Vlaamsch Belgie sedert 1830 Eerste Deel
Chapter 2
Een belangrijke factor in de wordingsgeschiedenis van Vlaanderen zijn de zandafzettingen, die reeds in het diluviale tijdperk begonnen mede te werken aan het vormen van zandbanken op eenigen afstand van de kust. De zeevloed wierp daarna het zand met ander door de rivieren aangevoerde stoffen uit zijn schoot omhoog en voerde het landwaarts in, eeuwen achtereen, tot het werd een heuvelreeks, een duingordel, die de geheele kust omzoomde, en langzaam glooiend in een breed, vlak strand overging, meer geschikt voor de vestiging van bad- en visschersplaatsen dan voor havensteden. Achter deze duinen lag het land met zijn veen- en moerasgrond, thans in vruchtbare polders herschapen.
Schelde, Lei en Dender, Rupel, Dijle en Demer hebben overal rivierklei langs hun boorden neergelegd. Door middel dezer aanslibbingen van zee en binnenwaters, bouwt de mensch zijn polders en zijn marken, zijn velden en zijn weiden, omgeven door slooten, omzoomd met wilgen.
Werken van den eenen kant de opbouwende krachten van zee en stroomen, van den anderen kant zijn die zelfde waters door verzanden als ter dood veroordeeld. Langs onze geheele zeekust kan men dit verschijnsel waarnemen, vooral bij de monding der rivieren. Om slechts een voorbeeld te noemen, wijzen wij op het Zwin, in de XIIIe eeuw nog een machtige zeearm, thans een moerassige kreek. Doch niet alleen aan de monding, ook hooger op, hadden verzandingen plaats, deels uit oorzaak der geringe snelheid van den stroom, deels onder den invloed van sterke ebbe en vloed. Die verzanding heeft de scheepvaart groote bezwaren in den weg gelegd. Belette die ongunstige gesteldheid onzer kusten het ontstaan van zeehavens, ook de bloei van belangrijke handelsplaatsen aan den benedenloop van rivieren werd sterk bedreigd.
Ligging. -- Omvang. -- Klimaat
Ligging. -- Belgie is het gedeelte van Europa, dat begrensd is door de Noordzee, die het van Engeland scheidt en begrepen is tusschen Nederland, Duitschland (Rijnsch Pruisen), het groothertogdom Luksemburg en Frankrijk. Een natuurlijke grens heeft ons land alleen ten noord-westen in zijn 67 Km. lange kustlijn, ten zuid-westen aan West-Vlaanderen door de Lei en ten oosten aan Limburg door de Maas.
Het strekt zich uit tusschen 49*,30 3*,43 meridiaan, dan ligt het tusschen 1*46
Ons land heeft nagenoeg den vorm van een rechthoekigen driehoek met een omtrek van 1330 Km., waarvan 67 Km. kustlijn, 328 Km. ten noorden langsheen de Nederlandsche grens, 321 Km. aan den oostkant, te weten 103 Km. voor Nederland, 98 Km. voor Duitschland en 120 Km. voor 't groothertogdom Luksemburg, terwijl de zuidelijke en westelijke grenslijn, die het van Frankrijk scheidt, 614 Km. bedraagt.
Omvang. -- De geheele oppervlakte van ons land is van 2.945,589 Ha., nagenoeg drie millioen. De grootste afstand van het noorden naar het zuiden, tusschen Hoogstraten en Chimay, is 170 Km., de grootste lengte van Oostende tot aan Aarlen, meet 280 Km. In uitgestrektheid is het een der kleinste landen van Europa.
Klimaat. -- Het klimaat van Belgie, hoewel veranderlijk en vochtig, is over het algemeen zacht en gematigd, en mag als een der gezondste van westelijk Europa gerekend worden. In het hoogere bergland is het droger, scherper, bestendiger en gezonder dan in het lager gedeelte of poldergewest; de lucht is er ook zeer helder en zuiver.
De gemiddelde warmtegraad is voor het geheele rijk ongeveer 10*,5 is die der schoone Meidagen of van de zachte helft van October. De grootste hitte, meestal bij het einde van Juli, klimt soms tot 35*, de strengste koude, gewoonlijk na de eerste helft van Januari, daalt wel eens bij uitzondering tot 20*c. beneden het vriespunt.
De heerschende winden zijn die van het Z.W. en N.O. De eerste, die zich vooral in den herfst doen gevoelen, brengen overvloediger regen en dikwijls storm mee. Onze koude voorjaren worden veroorzaakt door de N.O. winden, die in April en Mei de overhand hebben. In den zomer wordt de lucht voortdurend ververscht door de van de zee waaiende winden, die de ongezonde uitwasemingen verdrijven. Tijdens dit seizoen heeft het geheele laagland van Veurne tot Maastricht een nagenoeg gelijkmatig klimaat.
In Belgie regent het op de 365 dagen zoowat 190, dus meer dan de helft van het jaar. Bleef al het regenwater staan, dan zou het den bodem van ons land jaarlijks met een hoogte van ruim 700 m.m. bedekken. De jaarlijksche neerslag bedraagt voor het westelijk gedeelte van 700 tot 800 m.m., terwijl de hoeveelheid regen ten oosten van de Maas toeneemt met de hoogte van den grond, waar zij soms tot 1200 m.m. beloopt. Het aantal heldere dagen is hier niet groot. De maand September brengt gewoonlijk het bestendigste mooie weder aan.
In de bergstreek begint de winter vroeger en duurt hij ook het langst. Het verschil voor de hoogste punten der Ardennen is gewoonlijk 3*c. lager dan in Vlaanderen. Aan den oostkant is dus het klimaat meer _continentaal_, aan de west- of zeezijde meer _maritiem_.
De snelle afwisseling van warmte en koude, gevoegd bij de groote vochtigheid, veroorzaken licht verkoudheid, borst- en keelziekte en rhumatisme. De schadelijke uitwasemingen van gedempte poelen en moerassen zijn oorzaak van koortsen.
Gebied van Maas en Schelde
Bijna geheel Belgie behoort tot het gebied van twee stroomen en van een zeerivier, de Maas, de Schelde en den IJzer.
Geen van deze rivieren ontspringt in het land zelf; alle drie hebben hun oorsprong in Frankrijk; de laatste alleen heeft haar monding in ons land. Een klein hoekje van Zuid-Henegouwen en de oostelijke helft van Luksemburg behooren tot een ander stroomgebied.
In hun loop vertoonen onze hoofdrivieren een zekere overeenkomst. Beide richten zich, zoodra ze Belgie binnenkomen, naar het noorden: de Maas tot aan Namen, de Schelde tot aan Gent. Te Namen ontvangt de eerste de Samber, welke bijrivier haar de richting aanwijst, die ze thans te volgen heeft. De Lei valt te Gent in de Schelde, welke van hier mede naar het oosten loopt. Later hernemen de beide stroomen hun weg naar het noorden, totdat ze Belgie verlaten, om door Nederland in een westelijke richting naar de Noordzee te vloeien. Uit oorzaak van de helling van den bodem ontvangen Maas en Schelde hun meeste bijrivieren van de oostzijde.
De Maas is de stroom van het bergland. Afkomstig van de hoogvlakte van Langres, wordt zij reeds bevaarbaar te Verdun, breekt verder door de harde rotskloof der Ardennen te Fumay, die ze uitdiept en verbreedt, en valt in Belgie. Van hier tot boven Luik loopt zij schier gestadig in een rotsbed, beboord met scherpe en steile hoogten van grauwe leisteen en van kalk, door de lichtbruine kleur van ijzererts en andere aarde als 't ware verguld.
Een menigte rivieren werpen zich in de Maas: rechts de Semoi, bekend om haar verrukkelijke oevers, de Lesse, om haar schilderachtig dal en haar beroemde grotten en holen, de Hoyoux en de veel bezochte Ourthe, die reeds de Ambleve met haar mooien waterval en de Vesder heeft opgenomen; links de Samber, de Mehaigne en de Jaar of Jeker. Van Luik tot Maastricht is een kanaal langs de Maas gegraven, zoodat men er in geslaagd is, haar van Sedan door heel haar loop bevaarbaar te maken. Bezuiden Maastricht, bij het dorp Eisden, treedt de Maas op Nederlandsch grondgebied en vormt de grensscheiding met Belgie, tot voorbij Maaseik, dat zij bespoelt, waarna ze voor goed ons land verlaat, om zich bij den Briel in de Noordzee te werpen.
De Schelde is de stroom van 't vlakke land en de belangrijkste van Belgie. Haar geheele loop van aan Kamerijk, waar ze bevaarbaar is, tot aan haar monding in de Noordzee, bedraagt ongeveer 430 Km., waarvan 107 in Frankrijk, 233 in Belgie, de overige 90 in Nederland.
Ontsprongen op een hoogvlakte van 110 M. ten noorden van St.-Quentin, bespoelt ze achtereenvolgens Kamerijk, Valencijn en Conde in Frankrijk, treedt even boven Antoing in Belgie, stroomt door de provincie Henegouwen naar Oost-Vlaanderen. Van Doornik baant ze zich een weg door den rotsgrond, strijkt verder door krijt- en kleilagen langs 't golvend heuvelland tot voorbij Oudenaarde, om van hier als een breede glanzende streep te kronkelen door de groene vlakte naar Gent, waar ze met verscheidene belangrijke kanalen in gemeenschap is, met dat van Brugge, Zeebrugge en Oostende door de Lei, met het groote zeekanaal van Terneuzen. Te Gent neemt ze de Lei op, die haar stroom, in oostelijke richting stuwt tot voorbij Dendermonde, om verder met een bocht zich naar 't noorden te wenden en als scheidslijn te dienen tusschen het Land van Waas en de provincie Antwerpen. Voor de stad van denzelfden naam vormt de Schelde een der schoonste havens van Europa. Een groot gedeelte van zijn levenskracht is Belgie aan zijn hoofdstroom verschuldigd. Zijn diepte en breedte is zoo groot, dat hij niet alleen de reusachtigste stoombooten, maar zelfs de zwaarste oorlogsschepen ontvangen kan.
[Figuur: De Schelde voor Antwerpen]
De Schelde dankt haar belangrijkheid aan den invloed der getijden. Ook in den Rupel en zelfs in de drie bijrivieren, die hem vormen, de Nete (tot Lier), de Dijle (tot Mechelen) en de Zenne (tot Vilvoorde) is de werking van den vloed nog duidelijk waar te nemen.
Te Antwerpen heeft de Schelde bij ebbe een breedte van 500 M.; de vloed duurt er gemiddeld 5 u. 38 m.
Kalm en rustig glijden al de bijrivieren door het vlakke land, om hun water naar den hoofdstroom te brengen: de Hene, die haar naam schenkt aan de provincie, de schilderachtige Lei, de Dender, de Durme en meer andere, welke ieder op haren weg kleinere stroompjes hebben opgenomen.
Is de aanblik van de breede Schelde indrukwekkend, deze wordt nog verhoogd door het grootsche tooneel van beweging en leven, door de talrijke schepen en stoombooten, die haren vloed doorklieven.
Even voorbij Doel verlaat de Schelde ons grondgebied, splitst zich, drie uren beneden Antwerpen, in twee armen, waarvan de zuidelijke, de Hont of Wester-Schelde geheeten, voorbij Terneuzen en Vlissingen naar de Noordzee loopt. De noordelijke arm of Ooster-Schelde, door een afdamming sedert 1868 van haar tweelingzuster gescheiden, begint meer en meer te verzanden.
De Scheldemonden bij Vlissingen en Zieriksee hebben een aanzienlijke diepte (van 37 tot 40 M.) en een breedte, die afwisselt volgens ebbe en vloed van 4200 tot 4800 M.
De Hont of Wester-Schelde, thans de groote handelsweg voor Antwerpen en geheel Belgie, vormde in de middeleeuwen een uitgebreide delta, waardoor bij storm en hoogen waterstand de gansche streek beneden Antwerpen, tot zelfs een deel van 't Land van Waas, regelmatig onder water werd gezet.
Van de XIe eeuw af begonnen de bewoners aan haar oevers de schorren of aangeslibde gronden in te dijken. Sedert de XIIIe eeuw werden aldus, volgens Em. De Laveleye[13], in Belgie alleen meer dan 50,000 Ha. ingepolderd, en sedert 1815 bedraagt de aanwinst van grond reeds meer dan 8000 Ha. en nog is er meer land door indijking te winnen.
Het waterveld tusschen Zeeuwsch-Vlaanderen, Zuid-Beveland en Walcheren, dat als 't ware het voorplan is van het grootsche drama "den Strijd tusschen Water en Land", werd in de tweede helft der XVIe eeuw, opnieuw het tooneel, waar een nog bloediger strijd geleverd werd tegen de Spaansche dwingelandij voor de vrijheid van het geweten. Liever dan hun land aan den bloeddorstigen vijand prijs te geven, staken de inwoners de dijken door, en vernielden op een dag het werk van vier eeuwen. Na de bevrijding van Nederland begon men als van vorenafaan het water grenzen te stellen en riep men de hulp in van de waterbouwkunde voor het droogmaken der gronden.
De IJzer ontspringt in het Fransch Noorderdepartement, ten oosten van St.-Omaars, stroomt als een zelfstandige rivier door West-Vlaanderen, ontvangt de Ieperlee in de nabijheid, waar vroeger het fort Knokke zich verhief, ten Z.W. van Diksmuide, en werpt zich na een loop van 78 Km., waarvan 50 in Belgie, beneden Nieuwpoort in zee. Het nut van deze rivier, niet alleen voor het drooghouden van den grond, maar ook voor de scheepvaart, wordt verhoogd door verscheidene kanalen, dat van Loo, van Veurne en van Plasschendale, die den loop van het rivierwater regelen en deels de wateren onderling verbinden.
Natuurlijke Landschappen
Behalve de negen provincien, waarin ons land bestuurlijk is verdeeld, bezit het bepaalde streken, die hun eigenaardig karakter en ouden naam hebben bewaard, welke zij aan de geschiedenis, aan hun ligging of grondgesteldheid of wel aan hun uiterlijk danken. Hoewel soms bijna in elkander overgaande, onderscheiden ze zich meestal door verschil van uitzicht, van rijkdom des bodems of van daarmee gepaard gaande volksdichtheid.
Hoog-Belgie
In het hooge gedeelte van Belgie heeft men:
I. -- De Ardennen. -- Zooals we gezien hebben beslaat deze bergstreek bijna den heelen zuid-oosthoek van ons land, van de boorden der Semoi tot de steile oevers der Maas, Ambleve en Vesder. Zij is een geliefkoosd verblijf van toeristen en jagers. Nu eens stout en wild, dan liefelijk en zacht, met heerlijke vergezichten, schilderachtige dalen, grillige rotspartijen, bekroond met bouwvallen van oude kasteelen. Overal leven volkssagen van overoude tijden onder het volk voort. Holen en grotten, evenals de opgeheven steenen zijn als zoovele geheimzinnige gedenkteekenen van lang verdwenen rassen.
II. -- De Hooge Venen _(Hautes Fagnes)_ liggen tusschen de Ambleve en de Vesder in het zuid-oosten der provincie Luik. Ze beslaan een oppervlakte van 50 Km. lengte en 20 Km. breedte. Deze kruinen der Ardennen zijn licht afgeronde vlakten, die nog het uitzicht hebben van een woeste en maagdelijke natuur. De vochtige bodem, met zijn ondoordringbaren ondergrond van klei, verkondigt de aanwezigheid van veen. Donkere bosschen en heidevelden wisselen elkander af. Niets evenaart de sombere treurigheid dezer streek.
III. -- Klein-Provence of Belgisch Lorreinen. -- Deze bekoorlijke vallei tusschen Aarlen en Virton, gevormd door de Semoi en beschut door de hooge Ardennen, wordt aldus genoemd, om haar zacht klimaat, haar lachende heuvels met weelderigen plantengroei.
IV. -- De Famenne. -- Een bijzonder ondankbaar gewest van Luksemburg met de kleine stad Marche als hoofdplaats. De schrale bodem is hier en daar bedekt met magere roggevelden en pijnbosschen.
V. -- De Condroz. -- Heel anders is het voorkomen van dit land, dat zich uitstrekt over een deel der provincies Luik en Namen, tusschen de Ourthe en Maas, ten zuiden van Hoei, en de Lesse. Het is aldus genoemd naar den volksstam der Condruzen, die tijdens de Romeinen hier woonde. Het is een koude, open vlakte, met breede golvingen, bijna zonder boombeschutting.
VI. -- Tusschen Samber en Maas. -- Dit gedeelte van de provincie Namen heeft, zoowel wat de gesteldheid van den grond betreft als de wijze om er nut uit te trekken, veel overeenkomst met de Condroz. Sedert jaren is men begonnen de bosschen, een overblijfsel van het groote kolenwoud _(Sylva carbonaria)_, uit te roeien en door landerijen te vervangen.
VII. -- Klein Zwitserland. -- Zoo noemt men het gedeelte van het Maasdal tusschen Dinant en Namen, bekend om zijn verrukkelijke schoonheid. Ingesloten tusschen de hooge schilderachtige rotsen, die langs de beide oevers omhoog rijzen, kronkelt de heldere stroom voorbij marmergroeven, prachtige bosschen, lachende tuinen en nijverige dorpen. Moeilijk kan men een punt op den geheelen weg aanwijzen, dat den reiziger niet aantrekt en boeit.
Middel-Belgie
VIII. -- Het land van Herve. -- Onder de landschappen van Middel-Belgie noemen we eerst het land van Herve, in het noord-westen der provincie Luik, tusschen den rechteroever der Maas en de Vesder. In het midden ligt de kleine stad Herve, die haar naam geeft aan het oord, dat haar omringt. Het is een lachend heuvelland, waar de veeteelt nagenoeg uitsluitend wordt uitgeoefend. Boter- en kaasbereiding, evenals het inzamelen van het fruit der rijke boomgaarden is de voornaamste bezigheid der inwoners.
IX. -- Haspengouw. -- Dit rijk distrikt, in het land der oude Eburonen en Tongeren, bevat een deel der provincies Luik, Namen en Brabant, langs den linker oever van de Maas tusschen Luik, Hoei, Tongeren en Tienen. De stad Borgworm (Waremme) ligt zoo wat in het midden van dit vruchtbare deel van Belgie. Deze zoo wel bebouwde en dichtbevolkte streek is de minst schilderachtige van het land; zij levert overvloedig koren, aardappelen en beeten.
X. -- De Borinage. -- Aldus noemt men een deel van het rijke kolengebied in de omstreken van Bergen, ten zuiden van de rivier de Hene. Het bevat een dertigtal gemeenten, die zich bijna uitsluitend bezighouden met de ontginning der kolenmijnen.
Het is hier de plaats om een woord te zeggen over het Belgisch kolengebied, gevormd door een breede en diepe inzinking van den bodem, die Belgie doorsnijdt van het noord-oosten naar het zuid-westen. Dit uitgestrekte bekken met zijn opeengestapelde lagen, splitst zich, aan weerszijden van Namen, in twee voorname beddingen, de eene loopende naar 't oosten, de andere naar 't westen.
De laatste, ook de belangrijkste, richt zich langs de vallei van de Samber naar Charleroi, waar ze haar grootste ontwikkeling bereikt. Van hier loopen de lagen ter breedte van nagenoeg twee mijlen naar Bergen, vervolgens over de Fransche grens naar Dowaai. Ze hebben een uitgebreidheid van meer dan 90,000 Ha.
Het oostelijk bekken volgt de vallei der Maas, terwijl het voortdurend wijder wordt tot voorbij de stad Luik. Van hier zet het zich voort door Hollandsch Limburg naar de Roer, met een sedert 1901 ontdekte vertakking in de Belgische Kempen. De lengte van het ontgonnen bekken is 13 mijlen, waarvan 11 in de provincie Luik. De gansche oppervlakte schat men op 4,400 Ha. Het gansche kolendistrict in ons land bedraagt zoo wat het twintigste van de oppervlakte van 't Rijk. 120,000 menschen vinden hun bestaan in den kolenbergbouw, waarvan de voornaamste middelpunten zijn de _Borinage_, het _Centrum_ in de omstreken van _Mariemont_ en _La Louviere_, dat van _Charleroi_ en van _Luik_. De gezamenlijke opbrengst bedraagt jaarlijks meer dan 200 millioen ton (1000 Kgr.), voor een waarde van ruim 2000 millioen frank. Belgie is tegenwoordig het vijfde kolenland der aarde. De dikte der lagen evenals de diepte van dit kolenbekken is zeer verschillend: sommige dalen tot 1000 M. beneden de oppervlakte.
In de nabijheid der kolenmijnen treft men gewoonlijk overvloedig ijzererts aan, in de omstreken van Namen, Hoei en Luik, langsheen de oevers der Maas, ook in de provincie Luksemburg. De geheele vallei van Samber en Maas, tusschen Charleroi en Luik, is als bezaaid met hoogovens en ijzerfabrieken.
Zink- en looderts vindt men meestal in dezelfde streken, de grootste hoeveelheid langs de oevers van de Vesder aan de Pruisische grens, in het onzijdig gebied van _Moresnet_, de bekende _Vieille Montagne_ of _Altenberg_[14].
XI. -- Het Hageland in het noord-westen van Brabant, vroeger een deel van de onvruchtbare Kempen, omzoomd en besproeid door de Dijle, de Demer en de groote Gete, tusschen de steden Diest en Aarschot, Tienen en Leuven, is thans in een vruchtbare gouw herschapen met malsche weiden, mooie boomgaarden en vruchtbare velden.
Belgische Vlakte
XII. -- De Kempen. -- Hoe geheel anders dan de vruchtbare bodem van Middel-Belgie is het voorkomen der zandige vlakte der Kempen, die zich over een groot deel der provincies Antwerpen en Limburg uitstrekt. Eens was deze streek het bed van een groote zee, vandaar dat deze vloedgrond den stempel draagt der onvruchtbaarheid. Zij heeft een omvang van meer dan 200,000 Ha. Haar gemiddelde hoogte bedraagt zoowat 15 M., terwijl haar toppunt in Limburg 80 M. bereikt. Een diepe ernst ligt over de geheele vlakte, die het gemoed beklemt, ondanks het plantenkleed, dat de natuur er over gespreid heeft. De paarsche erica en de gele brem wisselen er af met schrale jenever- en hulststruiken, berken en mastboomen. Waar het insijpelende water niet weg kan vloeien, daar is de grond moerassig en vormen zich met den afval der planten veen- of turfgronden. Elders treft men op een diepte van 1 M. ongeveer, leem aan, dat, aan de oppervlakte gebracht en met zand vermengd, een goeden bouwgrond oplevert. Duizenden hectaren schralen heigrond heeft men aldus in vruchtbare beemden en akkers herschapen.
In de 12e eeuw waren de Kempen nog weinig bevolkt; de monniken der abdijen van Tongerloo, van Averbode en van Postel waren waarschijnlijk de eersten, die het werk der ontginning begonnen, doch het is vooral sedert de vereeniging met Nederland in 1815, dat men beproefde een beter gebruik van den bodem te maken. Ook de Trappisten droegen in latere jaren krachtig bij, om de woeste gronden te doen verminderen.
XIII. -- Klein-Brabant ligt in den zuid-westhoek der provincie Antwerpen tusschen de Schelde, den Rupel en de Zenne. Het is een vreedzaam en verrukkelijk oord met een vruchtbaren klei- en zandgrond, die met zorg is bewerkt en de kundige hand van den Vlaamschen landbouwer bewijst.
XIV. -- Het Land van Aalst, aldus genoemd naar de stad, die er het middelpunt van uitmaakt, is een vruchtbare kleistreek met malsche weiden, waardoor de Dender kronkelt. Schoone velden met koren en koolzaad wisselen af met voortreffelijke moestuinen; doch het is vooral bekend door de rijke hopakkers.
XV. -- Het Land van Waas. -- Indien dit heerlijk land, liggende aan den linker oever der Schelde, tusschen Antwerpen en Gent en de vaart van Terneuzen, tegenwoordig den indruk maakt van een grooten volkrijken boomgaard, dan is dit alles de vrucht van eeuwen arbeids. Dit mooi gewest, met zijn idyllisch voorkomen, met zijn rijke en vriendelijke landouwen, was eenmaal een treurige zandwoestijn, de voortzetting der Antwerpsche Kempen.
De vroege ontwikkeling der Vlaamsche steden met hun talrijke bevolking, bracht de noodzakelijkheid mee, om het omliggende woeste land te maken tot een der meest voortbrengende gewesten van Europa. Hoeveel arbeid en taai geduld, hoeveel bedrevenheid en kunde is er noodig geweest, om uit die dorre vlakte met poel en moeras, een waren lusthof te doen ontstaan!
Nu zou men allicht denken, dat zulk een streek, waar de eene akker naast den anderen als in een meetkundig mozaiek zich uitstrekt, van alle bekoorlijkheid is ontbloot. Doch onze eenvoudige landman met zijn scheppend vermogen bezat een diep gevoel voor natuurschoon, waardoor zoovele Vlaamsche dichters en schilders bezield en in verrukking zijn gebracht.
Lees _De Laveleye_[15], den ouden _Sanderus_[16], of den Florentijn _Guicciardini_[17], of liever doorwandel het Waasland van Gent in welke richting ook, alom bezaaid met volkrijke dorpen, en zeg of bij die kalme, frissche natuur, onder het heerlijk lommer der boomen uw hart niet opengaat van louter natuurgenot? Wat uw oog ontmoet, is slechts een kleur, maar in een reeks van schakeeringen met een onvergelijkelijke bekoorlijkheid en innige poezie! Hier leent de akkerbouw zijn nooit vermoeide hand aan de kracht der natuur, om beide vereenigd, hun gouden horen des overvloeds uit te storten. Met recht heeft men het Waasland genoemd "den tuin van Belgie."
Andere deelen, niet minder lief en bevallig, vormen de lachende oevers der Lei, met hun zacht bewogen vlasakkers, als het vleiend windje er over strijkt, met hun weiden van groen fluweel, zoo teeder rustig en betooverend schoon. Gaan we naar het zuidelijk deel, waar de bodem met zijn golving en kleine verhevenheden, zooveel er toe bijdraagt, om de schoonheid nog te verhoogen, dan genieten we overal van de verrukkelijke gezichtspunten, die de ziel boeien en verheffen. Doch er is nog een ander Vlaanderen, dat van het Meetjesland en dat der polders en dijken, het jongste in vorming als in geschiedenis.
XVI. -- Het Meetjesland herinnert door de gesteldheid van zijn mageren bodem aan de Kempen, waartoe het vroeger behoorde. Het kenmerkt zich door een zekere eentonigheid, door zijn boekweitvelden en sparreboschjes.