Part 7
Maar het duurt een geheele maand, voordat wij het punt hebben bereikt, vanwaar wij het waagstuk zullen ondernemen, de Kewir te doorkruisen. Tot zoover ging alles kalm zijn gang, de eene dag verliep vrijwel als de andere. Op zekeren dag sneeuwde het echter zoo dicht, dat de eerste kameelen mijner karavaan nog slechts als vage nevelgestalten voor mij uit schommelden, want het was winter, toen ik deze reis ondernam, en dagenlang hing de nevel zoo laag over de woestijn, dat ik, evenals op zee, mij slechts op mijn kompas kon verlaten. Daarbij hadden wij ’s nachts 14 graden koude. Maar wij hadden overvloed van brandhout, want aan den rand der zandwoestijn, waar de wind hooge duinen had opgewaaid, groeien tamarisken in overvloed, planten der steppen, die verscheiden meters hoog kunnen worden en wier harde stammen in ons kampvuur helder opvlammen.
Pas bij het dorp Dschandak begon ik den eigenlijken tocht in de woestijn en nam slechts twee gidsen en vier kameelen mede. Maar eerst moesten wij aan den rand van de woestijn vier dagen blijven liggen, daar het regende. Wordt een karavaan in de Kewir zelf door regen overvallen, dan kunnen de mannen nog van geluk spreken, als zij met verlies van bagage en de dieren, weer levend uit het zoutachtig leemmoeras komen. Veel karavanen zijn echter reeds in deze woestijn ten ondergegaan. Daarom was het voor ons een geluk, dat het regende, voordat wij op den gladden leembodem waren gekomen. Toen echter na vier dagen een grootere karavaan van het Zuiden kwam en ondanks het nog bedenkelijk dreigende weêr den doortocht wilde wagen, sloot ik mij daarbij aan.
Het was stikdonker, toen wij opbraken. Een vuur werd ontstoken, en bij het schijnsel daarvan laadden wij de kameelen op. Weldra verdween het vuur achter ons en voor ons lag, in het nachtelijk duister gehuld, de Kewir. Waarheen het ging was niet te zien, men moest zich geheel overgeven aan zijn kameel. Alom heerschte diep stilzwijgen, dat slechts werd verbroken door het klinken der klokken.
Zonder oponthoud trokken de Perzen den geheelen morgen en het grootste deel van den dag verder. De krachten der mannen en die der dieren werden tot het uiterste ingespannen, want ieder oogenblik kon er opnieuw een stortregen losbarsten. Aan het opslaan van een kamp voor den nacht viel niet te denken!
Slaperig en huiverig zat ik in mijn mantel gehuld op het zadel, totdat het was alsof de klokken den vroegdienst aankondigden en de dag doorbrak. Maar ook nu hielden de Perzen geen halt en bleef mij niets anders over dan ze te volgen. „Houdt U dapper, mijnheer,” zeide een van mijn begeleiders, „verderop, als wij aan den anderen kant zijn, moogt ge slapen! Wie alleen uit de karavaan achterblijft, is verloren.” De Perzen gelooven waarlijk, dat er booze geesten in de woestijn rondwaren, die den achtergeblevene beheksen. Hij hoort wel het geluid der klokken, maar van uit een tegenovergestelde richting, loopt daarheen, verwijdert zich steeds meer van de zijnen, raakt eindelijk het spoor bijster en verzinkt.
Zoo gaat het den ganschen dag door verder. De lucht ziet er onheilspellend uit; overal wolken. De woestijn is zoo glad als een dorschvloer; nergens slechts het kleinste heuveltje. In het westen daalt de zon en ligt als een gloeiende bol in een omhulsel van wolken. Een schitterend roode stralenbundel breidt zich over de woestijn uit, waarvan de oppervlakte als een purperkleurige zee verlicht is. In het noorden is de lucht donker paars en tegen dezen achtergrond komen de kameelen als steenrood uit, een tooverachtig kleurenspel!
De zon gaat onder en de kleuren verbleeken, de lange schaduwen van de kameelen op den grond verdwijnen en een nieuwe nacht komt in het oosten op. Al spoedig is de karavaan onzichtbaar geworden, maar de klokken klinken onafgebroken door. Nu en dan breekt de maan door de wolken en werpt onze schaduwen op den dorren grond der woestijn. Steeds gaat het voort.
Te middernacht werd de lucht nog donkerder. De Perzen zaten zwijgend op hun kameelen en dommelden in. Weldra was niemand meer wakker dan de leider die de eerste kameel aan den teugel hield, en ik, op den laatsten kameel van den stoet gezeten. Daar vallen op eens groote regendruppels, en eer er een minuut voorbij is, klettert de regen op kameelen, ruiters en bagage neer.
In een oogwenk is de karavaan veranderd! Schel, angstig en gejaagd klinken de klokken, als riepen zij brandgevaar over de daken en door de straten van een brandende stad. De mannen zijn van de kameelen gesprongen. De regen slaat tegen den gladden woestijngrond, en eenige beesten beginnen al uit te glijden. Als het leven ons lief is, moeten wij haast maken, anders zuigt de woestijn ons nog in dit laatste uur op!
Met hard geroep zetten de mannen de kameelen aan, de klokken slaan, alsof zij de dooden voor het laatste gericht willen opwekken.
Daar valt de eerste kameel! Op dezen grond zijn de beesten er slecht aan toe. Zij hebben geen hoeven zooals paarden, maar weeke, breede eeltzoolen, en als zij uitglijden gaat dit verwonderlijk snel. Alle vier de pooten glijden in de eene richting en het zware lichaam in de andere. Dat is voor den kameel al niet aangenaam, maar voor den ruiter is het nog veel pijnlijker; daareven zat hij nog zoo goed ingepakt bovenop, en nu spartelt hij daar beneden in het slik. Nu valt de eene kameel na de andere en moet weer opgeholpen worden. Dat geeft telkens oponthoud en onderwijl wordt het slik steeds weeker! Met iederen stap zinken de kameelen dieper in den modder, „Pats” klinkt het als zij een stap doen en „klets” als zij den poot uit den grond trekken, en zoo patst en kletst het om al de negen en vijftig kameelen van de karavaan heen. De regen stroomt naar beneden en de klokken bengelen. Maar zoolang wij ze nog hooren, strijden wij met moed; eerst als zij zwijgen, heeft de woestijn ons overwonnen.
Daar zijn zij op eens stil!
„Wat gebeurt er?” vraag ik.
„Wij zijn in den duivelspoel,” antwoordt een stem, en langzaam beginnen de klokken zich weer te doen hooren. Na elkaar moeten de beesten een met zout water gevulde bedding doorwaden. Als de beurt aan mijn kameel komt, druk ik de knie stijf aan. Er is niets te zien, ik hoor slechts hoe de kameelen voor mij plassen en hoe het water naar alle kanten opspat. Nu glijdt de mijne de steile helling af, slingert met de beenen, balanceert met het lichaam, om zich in evenwicht te houden, dan plast hij door het water en klautert aan den anderen kant de hoogte op.
„Tamarisken!” hoor ik iemand roepen.
Gezegend zij dat woord, want het beteekent onze redding! In de zoutwoestijn groeit niets en waar men aan de eerste tamarisken komt, is weer zandgrond. Dan is alle gevaar geweken en nieuwe levensmoed treedt in de plaats van de grootste vermoeidheid. Na twee uren komen wij dan ook gelukkig in een dorp der woestijn aan, waar wij na het doorgestane levensgevaar ruimschoots rust namen. En het doel der reis heb ik bereikt: in mijn schetsboek neem ik de eerste landkaart dezer beruchte zandwoestijn als overwinningsprijs mee!
19. JAKHALZEN EN HYENA’S.
Denk u eens, waarde lezer, dat een onverklaarbaar wonder u plotseling in de oase Tebbes verplaatste, midden in de Perzische woestijn, waar bronnen en een bosch van honderdduizend palmen den uitgeputten reiziger schaduw en verkwikking bieden! Hoe zoudt ge reeds den eersten avond verbaasd staan over de zonderlinge serenade, die zich van over de woestijn doet hooren.
Bij het wegstervende daglicht zit ge in uw tent te lezen; daar ziet ge van uw boek op en luistert toe. Het wordt u alleronbehagelijkst te moede, zoo alleen in uw tent! Doch iederen avond herhaalt zich, zoo zeker als de zonsondergang, dezelfde serenade, en spoedig raakt gij er aan gewend en geeft er ten slotte niet meer om. Het zijn slechts de jakhalzen, die hun avondlied zingen. Het woord jakhals is Perzisch en de jakhals is de stamvader van den hond, de neef van den wolf en den vos. Hij is grijsgeel van kleur en niet groot, heeft spitse ooren en kleine, verstandige, levendige oogen en houdt zijn staart horizontaal, niet hangend zooals de wolf. Hij is een roofdier en gaat ’s nachts op buit uit. Alles wat eetbaar is, vindt zonder onderscheid genade in zijn oogen, maar hij geeft de voorkeur aan hoenders en druiventrossen boven de doode dieren uit de karavaan. Is er ook maar een mogelijkheid denkbaar, dan haalt hij dadels uit het palmenbosch, dat hij heel grondig uitplundert, als na hevige stormen de rijpe vruchten zijn afgevallen. In een woord: de jakhals is een onbeschaamde indringer! Ik was even verbluft als boos, toen eens op een nacht jakhalzen in onzen tuin drongen en onzen eenigen haan den honden voor den neus wegkaapten. Een vreeselijk spektakel had ons wakker gemaakt, in de vechtpartij met de honden bleven de jakhalzen echter overwinnaars en wij hoorden alleen nog het wanhopige geschreeuw van onzen armen haan in de verte wegsterven.
God mag weten waar het gespuis zich ophoudt zoolang de zon aan den hemel staat! In zoölogische handboeken staat, dat zij zich in holen verstoppen, maar ik heb in de oase van Tebbes geen holen gevonden en toch kwamen de jakhalzen in groote getallen in de oase. Zij zijn even raadselachtig als de woestijn zelf; zij zijn overal en nergens. Menigmaal hoopte ik hen op mijn zwerftochten in de omgeving van Tebbes door toeval op te sporen, maar de woestenij lag zwijgend, er was niets levends te bespeuren. En toch stonden zij in de schemering luid lachend voor mijn tent en schenen te vragen of ik soms nog meer hanen had!
Zoodra de zon onder den horizon daalt, de schemering haar sluier over het stille landschap uitbreidt en de palmen in smachtend verlangen naar de terugkomst der zon insluimeren, dan begint daar buiten op nauwelijks 200 meter afstand de serenade der jakhalzen. Het klinkt als een kort afgebroken gelach, van diepe basstemmen zich verheffend tot den hoogsten diskant, als een klagend gehuil, dat zwelt en verstomt, om door een andere troep beantwoord te worden of als een gemeenschappelijke angstkreet van in nood verkeerende kinderen, die om hulp roepen. Nader laat de toon zich niet beschrijven. Als een golf ruischt hij om de oase. Het gehuil der jakhalzen is de stem der woestijn; het is schreeuwen om voedsel, „Makkers, wij hebben honger,” roepen zij elkaar toe, „wij willen op buit uitgaan.”
Voorzichtig sluipen zij naar de oase, bliksemsnel springen zij over muren en heiningen en houden overal op verboden wegen huis.
Indien de hoenders niet zulke domme hersens hadden, dan zouden zij snel ergens onder dak kruipen, zoodra het avondlied der jakhalzen begint.
Wat hebben zij al niet op hun geweten, deze onzichtbare en al te luidruchtige straatroovers, die van Kaap Verd, het groene voorgebergte van het uiterste Westen der oude wereld tot in het hart van Indië, van hetgeen de woestijn oplevert en van afval leven! Hun stamboom is bijna even oud als die der palmen, bij de volkeren van het Oosten is de reeks hunner euveldaden, ruim zoo groot als bij ons het zondenregister van den beruchten Reintje de Vos. In Simson’s driehonderd „Vossen” herkennen wij gemakkelijk de jakhalzen en sedert dien tijd zijn ontelbare anecdoten aan hun naam verbonden. Hun tehuis is echter niet alleen de stille, vlakke woestijn. Indien in de prachtige sociëteiten te Simla, het zomerverblijf van den Vice-Koning van Indië, de regimentsmuziek speelt, behoeft men het hoofd slechts buiten het raam te steken en men hoort het jammerlijk blaffen en het klaaglied der jakhalzen!
Overigens valt er niet te spotten met deze dieren. In het jaar 1882 werden in Bengalen niet minder dan 359 menschen door jakhalzen gedood!
Vreeselijk is het echter, als dolheid hen aangrijpt. De laatste grenscommissie in Seïstan heeft het moeten ervaren. In den nacht sloop een dolle jakhals het leger binnen, en beet een slapende in het gelaat, zes maanden later was de man dood. Andere slopen in de huizen der inboorlingen, gingen op den loer liggen en wachtten een gelegenheid tot bijten af. Het vreeselijkste gebeurde echter op een donkeren winternacht, toen de Noordenwind huilde en het stof langs den grond veegde, toen kwam één jakhals met onhoorbare schreden in het kamp der Engelschen. Hij kroop een tent binnen, waar verscheiden mannen sliepen en pakte, blindelings om zich heen bijtend, het allereerst een wollen deken. De slapers sprongen op en grepen naar hun wapenen. Het kamp bestond uit drie afdeelingen en eenige honderden aan pinnen vastgezette dromedarissen. In de ondoordringbare duisternis was niet te zien, waarheen de indringer zich keerde, maar spoedig hoorde men nu hier, dan daar de dromedarissen van ontzetting en wanhoop brullen en toen de morgen grauwde, telde men acht en zeventig gebeten lastdieren. Zij werden afgezonderd van de andere, en toen ook zij door dolheid werden aangegrepen, heeft men ze doodgestoken. Een dolle dromedaris, die vastgebonden staat, verscheurt zich zelf. Honden en geiten, die door den jakhals gebeten waren, werden dadelijk doodgeschoten. Het akeligst, bij het uitbreken der ziekte onder deze dieren, is de weerloosheid der menschen daartegen. In het holst van den nacht en onhoorbaar sluipt de jakhals naar het kampvuur en heeft reeds gebeten, voordat men naar het geweer heeft gegrepen, slechts door een goed gemikten kogel kan men hem van het lijf houden.
Twintig jaar geleden had ik zelf een klein avontuur. Met twee bedienden en eenige paarden reed ik uit de binnenlanden van Perzië naar de kust van de Kaspische zee en kampeerde op zekeren avond in een dorp in het Elboersgebergte. Daar de karavanserei berucht was om haar ongedierte, maakte ik het mij gemakkelijk in een tuin, welks vruchtboomen en populieren werden beschermd door een anderhalven meter hoogen muur, waarin geen enkele deur was. Om in den tuin te komen moest men over den muur klauteren. Toen het donker werd, gingen mijn mannen het dorp in; ik hulde mij stevig in mantel en wollen deken, het zadel diende als hoofdkussen en spoedig was ik in diepen slaap. Misschien had ik een paar uur geslapen, toen een schuifelend geluid mij wakker maakte, het kwam van twee lederen kisten, waarop de overblijfselen van mijn avondeten stonden: brood, honig en appelen. Ik richtte mij op en luisterde ingespannen, hoorde echter niets dan het kabbelen van een in de nabijheid stroomend beekje. De duisternis liet niet toe iets te zien, de sterren fonkelden slechts mat door het gebladerte en zoo sliep ik weer in.
Na een poos werd ik weer door hetzelfde geschuifel bij de kisten gewekt en hoorde, dat aan de riemen werd getrokken.
Nu sprong ik op en kon een half dozijn jakhalzen onderscheiden, die als schaduwen tusschen de populieren verdwenen. Van slapen kwam dien nacht niets meer, want ik had meer dan genoeg te doen om de brutale dieren op een afstand te houden. Lag ik weer een poos stil, dan waren zij er onmiddellijk weer en trokken aan de riemen, slechts als ik met de zweep op een kist sloeg, trokken zij af. Maar spoedig gewenden zij daaraan, en liepen slechts een paar schreden ver. Toen kwamen mij mijn appelen in de gedachte en wanneer de jakhalzen weer naderslopen, wierp ik een appel in de troep en van dit onschuldig verdedigingsmiddel bediende ik mij zoolang, totdat de laatste appel in de duisternis was weggerold. De meeste worpen troffen niet; slechts eens ontlokte ik aan een der brutale dieven een klaagtoon.
Wat duurde deze nacht lang! Eindelijk grauwde tusschen de populieren de ochtendschemering en zonder eenig geraas sprongen de jakhalzen over den muur.
Nu had ik tenminste ongestoord kunnen ontbijten, maar het overgebleven avondbrood hadden de indringers tot de laatste kruimels opgeruimd. Men vertelde mij later, dat de jakhalzen in deze streek zoo kwaadaardig zijn, dat twee of drie sterk genoeg waren een man te overmeesteren. Sedert dien nacht liet ik mijn bedienden altijd in mijn nabijheid slapen.
Daar wij nu eenmaal over zulke ongewenschte gasten spreken, die dadelijk present zijn als in de Sahara de leeuw of in Oost-Perzië de panter hun buit hebben gedood, mogen wij de hyena’s niet vergeten, want ook zij behooren tot het woestijnvolk. Een vreemd dier is de hyena, noch hond, noch kat, eerder een middending er tusschen en grooter dan deze beiden. Zij is morsig, grijsbruin met zwarte streepen en vlekken, heeft een ronden kop, een zwarte snuit, zwarte oogen en zulke korte achterpooten dat de borstelige rug naar achteren valt. Ook zij gaat ’s nachts op buit uit en daalt in West-Perzië uit haar schuilhoeken in de bergen omlaag naar de wegen der karavanen, om naar doode ezels, paarden en kameelen te zoeken. Liggen de lijken niet diep genoeg begraven, dan krabt zij onder de grafsteenen de lijken uit, want zij leeft bijna uitsluitend van verrot vleesch.
Een heirweg in Perzië op een zachten, door de maan beschenen nacht. Een uitgeputte kameel is gestorven en ligt met de pooten uitgespreid en den moeden kop op den grond, als een zwarte massa neer. Het lijk verspreidt een walgelijken stank, maar daar houden de hyena’s van, zij worden er door gelokt. Zij snellen uit hun holen toe, hun schor geblaf komt nader, daarna knorren zij zacht en blijven een oogenblik rondsnuffelend met gespitste ooren op de vlakte staan. Het slijm druipt uit de hoeken van hun bek, zij hebben gedurende verscheidene dagen niets gegeten. Nu speuren zij den kameel en snellen toe. Zij zetten de voorpooten vast op den grond en rukken met de tanden de huid van den buik van het kadaver open, dan boren zij den snuit in het zachte deel der buikholte en eten zich zat aan darmen en spieren. Eenige schreden verder zitten de aasgieren te wachten. Eensklaps breken de hyena’s hun smulpartij af. Met de pooten nog in den buik van den dooden kameel, richten zij den kop op en spitsen de ooren alle naar dezelfde richting. Zoodra wij in den maneschijn komen aanrijden, verdwijnen zij als schaduwen in de duistere woestijn, maar nauwelijks zijn wij voorbij, of zij zijn er weer, en wroeten verder in de ingewanden van den kameel, totdat zij opnieuw worden gestoord. Pas als in het Oosten de dag grauwt, zoeken zij hun holen weer op.
Zoo zweeft het vierbeenige volk der woestijn rondom den rand van de oase van Tebbes en deelt het onmetelijke rijk met den panter, den wilden ezel en de fijne, sierlijke gazellen. En in de ontzaglijke, uitgestrekte vlakte ligt zulk een oase vergeten en eenzaam als een eiland in den oceaan.
20. WOLVEN OP DEN PAMIR.
Wie zelf niet wekenlang door de woestijn heeft gezworven en dan eindelijk een oase bereikte, kan zich niet voorstellen wat dit beteekent. De oase is voor den woestijnreiziger wat de veilige haven is, voor den door storm bedreigden zeevaarder, en er behoort een manmoedig besluit toe, om te scheiden van zulk een oase en den tocht door de zonnehitte der woestijn te vervolgen.
Eerst blijven wij dus nog een poos in de oase van Tebbes en niets kan zoo gemakkelijk met de mild stralenden zon verzoenen, dan wanneer men zich de tijden herinnert, waarop de geringste straal van haar welkom zou zijn geweest.
Een van zulke herinneringen leidt ons een eind noordelijk van de Perzische woestijn in een geheel ander land. In November 1893 was ik van Orenburg aan den Oeral, de rivier, die gedeeltelijk de grens vormt tusschen Azië en Europa, opgebroken om op een rammelende tarantas, het gewone voertuig op de Russische landwegen, de Kirgiezen steppe te doorkruisen, die zich tusschen de Irtsj en de Kaspische zee, den Oeral en den Syr-Darja uitstrekt.
Deze ontzaglijke steppe is zoo glad als een bevroren zee en de paarden kunnen hier kalm voortgaan; er is geen gevaar, dat men in een greppel wordt geworpen, of een wiel tegen een steenblok te pletter wordt gestooten. De weg tot Taschkent, de hoofdstad van Turkestan, is tweeduizend kilometer lang, dus zoo ver als van Hamburg naar Athene en onder sneeuwjachten en een koude van 20 graden vorst was ik de negen en negentig poststations met het negen en negentig maal verwisselen van paarden te boven gekomen! Van Taschkent uit had ik de provincie Samarkand met haar gelijknamige hoofdstad bereisd, en het westen van Samarkand bij de Amoe-Darja gelegen land Boekhara bezocht, waarvan de Emir een vazal van Rusland is.
Van hier trok ik naar het geweldige bergplateau Pamir, hetwelk door zijn bewoners het „dak der wereld” wordt genoemd, omdat zij veronderstellen, dat het als een dak over de geheele aarde ligt. Van dezen bergknoop gaan de hoogste bergketenen van Azië, ja van de aarde uit, de Himalaja, de Trans-Himalaja, de Karakoroem, de Kwen-lun en de Tien-sjan naar het Oosten, de Hindukoh naar het Westen. Een blik op de kaart toont, dat de meeste der grootste bergketenen van Azië en zelfs van Europa met den Pamir samenhangen of dat men hun oorsprong van hem kan afleiden. De bergketenen van Tibet strekken zich ver in China en het Achter-Indische schiereiland uit. De Tien-sjan is slechts het eerste lid van een keten van verschillende gebergten, die zich noordelijk door geheel Azië uitstrekken. De voortzetting van de Hindukoh vinden wij in de bergen van Noordelijk Perzië, den Kaukasus, Klein-Azië en het Balkanschiereiland, in de Alpen en de Pyreneën. De Pamir gelijkt op het lijf van een inktvisch, die zijn armen naar alle kanten uitstrekt. De geweldige bergketenen, die van hem uitgaan, zijn het geraamte, het skelet van Azië, waarom heen zich de hoogvlakten als spierbundels uitstrekken. De woestijnen in het binnenland zijn zieke, bedorven deelen van het organisme en de schiereilanden de ledematen.
In Februari 1894 bevond ik mij te Majalan de hoofdstad van Ferghana, de korenschuur van Centraal-Azië, want Ferghana is een rijk, door bergen omgeven vruchtbaar dal. Ik had een kleine, flinke karavaan uitgerust, bestaande uit elf paarden en drie mannen, en onder mijn metgezellen bevond zich voor het eerst Islam Bai, die gedurende vele jaren, een trouwe dienaar voor mij is geweest. Tenten behoefden wij niet mede te nemen; de gouverneur had aan de Kirgiezen bevel gegeven, overal waar ik wilde overnachten twee zwart wollen tenten voor mij op te slaan. Proviand hadden wij in onze bagagekisten, stroo en gerst in zakken, maar ook ijzeren spaden, bijlen en speren, want wij moesten diep door de sneeuw en over glad ijs trekken. Een ding hadden wij echter vergeten: een hond. Maar onderweg voegde er zich vanzelf een bij ons en verzocht beleefd of hij ons mocht vergezellen. Dat stond ik hem graag toe en hij werd spoedig een beste vriend van ons allen.
Zoo trokken wij zuidelijk naar den Pamir en volgden een nauwe kloof, waarin een schuimende rivier over steenblokken stroomde. Herhaaldelijk kruisten wij haar, over zwevende houten bruggen, die er als lucifers uitzagen, wanneer men ze, van de hooge hellingen, beneden in het dal zag liggen. Op de berghellingen lag de sneeuw. Ze smolt in de zon, maar bevroor ’s nachts weer en ons pad geleek op een weg van ijs, die langs den rand van een steilen afgrond loopt.
Ik had verscheiden Kirgiezen tot hulp medegenomen, een hunner geleidde het voorste paard, dat twee groote stroozakken en daartusschen mijn veldbed droeg. Op een plek, waar het pad schuin omlaag ging, gleed het paard uit, trachtte vergeefs weer vasten voet te krijgen en stortte in den afgrond, waar het met gebroken ruggegraat bleef liggen. Zijn vracht stroo werd ver over de steenen verspreid en mijn bed danste op den stroom. Dat was geen geringe schrik en wij snelden allen naar beneden om te redden, wat er nog te redden viel.
Daarna ging het weer omhoog. Treden werden in het ijs gehouwen en de weg met zand bestrooid. Maar hoe hooger wij kwamen des te erger werd het. Elk paard moest door een Kirgies aan den halster worden geleid, terwijl een tweede het aan den staart vasthield. Aan rijden viel niet te denken, men kroop bijna op handen en voeten. Meer dan twaalf uur marcheerden wij zoo, totdat het dal zich opende en de flikkerende kampvuren der Kirgiezen zichtbaar werden.