Vlaamsch Belgie sedert 1830 Eerste Deel

Chapter 15

Chapter 153,460 wordsPublic domain

Doch nog voor twee uur hadden reeds de onstuimige patriotten, ondanks den wapenstilstand, op de Hollanders van het arsenaal geschoten. Deze waren genoodzaakt dit vuur te beantwoorden; de aanvoerder Kessels, die eerst getracht had zijne vrijwilligers te doen ophouden, richtte op het einde zelf een kanon tegen de hoofdpoort der omheining en deed ze springen. Dan gaf de lankmoedige Chasse, op aandringen van Saksen-Weimar, ondanks zijn afkeer, maar woedend over die "hatelijke trouweloosheid", het bevel om het St Andries-kwartier met houwitserbommen, granaten en kogels te beschieten. Ook de vloot beantwoordde den aanval der vrijwilligers met haar grof geschut tegen de kaaien te richten: het bombardement van de prachtige koophandelsstad eindigde slechts om 7-1/2 uur, na overal vernieling en dood gezaaid te hebben. De openbare gebouwen, de private huizen stonden weldra in lichterlaai; het arsenaal, waarin zooveel schatten opeengestapeld waren, werd ook de prooi der vlammen (27en October).

Alsdan kwam een nieuwe afvaardiging van Antwerpsche ingezetenen, dragers van eenen brief van den moedigen en standvastigen Rogier, om Chasse tot een nieuwen wapenstilstand over te halen, wat deze toestond. Bernard van Saksen-Weimar scheepte daarop een deel der troepen in, en liet aan Chasse eene genoegzame bezetting.

Alhoewel de gansche schuld van dit verschrikkelijk bombardement aan de verwatenheid der Belgische vrijwilligers lag, werd Chasse's handelwijze door de leden van het Voorloopig Bewind en hunne dagbladen, als de uiting van een barbaarschen wraaklust en Hollandschen handelsnijd voorgesteld, en "steeg er bij dit nieuws een kreet van afgrijzen door gansch Belgie op." "De gematigdste burgers, schrijft De Gerlache, riepen uit dat geene verzoening met de Hollanders meer mogelijk was, dat een stroom van vuur en bloed ons voor altijd van Willem en zijn stamhuis scheidde!" De laatste hoop van den prins van Oranje was verzwonden; zijne zaak was reddeloos verloren.

In eene maand dus was het Hollandsche leger van den Belgischen bodem verjaagd. En nochtans ontbrak het de omwenteling aan hoofdmannen, aan voorbereiding, aan richting. De koene handelingen van het onbemiddelde Voorloopig Bewind en voornamelijk de werkdadigheid van Rogier kan men hierom niet genoeg bewonderen. Trouwens het waren de menschen niet die de gebeurtenissen leidden, maar wel de gebeurtenissen die met ongemeene snelheid de menschen met zich sleepten.

De weifelingen van den koning, de machteloosheid van den prins van Oranje, de ontbinding van het Hollandsche leger, de schuldige lamlendigheid van de militaire gouverneurs, alles was de revolutionnaire aanvoerders en de Belgische vrijwilligersscharen zoo buitengewoon gunstig geweest, dat die spoedige overwinning niemand moet verwonderen.

Chasse's krachtdadig optreden stuitte dien geweldigen aanloop; het was het einde der Belgische zegepraal. De Hollandsche legers sloten zich weer aaneen, 's Konings oproep tot den strijd werd met geestdrift door zijn Hollandsch volk begroet; met algemeenen wedijver kwamen burgers, studenten, werklieden de rangen van het leger en van de schutterij aanvullen en stortten de groothandelaars en de reeders hunne schatten in de Staatskist. Het gansche volk stond, in het Noorden, op tegen de "verraders" van het Zuiden; niet dat men Belgie wilde veroveren, want de Tweede Kamer drukte "haar verlangen uit, om wettelijk volkomen van eene mislukte verbintenis verlost te worden", doch eenvoudig om het bedreigde Nederland te verdedigen.

Het woord was echter niet meer aan het gekletter der wapenen, maar aan de diplomatie van de groote Mogendheden. Evenals deze de beide landen door hunne handteekeningen vereenigd hadden, zouden zij ze door protocollen en verdragen van elkander scheiden.

DE

STICHTING VAN HET KONINKRIJK BELGIEe

DOOR

VICTOR FRIS

[Figuur: E. L. Baron Surlet de Chokier]

De commissie der Grondwet, den 12en October 1830 voor de eerste maal vereenigd, besloot, denzelfden dag reeds, met 8 stemmen tegen 1, dat de regeeringsvorm het grondwettelijke koningdom wezen zou; daarna bepaalde zij de grondslagen van de Constitutie en, na er lezing van gegeven te hebben aan het Voorloopig Bewind, gaf zij het ontwerp den 28en uit. Den 10en November kwam het Nationaal Congres, dat de akten van het Voorloopig Bewind zou bekrachtigen en de Grondwet bespreken, te Brussel bijeen. Na eene openingsrede van L. de Potter, die de tusschenkomst van de Mogendheden mocht aankondigen, werd E. Surlet de Chokier tot voorzitter van het Congres gekozen. Twee dagen later gaf het _Gouvernement provisoire_, dat tot daartoe een willekeurig en eigenmachtig gezag uitgeoefend had, zijne macht aan het verraste Congres over. Dit echter nam bij handgeklap, op voorstel van De Stassart en door gebrek aan tijd om te beraadslagen, het besluit het Voorloopig Bewind te verzoeken het uitvoerend gezag te behouden, zooals de leden van dit Bewind het overigens gehoopt hadden.

De twistzieke L. de Potter nam zijn ontslag, daar hij de opperste en wettige macht voor het Voorloopig Bewind eischte en dien machtsafstand afkeurde (13en November). Den 16en benoemde het Voorloopig Bewind, ten einde zijne taak te vergemakkelijken, een diplomatisch Comiteit, dat de rol van een ministerie van buitenlandsche zaken zou vervullen, met S. Van de Weyer als voorzitter, graven van Aerschot en de Celles als ondervoorzitters, Ch. Lehon en Nothomb als leden: die inrichting was dringend noodig.

Immers, op 21en October, had Falck te Londen, in naam van koning Willem, aan Lord Aberdeen gevraagd, bij de gezanten der Mogendheden te willen aandringen op een spoedige bemiddeling en op het verwezenlijken van een wapenstilstand tusschen Holland en Belgie, om inmiddels _de herstelling van de goede betrekkingen_ tusschen beide landen te bewerken. Daarin stemden, na lang dralen hunner regeeringen, de gevolmachtigden der vorstelijke hoven toe, en door een protocol van 4en November stelde de Conferentie te Londen vereenigd een wapenstilstand aan Holland en aan Belgie voor. Het Voorloopig Bewind, verheugd over de tusschenkomst der Mogendheden en over de vaststelling van de bestandsbepalingen, nam den 10en, dag van de opening van het Congres, dit voorstel aan, dat beslist den 21en goedgekeurd werd. Door de toezegging van dien wapenstilstand tusschen Noord en Zuid, erkende dus van 't begin af de Conferentie het volbrachte feit en verleende aan de Belgische opstandelingen eigenlijk den titel van oorlogvoerenden.

Den 18en November bekrachtigde het Congres bij eenparigheid, zonder nochtans eenige beslissing van de _Conferentie van Londen_ af te wachten, het besluit van het Voorloopig Bewind aangaande de onafhankelijkheid van Belgie, "behoudens de betrekkingen van Luksemburg met den Duitschen Bond." Den 22en besloot het, met 174 stemmen tegen 13, dat de regeeringsvorm "de erfelijke monarchie, beperkt door eene volksvertegenwoordiging" zou zijn; dit deed de Belgen de sympathie der Mogendheden inwinnen, die nooit een Republiek zouden geduld hebben. Den 23en stelde Constant Rodenbach de verdrijving van het huis van Oranje voor. Wellicht ware dit overijlde besluit nooit genomen geweest, zonder de onbehendige drukking van de gevolmachtigden van de Conferentie, die verklaarden dat die stemming Belgie met de Mogendheden in de war zou brengen; talrijke leden veranderden, uit protest, hunne zienswijze, zoodat, met 101 stemmen tegen 28, verklaard werd, dat de leden van het huis van Nassau voor eeuwig buiten alle heerschappij in Belgie zouden gesloten zijn.

Die voor Oranje zoo harde slag hinderde tevens deerlijk de plannen van de "Conferentie van Londen".

De verkiezing van Willem's zoon had sedert het begin van October, aan Louis-Philippe de gelukkigste oplossing geschenen; en zijne ministers Maison eerst en later Sebastiani deden den gezant Bresson in dien zin te Brussel werken. Het Engelsche ministerie Wellington-Aberdeen was den prins zeer genegen; wat de Oostelijke machten betreft, Pruisen, waar zijne zuster een kroonprins onlangs gehuwd had, en Rusland, waar hij met de zuster van den Czaar in den echt was getreden, zouden hem hunnen steun verleenen. Maar de kuiperijen van Bresson stuitten op de hardnekkige weigering van de Belgische clericalen. De beschieting van Antwerpen, alhoewel Oranje daar niet de minste schuld aan had, had zijnen naam bij het volk hatelijk gemaakt. Alzoo viel het eerste ontwerp van de Mogendheden.

Koning Willem, in zijne hoop op de gewapende tusschenkomst der Mogendheden verblind, was in zijne verwachtingen nog gesterkt door de behoudsgezinde troonrede van Willem IV van Engeland, doch moest op het einde fel klagen dat zijne verbondenen hem in den steek lieten. De algemeene wensch van de Europeesche regeeringen bleek integendeel voor eene vreedzame oplossing te zijn.

[Figuur: Zitting van het Nationaal Congres (24 November 1830)]

Wel bestond er in Frankrijk een _parti de la revanche_, die sedert de Septemberdagen de aanhechting van Belgie bij Frankrijk, en de bescherming van de "oudste dochter der groote Juli-week" eischte. Had Louis-Philippe aan dien onstuimigen drang toegegeven, en hadden van hunnen kant de onderteekenaren van de Sainte Alliance het werk van het Weener Congres willen in stand houden, weer zou ons land het slagveld van Europa geworden zijn. Louis-Philippe, de voorzichtige Vorst, wilde echter, kost wat kost, eene verwikkeling met het buitenland vermijden, uit vrees voor zijn eigen troon. Met Engeland, dat het eerst de Juli-monarchie erkend had, wenschte hij innig het Hollandsch-Belgisch vraagstuk op diplomatische wijze te beslechten. Naar Londen had hij dus gezonden den sluwen Talleyrand, wel bekend om zijne voorliefde voor een Fransch-Engelsch verbond, en deze wist, in enkele dagen, de Engelsche regeering tot dezelfde opvatting over te halen: alzoo mislukten te Parijs de onvermoeibare pogingen van Gendebien en van de Fransche partij omtrent de rechtstreeksche of onrechtstreeksche inlijving van Belgie bij Frankrijk. Talleyrand had dus het grondbeginsel van het _Niet-Tusschenkomen_ doen zegevieren, nog voor de Conferentie.

Pruisen, op het zicht van den steeds toenemenden gelukkigen uitslag van de Omwenteling te Brussel, was weldra van meening veranderd, en verkoos het behoud van den Europeeschen vrede, boven het verleenen van gewapende hulp aan den altijd om steun smeekenden Willem.

Metternich in Oostenrijk, overtuigd dat de Hollandsche zaak verloren was, en ten zeerste misnoegd over het zegevieren van het grondbeginsel van het _Niet-Tusschenkomen_, gaf aan Esterhazy last, in overeenkomst met de Fransche, Engelsche en Pruisische gezanten, het best mogelijk te handelen in het belang van het Europeesch evenwicht.

Czaar Nikolaas, over dien nieuwen volksopstand in Europa woedend geworden, had bedreigingen laten hooren, sprak van een sterk leger naar Belgie en Frankrijk te zenden, om er den ouden staat van zaken te herstellen, en, als voorwacht, het Poolsche leger, onder het bevel van zijn broeder Constantijn, voorop te sturen. Maar, als Pruisen zijn toetreding ontzegd had, viel alras zijne krijgszuchtige stemming, en verklaarde hij niet alleen te willen optreden. Overigens, de opstand der Polen, te Warschau, bij het nieuws van hunne aanstaande mobiliseering, belette hem zijne voornemens uit te voeren.

Niet op het slagveld, maar aan de groene tafel der diplomaten, zou over het lot van het Rijk der Nederlanden beslist worden.

* * * * *

Koning Willem had slechts de _bemiddeling_ van de Conferentie ingeroepen; zij trad weldra als _scheidsrechter_ op. De stoutmoedige uitroeping van de Belgische Onafhankelijkheid en van de uitsluiting der Nassaus had haar verrast. De krachtdadige houding van het Congres heeft ontegensprekelijk de werking der gezanten beinvloed, en niet minder de besprekingen van den afgevaardigde van het Voorloopig Bewind, Sylvain Van de Weyer, met de politieke leiders te Londen; overigens, de val van het behoudsgezinde Wellington-ministerie en het optreden van de liberalen, met Grey aan het roer en Palmerston aan de buitenlandsche zaken, was voor de zaak van de Belgische Omwenteling een hooge troef (17en November); nog nauwer sloot Engeland zijn verbond met Frankrijk, en nam het grondbeginsel van het _Niet-Tusschenkomen_ als het hoofdartikel van zijne uitheemsche politiek aan. Intusschen zag Palmerston klaar in, welk een groot oeconomisch voordeel er in de scheiding van Noord- en Zuid-Nederland, voor Engeland lag. Overal hadden de Nederlanden, die dezelfde handels- en nijverheidselementen als Groot-Britannie bezaten, dit land op al de wereldmarkten eene heftige mededinging aangedaan, dank zij vooral de ontzaglijke ontwikkeling der Nederlandsche vloot. Als eilandsmogendheid vreesde Engeland die mededinging des te meer, daar ze kwam van eenen continentalen Staat en samenviel met den aanleg van de eerste spoorwegen in Engeland.

Op meesterlijke wijze bemachtigde dan ook de Engelsche diplomatie de leiding der onderhandelingen met het dubbele doel: Frankrijk te beletten, 't zij geheel, 't zij gedeeltelijk, Belgie in te lijven; en de Belgische provincien, onder eenen Engelschgezinden Vorst, volkomen van Holland af te scheiden en tot een onafhankelijken Staat te maken.

Ook Talleyrand wees, naar hij beweert, een hersenschimmig voorstel van verdeeling van Belgie tusschen Nederland, Frankrijk en Pruisen, mits afstand van Antwerpen aan Engeland, met minachting van de hand; hij had overigens van zijne regeering last gekregen de Nederlanden in twee te splitsen en van Belgie een onafhankelijken Staat met een vorst te maken.

Louis-Philippe, in antwoord op de aanzoekingen van Gendebien, weigerde Belgie, tegen welken prijs ook, aan te nemen; hij weigerde zelfs zijn zoon den Belgen tot Vorst te geven en verklaarde, uit loutere vrees voor zijnen troon, niets dan den vrede alleen te willen. De aanstelling van een Duitschen prins, die een zijner dochters zou huwen, scheen hem toe te lachen; men sprak van den prins Leopold van Saksen-Coburg, die pas voor de Grieksche koningskroon bedankt en over wien Van de Weyer reeds aan Aberdeen gesproken had. Dit laatste denkbeeld werd door Talleyrand bijgetreden; en op 14en December kwam hij met Palmerston overeen, dat de verkiezing van Leopold en zijn huwelijk met Louis-Philippe's dochter, het eenige middel was om iedereen te bevredigen. Van den prins van Leuchtenberg, zoon van Eugene de Beauharnais, wiens kandidatuur sedert half November in Belgie voorgesteld was, wilden de Mogendheden niet weten.

Alzoo hadden Engeland en Frankrijk, tegen den wil der Oostelijke machten, de Conferentie van richting doen veranderen; van _bemiddelend_, was zij _beslissend_ geworden; de vreemde kabinetten wisten wel dat zij geen recht hadden om tusschen te komen, en toch kwamen zij tusschen, terwijl zij zich tevens verschuilden achter het principe van het _Niet-Tusschenkomen_! De uitslag liet zich niet lang wachten. Den 20en December werd, onder aandrang van Palmerston en Talleyrand, het protocol onderteekend dat, tot groote verwondering van beide partijen, de ontbinding van het Rijk der Nederlanden uitsprak, en het Voorloopig Bewind uitnoodigde, ten spoedigste gevolmachtigden naar Londen te zenden, om de vraagstukken, door die scheiding opgeworpen, op te lossen. Falck en Koning Willem teekenden onmiddellijk protest aan, tegen die ongehoorde aanmatiging van bevoegdheid; zij betwistten aan de Conferentie het recht zoo een beslissing te nemen en riepen de onderhandelaars binnen de grenzen van hunne opdracht terug. Niets baatte. De afgezanten te Londen wisten wel dat niemand in Holland de hereeniging met het Zuiden wenschte, zelfs Falck niet. Den 3en Januari 1831 nam vol vreugde het Diplomatisch Comiteit van Brussel, maar onder voorbehoud, het Protocol aan, en zond Van de Wever en Vilain XIIII als commissarissen bij de Conferentie naar Londen.

De erkenning van de onafhankelijkheid van Belgie dagteekent van dit oogenblik. Zij was een triomf voor de Engelsche diplomatie; ook Louis-Philippe jubelde over de vernietiging der barriere in 1814 tegen Frankrijk opgericht. Hierom hadden de Franschgezinde groep te Brussel, met Stassart en Gendebien, en de Annexionistenpartij te Parijs, met generaal Lamarque en Mauguin, hunne pogingen geenszins gestaakt. Gendebien, door de Fransche regeering bij zijn herhaald aandringen afgescheept, schreef aan zijne ambtgenooten van het Voorloopig Bewind "dat het beter was de vereeniging met Frankrijk af te kondigen, ten einde Louis-Philippe bij de Mogendheden verdacht te maken, en hem te dwingen partij te kiezen voor de Belgen en desnoods met de Belgen." Van de Wever, in samenvoeling met graaf de Celles en met toestemming van minister Sebastiani, drong nogmaals bij den Franschen Vorst aan, opdat hij zijn zoon, den hertog van Nemours, tot Koning aan de Belgen zou geven, wat eene vermomde inlijving bij Frankrijk zou geweest zijn. Firmin Rogier werd belast met aan de Fransche regeering te vragen of, in geval de Belgische gewesten de Fransche vlag opstaken en de onmiddellijke vereeniging met Frankrijk eischten, Frankrijk de opstandelingen zou ondersteunen. Op Gendebien's raad, dreigde dan ook het Voorloopig Bewind, den 31en December, de Conferentie van Londen met de afkondiging van de vereeniging van Belgie met Frankrijk: Palmerston en Talleyrand wisten wel anders!

Intusschen stond de Conferentie voor het zoo moeielijke vraagstuk van de vaststelling van de grenzen van Holland en Belgie. In de verwaandheid van hun onverhoopt geluk, hadden de leden van het Voorloopig Bewind Zeeuwsch-Vlaanderen, de gansche provincie Limburg en het Groothertogdom Luksemburg geeischt. Zekere groep, die voortdurend met de militaire ondersteuning van Frankrijk schermde, hitste de gemoederen tot de herneming van den strijd op, zoodat de afgevaardigden der Conferentie, Bresson en Ponsonby, te Brussel, vele pogingen moesten doen om die heethoofden te stillen.

De sluwe Talleyrand, die bij 't verzaken der volledige aanhechting van Belgie dan toch met het gansche Fransche volk eene vermeerdering van grondgebied verhoopte, poogde intusschen, te Londen, van den tragen gang van de Conferentie gebruik te maken, om allerlei slinksche voorstellen te doen; nu eens stelde hij den afstand van Saksen aan Pruisen voor, terwijl de Koning van Saksen Belgie in ruiling zou bekomen en men het Rijnland aan Frankrijk zou afstaan; dan weer den afstand van Luksemburg of van Philippeville met Mariembourg aan Louis-Philippe. Doch Palmerston weigerde een duim gronds weg te geven van hetgeen aan de Conferentie niet toebehoorde (5en-9en Januari 1831).

Middelerwijl zette de Conferentie haar werk voort, en bepaalde eigenmachtig, _als scheidsgerecht_, de grondslagen van de scheiding van Belgie en Holland. De koppigheid van Koning Willem die eerst de Schelde geopend en ze, ondanks de bedreigingen der Mogendheden, weder gesloten had, alsook de weerwraak der Belgen die het belegerde Maastricht weigerden te ontzetten, hadden de afgezanten zeer misnoegd. Den 20en Januari beslisten de gevolmachtigden dat Holland tot de grenzen der Republiek der Vereenigde-Provincien, in 1790, terugkeeren, en daarbij het Groothertogdom Luksemburg verkrijgen zou. De vrije scheepvaart moest op stroomen en rivieren in toepassing zijn, volgens de bepalingen van het Congres van Weenen. Den 27en volledigden zij hunne besluiten met de Staatsschuld tusschen beide landen ongeveer gelijk te verdeelen, voorstellende aan Belgie de betaling der 16/31 te laten, alsook de verdere deelneming aan den kolonialen handel. Het belangrijkste artikel van de 20 was hetgeen, waardoor de vijf Mogendheden de _eeuwige onzijdigheid_ van Belgie uitriepen, en ook de geheelheid en de onschendbaarheid van zijn grondgebied. Talleyrand, die wel begreep dat de Belgische neutraliteit een tegen Frankrijk gerichte waarborg was, had als een leeuw gekampt, om die onzijdigheid ook tot het Groothertogdom te doen uitbreiden, of, zooniet, Philippeville en Mariembourg voor Frankrijk te verkrijgen: hij stuitte op onoverwinbaren tegenstand, vooral van Palmerston.

Het protocol van 20en Januari werd den 29en aan het Nationaal Congres, dat reeds aan de stemming voor de koningskeuze was, voorgelegd: de vergadering stelde een protest op tegen alle beperking van het grondgebied en tegen alle verplichting die men Belgie zou willen opdringen, zonder toestemming van de Nationale vertegenwoordiging.

Daarentegen en tot eenieders verbazing deelde Falck aan de Conferentie de verklaring mede (18en Februari), dat zijn meester de grondslagen van de scheiding ten volle bijtrad, volgens de protocollen van 20en en 27en Januari. 's Anderendaags reeds antwoordden de afgezanten op het Belgisch protest door eene nieuwe akte. Daarin beriepen zij zich op de rechtvaardigheid van de grensverdeeling, alsook op de noodwendigheden van hunne eigene overeenkomsten en belangen, en bevestigden uitdrukkelijk dat _de door hen vastgestelde schikkingen fondamenteele en onherroepelijke schikkingen waren_.

Door zijne bijtreding tot de protocollen van Januari, had Willem feitelijk afstand gedaan van zijne rechten op de Zuidelijke Nederlanden; hij heeft later, doch te vergeefs, deze daad over het hoofd willen zien; de fout was begaan, maar zij liet hem toe, als de Belgen weigerden zich naar de protocollen te schikken, gewapenderhand op te treden.

* * * * *

Intusschen had het Congres de bespreking van de verschillende artikelen der Grondwet voortgezet. Een kijkje op zijne samenstelling zal beter zijne werking verklaren. De cijns- en bekwaamheidskiezers hadden bijna evenveel liberalen als katholieken naar Brussel gestuurd, en alzoo werd de gematigde liberaal Surlet de Chokier van Luik, bij De Gerlache's afstand, tot voorzitter gekozen. De geest der clericale afgevaardigden en zelfs der priesters onder hen was intusschen merkelijk gewijzigd: de katholieke De Gerlache, voorzitter der voorbereidende Grondwetscommissie, getuigt uitdrukkelijk dat de liberale denkbeelden van den priester Lamennais het opstellen van het ontwerp beheerschten. De liberalen deden de vrijzinnige denkbeelden, die de Juli-omwenteling pas bevestigd had, in menig debat zegepralen; maar het grondbeginsel van de overmacht van den Staat op de Kerk werd verworpen (23en December) en dank zij den doctrinair Defacqz werd de rechtstreeksche verkiezing der Parlementsleden vervangen door een cijnsstelsel waarbij 't getal kiezers voor gansch Belgie op vier en veertig duizend gebracht werd.

Titel I van de Grondwet werd aangenomen in een redactie van den volgenden inhoud: De uitvoerende macht behoort aan eenen erfelijken en onschendbaren Koning, en aan zijne verantwoordelijke, door hem benoemde en afzetbare ministers; die Koning mag de Kamers ontbinden, op voorwaarde, in de veertig dagen nieuwe verkiezingen te bevelen. De wetgevende macht werd aan den Koning en aan _twee_ eigenmachtige vergaderingen gezamenlijk toegekend (12en December), een Kamer van volksvertegenwoordigers, rechtstreeks voor vier jaren gekozen door de burgers die een minimum-belasting van 20 gulden betaalden, en een Senaat, die slechts half zooveel leden als de Kamer zou tellen, door dezelfde kiezers voor den tijd van acht jaar gekozen onder de burgers van ten minste veertig jaar oud en twee duizend gulden rechtstreeksche belastingen betalende (17en December). De rechterlijke macht werd toevertrouwd aan onafzetbare voor het leven benoemde rechters, en voor lijfstraffelijke en politieke zaken aan de jury.