Philips van Marnix van Sint-Aldegonde in zijnen _Byenkorf der H. Roomsche kercke_ en in zijn _Wilhelmus_ staan vooraan in de rangen der geusche en antigeusche letterkunde van den tijd.

[Figuur: Marnix van St-Aldegonde]

Onder Philips II, die van Spanje uit, onze Nederlanden op zijn Spaansch wil onderjukken, breken de Nederlandsche beroerten uit (1566). De opeenvolgende bedrijven van dat bloedig heldhaftig treurspel zijn: het Eedverbond der Edelen, de Beeldenstorm, Alva's schrikbewind, de verwoesting van Antwerpen en van andere bloeiende steden door de Spanjaarden, de tijdelijke verzoening van katholieken en protestanten bij de Pacificatie van Gent, hunne spoedige afscheuring in de vijandige Unies van Atrecht en van Utrecht, de moord van den Prins van Oranje, de val van Antwerpen (1585), voorafgegaan door dien van al de Vlaamsche en Brabantsche steden en van het verraad der Waalsche Malcontenten.

[Figuur: Willem De Zwijger]

Van die scheuring af dagteekent eerst de verdeeling der Nederlanden in twee afzonderlijke Staten, die tot aan den slag van Waterloo naast elkander, doch schier vreemd aan elkander, een afzonderlijk leven hebben geleid. Het is het groote keerpunt, het beslissend uur in onze vaderlandsche geschiedenis.

De handel, de nijverheid, de vrijheid, de letterkunde, de wetenschap verhuisden naar het Noorden met de tienduizenden protestantsche Vlamingen en Brabanders (en ook minder talrijke Walen), die er de wijk nemen, omdat Zuid-Nederland zijne onroomsche kinderen geene plaats meer onder de zon aanbood; en daar stichtten zij, eendrachtig met de Hollanders, de Zeeuwen, de Stichtschen, de Gelderschen, de Friezen en de Groningers de heldhaftige Republiek der Zeven Vereenigde Nederlanden tusschen Schelde en Eems aan de kust der Noordzee. Te gelijk waren de Zuidelijke gewesten, vooral Brabant en Vlaanderen (eens de rijkste en bloeiendste der zeventien provincien voor de godsdienstige beroerten) nu diep vervallen tot de verarmde, ontvolkte en uitgeputte Spaansche of Katholieke Nederlanden. Het groote bloeiende Dietsche rijk van de hertogen van Bourgondie en van Keizer Karel was in twee helften van elkander losgescheurd.

Verbazend is het getal der mannen van beteekenis, die, van Zuidelijke afkomst, de grootheid en den roem der Noordelijke Republiek hebben helpen vestigen. Wij noemen slechts de philologen Daniel Heinsius van Gent, Bonaventura De Smet (Vulcanius) van Brugge en Justus Lipsius van Overijsche (bij Brussel), die later tot de Roomsche kerk terugkeerde en het sieraad der Leuvensche hoogeschool werd; den grondlegger der wetenschappelijke plantenkunde Rembert Dodoens (Dodonaeus) van Mechelen; den wiskundige Simon Stevin van Brugge, den leermeester van Prins Maurits, zoon van Willem den Zwijger; den boekdrukker Louis Elzevier van Leuven; den zeevaarder Izaaek Le Maire van Doornik, die in 1615 de zeestraat naar hem genoemd bij de Zuidpool ontdekte; de groote financiemannen en kooplieden Balthazar Moucheron en Willem Usselinckx van Antwerpen, beide zoo zeer bemoeid in de Oost- en West-Indische Compagnies; de geografen Joost de Hont en Philips van Lansbergh van Gent en Jan de Laet van Antwerpen; de historieschrijvers Jean le Petit van Bethune (Fransch-Vlaanderen) en Emmanuel van Meteren van Antwerpen; de schilders Gerard de Lairesse van Luik, Frans Hals van Mechelen en Karel van Mander van Meulebeke (bij Tielt); den dichter Jacob van Zevecote van Gent en aller dichtren prins Joost van den Vondel, geboren te Keulen uit Antwerpsche ouders; een leger van godgeleerden en predikanten, waaronder de beroemde Gomarus van Brugge, die eene beslissende rol speelde op de Synode van Dordrecht in 1618; een leger van staatslieden met Willem den Zwijger, te Brussel grootgebracht, en den Brusselaar Marnix van Sint-Aldegonde aan hun hoofd; enz., enz.

De Leidsche hoogeschool, in 1575 gesticht, wordt de eerste van Noord-Europa en hare beste professoren zijn bij den aanvang in meerderheid Zuid-Nederlanders. Openbare liefdadigheid en volksonderwijs worden ingericht als in geen ander land van Europa.

De Hollandsche schilderschool ontwikkelt eene eenige oorspronkelijkheid met Rembrandt, Hals, Ruysdael, Dou, Pieter de Hooch, Jan Steen, Vermeer en zooveel andere onsterfelijke meesters.

De kleine provinciestad Amsterdam is eene wereldstad geworden; de oudere Hollandsche, Zeeuwsche en Utrechtsche steden moeten alle hunne wallen uitzetten en zien hunne bevolking en hunnen welstand verbazend stijgen. De Nederlandsche Republiek wordt de eerste handels- en koloniale mogendheid der wereld in de 17de eeuw.

Intusschen zieltoogt het door geweld katholiek gebleven Zuid-Nederland. In de Vlaamsche en Brabantsche steden, die door de gedwongene protestantsche uitwijking de bloem hunner burgerij en handswerklieden hebben verloren, staan een derde der huizen te koop of te huur en vinden er geene liefhebbers, zoodat de kloosterlingen der plattelandsche abdijen, welke in den burgeroorlog verwoest waren geworden, geheele stadswijken voor een appel en een ei meester worden en zich in iedere stad komen nestelen. Buiten de steden zijn hoeven, stallingen, schuren en kasteelen in puin gelegd; de onbebouwde verlatene akkers groeien vol distels, ginststruiken en ander wild gewas. Wolven loopen het ontvolkte platte land af. De Schelde is gesloten en Antwerpen houdt op eene zeehaven te zijn gedurende meer dan twee eeuwen. De gewetensdwang en de geestelijke censuur op de boeken belemmeren elke ontwikkeling van den menschelijken geest. Het onderwijs der Jezuieten, Augustijnen en nonnen verkwezelt en verfranscht de hoogere standen, en de volksschool ligt in eene erbarmelijke verwaarloozing gedompeld. Terwijl in Holland de gouden eeuw der Nederlandsche letteren schittert met Vondel, Hooft, Bredero, Cats en Huygens, levert de letterkunde in Vlaamsch Belgie niets anders op dan Pater Poirters en Willem Ogier. Alleen op het gebied der fraaie kunsten, ten dienste meestal van kerken en kloosters, leeft een tijdlang nog de oude verbazende kracht van den Vlaamschen stam voort. De prachtige Antwerpsche schilderschool met Rubens, Van Dijck, Jordaens, Teniers, enz. is de laatste glorievonk van het uitdoovend nationaal genie.

[Figuur: P. P. Rubens]

Terwijl de Nederlandsche driekleur op alle zeeen en oceanen met glans en eere wappert, terwijl de Nederlandsche Republiek de Europeesche diplomatie beheerscht en door veldheeren als Maurits en Frederik Hendrik, door admiralen als De Ruyter en Tromp, door staatslieden als Oldenbarnevelt en Jan de Wit, door groote schilders en geleerden de bewondering en de afgunst van het buitenland opwekt; terwijl eindelijk de stadhouder Willem III van Oranje, koning van Engeland, als de redder van Europa's onafhankelijkheid optreedt tot fnuiking der Fransche Wereldmonarchie van Lodewijk XIV; -- is de zeventiende eeuw voor Vlaanderen het rampzaligste tijdvak onzer gansche geschiedenis. De Spaansche katholieke Nederlanden zijn het bloedig en weerloos slagveld der groote mogendheden geworden. Gedurende meer dan eene eeuw, tot aan den Vrede van Utrecht (1713), werd er op onzen bodem oorlog gevoerd om ons brokstukken van ons grondgebied te ontrooven: in 't Noorden verloren wij aldus Zeeuwsch-Vlaanderen, Noord-Brabant, Maastricht en den rechteroever der Maas ten gunste der Nederlandsche Republiek; in 't Zuiden, Artois, Fransch-Vlaanderen, de helft van Henegouwen en eene strook van Luksemburg, ten gunste van Frankrijk, dat ons land zelfs tijdelijk in zijn geheel had ingepalmd (1700-1706). Ontelbare veldslagen en belegeringen maakten eilaas! den naam onzer steden en onzer onbekende Vlaamsche en Waalsche dorpen bloedig beroemd in de wereldgeschiedenis.

Ons land was op den rand van den afgrond, toen de groote mogendheden het aan Spanje ontnamen om het, buiten onzen wil, aan Oostenrijk over te maken. Als een lakei, die met eenen nieuwen meester ook van livrei moet veranderen, verwisselden onze gewesten hunnen naam van _Spaansche_ met dien van _Oostenrijksche Nederlanden_. In 't midden der achttiende eeuw kwam eene tweede tijdelijke verovering van Frankrijk onder Lodewijk XV de nationale rampen vermeerderen, waar de Vrede van Aken (1748) een einde aan stelde. Dertig jaren van ongestoorden vrede volgden daarop onder de moederlijke regeering van keizerin Maria Theresia, die eenige verademing brachten. Ook wordt hare nagedachtenis nog in Belgie gezegend; aan zulke rust waren onze zwaargeteisterde voorouders niet meer gewoon. Daarenboven toonde zich de Oostenrijksche regeering milder en verstandiger dan de Spaansche. Het hooger en middelbaar onderwijs werden verbeterd, de landbouw en de nijverheid aangemoedigd, de verschrikkelijke uitbreiding der kloosters werd tegengewerkt, de opheffing der Jezuietenorde (na hare afschaffing door paus Clemens XIV) in ons land in 1773 ook doorgevoerd en de Academie der wetenschappen en letteren te Brussel opgericht (1772).

[Figuur: Jozef II]

Maria Theresia's schrandere zoon, keizer Jozef II bezocht in 1781 ons vaderland, kort na zijne troonsbestijging. Sedert Philips II 's vertrek naar Spanje in 1559 was hij de eerste vorst der Zuidelijke Nederlanden, die zich gewaardigde onzen bodem te betreden en hij kwam er opzettelijk om onze toestanden te bestudeeren. De vruchten zijner edelmoedige studiereis bleven niet uit. Tal van hervormingen, uit Weenen naar ons land overgebriefd, verrasten en schokten weldra keer op keer onze ingedommelde voorouders: afschaffing der pijnbank, bedeesde verdraagzaamheid voor de dungezaaide protestanten, opheffing der "onnoodige" kloosters, hervorming der bisschoppelijke seminaries, herinrichting van het gerecht en van de bestuurlijke instellingen en meer andere doortastende veranderingen, meestal heilzame en dringende verbeteringen, die eenige jaren later door de Fransche Omwenteling werden doorgedreven. Maar de katholieke geestelijkheid en al degenen, die leefden van de voorrechten en misbruiken, ruiden het verdwaasde volk op tegen die hervormingen, welke overigens door Jozef II werden afgekondigd zonder acht te slaan op 's lands aloude grondwettelijke waarborgen. De Brabantsche omwenteling, die belachelijke en beschamende clericale naaeperij van de groote Fransche van 1789, brak uit. Het Oostenrijksch bewind werd omver geworpen, Jozef II stierf van verdriet, onze voorouders op zijn sterfbed van ondankbaarheid beschuldigende, en gedurende 360 dagen leefde ons land in eenen revolutionnairen staat van potsierlijke onafhankelijkheid en clericale reactie onder den naam van _Etats-Belgiques-Unis_, alweer eene onmachtige nabootsing van de vrije Republiek der Vereenigde Staten van Noord-Amerika, die zich eenige jaren vroeger tegen Engeland had vrijgevochten. Na minder dan een volle jaar keerden de zegevierende Oostenrijksche legers terug; doch al de hervormingen van Jozef II werden ingetrokken.

Maar dan begon de strijd tegen Frankrijk, die na een paar bloedige veldtochten leidde tot de inlijving van Zuid-Nederland bij de Fransche Republiek _une et indivisible_ onder de leus: _Liberte, Egalite, Fraternite ou la mort_ (1794). Zuid-Nederland verdween van de kaart van Europa en werd ingedeeld in Fransche wingewesten: _Departements de la Lys, de l'Escaut, de la Dyle, des Deux-Nethes, de la Meuse Inferieure, de l'Ourthe, des Forets, de Jemmapes, de Sambre-et-Meuse_. Dat was het tweede keerpunt in onze vaderlandsche geschiedenis.

De kerkelijke en staatkundige instellingen, die zich sedert de middeleeuwen gaandeweg ontwikkeld hadden, werden plotseling neergehaald en door splinternieuwe vervangen. Al de voorrechten van geestelijkheid en adel werden afgeschaft en door de burgerlijke gelijkheid aller inwoners vervangen, hetgeen een niet genoeg te waardeeren hervorming was, waarvan wij heden nog de zegeningen genieten. Doch, indien al de moderne vrijheden werden afgekondigd, dit was slechts in de woorden en op het papier, want in de werkelijkheid bleef de regeering almachtig; de Republiek en na haar Napoleon I oefenden eene staatkundige dwingelandij uit, die zelden werd geevenaard. Daarenboven werden onze gewesten door Frankrijk letterlijk uitgebuit.

De inlijving begon in 1794 met eene oorlogsbelasting van tachtig millioen Fransche _livres_ op de steden, waarvan Brussel er vijf, Antwerpen tien, Gent zeven, enz. moesten opbrengen. Al de rijkdommen in goud en zilver van kerken, kloosters, neringen, ambachten en gilden werden aangeslagen, met hamers aan stukken gebroken, in houten vaten gekuipt en naar Frankrijk gezonden. De gedwongen koers van het waardeloos papieren geld (_assignats_) en de stelselmatige afpersing van alle waren, levensmiddelen, vee, meubels, stoffen, kunstschatten en verdere roerende eigendommen, onder den naam van _requisities_, brachten eene onbeschrijfelijke ellende teweeg, gevolgd door hongersnood en ziekten. Ondertusschen moesten onze wanhopige voorouders eene officieele feestvreugde aan den dag leggen bij het planten der vrijheidsboomen en hunne Fransche driekleur uitsteken op den _decadi_, die den afgeschaften Zondag was komen vervangen, evenals de katholieke kerken herschapen waren in _tempels der Rede_; de kloosters en abdijen waren opgeheven en hunne goederen verkocht. Zoo brak de "gesloten tijd" (1797-98) aan, die gekenmerkt werd door allerlei hatelijke of kleingeestige vervolgingen tegen de priesters, die in 't geheim de mis lazen en de sacramenten bedienden en die zich daardoor aan deportatie naar Cayenne blootstelden. De ruw ingevoerde militaire loting (_conscriptie_) deed den beker overloopen en den wanhopigen _Boerenkrijg_ uitbreken (1798-1799), die na heldhaftigen tegenstand in het bloed gesmoord werd. Geen tijdvak onzer geschiedenis, buiten de bloedige dwingelandij van Alva, in de 16de eeuw, kan met de laatste jaren der achttiende eeuw onder het Fransche schrikbewind worden vergeleken.

Het consulaat van Napoleon Bonaparte bracht eenige verademing. De vrede met Europa, de inwendige openbare rust en de oude katholieke godsdienst werden hersteld. Doch Napoleon zette de keizerskroon op zijn hoofd (1804) en zijne onverzadelijke eerzucht veranderde geheel Europa, van Spanje af tot aan Rusland, in een groot oorlogsterrein. De conscriptie eischte overal kanonnenvleesch. De dwingelandij van den meester kende geene palen meer. De moedertaal, reeds brutaal aan kant gezet bij den eersten dag der Fransche inlijving, werd onmeedoogend vervolgd en uitgeroeid tot in de dagbladen, straatnamen, uithangborden, testamenten en kwijtschriften. Vertwijfeling en haat tegen de Fransche overheersching waren de alom heerschende gevoelens in ons diep gezonken vaderland.

In al die rampen had Noord-Nederland ook zijn aandeel gehad. Het verzwakte en ingedommelde gemeenebest der Zeven Vereenigde Nederlanden was, door inwendige twisten en onder Franschen invloed, uiteengevallen en tot vassaalstaat van Frankrijk gezonken onder den naam van Bataafsche Republiek (1795). Napoleon veranderde haar in een _Royaume de Hollande_ met zijnen broeder Lodewijk als koning (1806), en, toen deze niet slaafsch genoeg aan zijne ongehoordste eischen gehoorzaamde, stiet hij hem van den troon en lijfde Noord-Nederland bij het Fransche Keizerrijk in (1810). Op hunne beurt waren ook de Hollandsche gewesten tot Fransche departementen vervallen, vijftien jaren na Zuid-Nederland.

De Nederlandsche stam in Noord en Zuid scheen alsdan met eenen onvermijdelijken ondergang bedreigd, toen Napoleon's val een historisch mirakel mogelijk maakte: de verrijzenis der groote mogendheid van de Bourgondische hertogen en van Keizer Karel onder den naam van _Koninkrijk der Nederlanden_ met eenen Oranjevorst, eenen afstammeling van Willem den Zwijger, op den troon.

Naast al hare vernederingen en onheilen had de Fransche overheersching ons toch onloochenbare weldaden aangebracht: de gelijkheid aller burgers voor de wet met opheffing aller voorrechten van adel en geestelijkheid, de heropening der Schelde (1795) na meer dan twee volle eeuwen, de scheiding der bestuurlijke en rechterlijke machten (1796), waar Jozef II zijnen onverdienden val grootendeels aan te danken had, de afschaffing der al te talrijke en overrijke kloosters, de ernstige inrichting van den burgerlijken stand, de verwereldlijking en verbetering van de openbare liefdadigheid. Maar de vrijheid was onmeedoogend met de voeten getreden; de moedertaal, de nationaliteit, het volksonderwijs en het Nederlandsch karakter verwaarloosd en veracht.

Op het bloedig slagveld van Waterloo (1815) ging de zon der vrijheid en der onafhankelijkheid op voor Europa in 't algemeen en in 't bijzonder voor ons arme vaderland.

Bibliographie

H. Pirenne, _Histoire de Belgique_. 2 deelen. 1900-1903 (Nederl. vertaling door R. Delbecq, 1904) -- P. J. Blok, _Geschiedenis van het Nederlandsche Volk_. 6 deelen. 1892-1904. -- Eug. Van Bemmel, _Patria Belgica_. 3 deelen. 1873-1875. -- Julius Vuylsteke, _Inleiding_ tot de _Korte statistieke Beschrijving van Belgie_, 1869, herdrukt in zijne _Verzamelde Prozaschriften_ (1887) en in zijne _Historiebladen_ (1904).

DE REGEERING VAN KONING WILLEM I

DOOR

VICTOR FRIS

De rampzalige aftocht uit Rusland had de macht van den grooten dwingeland bepaald geknakt. Wel poogde Napoleon met nieuwe krachten den aanval der legers van het Verbond van al de Europeesche mogendheden te stuiten, doch hij werd te Leipzig (October 1813) verslagen. Terstond hieven al de volken, die Bonaparte zoolang onder zijn hiel gehouden had, het hoofd op en schudden het gehate juk met een zucht van verlichting af. Overal brak bij het naderen der troepen der Geallieerden de opstand los en sloeg van Westfalen naar Holland over. Amsterdam gaf het sein der verlossing (15en November 1813); de Pruisen en de Russen verjoegen de Fransche generaals, terwijl de Engelschen in Zeeland landden.

Reeds op 16en November aanvaardden twee patriotten, de graven van Hogendorp en van der Duyn, de souvereiniteit der oud-Vereenigde Provincien in naam van den prins Willem van Oranje; veertien dagen later ontscheepte de zoon van den oud-stadhouder te Scheveningen, en op 1en December nam hij in den Haag den titel van Souvereinen Vorst der Vereenigde Provincien.

Intusschen rukten de verbonden legers Frankrijk binnen; het leger van het Noorden onder Bernadotte's bevel trok langs Belgie op Parijs af. De schielijke vlucht der Fransche ambtenaren en de aantocht der Pruisen en der Kozakken werden alhier met geestdrift onthaald, vooral in de Vlaamsche gewesten, waar de herinnering aan den Boerenkrijg nog zoo levendig was.

Den 4en Februari 1814 vaardigde, in naam der Vreemde Mogendheden, generaal Karel van Saksen-Weimar een proclamatie tot de Belgen uit, waarin hij hun de onafhankelijkheid liet verhopen en ze aanspoorde om troepen te lichten ten einde hunne vrijheid te verdedigen. In overeenkomst met generaal Buelow, stelde hij een Voorloopig Bestuur aan, en benoemde den Oostenrijkschgezinden hertog van Beaufort-Spontin tot gouverneur-generaal; deze werd al spoedig (den 29en Maart), op bevel van keizer Frans I, vervangen door den generaal baron de Vincent, die echter slechts den 5en Mei, een maand na Napoleon's troonafstand, bezit nam van zijn ambt. Den 30en Mei 1814 werd door het eerste verdrag van Parijs beslist, op het aandringen van den Engelschen gevolmachtigde, dat Holland een uitbreiding van grondgebied zou verkrijgen; door twee afzonderlijke en geheime akten werd zelfs de uitgestrektheid dezer uitbreiding aangeduid, n.l. tusschen Frankrijk, de zee en de Maas, ja zelfs tusschen de Maas en den Rijn. Drie weken later bepaalden de gevolmachtigden der Geallieerden, in Conferentie te Londen vereenigd, de voorwaarden der vereeniging van Holland met de Belgische gewesten, bestaande uit de vroegere Oostenrijksche Nederlanden en 't Prinsbisdom Luik met het Groothertogdom Luksemburg; prins Willem van Oranje werd verzocht deze bij te treden, en in den meest liberalen zin te werken om de volkomen _versmelting_ der beide landen te verwezenlijken (21en Juni 1814). Die voorwaarden, in acht artikelen vervat, werden door den Prins van Oranje een maand later aangenomen, doch voor 't publiek tot het volgende jaar verborgen gehouden. Volgens artikel I moest die vereeniging innig en volkomen zijn; beide landen moesten slechts een Staat vormen, beheerd door de reeds in Holland aangenomen Grondwet, met de noodige wijzigingen volgens de nieuwe omstandigheden. De volgende artikelen verzekerden aan alle godsdiensten gelijke rechten en bescherming, aan alle burgers gelijke benoembaarheid tot de openbare ambten; de Belgische provincien zouden "op geschikte wijze" in de Staten-Generaal vertegenwoordigd zijn en voortaan met de Hollandsche provincien lasten en voordeelen dragen. De gedwongen, bepaalde afstand van de Kaapkolonie en van de helft van Suriname was de belooning van Engeland voor deze weldaad tegenover het huis van Oranje, dat Luksemburg verkreeg in ruiling zijner bezittingen in Duitschland.

Op 31en Juli 1814 gaf baron de Vincent het opperbestuur van ons land over in handen van den Souvereinen Vorst der Nederlanden. Eindelijk waren de verwachtingen die Willem sedert twintig jaren omtrent het bezit van Belgie gekoesterd had, verwezenlijkt.

* * * * *

De vereeniging van Holland met Belgie, welke de Engelsche diplomatie sedert lang beoogde, was eenvoudig een schikking in 't belang van Europa, dat tusschen Maas en Rijn een sterken dam tegen de toekomstige pogingen der Fransche veroveringszucht wilde opwerpen. De monarken van het Heilig Verbond hadden het vorstenhuis van Oranje-Nassau willen bevoordeeligen. Niet eens had men onze bevolking geraadpleegd; ook was er in de Zuidelijke Provincien bijna niemand die de vereeniging met Holland toegedaan was; men gevoelde weinig aantrekking voor dat land dat men niet kende. Overigens, beide streken vertoonden zulk verschil in zeden, belangen, godsdienst en zelfs in taal, dat dit gedwongen huwelijk met weinig ingenomenheid van wege beide partijen aangezien werd.

Wel waren Noord en Zuid stamgenooten, maar de geschiedenis had ze sinds bijna 250 jaren gescheiden gehouden. Terwijl Belgie zonder politiek leven, zonder eigenlijke zelfstandigheid van den Spanjaard naar den Oostenrijker was overgegaan, om eindelijk door den Franschman te worden veroverd, had Holland eene gewichtige historische rol gespeeld; en terwijl men in 't Zuiden nog den druk van het vreemde juk gevoelde, boogde het Noorden met fierheid op de trotsche overleveringen zijner heldendaden en zag daarom met eene zekere minachting op het naburige volkje neder.