Van pool tot pool

Part 6

Chapter 64,058 wordsPublic domain

Deze reis naar Teheran was reeds tamelijk duur geweest, maar mijn goede landgenoot had mijn kas gestijfd en ik droeg 640 mark in mijn gordel, toen ik den 27sten April verder reed. De weg ging van station tot station, waar men de paarden verwisselt, een nacht kan overblijven en voor een zilveren muntstuk eieren en brood, een hoen, meloenen en druiven kan koopen. Van het eene station naar het andere gaat een geleider mede, die echter zelf dikwijls het beste paard neemt en den reiziger het slechte geeft.

Zoo ging het ook mij op den weg tusschen Kaschan en het bergdorpje Kuhrud. Toen ik de list bemerkte, ruilde ik mijn paard met dat van den geleider en deze bleef nu na een rit van verscheiden uren achter mij, omdat zijn arm paard niet verder kon. Gedurende vier uur reed ik in volslagen duisternis op smalle paden; klaarblijkelijk was ik verdwaald; en moe en slaperig, wilde ik juist afstijgen, mijn paard aan een boom binden en mij voor den nacht in mijn deken wikkelen, toen ik in de verte een licht zag schijnen. Aha! Dat is het posthuis van Kuhrud! dacht ik; maar toen ik naderbij kwam, was het het licht van een Nomadentent. Ik reed er heen en riep. Niemand antwoordde, maar aan de schaduw, op het doek der tent, zag ik, dat ze bewoond was. Toen ik nog eens vergeefs had geroepen, steeg ik af, opende met een ruk de deur der tent, en vroeg den weg naar Kuhrud.

„Kan men dan midden in den nacht niet rustig slapen?” klonk binnen een stem.

„Ik ben een Europeaan, en gij moet mij den weg wijzen,” antwoordde ik barsch.

Nu kwam een oud man naar buiten; hij zeide geen woord, maar ik begreep dat ik hem, mijn paard bij den teugel leidend, moest volgen. Hij liep in de duisternis tusschen de struiken door en toen hij mij had gebracht bij een beek, die een voet diep en aan beide zijden door dichte olijvenboomen omgeven was, wees hij met den vinger naar de bergen omhoog en verdween, stom als een visch, in de duisternis. Nu steeg ik weer op en liet aan mijn paard de leiding over en na twee uur hield het ook voor het posthuis stil. Ik was volle vijftien uur in het zadel geweest en het avondeten smaakte mij beter dan anders. Daarna strekte ik mij languit op den steenen vloer, nam het zadel voor hoofdkussen en dekte mij toe met de deken; een ander bed heb ik mij gedurende de geheele reis niet kunnen verschaffen!

Zoo bereikte ik eindelijk Ispahan, waar vele bouwwerken aan de verdwenen grootheid van deze voormalige Perzische hoofdstad herinneren. Van daar ging het verder naar het Zuiden, naar Persepolis, de beroemde stad der oudheid, waar de groote Perzische koningen Xerxes en Darius hun paleizen hadden. Nu weiden slechts arme herders hun schapen in deze streek, maar van de paleizen zijn nog veel prachtige zuilen overgebleven, die weerstand hebben geboden aan de 2400 jaren die er over heen zijn gegaan. Niet ver van Persepolis ligt Schiras, met zijn rozentuinen, lustsloten, fonteinen en kanalen. De stad heeft haar roem te danken aan de onsterfelijke dichters, die binnen haar muren hun schoonste liederen zongen.

Op het kerkhof van Schiras ligt een Zweed begraven, dr. Fagergren; hij stierf meer dan dertig jaar geleden en had dertig jaar in deze stad gewoond. Eens klopte een derwisch, een bedelmonnik, aan zijn deur en zeide: „De opperpriester in Bagdad zendt mij om u te bekeeren.” De dokter gaf hem een geldstuk om van hem af te komen, maar de in lompen gekleede monnik liet zich niet afschepen. Nu vroeg dr. Fagergren of hij hem een bewijs kon geven van de wonderdoende macht van den opperpriester.

„Ja,” antwoordde de monnik, „gij zijt een Europeaan, en ik zal met u spreken in welke taal gij wilt.”

„Nu, spreek dan eens Zweedsch,” riep de dokter, en tot zijn grootste verbazing zeide de bedelaar in zuiver Zweedsch een zang op uit Tegner’s Fridjof sage! De gewaande bedelmonnik was namelijk de Hongaarsche professor Bambery, die destijds verkleed door Perzië reisde om ongehinderd toegang tot de heiligdommen te krijgen!

Hoe meer ik de kust van de Perzische golf naderde, des te warmer werd het en op zekeren dag was het in mijn slaapkamer 39 graden Celsius. Men reist daarom gedurende den nacht. Daar ik snel placht te rijden, kon de oude stalknecht het laatste eind niet medekomen: ik reed dus den geheelen nacht alleen verder, met de revolver in de hand, voor het geval roovers zich mochten vertoonen. Maar ik was toch blij, toen de zon opging en de spiegelgladde watervlakte van de Perzische golf mij tegenstraalde. Onder een warmte van 45 graden, zooals ik ze te voren en daarna nooit meer heb bijgewoond, bereikte ik de kuststad Buschehr. In negen en twintig dagreizen had ik 1500 kilometer te paard afgelegd.

De Perzische golf, een bocht in den Indischen Oceaan, scheidt Perzië van Arabië. Arabië is een langwerpig schiereiland tusschen de Perzische golf en de Roode Zee; in het Noord-Westen wordt het door de Middellandsche Zee, in het Zuid-Oosten door den Indischen Oceaan bespoeld. Maar dit schiereiland is zoo groot als het derde deel van Europa. Het grootste gedeelte van het kustland is onderworpen aan den Sultan van Turkije, maar het wilde, oorlogzuchtige heidenvolk der binnenlanden, de Bedouïnen, is zoo goed als onafhankelijk. Slechts weinig deelen van Arabië zijn bewoond; ontzaglijke uitgestrektheden zijn kale zandwoestijnen, waarin nog geen Europeaan den voet heeft gezet. Kort bij de kust van de Roode Zee liggen twee Arabische steden, die voor alle Mohammedanen even heilig zijn als Jeruzalem en Rome voor de Christenen. Zij heeten Mekka en Medina. In Mekka werd in het jaar 570 na Christus, de profeet Mohammed geboren, in Medina stierf hij in het jaar 632 en hier ligt hij begraven. Hij is de stichter van den Mohammedaanschen godsdienst en sedert hij aan de Arabieren den Islam predikte, heeft zijn godsdienst zich zoo sterk over de oude wereld verbreid, dat hij nu meer dan twee honderd millioen belijders heeft! Een bedevaart naar Mekka is de vurige wensch van alle aanhangers van Mohammed; wie daar eens geweest is, kan rustig sterven en gedurende zijn leven draagt hij den eeretitel hadschi. Uit Afrika en de binnenlanden van Azië gaan jaarlijks ontelbare bedevaartgangers naar deze heilige plaatsen.

Aan de Arabische kust in de Perzische golf ligt het wereldberoemde eiland Bahrein, waar de parelvisscherij in den zomer en herfst aan de Engelsche bezitters ervan over de elf millioen mark jaarlijks oplevert. Ongeveer 5000 booten met 30000 personen bemand, zijn dan op zee. Elke eigenaar van een boot stelt eenige duikers aan. Zulk een duiker gaat zelden dieper dan twaalf tot dertien meter en blijft hoogstens vijftig seconden onder water. Hij heeft was in de ooren, een knijper op den neus en met een steen aan de voeten en een koord om zijn lijf, springt hij over boord en verdwijnt in de diepte. Op den bodem der zee aangekomen, verzamelt hij in een mand, die hij voor het lijf heeft gebonden, zoo veel schelpen als hij in der haast maar grijpen kan en op een teeken wordt hij weer aan de oppervlakte getrokken. Hier opent de eigenaar van de boot de schelpen, neemt er de kostbare parelen uit, die naar grootte en soort zeer verschillend van waarde zijn en verkoopt ze voor de Indische markten.

Aan Arabië grenst in het Noord-Oosten Mesopotamië, dat door de Euphraat en de Tigris wordt doorstroomd. Van Buschehr bracht een Engelsche stoomboot mij daarheen en op de troebele golven voer ik stroomopwaarts. Van het dek af zag men de koperkleurige, half naakte Arabieren op prachtige, ongezadelde paarden rijden. Zij weiden hun kudden schapen op de steppen en dragen lange lansen. Dikwijls overstroomen geheele wolken van groene sprinkhanen de stoomboot, en men kon er slechts aan ontkomen door een overhaaste vlucht in de kajuit; rondom den schoorsteen lagen zij verbrand en bedwelmd in reusachtige hoopen.

Na een riviertocht van verscheiden dagen landde ik in Bagdad. Van den voormaligen glans der stad is niet veel meer overgebleven. In de tiende eeuw was het de grootste stad der Mohammedanen, en hier werden de Indische en Arabische sprookjes verzameld, die onder den naam „Duizend en een Nacht” bekend zijn. Niet ver van Bagdad, maar aan de Euphraat, lag in den grijzen voortijd het groote, prachtige Babylon, dat honderd koperen poorten had en welks muren zoo breed waren, dat zes wagens er naast elkaar op konden rijden. Bij de wateren van Babylon hingen de gevangen Israëlieten hun harpen aan de wilgen, en over de toekomst van Babylon voorspelde Jeremia: „En Babylon zal tot steenhoopen worden en tot woning der draken, tot een wonder en tot aanfluiting, zoodat niemand er in zal wonen.”

17. EEN REISSPROOKJE.

Toen ik te Bagdad aankwam, bestond al mijn geld nog slechts uit ongeveer honderd mark of tweehonderd Perzische zilveren kerân, en daarmede moest ik toekomen op de 950 kilometer lange terugreis naar Teheran, waar ik pas weer nieuw geld kon krijgen. Maar dat schrikte mij niet af. Als ik maar een 300 kilometer ver, de stad Kirmanschah zou hebben bereikt, kon ik mij in het ergste geval bij een karavaan verhuren. Aangenaam was het zeker niet, den geheelen weg te moeten loopen, en verder geen loon te ontvangen dan wat brood, augurken en meloenen.

Allereerst sloot ik mij aan bij een karavaan van vijftig muildieren, die Engelsche waren van Bagdad naar Kirmanschah vervoerde. Ze werd vergezeld door tien Arabische kooplieden te paard; acht pelgrims en een Chaldeesch koopman hadden zich eveneens aangesloten. Voor vijftig kerân huur voor een muilezel mocht ik er mij ook bij aansluiten; ik moest voor mijn eigen voedsel zorgen.

Den zesden Juni 1886, ’s avonds te tien uur, begon ik deze reis. Als ik er nu op rijperen leeftijd aan denk, schijnt ze mij een sprookje, of de ondoordachte streek van een nieuwbakken student!

In den warmen zomernacht leidden mij twee Arabieren op mijn muilezel door de nauwe straten van Bagdad. Slechts hier en daar brandde nog een mat flikkerend licht van een olielamp. Maar in de bazaars heerschte uitgelaten leven. Daar zaten de Arabieren bij duizenden, aten, dronken koffie, rookten en babbelden. Want het was juist de vastenmaand, gedurende welken tijd zij alleen na zonsondergang iets mogen gebruiken. Op de binnenplaats van een karavanserei was mijn karavaan nog bezig met pakken, en daar ze pas ’s nachts te twee uur zou opbreken, legde ik mij tot zoolang op een hoop koopwaren en sliep als een marmot.

Veel eerder dan ik wenschte was het twee uur. Een Arabier schudde mij wakker en slaapdronken klauterde ik op mijn muilezel. Onder het geroep der drijvers, het klingelen der bellen en het gebimbam der groote klokken van de kameelen, trok de lange karavaan de duisternis in. Weldra lagen de laatste huizen der voorsteden en de palmenhagen van Bagdad achter ons en voor ons de zwijgende, sluimerende woestijn.

Geen mensch bekommerde zich om mij. Ik had immers mijn muilezel betaald en mocht nu doen en laten, wat ik wilde. Nu eens reed ik vooruit, dan weer was ik de laatste in den stoet, en dikwijls was ik gewoonweg ingeslapen. Aan den weg lag een doode dromedaris en een troep hyena’s en jakhalzen smulden aan het lijk. Toen wij naderden, slopen zij geluidloos snel weg de woestijn in. Een eind verder hielden eenige vette gieren de wacht bij het kadaver van een paard en fladderden met zwaren vleugelslag voor ons weg.

Na een rit van zeven uur bereikten wij een karavanserei, waar de Arabieren hun dieren aflaadden en den geheelen dag wilden uitrusten. Het was hier zoo heet als in een oven en men kon niets beters doen dan half slapend op den steenen vloer gaan liggen.

Den volgenden nacht reden wij in acht uur naar het groote dorp Bakuba, dat omgeven is door een bosch van prachtige dadelboomen. Hier legerden wij weer op de binnenplaats van een karavanserei en ik babbelde juist wat met twee mijner reisgenooten, toen drie Turksche soldaten naar mij toekwamen en mijn pas verlangden.

„Ik heb geen pas,” zeide ik hun.

„Goed, dan betaalt u ons tien kerân per persoon, en wij laten u toch de grenzen over.”

„Ik geef geen stuiver,” was mijn antwoord.

„Geef dan uw baaien deken en uw reistasch!” riepen de soldaten en trokken mijn eigendommen naar zich toe.

Maar nu was mijn geduld ten einde. Ik gaf den kerel, die mijn reistasch had gegrepen, een stomp tegen de borst, zoodat hij zijn buit liet vallen, en dien met de baaien deken ging het eveneens. Toen de onbeschaamden mij nu wilden aanvallen, snelden twee Arabieren toe tot mijn verdediging. Om verder een dergelijke bejegening te ontgaan, ging ik toch maar liever naar den stadhouder en liet mij voor zes kerân een pas geven.

Hierdoor was ik goede vrienden geworden met mijn Arabieren, en leenden zij mij nu een paard, in plaats van mijn muilezel. Zoo trokken wij ’s avonds te negen uur bij heerlijken maneschijn verder en reden den geheelen nacht door. Nu en dan dommelde ik op mijn paard in; maar nadat het eens voor een aan den weg liggend kadaver was geschrokken, mij uit den zadel had geworpen, en er van door was gegaan, zoodat de mannen der karavaan het pas na veel moeite weer opgevangen hadden sliep ik gedurende den nacht niet meer.

Den geheelen dag kampeerden wij weer in het naaste dorp. Maar deze manier van reizen vond ik verschrikkelijk; het ging zoo langzaam, en men zag zoo goed als niets van het land zelf! Toen dus een oude Arabier ons uit Bagdad op een prachtig ros inhaalde, besloot ik met zijn hulp mij van mijn gezelschap te scheiden. Hij was er toe bereid voor vijf kerân per dag. Eerst bleven wij nog bij de karavaan, maar zoodra de maan was ondergegaan, versnelden wij onze vaart en toen de klank der klokken achter ons, zwakker was geworden, draafden wij snel in den nacht verder.

Den 13den Juni bereikten wij ook gelukkig Kirmanschah. Nadat ik mijn Arabier had betaald, had ik nog maar vijftig penningen over! Daarvoor kon ik noch een kamer huren, noch mij voldoende voeden, en het vooruitzicht bij de Mohammedanen te moeten gaan bedelen, was niet bepaald aanlokkelijk.

Ik had hooren spreken over een rijken, Arabischen koopman, Aga Hassan genaamd, en naar zijn prachtig huis in Kirmanschah richtte ik mijn schreden. Met bestoven rijlaarzen, en de karwats in de hand, kwam ik door een reeks kamers eindelijk bij den heer des huizes, die met zijn secretaris tusschen boeken en papieren zat te werken. Hij droeg een, met goud geborduurden, witten zijden mantel, op het hoofd een tulband, en op den neus een bril en zag er even vriendelijk als voornaam uit.

„Hoe gaat het u, mijnheer?” vroeg hij.

„Dank u, altijd goed,” antwoordde ik.

„Van waar komt u?”

„Van Bagdad.”

„En waar wilt u heen?”

„Naar Teheran.”

„Bent u een Engelschman?”

„Neen, een Zweed.”

„Een Zweed? Wat wil dat zeggen?”

„Nu, ik ben uit het land, dat Zweden heet.”

„Waar ligt dat?”

„Ver weg in het Noord-Westen, achter Rusland.”

„Ach zoo, nu weet ik het.—Is u misschien zelfs uit het land van de ijsbergen?”

„Ja, juist uit dat land ben ik, uit het land van Karel XII.”

„Maar dat doet mij heel veel genoegen! Ik heb van de merkwaardige heldendaden van Karel XII gelezen. U moet mij vertellen, ook van Zweden, zijn tegenwoordigen koning, zijn leger, en ook van uw eigen tehuis, uw ouders en broers en zusters. Maar het allereerst moet u mij beloven gedurende zes maanden mijn gast te zijn. Wat ik bezit behoort u, u behoeft slechts te bevelen.

„Ik ben u ten zeerste dankbaar voor uw goedheid, maar ik kan niet langer dan drie dagen gebruik maken van uw gastvrijheid.”

„U bedoelt toch zeker drie weken.”

„Neen, u bent te vriendelijk, maar ik moet beslist naar Teheran.”

„Dat is werkelijk jammer! Misschien bedenkt u zich nog!”

Nu bracht een bediende mij naar een naburig huis, dat bijna een paleis was; dit was mijn woning! In een groote zaal met Perzische tapijten en zwart zijden divans richtte ik mij huiselijk in. Twee secretarissen vormden mijn gevolg, en bedienden waren bij elken wensch aanwezig. Wanneer ik honger had, bracht men mij uitgelezen stukken, aan het spit gebraden schapenvleesch, haantjes met rijst, zure melk, kaas en brood, abrikozen, druiven en meloenen, en daarna koffie en een waterpijp; wanneer ik wilde drinken, werd mij een zoete drank aangeboden van het sap van dadels en ijs. En indien ik wilde uitrijden om de stad en de omgeving te zien, dan wachtten Arabische volbloedpaarden op mij! Voor mijn huis lag een stille, door muren omgeven tuin, waarvan de paden met marmer waren geplaveid. Onder de bloeiende seringen kon ik den geheelen dag rondloopen en bij den geur der rozen mij overgeven aan mijn droomen. In een bassin met kristalhelder water zwommen goudvisschen, een hooge fijne waterstraal ging loodrecht omhoog en glinsterde als een spinneweb in den zonneschijn. In dien verrukkelijken tuin sloeg ik mijn nachtleger op. Kortom, het was gewoon een sprookje uit „Duizend en een Nacht”, en toen ik den volgenden wakker werd, wilde ik maar niet gelooven dat het werkelijkheid was. Mijn vijftig penningen had ik nog steeds in den zak.

Maar toen de laatste dag van mijn verblijf was aangebroken, kon ik mijn toestand niet langer verbergen.

„Ik moet u iets onaangenaams toevertrouwen,” zeide ik tot een der secretarissen.

„Zoo?” antwoordde hij zeer verbaasd.

„Ja, mijn geld is geheel op.”

„Hoe vreemd, dat u als Europeaan, u zonder geld op zulk een verre reis hebt kunnen begeven.”

„Ja, de reis werd langer dan mijn plan was, en nu ben ik geen cent meer rijk.”

„Nu, wat hindert dat? Van Aga Hassan kunt gij zooveel geld krijgen als u wilt.”

Het middernachtelijk uur sloeg juist, toen ik van mijn edelen vriend afscheid nam. Gedurende de vastenmaand werkte hij den ganschen nacht door.

„Het spijt mij, dat u niet langer kunt blijven.”

„Ja, ook mij spijt het, u te moeten verlaten en u uw groote goedheid niet te kunnen vergelden.”

„U weet toch, dat roovers en bandieten de wegen door het gebergte onveilig maken? Ik heb daarom bewerkt, dat u de post moogt vergezellen, die door drie soldaten wordt geëscorteerd.”

Na een laatste dankbetuiging en afscheid vertrok ik. De secretaris reikte mij een met zilver gevulden lederen buidel. De koerier en de soldaten stonden reeds reisvaardig en reden eerst langzaam door de nauwe, donkere straten der stad, daarna in flinken draf, toen de huizen schaarscher werden en eindelijk, toen ons aan alle kanten de woestenij omgaf, in gestrekten galop. Zoo ging het zestien uren voort, wij wisselden driemaal van paarden en legden achter elkander 170 kilometer af. In Hamadan rustten wij een dag en reden daarna op negen verschillende paarden verder naar de hoofdstad. Gedurende de laatste vijf en vijftig uren sliep ik in het geheel niet meer en half dood van vermoeidheid, haveloos en met gescheurde kleeren reed ik eindelijk door de Zuid-Westelijke poort de stad binnen.

Dat was het sprookje van mijn eerste reis naar Teheran en door Perzië!

18. DOOR DE PERZISCHE WOESTIJN.

Maar nu ons opgemaakt uit de schaduw der platanen en weg uit Teheran, naar buiten in de groote, eenzame woestijn! Wij zullen pas weer kunnen uitrusten in de oase van Thebe.

De karavaan staat reisvaardig. Ik heb de veertien kameelen met zorg uitgekozen; dikke baaien dekens beschermen hun rug, opdat hij niet door den last gewond kan worden en uit twee gaten in de deken steken de bulten, die niet gedrukt of gekwetst mogen worden. De grootste kameelen gaan voorop. Rood geborduurde halsters met glinsterende metalen plaatjes en roode en gele kwasten versieren hun kop en boven het voorhoofd wiegelt een bos veeren; rondom de borst hangt een riem met veel koperen bellen en aan den hals draagt elk dier zijn klok. Twee der klokken zijn zoo groot als die eener kerk en moesten daarom terzijde van de lasten worden vastgemaakt, opdat ze de knieën der kameelen niet zouden kwetsen. Deze beesten zijn niet weinig trotsch op hun tooi; zij gevoelen hun waarde en trekken met koninklijke deftigheid de zuidelijke stadspoort van Teheran uit.

De kameel, waarop ik rijd, is een der grootste van de geheele karavaan. Zijn dik, bruin, wollig haar, hangt aan hals en borst lang neer. Tusschen de bulten en op zij daarvan, vormt de bagage een klein platform, en daar zit ik, als in een leuningstoel, een been rechts en het andere links van den voorsten bult. Zoo kan ik gemakkelijk het land overzien en met behulp van het kompas alles wat ik zie, op een kaart aanteekenen: kleine gebergten, zandbanken of kloven, want dat is het doel mijner reis. Al deze kameelen zijn geoefende telgangers. Zij tillen de beide rechter- of de beide linkerbeenen gelijktijdig op en krijgen daardoor een wiegenden gang, zoodat men wiegelt evenals in een boot op een bewogen meer. Velen worden zeeziek als zij een ganschen dag omhoog tusschen de bulten hebben gezeten.

Mijn kameel en ik waren spoedig de beste vrienden en ik ben even tevreden over hem als hij over mij. Als hij stilstond zou ik een ladder moeten hebben om hem te beklimmen, daarom moet hij gaan liggen, als ik in den zadel wil komen. Hij staat echter dikwijls snel op als een springveer, eerst met de achterbeenen, en daarna met de voorbeenen, als ik dan niet oppas, maak ik een buiteling. Dikwijls draait hij gedurende den marsch zijn ruigen kop om en legt hem op mijn schoot. Dan krab ik op zijn voorhoofd, strijk met de hand over zijn oogen en klop hem op den neus. ’s Morgens verschijnt hij voor mijn tent. Met zijn neus schuift hij het gordijn terzijde en steekt met zijn ruigen kop zoover de kleine tent binnen, dat ze bijna geheel is gevuld. Dan leg ik mijn arm om zijn kop, streel dien en geef hem een stuk brood. Dan stralen zijn lichtbruine oogen van vreugde en gaat hij weer terug naar de grasvlakte. Het kan dan ook niet anders of men moet goede vrienden worden met een dier, waarop men maanden lang dagelijks tien uur rijdt. Het geluid der klokken klinkt voortdurend in mijn ooren op de maat der schreden van de kameelen. De stappen zijn lang en langzaam en meer dan 30 kilometer legt een karavaan zelden per dag af.

Onze weg gaat naar het Zuid-Oosten. Wij hebben reeds lang de streken aan den voet van het Elboersgebergte achter ons, waar de door rivieren gevoede kanalen nog heerlijke tuinen en vruchtbare akkers te voorschijn tooveren. De dorpen liggen steeds verder van elkaar verwijderd, en slechts langs de kanalen glanst het land nog groen; zoodra wij buiten zijn, omgeeft ons niets dan grauw-gele woestenij, met hier en daar verdroogde bosjes gras der steppen. Steeds zeldzamer komen onze troepen ezels tegen met struikgewas uit de steppe, dat als brandhout verkocht moet worden. Zij zijn erbarmelijk klein en onder hun lasten bijna niet te zien. Hun neusgaten heeft men, wreed genoeg, open gesneden opdat zij gemakkelijker ademhalen en daardoor grooter marschen kunnen maken! Hun lange ooren zwiepen heen en weder en de onderlip hangt als een zak neer. De arme dieren zien er slaperig en treurig uit, en zij zijn zoo eigenzinnig, dat zij nooit uitwijken.

Bij het laatste dorp aan den rand der woestijn, houden wij ons eenige dagen op, om ons op de gevaren voor te bereiden, die ons wachten.

De oudste van het dorp bezit tien kameelen, die hij ons graag enkele dagen wil verhuren, zij zullen ons met water in lederen zakken en hooi proviandeeren en ons op den rechten weg brengen. Onze eigen kameelen zijn reeds overvloedig belast.

Nu is geen spoor van leven meer rondom te bekennen. Eenige kleine bergmassa’s verheffen zich als eilanden; maar daarachter is de horizon van de woestijn zoo glad als die der zee. De Perzische woestijn heeft maar weinig oasen, waarin de karavanen water en levensmiddelen kunnen krijgen. Maar de woestijnstreek in het Noorden, Kewir genaamd, bevat geen enkele oase, daar groeit geen grashalm, daar kruipt niet eens een spin. Want de grond van Kewir is zout, en als het ’s winters regent dan wordt de zouthoudende leem zoo glad als ijs. En dat is juist het doel mijner reis, want dat deel is bijna nog niet onderzocht.