Vlaamsch Belgie sedert 1830 Eerste Deel
Chapter 5
Na Blankenberge, sedert weinige jaren de mededingster van Oostende, en Heist, de laatste plaats van belang op de Vlaamsche kust, steken we de groene velden over, ontwoekerd aan de baren van de zee. Die nieuw veroverde grond was de oorzaak van de verzanding van 't Zwin, den grooten zeeboezem tijdens de Middeleeuwen, ruim genoeg, om een gansche vloot te bergen, tevens van den dood van Damme en Sluis en het verval van Brugge.
Damme. -- Geen rechtgeaard Nederlander bezoekt Brugge zonder zijn groet en dank te brengen aan 't stille Damme, de vroegere voorhaven, waarmee het door een zeekanaal verbonden werd, toen de golven zich voor goed terugtrokken. Gedurende twee eeuwen was de welvaart van Damme ongehoord. Thans is het een onbeduidend dorp met een alleenstaanden vierkanten kerktoren en een vervallen raadhuis, en te midden van het plein het standbeeld van _Jacob van Maerlant_, "den Vader der Dietscher Dichtre algader", die reeds van in de XIIIe eeuw "den Nederlanders den weg der vrijheid en der verlichting wees", de rechten zijner medemenschen kloekmoedig verdedigde tegen de aanmatiging van adel en geestelijkheid.
Brugge (53,000 inw.). Niet zonder een gevoel van ontroering en weemoed nadert een Vlaming het stille Brugge, tevens zoo belangrijk voor den geschied- en oudheidkenner als voor den vriend der kunst. Geen stad heeft zoo trouw haar middeleeuwsch karakter bewaard, en voortdurend streeft ze er naar, om dit eigenaardige te behouden. Wat een weelde van hooge torentransen, die uit alle deelen der stad zoo rustig en fier ten hemel klimmen, van merkwaardige gebouwen met beeldhouwwerken, waaraan zoo menige herinnering is verbonden! Wat een rij van schilderachtige hoekjes en grachten met hun mooie omlijsting, die den blik bekoren en den geest terugvoeren naar lang vervlogen tijden! Zie, bijna zonder het te weten, staan we op de Groote Markt voor den Halletoren, die met zijn vorstelijke stedekroon de trotsche macht der Vlaamsche gemeente zoo aanschouwelijk uitdrukt, en dit juist tegenover een andere verpersoonlijking van wilskracht en heldenmoed, van Breidel en De Coninc, de helden uit den Gulden-Sporenslag, toonbeelden van vaderlandsliefde.
[Figuur: De Halletoren te Brugge]
[Figuur: Griffie, Stadhuis en H. Bloedkapel te Brugge]
Op het burchtplein bewonderen wij het stadhuis (1376) met de kapel van 't H. Bloed; links de oude griffie in de zestiende-eeuwsche Renaissance; in het justitiepaleis, de vermaarde schouw van "'t Vrije"[21], een wonder van Renaissance-houtsnijkunst, uitgevoerd naar de teekening van _Lancelot Blondeel_ (1529-1531). Gaat men de overdekte straat naast het raadhuis door, dan heeft men langs de gracht niet alleen een verrukkelijk gezichtspunt op het achtergedeelte van "den vrijen burcht"[22], maar op al de omliggende gebouwen, op zoo menig schilderachtig plekje, gelijk men er in Brugge aantreft. Steekt men den Dijver over, een heerlijk tafereel, gevormd door de grootsche lijnen der O.-L.-Vrouwenkerk met haar 122 M. hoogen toren, als een oude vesting des geloofs, en de prachtige woning der Heeren van Gruuthuse, teekent zich af tegen het verzilverde blauw van den hemel. De oude kerk bezit een schat van kunstwerken, een groot getal schilderijen van groote meesters, een overheerlijk madonnabeeld van Michel Angelo, alsook de prachtige graftomben van Karel den Stoute en Maria van Bourgondie. Het paleis der familie Gruuthuse is ingericht tot een museum met wonderbare handschriften, kostbare kanten en drijfwerk. Van de andere zijde der plaats trekt ons de donkere gevel van St.-Jans-gasthuis onweerstaanbaar aan, om binnen zijn muren de meesterstukken te bewonderen van den grooten schilder _Hans Memlinc_. Daar vindt men hem in al zijn teederheid en bewogen uitdrukking, in al zijn glorie en volmaaktheid.
Een aantal merkwaardige doeken van dien meester, ook van Jan van Eyck en andere primitieven berusten in het stedelijk museum.
Van hier begeven wij ons naar de kathedraal van St.-Salvator met haar rijke kunstschatten en haar toren in de gedaante van een hoog versterkt kasteel.
Al die monumenten, die mooie gevels, die weergalooze kunst, wier roem sedert eeuwen nog niets verloren heeft van hun grootheid, staven zij niet de vroegere macht en glorie onzer Vlaamsche steden, maar ook den schoonheidszin en de bedrevenheid onzer kunstenaars? Onvergankelijk is de roem onzer voorouders op dit gebied. Maar groot en machtig was eens Brugge, de eerste handelsstad van Noord-Europa. Twintig naties hadden er hun handelsfactorijen. In 1365 waren er veertig Duitsche handelshuizen, die deel uitmaakten van de _Hanze_[23]. De Spanjaarden en Italianen waren nog talrijker. In dien tijd werd de eerste beurs gehouden, waarop de Bruggeling zoo trotsch was. De eenstemmige berichten omtrent Brugge's rijkdom, pracht en schoonheid, grenzen bijna aan het ongelooflijke. Allen spreken van haar met een soort van geestvervoering[24]. In de XVe eeuw telde zij niet minder dan 80 neringen. Helaas! die roem is ondergegaan. Burgeroorlogen en de verzanding van het Zwin, haar voorhaven, hebben haar den doodslag toegebracht. Onder Maximiliaan van Oostenrijk begon haar welvaart snel te zinken, haar bevolking te verminderen. In 1516 bracht de Hanze den zetel van haar zaken naar Antwerpen over. Sedertdien geraakte zij meer en meer in verval, in een soort van doodslaap, die nog slechts gestoord zou worden door de godsdienstige woelingen der XVIe eeuw. Droevig tijdperk, waaraan een Vlaming niet kan denken, zonder dat hij naar de reden vraagt van zulk "een hachlijk lot"[25].
Toch blijft ze voor den denker en den droomer nog bekoorlijk in haar alouden luister, de onttroonde stedekoningin, met haar schilderachtig Minnewater en haar eenig oud Begijnhof.
Van Brugge vervolgen wij onze reis door het Meetjesland naar Eekloo (13,000 inw.) met linnenweverijen, wol- en katoenfabrieken, de geboorteplaats van den dichter K. L. Ledeganck, wien zijn stamgenooten onlangs een standbeeld hebben opgericht.
Spoedig hebben we de grens van dien zandgrond achter ons, om straks het kanaal van Terneuzen over te stoomen, en het vruchtbare Waasland binnen te treden.
Ons eerste bezoek geldt het nijverige Lokeren (25,000 inw.) aan de Durme, met fabrieken van katoenen en wollen stoffen, van zeildoek en vellen; haar bleekerijen en linnenweefsels zijn algemeen gekend, ook haar handel in granen, hennep, olie en koolzaad.
Thans volgt St.-Nikolaas (32,000 inw.), de vriendelijke hoofdplaats van 't Land van Waas. Haar fabrieken van katoenen, wollen en fluweelen stoffen, van linten en galons, van kousen en hoeden, vormen een van de schakels der nijverheidsketen, die Vlaanderen aan de hoofdstad verbindt.
Intusschen hebben we Antwerpen, de koningin der Schelde bereikt. Met haar heerlijke ligging aan den breeden Scheldestroom, waar schepen uit alle zeeen binnenloopen, en in haar dokken de schatten der vijf werelddeelen komen uitstorten; door haar uitgebreiden handel verrijkt en getooid met de schoonste voortbrengselen der kunst, is zij een der prachtigste en bloeiendste steden van 't vasteland. In de jaarboeken der geschiedenis en der kunst prijkt haar naam met onvergankelijken luister. Toen zij onder Karel V de rijke erfgename werd der vervallen grootheid van Brugge, was het zielental reeds tot 90,000 geklommen. Wil men zich een denkbeeld vormen van haar spoedige macht en grootheid als handelsstad, men leze Guicciardini, waar hij schrijft, dat "de kooplieden van alle natien er hun kantoren hadden en zij welhaast alle andere steden der wereld overtrof."
[Figuur: P. P. RUBENS. Afdoening van het Kruis (O. L. Vr. Kerk te Antwerpen)]
Met de regeering van Filips II en vooral met de komst van Alva, begon voor ons land een tijdperk van vervolging, van jammer en ellende, maar ook van hardnekkigen strijd voor de vrijheid van geweten, voor godsdienstige verdraagzaamheid, zoo onmisbaar voor de grootheid van een volk. En toen na de heldhaftige verdediging van Antwerpen, Marnix genoodzaakt was de stad over te geven aan Alexander Farnese, en het Spaansche leger haar muren binnentrok, begon voor haar een sombere tijd. Met haar val in 1585 ging de wereldhandel naar Amsterdam, en toen bij den Vrede van Munster in 1648 de Scheldemonden niet heropend, maar voor goed gesloten werden, was het voor lang met haar welvaart gedaan. Gedurende twee eeuwen trachtte zij nog te leven voor de kunst, wier glans nog immer op haar afstraalt van haar groote zonen, van Quanten Metsijs, Jordaens, Van Dyck, Teniers, Rubens bovenal, die in heel de stad zijn glorierijk spoor heeft achtergelaten. De Fransche sansculotten openden weer de Schelde en eerst in 1803, onder Napoleon, begon men groote verbeteringen aan de haven te brengen, en er voorname scheepstimmerwerven te vestigen.
[Figuur: O. L. Vrouwenkerk te Antwerpen]
Sinds den afkoop van den Scheldetol in 1863, nam haar handel en welvaart dagelijks toe. Thans is zij na Londen de meest bezochte handels- en havenstad van Europa, want in de laatste jaren heeft zij Liverpool en Hamburg voorbij gestreefd. Meer dan 5000 schepen van alle natien en grootte varen er jaarlijks binnen. Haar zielental is thans tot 282,000 geklommen, zonder de dichtbevolkte voorsteden. De diamantslijperijen en goudsmeedkunst, haar zijde, kanten en tapijten, haar suiker-, zeep-, tabak-, touw- en zeilfabrieken, haar stokerijen, brouwerijen en scheepstimmerwerven, evenals haar uitgebreide handel bezorgen aan al die duizenden werk en voorspoed. Doch niet alleen als handels-metropool is Antwerpen een bezoek overwaard; ook om haar rijke museums, haar monumenten en heerlijke kerken, gevuld met meesterstukken van schilder- en beeldhouwkunst. Onder al die merkwaardige gebouwen is de O.-L.-Vrouwenkerk de schoonste en prachtigste. Die ruime Gothische tempel met zijn vijf beuken en zijn weergalooze torenspits, een steenen kantwerk, dat zich 123 M. hoog in de lucht verheft, bevat o. a. drie wereldberoemde schilderijen van den grooten Rubens. Ook de met marmer zoo rijk versierde kerk van St.-Jacob, waar de groote schilder begraven ligt, en die der Jezuieten, de schoonste proef van Rubens talent als bouwmeester, verdienen bewonderd te worden. Onder de burgerlijke gebouwen noemen we slechts het stadhuis met de bekende Leyszaal, de mooie omringende gildehuizen en de fontein van Lambeaux, die de legende van Antwerpen voorstelt; de Handelsbeurs, het Museum van schilderijen, zoo rijk aan heerlijke doeken van Vlaamsche meesters; verder het Museum Plantijn-Moretus, eenig in zijn soort, met een overvloed van familie-relieken, bibliotheek en archief, alsmede het drukkersmaterieel uit de 16e en 17e eeuwen, een rijke verzameling hout- en koperplaten, schilderijen, enz. Aan standbeelden van groote mannen, die hier geleefd en gewerkt hebben voor den roem van 't Vaderland, ontbreekt het in Antwerpen niet; onder de moderne gebouwen vermelden we alleen het Justitiepaleis, de Nationale Bank, den Nederlandschen Schouwburg, het prachtig Stationsgebouw en den vermaarden Dierentuin, een der heerlijkste van Europa.
Hier zijn we aan het einde van onze omwandeling door het Vlaamsche land met zijn nijverige steden. Moge dit vluchtig overzicht van wat het op het gebied van natuurschoon, van kunst en nijverheid te genieten geeft, van alles wat ons volk door vlijt en werkzaamheid heeft voortgebracht en door 't voorgeslacht is nagelaten, er toe bijdragen, om den lust bij allen op te wekken ons land en volk beter te leeren kennen in zijn geschiedenis en taal, in zijn streven en werken, en alzoo den band, die ons allen vereenigt, nauwer en duurzamer te maken.
_Gent_, 1905.
Noten:
[Noot 7: Men heeft berekend dat de Rijn jaarlijks 5200 M3 slib en gerolde steenen aan den Oceaan levert, en kalk genoeg om 33200 millioen oesterschalen te vormen. Deze scheikundig opgeloste stof is niet zichtbaar en ontneemt niets aan de kleur van het water. De Mississippi stort meer dan 450 millioen M3 en de Ganges meer dan 600 millioen M3 slib jaarlijks in zee.]
[Noot 8: _Diluvium_ = het ten gevolge van overstrooming, door bezinking ontstane land, bestaande uit zand, grint en leem.]
[Noot 9: _Alluvium_ = de bovenste en jongste lagen der vaste aardkorst: zij bestaan uit van elders aangevoerde stoffen, geleverd door planten, door zee en stroomen of door den wind. Waar bepaalde plantensoorten werkzaam waren, daar ontstonden bij nagenoeg geheele afsluiting der lucht, waardoor verrotting werd tegengegaan, VENEN.]
[Noot 10: Die hooge venen, in het Waalsch "Hautes Fagnes" genoemd, hebben gewis hun ontstaan te danken aan de ophoopingen van plantenlagen in het dichte woud, dat de kruinen der Ardennen bedekte. Deze plantenlagen deden den grond verzuren, waardoor het woud zelf moest sterven, en langzamerhand verkoolden zij met de andere planten, die in dien zuren bodem nog konden groeien.]
[Noot 11: Het is in die krijtlagen dat men in 1878 te Bernissart bij Doornik, verscheidene geraamten van het reusachtig _iguanodon_, een monsterachtig kruipdier, dat de diep ingesloten valleien in de steenkolengronden bewoonde, heeft ontdekt. Deze kolossale geraamten bevinden zich in het Museum van natuurlijke historie te Brussel.]
[Noot 12: Volgens sommige geologen dankt die brandstof haar ontstaan aan een weelderigen plantengroei, die ter plaatse uit poel en moeras oprees, en die later door overstrooming neergesmakt en na tal van eeuwen met slijklagen bedekt werd. De planten, van de lucht afgesloten, verkoolden. Die afwisseling van droog en vochtig herhaalde zich en zoo ontstonden na duizenden jaren onderscheidene lagen boven elkander van planten en dan weer van klei. -- Volgens andere zouden de bestanddeelen, die tot de vorming der steenkoollagen meewerkten en voornamelijk bestaan uit ontzettende massa's van plantenafval, als takken, stengels van rietgewassen, schors, bladeren, palmvarens, ringplanten, enz. van elders aangevoerd zijn door rivier en overstrooming, en evenals bij de vorming van turf in venen, door afsluiting van lucht, na duizenden jaren verkoold zijn (Zie: Jules Cornet, _Premieres notions de Geologie_).]
[Noot 13: Zie _De Landbouwkunst in de Nederlanden: I. Belgie_, door Emile De Laveleye.]
[Noot 14: Die strook gronds, rijk aan zink- of galmeimijnen _(calamine)_ heeft den vorm van een gelijkbeenigen driehoek, waarvan het toppunt ligt aan den zuid-oosthoek van Ned. Limburg. Zij is niet meer dan 350 Ha. groot. Bij de vaststelling der grenslijn in 1815 kon men het niet eens worden tusschen Pruisen en Nederland, en dus bleef het landje voorloopig onzijdig gebied tusschen Belgie en Pruisen.]
[Noot 15: Zie De _Landbouwkunst in de Nederlanden: I. Belgie_.]
[Noot 16: Antonius Sanderus of Sanders, geb. te Antwerpen, * in 1664 in de abdij van Affligem, bijna 90 jaar oud, schrijver van de _Flandria Illustrata_ (1641).]
[Noot 17: Luigi Guicciardini, geb. te Florence in 1533, * te Antwerpen in 1589. Zie zijn _Descrizione de tutti i Paesi-Bassi_ (1567).]
[Noot 18: Cornelius Tacitus, beroemd Romeinsch geschiedschrijver, geboren 61 jaren na Chr. en waarschijnlijk overleden in 117. Onder zijn werken behoort het boek _De origine, vitu, moribus ac populis Germanorum liber_, een beschrijving der Germaansche volkeren.]
[Noot 19: _Studies in Volkskracht_. -- 1e Serie, Nr VIII. _Opmerkingen over het Nederlandsch Volkskarakter_ door Prof. H. Kern. Haarlem. De Erven F. Bohn, 1904.]
[Noot 20: Zie _Het Land van Rubens_ door Cd Busken Huet. Amsterdam, J. C. Loman Jr. 1881.]
[Noot 21: Die vermaarde schoorsteen, een der parels van de kunstkroon van Brugge, is een geschenk aan Karel V na zijn overwinning op Frans I, koning van Frankrijk, in den veldslag van Pavia (1525).]
[Noot 22: Het _Vrije Brugsche Ambacht_ was een district van het land, dat nimmer aan de staat van leenroerigheid tegenover de drie groote steden van het graafschap onderworpen was.]
[Noot 23: _Hanze_ of _Hansa_ = een handelsverbond van Duitsche steden (Hamburg, Lubek, Bremen, Keulen, Dantzig), in 1241 gesticht, om hun handel te beschutten en uit te breiden, en de van de vorsten verkregen rechten en vrijheden te handhaven. Ook Nederlandsche en een enkele Vlaamsche stad behoorden er toe.]
[Noot 24: Judocus Damhouder, beroemd rechtsgeleerde (* 1581) wijdt een geheel hoofdstuk aan haar pracht. Sanderus _(Flandria illustrata)_ noemt haar "de ster van Belgie". Cassander vergelijkt haar met Athenen. Men raadplege verder Marchantius, Aeneas Sylvius, Guicciardini, Chastellein en meer andere.]
[Noot 25: Lees K. L. Ledeganck, _De Drie Zustersteden: Aan Brugge_.]
Bibliographie
Dr F. W. C. Krecke, _Handboek der Algemeene Natuurkundige Aardrijkskunde_, vijfde uitgave. -- _Patria Belgica_, publie sous la direction d'Eug. Van Bemmel. 3 deelen. 1873-75. -- Emile De Laveleye, _De Landbouwkunst in de Nederlanden; I. Belgie_. 1865. -- Alf. Jourdain et L. Van Stalle, _Dictionnaire encyclopedique de geographie historique du royaume de Belgique_. 2 deelen. 1896. -- Dr H. Blink, _Onze Aarde. Handboek der Natuurkundige Aardrijkskunde_. 1890. --El. Reclus, _Nouvelle Geographie Universelle_. IV. 1879. -- Cd Busken-Huet, _Het Land van Rubens_. 1881. -- Jules Cornet, _Premieres notions de Geologie_. 1903. --Fr. von Hellwald, _Die Erde und ihre Volker_. 1878. -- Henry Havard, _La Terre des Gueux_. 1877. -- Prof. H. Kern, _Opmerkingen over het Nederlandsch volkskarakter_, nr 8 van _Studies in Volkskracht_. 1904. --Ant. Sanderus, _Flandria illustrata_. 1641. -- Luigi Guicciardini, _Descrizione de tutti i Paesi-Bassi_.1567.
EEN BLIK OP DE GESCHIEDENIS DER VLAAMSCHE GEWESTEN TOT WATERLOO DOOR PAUL FREDERICQ
Ruwe volksstammen bewoonden oudtijds Belgies bodem, alsdan deels moerassig aan de kust en in het lage binnenland, deels heuvelachtig en met bosschen bedekt naar het Zuiden en het Oosten toe. Omstreeks 't jaar 50 voor Christus' geboorte werden die "Barbaren" ontdekt en onderworpen door Julius Caesar, den beroemden veldheer der Romeinsche Republiek, die ons in het verhaal zijner krijgstochten het eerste volledig en schilderachtig tafereel leverde van de toenmalige bewoners van ons Vaderland.
Alzoo werden, in de laatste jaren der negentiende eeuw, de negers van Middel-Afrika aan de watervallen der breede Congo-rivier door Stanley en de Belgische officieren van koning Leopold II ontdekt en in den stroom der beschaving getrokken.
Tusschen die twee ontdekkingen in van wilde stammen ligt onze geheele geschiedenis van Belgie, die een tijdverloop van nagenoeg twee duizend jaren omvat.
In zijne gedenkschriften roemt Caesar den moed dier Belgische volksstammen: _Horum omnium fortissimi sunt Belgae_ (de Belgen zijn de dapperste aller bewoners van Gallie). Maar die Keltische of Gallische Belgen, door Rome veroverd, leerden en spraken weldra Latijn, de taal hunner beheerschers en beschavers, en zij werden de voorvaderen der Walen; terwijl later aangekomen Germanen, vooral Franken, en ook voor een deel Friezen en Saksen, de stamvaders der Vlamingen werden.
Onder die Franken stonden mannen op als Hlodowig (Clovis), koning van Doornik, die het koninkrijk _Francia_ stichtte en zijne hoofdstad naar Parijs overbracht; Karel met den strijdhamer (_Martellum_), die in 732 bij Poitiers de wassende zee van den aanspoelenden Islam stuitte; en Karel de Groote (_Carolus Magnus)_, die in 800 tot Keizer van 't Westen werd gekroond. Dat waren de eerste groote Vlamingen uit den voortijd.
Het machtig Rijk van Karel den Groote viel aan brokken en de Schelde werd de grens tusschen _Francia_ en _Alemania_. Aan beide oevers van den kalmen stroom ontstonden het graafschap Vlaanderen (863) en het hertogdom Lotharingen, die beide eerst geheel en al onder den invloed der Germaansche beschaving stonden, zelfs in de Waalsche gewesten, vooral te Luik en te Doornik.
Omtrent 't jaar 1000 werd integendeel de Fransche beschaving overheerschend. Het Duitsche Rijk was verdeeld en onmachtig geworden. De Fransche Kroon begon hare staatkundige, intellectueele en kunstheerschappij in West-Europa. Doch, in 't gebied van Schelde en Maas, waren bloeiende handels- en nijverheidssteden geboren, die een onafhankelijk leven wilden leiden tusschen Duitschland en Frankrijk.
Vooral de Dietsche gewesten streefden naar eene eigene Vlaamsche beschaving en in het midden der 13de eeuw verkondigde een West-Vlaming, Jacob van Maerlant, aan zijn volk in de moedertaal de geheimen van den godsdienst, van de natuurwetenschap en van de wereldgeschiedenis, zooals men ze alsdan slechts in de geleerde taal van den tijd, in 't Latijn op de Hoogescholen in andere landen leeren kon. Brugge, Gent en Ieperen, weldra ook Antwerpen, Leuven, enz., werden brandpunten van nijverheid, handel en stoffelijken welstand, vrijheid, volksverlichting en kunst.
En toen de overmoedige Fransche Koning in 1300 het graafschap Vlaanderen op den impopulairen landheer inpalmde en aldus een begin scheen te maken met de trapsgewijze verovering van ons tegenwoordig vaderland, stonden weldra de Vlaamsche ambachtslieden en boeren op het slagveld der Gulden Sporen, te Kortrijk (1302), om Vlaanderen en de naburige streek voor Fransche annexatie te redden. Breidel en De Coninc, Willem van Gulik, Zannekijn, de twee Arteveldes, Pieter Van den Bossche, Frans Ackerman en zooveel andere helden zijn dan de groote Vlamingen, die "de koningen doen beven" en aan de onderdrukte bevolkingen van Frankrijk en van Engeland tot lichtbaken in de duisternis dienen, zooals de gelijktijdige Waalsche kroniekschrijver Froissart met ontzetting te boek stelde.
De Vlaamsche lakenweverij bevoorraadt geheel Europa. De hallen, belforten en stadhuizen komen prachtig uit den grond te Ieperen, te Brugge, te Gent en in de kleinere gemeenten. De halle van Ieperen is het grootste burgerlijk gebouw der middeleeuwen. De didactische dichterschool van Maerlant en de mystieke prozaschrijvers met den grooten Brabander Jan van Ruusbroec aan het hoofd leveren het geestesvoedsel in de moedertaal aan de Vlamingen, terwijl de verfransching in de hoogere standen reeds aan 't woekeren is.
[Figuur: Standbeeld van Jacob van Artevelde te Gent]
[Figuur: Halle te Ieperen]
In de 15de eeuw is er behoefte aan toenadering en eenheid. Een vorstengeslacht uit Frankrijk afkomstig, de vier hertogen van Bourgondie, stichten die eenheid op de puinhoopen der gemeentevrijheden. Onder hunnen krachtigen schepter rijst in 't Westen eene nieuwe mogendheid op, die men eerst met den aarzelenden naam van _Landen van herrewaarts over_, weldra met dien van _Nederlanden_ aanduidt, naar de "lage landen bij de zee", tusschen Frankrijk, Duitschland en Engeland. Groote bouwmeesters, beeldhouwers en schilders maken den naam van Vlaming vermaard over Europa. De Van Eycks, Memlinc, zooveel anderen behooren tot de schitterende Brugsche schilderschool, wier houten paneelen nu nog het sieraad zijn der kerken en der museums in de geheele wereld. Glansrijk bloeit de bouwkunst in de stadhuizen van Brussel, Leuven, Aalst, enz., terwijl de meesterlijke beeldhouwwerken, waarvan zoovele in den beeldenstorm van 1566 vernietigd werden, nieuwe wegen openen voor die edele kunst in West-Europa. Doch onder de Franschgezinde hertogen wordt de volkstaal niet in eere gehouden. De Vlaamsche letterkunde kwijnt, terwijl eene Fransche hofletterkunde bloeit met Jean le Bel van Luik, Jean Froissart van Valencijn, Georges Chastellain van Aalst en Philippe de Comines van Komen.
[Figuur: Keizer Karel V]