Vlaamsch Belgie sedert 1830 Eerste Deel
Chapter 3
Het strekt zich uit rondom de stad Eekloo en meer bepaaldelijk in de richting van 't noord-oosten, tusschen de Lieve, de vaart van Schipdonk en het kanaal Leopold, dat door het Polderland loopt.
XVII. -- De Polders. -- Van Duinkerke langsheen de Noordzee tot aan de monden der Schelde en verder waar ze zich vereenigt met den Rupel, de Durme en den Dender, strekken zich lage kleivormingen uit, in vorige eeuwen door den Oceaan bedekt, maar thans in voortbrengende gronden herschapen. Die breede zoom van 10 tot 15 Km., door aanslibbing van zee en stroomen neergelegd, is door de bewoners op de wateren veroverd, ingedijkt en drooggemaakt, en eindelijk in vruchtbare _polders_ veranderd. Het water van rivier of zee moest men eerst door afdammen terugdringen, het overtollige binnenwater uit poel en moer verwijderen, daarna de gronden droogleggen door een kunstmatig en met zorg onderhouden stelsel van afwatering, door middel van slooten, ringgrachten en kanalen, die het naar de zee voeren; want overal is water aanwezig: het borrelt en vloeit door de oppervlakte of op een geringe diepte onder den grond. Heel dit ingewikkeld netwerk van kleine wateren met zijn sluizen, dat, als een gedwee werktuig in de hand van den mensch, dienen moet, om de kostbare oppervlakte te behoeden tegen overstrooming of doorzijging van den ondergrond, draagt den naam van _watering_.
Op groote afstanden verheffen zich, als een weinig hooger liggend wandelpad, bijna onmerkbare _dijken_, waaraan niet minder zorgen zijn besteed, en die onze voorouders eeuwen arbeids en opofferingen hebben gekost, niet enkel om ze te leggen, maar om ze te behoeden tegen de herhaalde aanvallen der geduchte elementen.
De polderstreek, die ten minste 80 Km. lang is, met een omvang van nagenoeg 100,000 Ha. in ons land, gaat van boven Antwerpen evenwijdig met de Schelde over Zelzate en Damme, dan zuidelijk over Oudenburg naar Diksmuide en Veurne.
XVIII. -- Veurne-Ambacht. -- Het is onder dezen naam dat men de rijke gouw aanduidt, die in den omtrek der steden Diksmuide en Veurne, zich voortzet tot aan de Fransche grens, tusschen den IJzer en de duinen van de Noordzee. Zij heeft een oppervlakte van 350 Km2. Op den aangeslibden grond groeit een kort en stevig gras, dat door de zilte zeelucht gevoed, een krachtig voedsel oplevert voor de paarden- en de veeteelt. Sedert meer dan drie eeuwen geniet deze streek een welverdiende vermaardheid om haar zuivelbereiding, waaraan zij ook het beste deel harer welvaart verschuldigd is.
XIV. -- De Duinen. -- Verlaten wij de groene vlakte, dan ontmoeten we ten noorden den voet van den duingordel, die als een aaneenschakeling van golvende zandheuvels met een gemiddelde hoogte van 10 M. en een afwisselende breedte van 60 M. tot 3 Km. zich voortzetten langsheen de zeekust. Die gansche duinwal schat men op 3000 Ha. Op sommige plaatsen komen ze dieper in 't land te liggen, in breedere en smallere rijen, min of meer evenwijdig met elkander, tusschen wier hoogten zich _pannen_ of kleine dalen vormen. Nabij de dorpen Koksijde en de Panne liggen de hoogste duintoppen, waarvan een, de Hooge Blekker, 32 M. bereikt.
Deze aeolische vormingen zijn het eigendom der zee, de zandbanken, die de hooge vloed uit haar schoot opwerpt boven het strand, waar de fijne, beweeglijke zandkorrels spoedig op hun beurt de speelbal worden der heerschende winden, die van den zeekant komen, en ze over de duintoppen voortdurend het land injagen.
Door beplanting met helmgras, duindoren en kruipwilg is men er in geslaagd de duinen meer vastheid te geven. Merkwaardig is de rijkdom van water in de duinen, zoodat men bij behoorlijke leiding sommige steden van uitstekend drinkwater zou kunnen voorzien.
Taal en Volk
Van de zeven millioen inwoners, die Belgie bewonen, zijn er vier millioen, die behooren tot den Nederlandschen stam, en die, behalve een paar honderd duizend, Nederlandsch spreken, terwijl slechts drie millioen het Waalsch of Fransch als moedertaal gebruiken.
De Belgische stammen, die voor meer dan twintig eeuwen ons land bewoonden, waren Kelten, behoorende tot het ras, dat ook geheel Frankrijk bevolkte. Naar alle waarschijnlijkheid waren deze voorafgegaan door een nog oudere bevolking, wier overblijfselen men gevonden heeft in de grotten langs Maas en Lesse, in de streken langs Hene, Schelde of Rupel.
De Keltische stammen in 't zuiden van ons land en die met de Romeinen steeds in aanraking waren, ondergingen meer en meer hun invloed. Weldra doorsneden de heirbanen het bijna ondoordringbare kolenwoud. De Latijnsche taal drong langzamerhand in het Keltische leven, waardoor het Waalsch is ontstaan. Toch valt het niet te loochenen, dat ondanks zijn Romaansche afkomst, het een groot getal Germaansche elementen in zich heeft opgenomen, vooral het Luikerwaalsch. De oorzaak daarvan ligt waarschijnlijk in het langdurig verblijf der Austrasische Franken in de omstreken der Maas. De uitdrukkingen "Waal en Waalsch" zijn de benamingen door de Germanen aan de Romanen gegeven.
Sedert het Karolingische tijdvak heeft het Waalsch zijn grenzen weinig veranderd. Wel is de naam van Luik oorspronkelijk Germaansch evenals Herstal, maar dit is geen bewijs dat het Germaansch of Nederfrankisch vroeger zuidelijker werd gesproken en het Waalsch vooruitgeschoven is. Daar tegenover staan vele Waalsche namen van plaatsen, die altijd door een Vlaamsche bevolking zijn bewoond geweest.
Taalgrens. -- Trekt men van St.-Omaars in Frankrijk nagenoeg een rechte lijn tot aan Maastricht, dan wijst deze vrij juist de taalgrens aan tusschen de Nederlandsch sprekende en Waalsche bevolking, en komt nagenoeg overeen met den Romeinschen steenweg van de zee over Bavaai naar Keulen en den noordelijken zoom van het uitgestrekte Kolenwoud, dat Belgie in vroeger tijden van het westen naar het oosten doorliep. Ten noorden van dien zoom woonde de rustig landbouwende Frankische stam, waarvan de overgroote meerderheid der Vlamingen afstamt. Soms in een en hetzelfde dorp maakt de straatweg de scheiding tusschen het Waalsch en het Vlaamsch element. Eeuwen reeds wonen de beide volksstammen naast elkander. Zij hebben hetzelfde lot ondergaan, vreedzame en woelige tijden met elkander doorleefd, en toch heeft dit alles niet geleid tot verwisseling van taal.
In de eerste en tweede eeuw onzer jaartelling was het grootste deel van laag-Belgie naar alle waarschijnlijkheid nog bewoond door Keltische stammen, doch toen de Germanen van den beneden-Rijn in de vierde eeuw er verschenen, waren de eersten verdwenen, misschien ten gevolge van zware overstroomingen, die in de IIIe eeuw plaats hadden, en er bijna alle sporen der Romeinen hadden weggevaagd. Wat er hier en daar wellicht van overbleef, loste zich op in den Frankischen bond.
Een ander Germaansche volksstam, de Friezen, had zich van uit het noorden allengs langs de zeekusten uitgebreid tot voorbij de monding der Schelde, tot het Zwin in Vlaanderen, doch waren door Pepijn van Herstal en Karel Martel teruggedrongen. Toen later Karel de Groote talrijke familien van Saksen in Vlaanderen overplaatste, versmolten zij spoedig met de Frankische stammen. Laag-Belgie bleef dus Germaansch gebied en de taal door de bevolking gesproken was zuiver Nederfrankisch. De oud-Germaansche liederen, die Karel de Groote liet opteekenen, waren waarschijnlijk in dien oud-Vlaamschen tongval geschreven. Van de laatste helft der XIIe eeuw dagteekenen de eerste tot ons gekomen producten onzer Nederlandsche Letterkunde, waartoe Limburgers, Vlamingen en Brabanders het meest bijdroegen. Ze zijn in het Middelnederlandsch, de omgangstaal van de lage landen, ten zuiden van den Rijn tot aan de grenzen van het groote Kolenwoud in Belgie gesproken.
In de XIIIe eeuw, te zamen met de toenemende macht der burgerij, bereikte die letterkunde, vooral in Zuid-Nederland, haar hoogsten bloei. Jacob van Maerlant van Damme (* omstreeks 1300), "de Vader der Dietscher Dichtre algader", evenals de luimige zanger van het meesterlijk gedicht van "den Vos Reinaerde" (1270), gaven uitdrukking aan de burgerlijke gedachten en gevoelens van dien tijd.
Het Nederlandsch in Belgie bevat vier dialecten: het zoetluidende West-Vlaamsch, dat meer op de taal der middeleeuwen gelijkt, en dat ook in Zeeland wordt gehoord; het Oost-Vlaamsch; het Brabantsch, dat in de Kempen het zuiverst klinkt; het Limburgsch, dat in meer dan een opzicht het Middelfrankisch nadert. Doch daarnaast is voor heel Vlaamsch-Belgie het beschaafde Nederlandsch de schrijftaal, die ook met elken dag door den ontwikkelden Vlaming zuiverder wordt gesproken en geschreven. Naast de groote aantrekkelijkheid, die het verleidende Fransch hier op de menigte uitoefent, is het hardnekkig doordrijven der taalparticularisten een groot gevaar voor het behoud onzer taal. Hier geldt geen kinderlijke bewondering en gehechtheid aan een gewestspraak, hoe zoet ze ook moge wezen, maar wel de kracht, de eenheid van onzen stam. Daarom zorge men dat overal onze taal zoo zuiver mogelijk worde gesproken en zich ontwikkele tot een rijk, welluidend, helder en beschaafd Nederlandsch.
Behalve in Nederland en in Vlaamsch-Belgie wordt het Nederlandsch in een deel van het Noorder-departement in Frankrijk, in Zuid-Afrika en in de Nederlandsche kolonien in Oost- en West-Indie gesproken, te zamen door nagenoeg tien millioen menschen.
Karakter der Vlamingen
Naast geest en gemoed, in hun eigenschappen en gebreken toonen de Vlamingen zich de afstammelingen van hun Germaansche voorvaderen.
Het beeld, dat Tacitus[18] van het karakter, de zeden en de gewoonten dier oude Germanen heeft geteekend, maakt zeker geen ongunstigen indruk. Hun rijzige, forsche gestalte, hun open gelaat, hun heldere blauwe oogen, de rossig-blonde lokken, die over hun schouders golfden, hun onbevangen blik, hun mannelijke houding, 't getuigde alles van fierheid en rustige kracht. Hoewel ruw en onbeschaafd, waren ze niet wreed noch ongevoelig voor zachtere indrukken. Hun zeden, vergeleken bij die der Romeinen, waren eenvoudig en rein; hun huwelijkstrouw en eerbied voor den ouderdom en de vrouw, hun kinderlijke openhartigheid waren algemeen bekend en staken gunstig af bij het gelijktijdig zedenbederf der meer beschaafde Grieken en Romeinen. Vrijheid was hun boven alles lief, gastvrijheid een kenmerk van den Germaan; zelden werd een vreemdeling afgewezen of hem de toegang tot het erf ontzegd.
Jammer dat dit sterk gevoel voor vrijheid zoo dikwijls oversloeg in afkeer voor gezag en tucht, in gebrek aan eensgezindheid, zelfs bij dreigend gevaar. Belust op buit door krijg en veete, maakte hij zich dikwijls schuldig aan misbruik van sterken drank; zijn verregaande hartstocht voor het dobbelspel werd hem soms verderfelijk. Dronkenschap hebben helaas! zijn nakomelingen van hem overgeerfd.
Naast den man vertoont zich de Germaansche vrouw in een schooner licht: haar ranke edele gestalte, haar kuische ingetogen blik, waaruit hare reine inborst sprak, dwong eerbied af. Als eene trouwe gade stond zij haar echtgenoot ter zijde. Niet alleen droeg ze zorg voor huis en have, maar volgde hem dikwijls in den strijd, bracht hem lafenis en verkwikking, en wist zijn moed en dapperheid aan te vuren. In de heldenzangen van dien tijd, in de algemeene vereering, die zij later onder de Ridderschap genoot, zien wij het bewijs van haar waardigheid en reinen glans.
Ondanks al de lotwisselingen van het Vlaamsche volk in de verschillende tijdperken van zijn bestaan, heeft het veel van zijn Germaansche vaderen behouden. In de rechtstreeksche uiting van zijn verstand en gevoel ligt nog altijd die zelfde vrijmoedigheid, die ruwe rondborstigheid, iets dat getuigt van zorgelooze vroolijkheid, die zoo licht uitbundig wordt. Over het algemeen is de Vlaming voorkomend, gezellig en deelnemend. Gaarne vertoeft hij buitenshuis, en verheugt zich in vriendenkring; houdt daarbij van boert en schalken spot. Van natuur is hij bijzonder muzikaal, kunst- en prachtlievend. Toegevend en dienstvaardig voor vreemdelingen, is hij steeds bereid, om zich aangenaam en nuttig te maken. Evenals zijn Waalsche landgenooten, is hij gastvrij; zonder omslag of plichtplegingen wordt ge vriendelijk ontvangen. Op den buiten begroeten de landlieden u met een hartelijken "goeien dag." De Vlaming heeft niet die nuchterheid van verstand, niet die koele terughouding, maar ook niet die taaie wilskracht en volharding, dien zedelijken ernst, die het kenmerk is van zijn Noorderbroeder. Een warmer opbruisend bloed maakt hem beweeglijker, geestdriftiger en zet zijn hart gauwer in gloed.
Doch laten we liever het woord aan Prof. H. Kern[19], waar hij zijn oordeel over ons aldus neerschrijft:
"De Zuid-Nederlanders: Vlamingen, Brabanders, Antwerpenaars, hebben veel karaktertrekken met hun stamgenooten in 't Noorden gemeen. Ze zijn even vrijheidslievend, en overschrijden even licht de grens, die vrijheid van bandeloosheid scheidt. Zij zijn minder stijf en stroef in den omgang, levendiger, rumoeriger; minder bezadigd en lichter geraakt; minder peuterig, minder omslachtig en minder zwaartillend, doch ook minder nauwgezet; handiger, meer artistiek van aanleg, meer gesteld op uiterlijke praal, niet vrij van ijdelheid. Zonder zeer hartstochtelijk te zijn, geraken ze toch eerder in vuur. Daar zij minder zwaartillend zijn, zien zij er minder tegen op het initiatief te nemen."
Kan dit oordeel van den grooten Nederlandschen geleerde als de lichtzijde van ons karakter gelden, ook op de schaduw er van behooren wij te wijzen; en in de eerste plaats op het gebrek aan geloof in ons zelven, ons zwak gevoel van eigenwaarde, onze geringschatting voor eigen taal. Onze vaderlandsliefde is alleen nog verpersoonlijkt in onze historische monumenten en kunstschatten, in onze gehechtheid aan veel wat van den roem van het voorgeslacht tot onze zinnen spreekt. Na de verschrikkelijke crisis der zestiende-eeuwsche beroerten, die ons van het puik onzer bevolking beroofde, heeft een geest van verslapping, van lamlendigheid en onverschilligheid zich langzamerhand van ons meester gemaakt. En wat werd er toen van het vroeger zoo fiere Vlaamsche volk, bestemd voor de heerlijkste toekomst? Verlaten door de krachtige leiders, de edelste zonen van onzen stam, die bij duizenden en tien duizenden de wijk naar het Noorden hadden genomen, lieten wij onzen geest meer en meer verkwezelen, zonken in armoede en machteloosheid weg, om gedurende bijna drie eeuwen overgeleverd aan vreemde willekeur en geweld, uit de rij der natien te worden weggevaagd. Bloed en zweet mochten wij ten offer brengen voor belangen, die ons heelemaal vreemd waren. Ziedaar het loon van eigen dwaasheid en verblinding, het lot, dat alleen de standvastigheid onzer Vaderen van ons had afgewend.
De vereeniging met Nederland in 1815 schonk den Vlaming de gelegenheid de zware fout der XVIe eeuw te herstellen, alles bezittend wat noodig was, om een bloeienden, rijken Staat te vormen. Helaas! uit de school der beproeving was hij even arm aan wilskracht, aan zelfbeheersching te voorschijn getreden. Opnieuw liet hij zich eerst door een opruiende geestelijkheid, dan door de oproermakende Walen verleiden, om tegen zijn eigen taal te protesteeren, met de vijanden van zijn stam te heulen en de hereeniging plotseling te verbreken, die door stijgende welvaart en voorspoed zooveel van zich verwachten liet en een voorwerp was geworden van bewondering, maar ook van afgunst voor anderen. Opnieuw scheidde hij zich af van zijn Noorderbroeders, om zich te krommen onder het juk van Waalsche bureaucratie, en een langen lijdensweg op te gaan van geestelijke verstomping en stoffelijken achteruitgang, van miskenning zijner heiligste rechten.
Wat zou er in die drie vierden van een eeuw van ons volk zijn geworden zonder de Vlaamsche Beweging, die weinig jaren na de Omwenteling van 1830 zich reeds deed gevoelen; zonder de toewijding der trouwste zonen van 't Land, die steeds voor de verwaarloosde stamgenooten in de bres sprongen, om hun miskende rechten met moed en klem te verdedigen, en aldus machtig bijdroegen tot Vlaanderens zedelijke herleving? Zal ons volk dien weg blijven opgaan? Zal het hem mogelijk zijn met de aanmoedigende leeringen en voorbeelden van het verleden voor oogen, tot een betere toekomst te geraken, zijn vorige kracht en glorie te herwinnen? Dat zal in de eerste plaats afhangen van ons zelven, van onze geestkracht en toewijding, van den adel onzer handelingen, van ons gemeenschappelijk gevoel en eensgezindheid. In het heden ligt wat worden zal!
Algemeen overzicht der Steden en Monumenten
Vlaamsch-Belgie is een historisch gewest bij uitmuntendheid. Weinig landstreken bezitten zooveel geschiedkundige herinneringen, zooveel fraaie steden, zooveel natuurschoon en kunstschatten, zooveel bekoring voor hart en geest. Al vroeg werd het een machtig midden van druk verkeer, van handel en nijverheid, een soort van onafzienbaar marktplein, waar Noord en Zuid, de kooplieden van Engeland, Frankrijk en Italie, de Venetiaansche en Hanzeatische zeelieden elkander ontmoetten. De vreemdelingen, die onze landstreek bezochten, stonden verbaasd over de talrijke bevolking, die zich overal verdrong. In de XIVe en XVe eeuw wekten onze steden de bewondering van gansch Europa. Hun oude luister is thans verdwenen of sterk afgenomen; sommige zijn schier uitgestorven, doch andere hebben zich uit den staat van verval tot welvaart en bloei weer opgewerkt, om tot haar vorige glorie terug te keeren. Er is bijna geen stad, die niet een of ander roemrijk feit te vertellen weet; zelfs de doode steden met hun ruime pleinen en markten, geschikt voor volksvergaderingen, roepen menige merkwaardige gebeurtenis voor den geest. In dezen tijd wordt er oneindig veel gedaan voor het behoud dier eerwaardige monumenten en voor de kunst in 't algemeen. Geen kerk of raadhuis of welk ander belangrijk gebouw, of het wordt met zorg hersteld, om de schade of den wansmaak, door vandalisme aangebracht, te doen verdwijnen. Dit is een gevolg van den eerbied, dien de Belg in 't algemeen gevoelt voor de overblijfselen van zijn verleden, van zijn dankbaarheid voor 't roemrijk voorgeslacht. De prachtige kathedralen met hun hooge torens, de rijkversierde raad- en gildehuizen, de zware steenen belforten en uitgestrekte hallen, zijn het niet als zoovele sprekende getuigen van zijn kunst- en godsdienstzin, van de macht en den rijkdom onzer steden? Elk van hen stelde er een eer in, haar schepenhuis te bouwen naar een eigen zelfstandig plan. Het is als burger van een stad, als lid van de eene of andere gilde, dat de Belg bewust is van zijn gehechtheid aan zijn land.
De eerste groote steden, die de reiziger ontmoet als hij, komende uit Duitschland, de Belgische grens overschrijdt, zijn het nijverige Verviers (52,500 inw.) met talrijke laken- en wolfabrieken, en Luik (171,000 inw.), het middelpunt der steenkool- en ijzerindustrie, en in bevolking de derde stad van 't rijk. De omstreken nemen een belangrijk deel aan haar groote bedrijvigheid, o. a. Seraing (40,000 inw.), met zijn grootsche inrichtingen en machtige ijzerfabrieken, evenals zijn kristal- en glasblazerijen van _Val St-Lambert_. Die ontzaglijke metaal-industrie, waarvan de gebroeders _Cockerill_ de scheppers waren, dankt ons land aan koning Willem I, die hun het domein, het vroegere zomerverblijf der prins-bisschoppen van Luik, voor dit doel afstond (1817). In 1821 trad te Seraing de eerste hoogoven in werking, die de stuwkracht werd onzer ijzerindustrie, welke in onzen tijd zulke ontzettende uitbreiding heeft genomen.
Spoedig verlaten we het Waalsch gebied. Ten noorden in de provincie Limburg liggen de oude Vlaamsche steden Tongeren en St.-Truiden, verder Hasselt en Maaseik. Tongeren (9,000 inw.) ontleent zijn naam aan den Germaanschen volksstam, die zich hier kwam vestigen op de plaats der Aduatieken en Eburonen, die Caesar had doen uitroeien. Het standbeeld van Ambiorix op de Markt herinnert ons aan een der glorierijkste feiten van het begin onzer geschiedenis. Evenals Tongeren had St.-Truiden (13,700 inw.) veel te lijden en werd herhaaldelijk verwoest. Men beweert dat zij de geboorteplaats is van _Gerhard van Rile_, den eersten bouwmeester der statige domkerk te Keulen, dit onvolprezen meesterstuk der middeleeuwsche bouwkunst. Hasselt (15,000 inw.), de hoofdstad der provincie, is bekend om haar stokerijen, terwijl Maaseik (4,700 inw.) doorgaat voor de geboorteplaats van de twee beroemde broeders _Hubert_ en _Jan Van Eyck_, de stichters der Vlaamsche schildersschool in de XVe eeuw.
Intusschen zetten we onze reis voort over Tienen naar Leuven. De eerste (17,700 inw.) is een voorbeeld van netheid, met suiker- en ijzerfabrieken en een zeer bezochte graan- en veemarkt. In 1213, bij den inval van den prins-bisschop van Luik, werd de stad ten gronde vernield, benevens 32 dorpen en andere steden, waaronder Zoutleeuw, welks oud stadhuis en kerk, maar vooral haar keurig tabernakel als een wonder van bevalligheid zijn bekend. De kerk van Zoutleeuw is de eenige, die in de 16e eeuw door de beeldstormers niet werd verwoest; zij geeft alleen een beeld van hetgeen onze bedehuizen waren voor de kerkhervorming.
[Figuur: Romaansche Kloostergang te Tongeren]
Ten noord-oosten van 't Hageland liggen de steden Diest (8,900 inw.) en Aarschot (7,000 inw.). Diest met een rijk archief van merkwaardige oorkonden der XIIIe eeuw, hield in den strijd tegen Spanje het langs de zijde van Willem den Zwijger. In de kerk van St.-Sulpicius rust Oranje's oudste zoon Filips (*1618).
Thans vraagt Leuven onze aandacht, de voormalige rijke hoofdstad van het hertogdom Brabant, gedaald tot den rang van gewone provinciestad. Gelegen aan de Dijle, waar keizer Arnold in 892 de Noormannen een geduchte nederlaag bracht, telde de stad in de XIVe eeuw niet minder dan 4000 weefgetouwen voor het vervaardigen van laken, en een bevolking, beweert men, van 80,000 zielen, nu slechts 42,000. Inwendige onlusten tusschen edelen en ambachtslieden, woeste partijschap en burgerkrijg deden haar nijverheid ten onderen gaan. Hertog Jan IV, een bevorderaar van letteren en wetenschap, trachtte de stad voor dit verlies schadeloos te stellen, en begiftigde haar in 1426 met een hoogeschool, een eeuw later een der meest bezochte van gansch Europa. Een groot getal beroemde mannen: Erasmus, Justus Lipsius, Paus Adriaan VI van Utrecht werden er gevormd.
Vervallen van haar vroegere grootheid, bezit ze nog belangrijke fabrieken en brouwerijen, alsook een goed bezochte Kath. Vrije Universiteit, gesticht in 1834. Het stadhuis is een juweel en een der schoonste monumenten van Belgie. Dit meesterstuk van den Leuvenschen bouwmeester Matheus Layens, begonnen in 1448 en voltooid in 1463, oefent door zijn bevallige evenredigheden en zijn rijkdom van versiering een blijvende bekoring uit. In die steenen geciseleerde rijve heeft de burgerlijke gothiek haar toppunt van kunst bereikt. De St.-Pieterskerk van den Diestenaar _Sulpicius van Vorst_, met haar grootsch portaal en statigen middelbeuk, bezit een schat van schilderijen en beeldhouwwerken.
[Figuur: Stadhuis van Leuven _(Bulletin officiel du Touring Club de Belgique)_]