Vlaamsch Belgie sedert 1830 Eerste Deel
Chapter 16
Titel II, handelende over de "Belgen en hunne rechten", bevatte talrijke zeer vrijzinnige bepalingen, zooals de vrijheid van de eerediensten, de vrijheid van vereeniging en petitionnement, de vrijheid van de drukpers; art. 17 verleende de door de katholieken geeischte vrijheid van onderwijs; door art. 117 werd de scheiding van Staat en Kerk op eigenaardige wijze bepaald, in dezer voege dat de bezoldiging van de geestelijken aan den Staat opgelegd werd, alhoewel aan dezen, door art. 16, alle inmenging in benoeming en aanstelling der geestelijken en in hunne onderlinge betrekkingen ontzegd was; de scheiding der beide machten bevrijdde dus de Kerk van hare lasten en liet haar hare voorrechten. De vrijheid der eerediensten hadden de clericalen, ondanks de pauselijke voorschriften, toch in de Grondwet nedergeschreven, omdat Belgie bijna uitsluitend roomsch-katholiek was en het petitionnement bewezen had dat de priesters volkomen over de bevolking beschikten. Uit vrees voor dwingelandij, uit achterdocht voor verdrukking, werd de meest uitgebreide decentralisatie ingevoerd, krachtens het heerlijk beginsel dat alle macht uit het volk komt.
Niettegenstaande zekere gebreken is de Belgische Grondwet, door het Congres langzaam voorbereid, een monument van wijsheid, dat aan talrijke andere grondwetten tot voorbeeld gediend heeft, en waaraan de Hollandsche wetgevers, bij de herziening van hunne Grondwet in 1848, zich klaarblijkelijk gespiegeld hebben.
Ook werd het charter onzer vrijheden den 7en Februari 1831 met eenparige stemmen aangenomen, te midden van de moeielijkheden over de koningskeus, die wij in enkele trekken willen schetsen.
Sedert den 2en Januari had Gendebien opnieuw bij Louis-Philippe en bij zijn minister Sebastiani vruchteloos aangedrongen, opdat de Koning zijn zoon Louis de Nemours aan de Belgen tot Vorst zou schenken. Firmin Rogier liep dezelfde blauwe scheen, drie dagen nadien, alhoewel hij bevestigde dat, in den schoot van het Congres, eene sterke partij zich voor de vereeniging met Frankrijk verklaarde; Sebastiani had bovendien de verheffing van een Belgischen burger tot Koning afgeraden, en wilde nu ook van den in Belgie impopulairen Leopold van Saksen-Coburg niet meer weten. Enkele dagen later, bij de vraag of de keus van den zeer begaafden zoon van Eugene de Beauharnais, den hertog August van Leuchtenberg, Frankrijk zou behagen, antwoordde de minister aan Firmin Rogier dat "van al de schikkingen, degene aangaande den hertog van Leuchtenberg wellicht de onaangenaamste en de noodlottigste was; dat het gouvernement nooit zijne toestemming zou geven in de verkiezing van den hertog tot vorst der Belgen, omdat het door een Leuchtenberg bestuurde Belgie het middelpunt zou worden, waar al de hartstochten der Bonapartisten aan het gisten zouden geraken." En hij deed in dien zin door zijn gezant Bresson de schandelijkste drukking op het Congres uitoefenen (11en-21en Januari).
Met fierheid besloot daarop het Congres de voogdij van Europa af te schudden: na een lang debat nopens het punt, of men het oordeel der Conferentie van Londen -- zoo was men reeds in hare inmenging in 's lands zaken gewoon; -- zou inroepen, werd deze vernederende consultatie met 89 stemmen tegen 62 verworpen; men verwierp zelfs de raadgevingen van het Engelsch kabinet, dat men wist meer en meer tot de kandidatuur van Oranje over te hellen; doch door eene wonderlijke tegenspraak, die den geestestoestand van het Congres kenmerkt, besliste de vergadering, met 80 stemmen tegen 75, dat men Louis-Philippe nopens den kandidaat tot het koningschap zou raadplegen (19en Januari). Niettegenstaande de aanvallen van de annexatiepartij in de Fransche Kamer, luidde twee dagen later het antwoord der Fransche regeering onveranderlijk "dat ze niet zou toestemmen in Belgie's annexatie; dat ze de kroon niet zou aanvaarden voor den hertog van Nemours; dat ze, _zonder voornemens te zijn inbreuk te maken op de vrijheid der Belgen in de keus van hun souverein (!)_, nochtans de keus van den hertog van Leuchtenberg niet zou erkennen."
Dit voortdurend aanbod door de Franschgezinden van het Diplomatisch Comiteit, -- de Rogiers, Gendebien, Van de Wever, de graven d'Aerschot en de Celles, -- van Belgie aan Frankrijk, weerkaatste geenszins de meening van de groote meerderheid van de bevolking. Geheel Vlaamsch-Belgie en inzonderheid de almachtige geestelijkheid, de talrijke partij der Onafhankelijkheid, teekenden tegen deze weinig eerlijke handelingen der Fransche groep protest aan, en Jottrand stelde de mannen van het Voorloopig Bewind, die eigenmachtig deze aanbiedingen gedaan hadden, in volle Congres aan de kaak.
Daar de inlijving bij Frankrijk dus eene feitelijke onmogelijkheid bleek, besloten de leden van het Voorloopig Bewind, alsook die van het Diplomatisch Comiteit, op het einde van Januari, alles in het werk te stellen om de keus van Nemours te doen gelukken, "wat op hetzelfde neerkwam als de vereeniging met Frankrijk." Om Louis-Philippe's besluiteloosheid uit den weg te ruimen verzonnen De Stassart en de Franschgezinden de volgende list: de candidatuur van den hertog van Leuchtenberg, die Frankrijk niet kon aannemen, doordrijven, om deszelfs toestemming in de verkiezing van den hertog van Nemours af te dwingen.
't Was dus tusschen Nemours en Leuchtenberg dat de strijd in 't Congres zou geleverd worden; men wist dat aartshertog Karel van Oostenrijk, door enkele Vlamingen voorgesteld, geen kans van slagen had, en van den minderjarigen Otto van Beieren of prins Karel van Napels, van wie men vroeger wel eens gewaagde, was er geene spraak meer.
De keus van Leuchtenberg, dank zij De Stassart's kuiperijen, dank zij de woede die Sebastiani's drukking in het Congres verwekt had, scheen omstreeks 20en Januari verzekerd; zijn portret werd in de straten uitgedeeld; meer dan drieduizend handteekeningen bevalen zijne candidatuur aan het Congres aan. Den 28en begonnen de debatten over de koningskeus.
Om Leuchtenberg's verkiezing te verhinderen maakten Louis-Philippe en Sebastiani rechtsomkeert; alles was nog niet verloren voor de Fransche regeering, want op 25en Januari hadden 52 afgevaardigden, onder welke de voorzitter Surlet, de onder-voorzitter De Gerlache, F. de Merode, de twee Gendebien's, eene petitie voor Nemours onderteekend; maar er moest dadelijk gehandeld worden.
Markies de la Woestine werd naar Brussel, waar hij veel vrienden telde, gezonden om de inzichten der Congresleden te polsen. Hij liet weldra in het Palais-Royal weten dat de verkiezing van prins August verzekerd was, indien men hem niet uitdrukkelijk den hertog van Nemours tegenstelde. De gelastigde Bresson kwam dus den 28en uit Parijs terug "met de bepaalde machtiging om te beloven dat indien de kroon den hertog van Nemours aangeboden werd, zij door Louis-Philippe voor hem zou aangenomen worden." Markies de la Woestine gaf daarvan officieuse bevestiging. Deze guitenstreek liet aan de Fransche uitgezondenen vrij spel, lokte de heerschzuchtigen aan door het aas van een gemakkelijken bijval, en deed den moed der Fransche partij herleven. De Stassart deelde aan zekere Congressisten een brief mede, die eene weigering van den hertog van Leuchtenberg liet voorzien; daarenboven werd een weinig voor de stemming het valsche gerucht verspreid, dat vertrouwelijke brieven van Firmin Rogier de aanvaarding van Louis-Philippe verzekerden; dit besliste over de keus: den 3en Februari 1831, na een zesdaagsch debat en na eene tweede stemopneming, werd de hertog van Nemours tot Koning der Belgen uitgeroepen met 97 stemmen, tegen 74 aan Leuchtenberg en 21 aan Karel van Oostenrijk; de Vlaamsche provincien hadden meerendeels voor Beauharnais' zoon, de Waalsche meestal voor den Franschen prins gestemd.
* * * * *
Men dacht dat de regeeringloosheid nu een einde genomen Had, en het nieuws der verkiezing werd overal met gejubel onthaald. De gouverneurs deelden aan burgemeesters en gemeenten het heuglijk bericht van de benoeming van het hoofd van den Staat mede, en denzelfden dag nog kondigde burgemeester Rouppe te Brussel aan de ingezetenen de benoeming van Louis I tot Koning der Belgen aan!
Bij het verlaten van het Congres vernamen de leden de aanhouding te Gent van kolonel Ernest Gregoire die, op het laatste oogenblik, een opstand ten gunste van den prins van Oranje had willen teweegbrengen.
Niemand besefte op dit oogenblik de ellendige fopperij, waarvan Congres en Voorloopig Bewind de slachtoffers geweest waren, noch de verfoeilijke dubbelzinnigheid waarmede het Fransch gouvernement de vertegenwoordigers van de Belgische natie om den tuin geleid had.
Nu, sedert den 1en Februari, had de Londensche Conferentie, door een geheim protocol, de hertogen van Nemours en Leuchtenberg uitgesloten; en Frankrijks gezant, die eerst Palmerston omtrent Nemours' verkiezing had gepolst en met bedreigingen was afgewezen, had dit besluit moeten onderteekenen. Meer nog, wanneer men te Londen de overigens verwachte, maar toch indrukmakende verkiezing van Nemours vernam, werden Sebastiani en Talleyrand verplicht de Conferentie gerust te stellen, door de plechtige verzekering dat Frankrijk zich bij die uitsluiting hield (5en-7en Februari).
Het was 's anderendaags dat de Belgische afvaardiging, -- Surlet de Chokier, Lehon, de Brouckere, F. de Merode -- die in hare naiveteit het besluit van het Congres aan Louis-Philippe moest overbrengen, te Parijs aankwam. Met de grootste hoffelijkheid ontvangen, zag de deputatie het koninklijk gehoor van dag tot dag verschuiven, en eindelijk op den 17en vaststellen; want de regeering, genepen tusschen de oproerige eischen van de annexatiepartij en hare verbintenissen tegenover Europa, zat in erge verlegenheid.
Intusschen ontving het Voorloopig Bewind van Lord Ponsonby mededeeling van het nieuwe Protocol van Londen, met Talleyrand's handteekening bekleed (9en Februari). In zijne verwaande verblindheid zond het de boodschap terug; alleen Lebeau, de beroemde liberale redenaar, zag klaar in de diplomatische sluwheid van Frankrijk, en maakte er 't Diplomatisch Comiteit een verwijt van, zich te hebben laten bedotten.
Onder de Parijsche ministers waren er verschillende nochtans, die tot de aanvaarding overhelden, en Louis-Philippe's oudste zoon ondersteunde krachtdadig hunne meening; maar Frankrijk lag gekluisterd door de noodwendigheid van den vrede en door de besluiten van de Conferentie. Reeds den 14en wist men te Brussel dat Louis-Philippe weigeren moest, en voor de leden van de deputatie was het antwoord niet twijfelachtig meer. Wanneer den 17en Surlet de Chokier en zijne gezellen voor den koning gebracht werden en het besluit van het Congres voorlazen, verklaarde Louis-Philippe met geveinsde ontroering dat het hem smartte zijne vaderlijke wenschen te moeten offeren aan Frankrijks belangen, die hem dwongen te weigeren; maar hij verzekerde den nieuwen Staat zijne bescherming: de toer was gespeeld, Leuchtenberg's candidatuur was gevallen!
"Welk vertrouwen, schreef Palmerston dienaangaande, kan men in eene regeering stellen, die met slinksche streken omgaat, zooals de raadgevers van Louis-Philippe tegenover Belgie, welke hier eene zaak bevestigen en ze elders loochenen; de goedkeuring van de verkiezing van Nemours door Bresson beloven en dezelve door Talleyrand weigeren; hunne verklaringen en beginselen veranderen, zoo dikwijls zij een tijdelijk voordeel ontwaren."
Met woede en teleurstelling vernam gansch Belgie de schandelijke politiek van Frankrijk. Vele afgevaardigden stelden dan de keus van een inlandschen Vorst voor, Felix de Merode of de prins de Ligne; doch de eerste wees het voorstel met kracht van de hand, de tweede moest, door toedoen zijner vrouw, weigeren. Anderen dachten nu weder aan Leopold van Saksen-Coburg, doch Sebastiani had bluffend verklaard, dat Frankrijk dien Engelschgezinden prins, in geval van benoeming, met het kanon zou wegjagen.
De Fransche partij wilde terstond de volkomen en onvoorwaardelijke inlijving bij Frankrijk stemmen, en op deze wijze aldaar een uitbarsting van het nationaal gevoel verwekken. De Orangisten, te Luik zelfs, eischten den terugkeer van Koning Willem. De aanzienlijkste Congresleden, en inzonderheid het Voorloopig Bewind, raadden alsdan het aanstellen van een Regent aan, altijd in de hoop dat de Fransche politiek stoutmoediger zou worden en Nemours, na zijne meerderjarigheid, krachtdadig en zelfstandig zou optreden.
De voorzitter van het Congres, Surlet de Chokier, werd den 24en Februari tot Regent benoemd; De Gerlache verving hem op den voorzitterstoel; 's anderendaags verleende het Congres eene som van 150,000 gulden aan de oud-leden van het Voorloopig Bewind.
Als een echt proconsul van Frankrijk, werkte de zwakke Surlet uitsluitend om een zuivere Fransche strekking aan de handelingen van zijne regeering te geven, en daarin werd hij door zijn eerste ministerie -- Goblet, Van de Wever, Gendebien en Tielemans -- bijgestaan. Hij was overtuigd dat hij eerstdaags zijne plaats aan den hertog van Nemours zou kunnen afstaan, en sedert Lehon door Louis-Philippe als gezant van Belgie ontvangen, en generaal Belliard als Fransch gevolmachtigde te Brussel gezonden was(4en Maart), won die overtuiging meer en meer veld. Maar de val van het ministerie van den onbekwamen en weifelenden Lafitte en het optreden van den krachtdadigen en vredelievenden Casimir Perier in Frankrijk stelde deze hoop te leur; ook de Engelsche diplomatie hield er de hand aan om die poging te verijdelen, en Palmerston, die in Chokier slechts een Franschen stadhouder zag, aarzelde niet den Regent te doen inzien, hoe weinig eervol die afkeer voor de Belgische onafhankelijkheid was. Wat zijn misnoegen en dit der Conferentie tegen Chokier nog vermeerderde, was dezes proclamatie van 10en Maart tot de Luksemburgers, waarin de Regent verklaarde dat, trots de Conferentie, bij de Belgen de vaste wil bestond om het Groothertogdom te behouden.
Het bestuur van den Regent, een zeer braaf doch onbeduidend man, zonder schranderheid noch krachtdadigheid, werd door de grootste regeeringloosheid gekenmerkt; reeds den 20en Maart was het eerste ministerie gevallen, en het duurde zes dagen eer een nieuw gevormd was. "De Belgen toonden zich zoo onbekwaam om eene natie te worden, dat de Conferentie ernstig aan eene verdeeling begon te denken."
Ziende dat de Oranjepartij het hoofd opstak te Gent, te Antwerpen en te Maastricht, stichtte Gendebien, den 23en Maart te Brussel, met behulp van de regeering, de _Association Nationale_, gevaarlijke tweede regeering, die hare vertakkingen over het land verspreidde en eene soort van schrikbewind over Belgie deed heerschen. Zij riep om oorlog tegen Holland ten einde den toestand te redden. Ontegensprekelijk dreigde de Omwenteling onder te gaan; het schip begon reeds te kraken; Lord Ponsonby, de Engelsche gezant, trachtte baron van der Smissen, gouverneur van Antwerpen, tot een Orangistischen opstand te bewegen, die echter mislukte, dank zij de krachtdadigheid van kolonel Clump (25en Maart 1831). De tuchteloosheid dreigde de ontreddering van het leger te volledigen.
Gent was het middelpunt der Orangisten; de oppositie had er reeds tweemaal de Oranjegezinden als raadsleden naar het stadhuis gestuurd: de gemeenteraad, tweemaal ontbonden, was sedert 4en Februari door eene Veiligheidscommissie vervangen, en Gent, evenals Antwerpen, in staat van beleg verklaard. "Alle tucht, zegt De Gerlache, was teniet, zoo wel bij de militairen als bij de burgers. De officieren klaagden elkaar bij de regeering en in de dagbladen aan. Men kan het niet betwijfelen dat vele, zelfs hooggeplaatste lieden, volgaarne aan de restauratie der Nassaus zouden geholpen hebben, om met dien toestand gedaan te maken. Maar het volk was er zeer tegen." Inderdaad, oeconomische oorzaken en private belangen hadden gemaakt dat de Orangisten voor het meerendeel grootnijveraars en groothandelaars waren; de nieuwe mekanieken hadden eensdeels een vermindering van handwerkgebruik en een uitwijking van buitenlieden naar de steden teweeggebracht. Reeds lang had dit eene veete tusschen industrieelen en werkvolk veroorzaakt, doch nu werd die nog verscherpt door het stilvallen van getouwen en andere mekanieken wegens de onlusten en de vredebreuk met Holland. Die werkloozen, ja broodloozen, vierden nu, 't zij uit eigen beweging, 't zij opgehitst door de patriotische vereenigingen, hunne woede bot op de bijzonderen, en zoo geschiedden er te Gent, Brussel, Mechelen, Ieperen, Bergen en Luik, gewelddaden en plunderingen, straffeloos, onder het lijdzame oog der regenties (28en Maart, zaak Voortman te Gent). Er bestond tusschen het bestuur en de plunderaars, onder welke zich talrijke betaalde of geld uitdeelende Franschen bevonden, een soort van geheime overeenkomst. Voor de oppositie of de verdachten was er geene bescherming; men hoorde zelfs minister Lebeau beweren, dat de plundering der Orangisten, hoe betreurenswaardig ook, een schrikkelijke noodzakelijkheid was om de vijanden van de openbare orde te beteugelen. Het redactiekantoor van de Orangistische bladen werd dan ook geplunderd, en B^on de Lamberts, gouverneur van Oost-Vlaanderen, aarzelde niet om een anarchistisch manifest te onderteekenen, door Lebeau zelf als monsterachtig bestempeld, waardoor hij den _Messager de Gand_ buiten de wet stelde.
Aan den anderen kant zien wij de Fransche annexatiepartij, die steeds in aanraking was met den woelgeest L. de Potter, republikeinsche opstooten trachten te verwekken, onder andere de muitzieke Mellinet met zijne vrijwilligers te Namen, doch zonder de medewerking der ontmoedigde burgerij.
Het zij hier terloops opgemerkt dat, evenals zijn wapenmakker der Septemberdagen, don Juan van Halen, die, in October 1830 aangehouden, reeds de volgende maand in beschikbaarheid gesteld was, Mellinet in Augustus op wachtgeld geplaatst werd; Ernest Gregoire zat opgesloten en Parent, De Culhat en De Pontecoulant waren haast vergeten. De _Association Nationale_, die met bombast den oorlog en de verovering van Zeeuwsch-Vlaanderen en van Luksemburg eischte, stuitte, in hare revolutionnaire woede, op de algemeene zucht naar vrede en naar herstelling van orde, handel en nijverheid. Vreezende nochtans, dat die tweede regeering de overhand zou nemen, gezien de zwakheid van Surlet's bestuur, en onzeker over den uitslag der verkiezingen, die wellicht de Orangisten in meerderheid naar de Kamers konden zenden, weigerden de Congresleden hun ontslag te nemen, en besloten zich in Mei opnieuw te vereenigen; zoo pleegden zij een wezenlijken Staatsgreep (12en April).
Maar, was het tweede ministerie van den Regent even machteloos en zonder gezag als het eerste, het draagt nochtans de verdienste weg, het Congres tot toenadering met de Londensche Conferentie overgehaald te hebben, en Belgie een uitstekenden Koning geschonken te hebben. Minister Lebeau, een knap redenaar en een behendig politicus, had, op 2en April, aan het Congres laten inzien dat de diplomatische onderhandelingen, van het eerste oogenblik, Belgie tegenover de Mogendheden gebonden hadden, en men dus de tusschenkomst van de Conferentie in de buitenlandsche zaken moest ondergaan. Aangespoord door Lord Palmerston en diens agent Lord Ponsonby, die de candidatuur van den Prins van Oranje bepaald opgegeven had, stuurde hij een deputatie van vier Congresleden naar Londen, bij prins Leopold van Saksen-Coburg, den veertigjarigen weduwnaar der kroonprinses van Engeland, om hem de Belgische kroon aan te bieden; tusschen de afgevaardigden bevonden zich de hoofdman der katholieken, F. de Merode en pastoor De Foere, die in 't Congres verzekerd hadden dat de keuze van eenen protestantschen prins, gezien de bepalingen der Grondwet, hen niet deerde. Den 22en April te Marlborough-House ontvangen, ontmoetten die afgevaardigden zulke tegenwerpingen van wege den prins, dat Paul Devaux ze op 10en Mei kwam vervoegen. Onderricht door zijne ervaringen tijdens de onderhandelingen voor de Grieksche koningskroon, en geraden door zijnen vriend baron Stockmar, stelde de voorzichtige Leopold de aanvaarding der kroon afhankelijk van de overeenkomst van Belgie met de Mogendheden; hij eischte dat men te Brussel vooreerst uitdrukkelijk het protocol van de Conferentie van den 20en Januari zou aanvaarden, mits zich later, bij de uitvoering, om betere voorwaarden te beijveren.
De Belgische afgevaardigden deden inzien, dat het Congres nooit in den afstand der in de Grondwet vermelde provincien Limburg en Luksemburg zou toestemmen, doch lieten voorzien dat Leopold, als koning, een voldoenden invloed op de Kamers voor de oplossing van dit vraagstuk zou bezeten hebben. Van eene onzekere kroon wilde de ervaren Leopold echter niet weten.
Middelerwijl worstelde het ministerie van den Regent tegen de inwendige anarchie en vreesde de ophitsing tot den oorlog met het buitenland. De Conferentie van Londen stelde aan de Belgische regeering den 1en Juni als termijn voor de aanneming van het protocol, den 18en Februari door koning Willem onderteekend, en dreigde met vredebreuk in geval van weigering. De Nederlandsche Vorst verwittigde haar insgelijks dat, indien zij op bepaalden datum tot de grondslagen der scheiding, volgens het protocol van 20en Januari niet zou toegetreden zijn, hij zich vrij zou achten om voor eigen rekening te handelen.
De oorlogspartij verhief dadelijk het hoofd op; uit vrees voor den krijg ijlde Ponsonby naar Londen, en Belliard verwittigde Talleyrand, zoodat men tot eenige toegeving aan de Belgen besloot, om Leopold's aanneming te vergemakkelijken. Den 21en Mei beloofde dus de Conferentie onderhandelingen met koning Willem aan te knoopen, om, mits een te bepalen koopsom, aan Belgie het bezit van Luksemburg te verzekeren, maar men bleef aan den gezetten termijn van 1en Juni vasthouden.
In de hoop dat de koningskeus een gunstigen invloed op de beslissingen van de gevolmachtigden zou uitoefenen, besloot Lebeau, eerst tot de verkiezing over te gaan. Hij deed dus, den 25en Mei, door 96 Congresleden de candidatuur van Leopold voordragen; en ondanks de pogingen van de Fransche partij om de verkiezing van den Duitsch-Engelschen prins te doen mislukken, niettegenstaande hare razende aanvallen om het ministerie Lebeau omver te werpen, werd de prins van Saksen-Coburg, na een tweedaagsche discussie, met de groote meerderheid van 152 op 196 stemmen gekozen (4en Juni): aan de Conferentie werd niet eens geantwoord. Een deputatie van 12 leden, met De Gerlache aan het hoofd, werd belast die benoeming aan den prins aan te kondigen; haar vergezelden Devaux en Nothomb, secretaris-generaal voor de buitenlandsche zaken, om de Conferentie tot gunstige voorwaarden over te halen.
* * * * *