Vlaamsch Belgie sedert 1830 Eerste Deel

Chapter 17

Chapter 173,560 wordsPublic domain

De weigering der Belgen, om hunne aanspraken eenigermate te verminderen, deed een oogenblik de hoop op eene vreedzame oplossing verliezen. Talleyrand, door die halsstarrigheid ongeduldig gemaakt, kwam alweer met zijn plan van verdeeling voor den dag; terwijl Leopold, door het Engelsche Hof en Palmerston ondersteund, zich onverpoosd bemoeide om voor Belgie aannemelijke voorwaarden te verkrijgen, zette Koning Willem onophoudend zijne oorlogstoebereidselen voort; hij vroeg niets beter dan de afvalligen de scherpte van zijn zwaard te doen gevoelen en gaf dus, den 22en Juni, aan de Conferentie nogmaals te kennen, dat, indien de gevolmachtigden, ondanks hunne stellig genomen verbintenissen, nalieten middelen aan te wenden om het protocol van 20en-27en Januari door Belgie te doen eerbiedigen, hij verplicht zou zijn, zijn toevlucht tot zijn eigen middelen te nemen. Op die bedekte oorlogsverklaring antwoordde de Conferentie met den 26en Juni een protocol van XVIII Artikelen op te stellen, dat een voor Belgie veel voordeeliger ontwerp van verdrag dan dit van 20en Januari uitmaakte. Wel bleven voor Holland de grenzen van 1790 behouden, maar de volgende artikelen openden aan de Belgen het vooruitzicht, eens in het bezit van Maastricht te geraken, en bij de ruiling der ingesloten gronden nog een grooter gedeelte van Limburg te bekomen. De linker Scheldeoever moesten zij opgeven, doch het vrije gebruik van de Vaart van Terneuzen werd hun toegezegd. Het vraagstuk van het Groothertogdom werd van het Hollandsch-Belgisch geschil afgescheiden, om afzonderlijk door Willem, den Duitschen Bond en den aanstaanden Vorst van Belgie, afgehandeld te worden; intusschen zou Luksemburg door Belgie voort bestuurd worden. Ook in plaats van de schulden te verdeelen, legde men aan elk land zijn eigen oorspronkelijke schuld op, met uitsluiting der gemeenschappelijk uitgegeven sommen. De voordeelen, men ziet het, door de Belgische afgevaardigden en door den prins van Saksen-Coburg van de gevolmachtigden verkregen, waren van niet geringen aard. De Mogendheden schenen vergeten te hebben dat zij, den 19en Februari en den 17en April, hunne schikkingen van 20en Januari als _fondamenteel en onherroepelijk_ gevestigd hadden.

Dan verklaarde Leopold aan de afvaardiging, die hij toen eerst wilde ontvangen, dat hij de Belgische kroon zou aanvaarden, indien men door het Congres dit verdrag der XVIII Artikelen kon doen aannemen. Lebeau aarzelde niet: alhoewel hevig en hartstochtelijk bestreden door de Fransche aanhechtingspartij, door de Orangisten, door de Republikeinen, en niet het minst door de afgevaardigden van Limburg en Luksemburg -- de twee provincies die gevaar liepen door het verdrag verbrokkeld te worden -- bood hij de driftige en dreigende oppositie eenen kalmen en welsprekenden tegenstand, en na negen dagen discussie, wist hij de meerderheid van het Congres tot de aanneming van de XVIII Artikelen over te halen. Ondanks de nieuwe kuiperijen van de Fransche propagandisten, die te Brussel en te Luik een openlijken opstand tegen de Belgische regeering wilden inrichten, en de Republikeinen, die te Gent en te Geeraardsbergen eene militaire samenzwering op touw gezet hadden, werd, den 9en Juli, het Verdrag door 126 tegen 70 stemmen aangenomen.

Niets verzette zich meer tegen Leopold's toestemming. Hij verliet Londen den 16en Juli, ontscheepte te Kales, werd plechtig aan de Belgische grens ontvangen, vernachtte eerst te Veurne, dan te Gent, en kwam den 19en Juli, onder het gejuich der bevolking, op het kasteel te Laken aan. Van de grenzen af, was zijn reis een voortdurende feesttocht geweest, behalve te Gent, waar hij zeer koel onthaald werd. Den 21en Juli werd de Vorst op het verhoog, voor Sint-Jakobs op Koudenberg opgetimmerd, door den Regent en de Congresleden ontvangen, en legde er, in de open lucht, den eed aan de Grondwet af. Alzoo trad Belgie in de rij der Europeesche Staten, als een erkende onafhankelijke natie.

* * * * *

Leopold's verkiezing was een triomf voor de Engelsche diplomatie. Maar de scheiding van het schoone Rijk der Nederlanden was het niet minder voor de Fransche politiek; wel is waar moest zij, tegen haar wil, de onafhankelijkheid der Belgen erkennen, maar bij Talleyrand en bij vele Franschen bleef de hoop op eene latere inlijving voortbestaan.

[Figuur: Inhuldiging van Leopold I als Koning der Belgen te Brussel (21 Juli 1831)]

De sluwe Fransche gezant had reeds in April bij protocol de slechting bekomen van de Belgische vestingen, door de Sainte Alliance in 1815 op onze zuidelijke grenzen opgericht. Intusschen verkreeg hij van de Mogendheden, op 14en Juli, dat dit protocol zou ruchtbaar gemaakt worden. Twee dagen na Leopold's inhuldiging, verhaastte zich dan ook koning Louis-Philippe, bij de opening der Kamers, die ontmanteling op hoogen toon aan het Fransche volk mede te deelen: Belgie was alzoo feitelijk onder Frankrijks suzereiniteit geplaatst; men zou het dadelijk zien.

Terecht gebelgd over de snoode wispelturigheid van de Conferentie, die door hem opgeroepen, hem eerst van de helft van zijn Koninkrijk beroofd had, en hem nu in zijne rechten krenkte, weigerde Willem I met fierheid het Verdrag der XVIII Artikelen te onderteekenen, en verklaarde dat hij de aanvaarding van de Belgische koningskroon door den prins van Coburg als eene persoonlijke beleediging aanzag (12en Juli). Veertien dagen later kondigde hij de Conferentie aan dat hij beslist was zijn onderhandelingen door oorlogsmiddelen kracht bij te zetten; hij wilde, veeleer dan Belgie te heroveren, door de herstelling van de faam zijner wapenen, de gunstiger voorwaarden van den 20en Januari van de Conferentie bekomen.

Den 2en Augustus, gedurende zijne feestelijke ontvangst te Luik, vernam Leopold dat generaal Chasse, te Antwerpen, het einde van den wapenstilstand afgekondigd had, en dat 38,000 man met 72 kanonnen onder den prins van Oranje over de Belgische grens getrokken waren. De nieuwe Vorst, die zich met eigen oogen een denkbeeld had kunnen vormen van den ellendigen staat en de geringe getalsterkte van het Belgisch leger, verre van zich door den verwaanden toon der Belgische dagbladen te laten begoochelen, stuurde onmiddellijk, op raad van Lebeau, boden naar de gezanten Lehon te Parijs en Van de Weyer te Londen, ten einde de dadelijke hulp van de Fransche en van de Engelsche regeering af te smeeken, en deed den 4en door den ministerraad, niettegenstaande artikel 121, dat zulks verbood, aan Frankrijk vragen een hulpleger naar Belgie af te zenden.

Het verraste Engelsche ministerie was woedend, doch zijne dreigementen baatten niet; de Conferentie, die den wapenstilstand gewaarborgd had, was onthutst; de Fransche regeering jubelde over de noodwendigheid harer tusschenkomst.

Dadelijk werd maarschalk Gerard aan het hoofd van het leger van het Noorden geplaatst en begon zijn opmarsen, doch gezien het lichtgeraakte eergevoel van de Belgische troepen, die in hunnen overmoed "geene vernedering" wilden dulden, verwittigde de ministerraad den maarschalk, dat de bevelen van den koning noodzakelijk den intocht van de Franschen in Belgie moesten voorafgaan; gelukkiglijk voor het pasgeboren koninkrijk hield deze daar geen rekening mede.

Het Belgische leger, in twee hoofdafdeelingen gesplitst, trachtte intusschen den voortgang van Oranje's leger te stuiten. De onbekwame generaal Daine voerde het bevel over het slecht uitgeruste en tuchtlooze Maasleger, slechts 10,000 man sterk; Leopold bevond zich in het Scheldeleger, aangevoerd door baron de Tiecken de Terhove met 17,000 man; beide legers trachtten zich te vereenigen, maar Oranje besloot dit te verijdelen door zich tusschen beide in te schuiven, en slaagde er in door de inneming van Diest. Nu viel hij den 8en Augustus Daine bij Hasselt aan, en dreef zijn gansche leger zonder vechten op de vlucht. Daarna trok hij op Westmeerbeek af, waar Leopold[26] en Tiecken gelegerd waren; dezen, bij het vernemen van Daine's nederlaag en vreezende afgesneden te worden, trokken achteruit, en namen plaats op den weg van Leuven naar Tienen; weldra werden ze achteruitgeworpen en achtervolgd door den dapperen Oranje, wiens luitenant Bernard van Saksen-Weimar intusschen den steenweg van Leuven naar Brussel, in den rug van het Belgisch leger bezette.

Het Scheldeleger ging hetzelfde lot ondergaan als het Maasleger, en de koning te Leuven ingesloten worden, toen, dank zij de tusschenkomst van sir Robert Adair, den Engelschen gezant te Brussel, de prins van Oranje de belofte gaf dien dag Leuven niet te bestormen, indien men zich 's anderendaags 's middags wilde overgeven. De Belgische troepen maakten van dien wapenstilstand gebruik om langs den straatweg van Leuven naar Mechelen te vluchten; zonder de koelbloedigheid en de dapperheid van Koning Leopold, die de hoofdstad trachtte te dekken, ware de nederlaag in eene ware ramp veranderd (12en Augustus), 's Anderendaags deed de prins van Oranje zijne intrede te Leuven. De overwinning van het Nederlandsche leger was volkomen, de Tiendaagsche Veldtocht had de eer der Hollandsche wapens gered.

Te Brussel, van waar Oranje slechts twee uur verwijderd was, heerschte de grootste verwarring en was de burgerij tot de overgave bereid. Het jonge koninkrijk was reddeloos verloren, indien het Fransch leger, op dit oogenblik, niet opgedaagd was.

Toen den 9en Augustus generaal Belliard, wien gelast was geweest met Chasse te onderhandelen om eene nieuwe beschieting aan Antwerpen te vermijden, de vlucht van Daine's leger vernomen had, zond hij, uit eigen beweging en zonder Leopold te raadplegen, een koerier naar maarschalk Gerard, om dezen tot eenen snellen opmarsen aan te sporen. Den 10en rukte het Fransche leger over de grens en bereikte Waver den 12en, zoodat koning Willem, woedend over de snoode handelwijze van Frankrijk, dat het principe van Niet-Tusschenkomen verloochende, in zijne onmacht aan den prins van Oranje het bevel gaf, voor Frankrijks troepen te wijken. Den 13en stonden Gerard's voorposten voor de Hollandsche afdeelingen; alsdan sloot Oranje met Belliard een overeenkomst, waarbij zijn leger over de grens terugtrok.

Belgie zou hare nederlaag duur bekoopen. Reeds den 11en had Talleyrand, de verklaarde vijand onzer onafhankelijkheid, zich op de Conferentie van Londen heftig over de Belgen uitgelaten: "Leopold was een armzalig wezen en de Belgen een troep vagebonden, de onafhankelijkheid onwaardig; Belgie kon niet zelfstandig blijven bestaan en het te verdeelen was de eenige mogelijke oplossing."

Palmerston beantwoordde, den 15en Augustus, die onverdraaglijke en sluwe taal met een _ultimatum_ aan Frankrijk om dadelijk zijne troepen uit Belgie terug te trekken. Louis-Philippe riep terstond 20,000 man terug, maar stelde als voorwaarde der geheele ontruiming, dat maarschalk Gerard de geheele slechting van de zuidelijke vestingen zou voltrekken. Palmerston liet bedreigingen hooren, en Frankrijk, op verzoek van Leopold, liet slechts 12,000 Fransche soldaten hier, om aan de herinrichting van het Belgische leger te werken. Het was slechts den 30en September 1831 dat de laatste vreemde troepen onze grenzen verlieten, drie weken nadat Leopold zich, in overleg met de vier Mogendheden, verbonden had om maatregelen te nemen voor de spoedige ontmanteling van Meenen, Doornik, Ath, Bergen en Charleroi.

Inmiddels had de Conferentie, gedurende de onderhandelingen te Londen, opnieuw rechtsomkeert gemaakt; met dezelfde vaardigheid waarmede zij vroeger het protocol van 20en Januari had laten gaan, verloochende zij nu het verdrag der XVIII Artikelen. Europa toonde zich hard voor de overwonnenen: het nieuwe Tractaat der XXIV Artikelen, ondanks de bemoeiingen van Van de Weyer en het verlangen van Louis-Philippe, behelsde veel erger bepalingen dan het eerste, dit door toedoen van Engeland en van de Oostelijke Mogendheden.

Belgie moest Maastricht laten varen, benevens het Oostelijk gedeelte van Limburg over de Maas, en het Noord-Westelijk, met Roermond en Venloo. Het Groothertogdom Luksemburg werd ten persoonlijken titel aan Willem I geschonken, doch Belgie behield het Waalschsprekend gedeelte, mitsgaders een klein Duitschsprekend strookje, van Aarlen tot Vieil-Salm. Wel werd de vrije vaart van de Schelde naar den Rijn verzekerd, maar de scheepvaart op de Schelde zelf werd aan zekere tollen onderworpen. Wat de schulden van het vroegere Vereenigde Koninkrijk betrof, Belgie zou er de helft van dragen met bovendien nog de schulden van voor de vereeniging, te zamen beloopende eene jaarlijksche rente van 8.400.000 gulden: dit heette te zijn het beslissend en onwederroepelijk besluit der Mogendheden (14en October).

Het was met groot misnoegen dat het Fransch ministerie kennis kreeg van die vergrooting van grondgebied aan Holland toegestaan; doch in Belgie werd het verdrag der XXIV Artikelen met eene echte woede ontvangen. He Kamers verzetten zich tegen deze harde voorwaarden. Maar, wel wetende hoe gevaarlijk het was aan Europa weerstand te bieden en vreezende koning Leopold tot den afstand te dwingen, onderwierpen zij zich eindelijk: de Kamer der volksvertegenwoordigers den 1en November met 59 stemmen tegen 38, en de Senaat den 3en November met 35 tegen 8.

[Figuur: Leopold I]

Van de Weyer bracht het toestemmend antwoord aan de Conferentie over, en den 15en November werd het Verdrag bekrachtigd. Om Belgie voor deze houding te beloonen, waarborgden de vijf Mogendheden aan Koning Leopold de uitvoering van al de artikelen, en beloofden hem den vrede en hunne oprechte vriendschap: dat was de erkenning van het Belgisch koningdom. Intusschen weigerde Holland het Verdrag bij te treden, dat dadelijk door Koning Leopold, Louis-Philippe en Willem IV van Engeland onderteekend werd; Oostenrijk en Rusland, die nochtans de erkenning van het koninkrijk Belgie betreurden, en ook eindelijk Pruisen traden de XXIV Artikelen bij (Januari-Maart 1832).

* * * * *

De Belgen konden nu den vrede verhopen; maar eenerzijds dreigde de strijd met Holland opnieuw te beginnen, anderzijds ontstonden moeielijkheden nopens de ontmanteling van de zuidelijke grenssteden. Immers, men had op de Conferentie de slechting van de sterkten Charleroi en Doornik vervangen door die van Mariembourg en Philippeville (14en December). Frankrijk, dat nog altijd zijne hoop niet opgegeven had om deze twee laatste steden te verkrijgen, teekende hiertegen verzet aan. Louis-Philippe dreigde zelfs het traktaat van 15en November niet goed te keuren en oefende op Koning Leopold eene echte drukking uit; ook Talleyrand gaf zich veel, maar vergeefsche moeite, om Frankrijks eigenliefde te vrijwaren. Eindelijk stelde Leopold, die uit alle krachten Frankrijk zocht te bevredigen, met goedkeuring van Louis-Philippe, eene verklarende nota aan de Conferentie voor, die door de gevolmachtigden der vier andere Mogendheden aangenomen werd: haar hoofdinhoud luidde dat de bepalingen der overeenkomst van 14en December 1831, aangaande de daar vermelde vestingen, geen inbreuk mochten maken op de volle souvereiniteit van den Koning van Belgie en de onafhankelijkheid van dit land (23en Januari 1832).

Indien Leopold zijne genegenheid voor Frankrijk gedurende deze onderhandelingen niet verborgen had, was het dat hij een nog inniger verbond met dit land wenschte: namelijk zijn huwelijk met een der dochters van Louis-Philippe. Hier ook waren hinderpalen uit den weg te ruimen: vooreerst de weinige neiging van den Franschen Vorst voor die echtverbintenis; ten tweede de vrees van Leopold om een oogenblik zijn Rijk te verlaten. Toch kwam het tot een onderhoud met Louis-Philippe te Compiegne den 28en Mei: den 9en Augustus huwde Leopold aldaar de twintigjarige Louise-Marie van Orleans.

Den 18en April 1832 hadden de Oostelijke machten, die vruchteloos Koning Willem tot de onderteekening van het Verdrag der XXIV Artikelen aangemaand hadden, eindelijk moede van vragen, hunne bekrachtiging tegen Belgies aanvaarding bij Van de Weyer te Londen gewisseld. De Nederlandsche Vorst antwoordde met een nieuw en krachtdadig protest, en hield voort bijna 100,000 man onder de wapens. Die uitdagende houding van Holland, een gevolg van den goeden uitslag van den Tiendaagschen Veldtocht, verplichtte Koning Leopold voortdurend aan de herinrichting van het Belgische leger te werken; door generaal Belliard, die als een soort van opperbevelhebber der troepen optrad, en talrijke andere Fransche officieren bijgestaan, bereidde hij zich tot het afslaan van eenen nieuwen aanval voor; en alhoewel het onderhoud van de troepen, die de krijgsbegrooting op onrustwekkende wijze deed stijgen, 's lands middelen uitputte, zette hij zijne krijgstoebereidselen onverpoosd voort.

Intusschen had de koppigheid van Willem de Conferentie ongeduldig gemaakt, en in Juli sprak Palmerston reeds aan Van Zuylen, Falck's opvolger te Londen, van dwangmiddelen te gebruiken jegens zijnen meester, die voortdurend weigerde Antwerpen en de Scheldeforten over te leveren. Door toedoen van Stockmar werd zelfs gepoogd om het vraagstuk van Antwerpen door eene Belgisch-Hollandsche conferentie op te lossen; doch vruchteloos. De Conferentie drukte alsdan haar misnoegen aan den Nederlandschen Koning uit; Frankrijk en Engeland stelden een gewapende tusschenkomst voor, maar de Oostelijke machten deelden geenszins in die zienswijze. Na eenige bedenkingen omtrent het gevaar van een tweeden Franschen inval in Belgie, teekende Palmerston met Talleyrand de akte van 22en October 1832, waarbij de twee regeeringen zich met de uitvoering van het Verdrag der XXIV Artikelen gelastten; Koning Willem kreeg tot den 2en November om Antwerpen te ontruimen, zoo niet zou men al de Hollandsche schepen kapen die men kon aanklampen, en een Fransch leger voor de citadel van Antwerpen sturen. Uitdrukkelijk werd er bijgevoegd dat de tusschenkomst der Franschen door Koning Leopold moest worden ingeroepen en dat zij, dadelijk na Antwerpens inneming, Belgie moesten verlaten. Pruisen en Rusland trokken zich daarop uit de Conferentie terug, zonder dat de twee Westelijke machten zich daar verder om bekreunden.

Willem's regeering antwoordde moedig, den 2en November, dat zij Antwerpen zou verdedigen. Daarop werd beslag gelegd op de Hollandsche schepen, die in de havens van Frankrijk en Engeland geankerd lagen, en de Engelsche en Fransche vloot aan de Duinen bijeengekomen, stevenden naar de kusten van Holland. Doch niets kon den trots van den Nederlandschen Vorst doen buigen.

Dan vroeg generaal Goblet, minister van oorlog, de hulp van het Fransche leger om Belgie door de Hollanders te doen ontruimen (9en November). Den volgenden dag werd eene voor de Belgische troepen zeer vernederende overeenkomst gesloten; deze zouden aan het beleg geen deel nemen, al de posten rondom Antwerpen zouden aan de Franschen overgelaten worden, en een garnizoen van ten hoogste 6000 man mocht onzijdig in die stad verblijven; ook verwekte die conventie hartstochtelijke besprekingen in de Kamers.

Den 15en November 1832 trokken Gerard en de hertog van Orleans de grens over, met een leger van 60,000 man en een aanzienlijke massa grof geschut; den 4en December begon de beschieting van de citadel van Antwerpen. Chasse had verklaard dat hij zich slechts zou overgeven, na al zijn middelen van verdediging uitgeput te hebben; hij hield woord. Slechts na een geweldig bombardement, dat zijn vestingen in gruis gelegd en meer dan duizend der 4,500 verdedigers gedood had, deed Chasse de witte vlag hijschen; liever dan zich over te geven, liet Koopman, bevelhebber van twaalf kanonneerbooten op de Schelde, deze zinken. Zelfs de vijand stond in bewondering voor de heldhaftige verdediging van die koene krijgers (23en December 1832). Daar nu Koning Willem in de ontruiming van de verdere forten van Lillo en Liefkenshoek nog niet wilde toestemmen, werd de dappere generaal met het garnizoen, als krijgsgevangenen naar Frankrijk gestuurd. Het Fransche leger kreeg overigens, dadelijk na den val van Antwerpen, het bevel om naar Frankrijk terug te keeren, en leverde de citadel aan de Belgische troepen over.

Holland, door de blokkade van zijne kusten zeer benadeeligd, werd weldra genoodzaakt met Engeland en Frankrijk te onderhandelen: door bemiddeling van Pruisen, werd tusschen de drie regeeringen eene voorloopige overeenkomst gesloten, die de vijandelijkheden deed staken; aan Willem werd de belofte opgelegd, Belgie niet meer aan te vallen; en Schelde en Maas werden vrij verklaard tot de opstelling van een bepaald verdrag (21en Mei 1833). De schikkingen, betrekkelijk de vaart op de Maas, werden omstandig geregeld door de Conventie van Zonhoven, den 18en November daaropvolgende, tusschen Bernhard van Saksen-Weimar en generaal Dibbits eenerzijds en generaal baron Hurel anderzijds gesloten: dit was de eerste akte die tusschen Belgie en Holland opgemaakt is. Met dezen voorloopigen toestand hadden de Mogendheden vrede, en daar Koning Willem zelf weinig geneigd scheen om er van af te wijken, ging de Conferentie van Londen in November uiteen, zonder aan haar werk de volkomen bekrachtiging te hebben kunnen bijzetten.

Alzoo ging, gedurende de vijf volgende jaren, het jonge Koninkrijk Belgie zijnen weg en beijverde zich, door het heropbeuren van den kwijnenden handel en de stil liggende nijverheid, door het aanleggen van spoorwegen (op voorstel van minister Rogier), door het uitvoeren van openbare werken, om den welstand in de provincien te doen terugkeeren. Daar de Koning van Holland het verdrag der XXIV Artikelen weigerde te onderteekenen, betaalde Belgie de jaarlijksche rente niet, en behield Limburg en Luksemburg, waarvan de afgevaardigden te Brussel in de Kamers zetelden en welke door Belgische ambtenaren bestuurd werden.

Zoo sleepte de toestand voort, toen plots Koning Willem den 14en Maart 1838, tot de aanvaarding van het Verdrag van 1831 besloot; dit besluit baarde de grootste verrassing en verslagenheid te Brussel. De Kamers waren het tooneel van de hartstochtelijkste debatten; de met afstand bedreigde inwoners teekenden hevig verzet aan; men wilde van geene scheiding weten. Maar noch Palmerston, noch het kabinet van Louis-Philippe wilden de Belgen in hunne "dwaze pogingen" ondersteunen. Vruchteloos bood Leopold 60.000.000 frank aan Holland, in vergoeding voor de gedeelten van Limburg en Luksemburg. De Conferentie bleef onverbiddelijk; nauwelijks gelukte het aan De Theux, minister van buitenlandsche zaken, enkele verzachtingen op eenige bepalingen te verkrijgen, namelijk omtrent de verdeeling van de schuld, die voor Belgie tot eene jaarlijksche rente van vijf millioen gulden verminderd werd.

Nog wilde de openbare meening in Belgie niet toegeven: de regeering van Leopold werd door de Limburgsche en Luksemburgsche volksvertegenwoordigers heftig aangevallen; uit Parijs, waar hij zich sedert jaren teruggetrokken had, stookte L. de Potter het vuur aan. Alsdan riepen de misnoegde Mogendheden hunne gezanten terug; ook de geweldige handelscrisis deed den strijdlust der Belgen weldra koelen. De stormachtige zittingen van de Kamers, waarin soms het publiek der tribunen tusschenkwam, namen ten slotte een einde. 't Is bij zijne ontkennende stemming over het voorstel, dat Gendebien zijnen beruchten uitroep deed: "Ik stem neen! 380.000 maal neen! voor de 380.000 Belgen die gij aan de vrees opoffert!" Den 19en Maart 1839 stemden de Kamer der Volksvertegenwoordigers en eene week later de Senaat goedkeurend over het Verdrag van Londen. Het werd aldaar, den 19en April 1839, onderteekend door Belgie, Holland, den Duitschen Bond en de vijf groote Mogendheden.