Van pool tot pool

Part 5

Chapter 53,909 wordsPublic domain

Het was een vroolijke cavalcade, die destijds in November 1905 ratelend en knarsend langs den Turkschen en Perzischen heirweg reed. Had gij, waarde lezer,—destijds op dien weg gewandeld, dan zoudt gij zeker met verbaasde oogen zijn blijven staan en hebben gedacht: Dat is een kluchtig gezelschap!

Ze moeten zeker nog een verre reis voor zich hebben.

De stadhouders van Trebisonde en Erzeroem waren zoo vriendelijk geweest, mij zes bewapende ruiters op vurige paarden als wacht mede te geven. Voorop reed een Turksch soldaat op een appelschimmel; de karabijn hangt aan een riem over zijn rug, aan zijn zijde bengelt de sabel en op zijn hoofd heeft hij een rooden Fez, die met het oog op zon en wind nog met een witten doek is omwonden. Daarop volgt mijn met drie paarden bespannen wagen. De oude Schakir, de koetsier, is reeds met mij bevriend; hij kookt het eten voor mij en wekt mij. Ik zelf ben in een Kaukasischen mantel en den om de ooren geslagen baschlik gewikkeld en bekijk, gemakkelijk in den wagen gezeten het heele land om mij heen. Achter mij rijden twee soldaten in levendig gesprek, op bruine paarden; zeker twisten zij er over of zij een goed drinkgeld zullen krijgen. Daarop volgen twee zware wagens met mijn geheele bagage, die weer hun eigen koetsier en knechts hebben, en ten slotte de overige drie ruiters.

Zoo ging het onder het eeuwig geratel der raderen en het dof getrappel der paarden dagelijks dieper Azië in. Weldra is de blauwe horizon der Zwarte Zee, achter de korte en steile kronkelingen van een bergpas verdwenen, en de weg slingert zich even rijk aan bochten naar een dal omlaag. Steeds berg op en berg af, totdat wij op het plateau van Armenië zijn aangekomen.

Daar wordt alles anders. Gedurende de eerste dagreizen van de kust omringde ons nog een heerlijk, voortdurend afwisselend landschap, nu eens bosschen van naaldboomen, dan wouden van ruischend loofhout met geel geworden bladeren en in diepe afgronden schuimende, blauwgroene rivieren. Reeksen vriendelijke dorpen en eenzame hoeven vertoonden zich en de Turken zaten rustig in hun winkels en koffiehuizen. Karavanen met paarden, ezels en ossen, brachten hooi, vruchten en baksteenen van het eene dorp naar het andere. Overdag was het aangenaam warm, de nachten waren zacht. Hierboven op het plateau liggen de dorpen ver van elkander verwijderd en de huizen zijn lage hutten van steen of in de zon gedroogd leem. De Turksche bevolking is vermengd met Armeniërs, het verkeer wordt minder en de weg wordt slechter. De lucht is koel en ’s nachts hebben wij verscheiden graden vorst.

Voorbij Erzeroem, waar zich de kerken der christelijke Armeniërs naast de moskeeën der Turken verheffen, rijd ik als op een plat dak, dat naar drie kanten een weinig helt en aan elke zijde een dakgoot heeft, die elk in haar eigen regenwaterton uitloopt. Deze tonnen zijn dan ook groot genoeg, al heeft het nog zoo hevig geregend op het steenachtige dak, dat zich tusschen Kaukasië, Klein-Azië en Mesopotamië verheft, want zij zijn de Zwarte zee, de Kaspische zee, en de Perzische golf, en de dakgoten zijn natuurlijke rivieren, van welke de grootste de Euphraat heet. Is het niet grootsch, dat elk haar eigen ton heeft?

Ondertusschen is de weg zeer slecht geworden. In den herfst heeft het geregend, en nu met het vriezende weer, is de modder van den weg met de diepe sporen steenhard. Mijn wagen stoot en schudt mij heen en weer en als wij in het dorp aankomen waar wij moeten overnachten, ben ik als geradbraakt. Schakir zet theewater op en kookt eieren voor mij, en na het avondeten wikkel ik mij in mijn mantel en slaap in.

Het is nog stikdonker, als Schakir mij weer wekt en even donker, als ik bij het schijnsel van de lantaarn in den wagen stap. Het gaat steeds verder. Er klinken vreemde geluiden over de vlakte. Het geluid wordt sterker en komt nader en zwarte schaduwen trekken met onhoorbare schreden mij voorbij. De schimmen zijn kameelen die tapijten, katoen en vruchten uit Perzië dragen. Het zijn er meer dan driehonderd en het duurt geruimen tijd voordat de weg weer vrij komt. En al dien tijd klinkt, nu eens dof en plechtig, dan weer helder en vroolijk, het spel der klokjes. Zoo heeft het sedert vele duizenden jaren op karavaanwegen geklonken. Het is daarmede als met het ruischen der golven van den Euphraat en den Tigris. Machtige rijken hebben aan hun oevers gebloeid en gingen onder, geheele volken zijn uitgestorven, en van Babylon en Ninevé zijn slechts de puinhoopen nog over. Maar het ruischen der beide rivieren bleef hetzelfde. Ook de klokjes der karavanen klinken nog precies eender als in de dagen, toen Alexander de Groote het Macedonische leger over den Euphraat en de Tigris voerde, of voor 620 jaren, de koopman van Venetië, Marco Polo, denzelfden weg tusschen Trebisonde en Tebris aflegde. Op de geluidgolven der klokjes komt de oudheid terug; zij herinneren aan krijgstochten en handel, aan huwelijken en begrafenissen, aan vlammend legervuur en grijze, door het maanlicht overstroomde karavansera’s en men denkt aan de stille woestijnen daarachter in het Oosten, het tehuis der jakhalzen en hyena’s. De klokjes leveren de muziek voor een oneindigen doodendans. Alles is ijdel, alles verwaait met den wind. Slechts de klokken sterven nooit. Als de kameelen dood neervallen dan worden de klokken door nieuwe kameelen gedragen. De dooden worden voedsel voor de hyena’s, die ook weten wat het geluid te beteekenen heeft.

Maar zweeft daar niet een ochtend wolkje eenzaam over de grijze bergen? Gij vergist u zeer! Als de zon opgaat, ziet gij duidelijk, dat de witte driehoek een regelmatige kegel is, als het dak van een Armenische kerk. Het is de witte sneeuwtop van den Ararat, waarop de arke Noach’s bleef staan, toen de groote watermassa’s waren teruggevallen. Hij is 5156 meter hoog, vandaar de eeuwige sneeuw op zijn kruin.

Nu komen wij spoedig aan het gebied, waar Kurdische roovers het land onveilig maken. Op het Perzisch gebied dreigt geen gevaar, maar hier, ver in het Noord-Westen wonen Tartaren en de hoofdstad hunner provincie is Tebris, eens de voornaamste stapelplaats van den geheelen Noord-Perzischen handel met Europa. De bellen mijner paarden klinken zoo gezellig tusschen de grauwe leemen huizen en tuinmuren dezer groote stad en haar bazaren vormen een net van dwaalwegen. Wel is waar is nu slechts een vijfde overgebleven van het voormalig handelsverkeer, maar het leven in Tebris is nog even bont als destijds. Menige karavaanleider heeft bijna zijn geheele leven op dezen weg tusschen Tebris en Trebisonde doorgebracht, en zoo dikwijls hij den weg ook ging, aan de noordzijde daarvan den Ararat als een eeuwig voor anker liggend schip met geheschen zeil zien liggen. En hij weet, dat de Ararat een reusachtige grenspyramide is, die het punt aangeeft waar Rusland, Turkije en Perzië elkaar raken. Toen ik den laatsten keer op den weg van Trebisonde naar Teheran reed, legde ik de 1300 kilometer in één maand af en den 13den December 1905 trok ik Teheran binnen. Van hier tot Indië ligt nog een weg van 2400 kilometer en die weg gaat bijna geheel door woestijnen, die slechts door kameelen kunnen worden doorgetrokken. Ik kocht daarom veertien prachtige kameelen en nam zes Perzen en een Tartaar in mijn dienst. De uitrusting van een karavaan, die niet het spoor der andere volgen, maar haar eigen weg gaan wil, kost tijd en geduld en terwijl nu mijn bedienden proviand en andere noodwendige zaken koopen, pakken en opladen, kan ik den tijd niet beter gebruiken, dan met te verhalen hoe het jaren geleden op mijn eerste reis naar Teheran, toeging. Zet u daarom in de schaduw der platanen en luistert naar mij.

14. MIJN EERSTE REIS NAAR BAKOE.

Den 15den Augustus 1885 was ik met de stoomboot naar Petersburg gegaan. Hier stapt men in den spoortrein, die Zuid-Oostwaarts over Moskou gaat en volle vier dagen zit men rustig in zijn coupé en laat de oogen gaan over de eindelooze Russische steppen. Uren en uren rolt de trein voort, hij rookt uit den schoorsteen, hij hijgt en steunt over al de zware wagens, die zijn locomotief moet trekken. Schril gefluit doorsnijdt de lucht, als men een station nadert en de klok luidt even schel een- twee- driemaal als de wagens weer naar het vlakke land wegglijden. In suizende vaart snellen wij langs ontelbare dorpen, in welker midden gewoonlijk een witgepleisterde kerk haar peervormigen met groen bedekten toren omhoog steekt. Landgoederen en wegen, rivieren en beken, vruchtbare akkers en hooimijten, windmolens met draaiende wieken, karren en wandelaars, alles verdwijnt achter ons en viermaal hullen schemering en nacht het geweldige Rusland in hun donkeren sluier.

Eindelijk verrijzen de hemelhooge bergen van den Kaukasus als een lichtblauwe muur voor onze oogen. De geheele bergketen zweeft nog bijna in de lucht; het is haast niet te gelooven, dat men reeds den volgenden dag zal rijden door zijn dalen en over de hoogten, wier toppen zich tot over de 5000 Meter verheffen! De afstand is nog groot, maar midden in het blauw glanst reeds de zilverwitte kegel van den Kasbek, een der hoogste toppen van den Kaukasus.

Eindelijk zijn wij aan het eindstation van den spoorweg gekomen. De weg over het hooggebergte is 200 kilometer lang. Mijn reisgezelschap huurt een rijtuig en op elk poststation worden de paarden verwisseld. Ik, de nieuwe huisonderwijzer, moet op den bok zitten. In snelle vaart gaat het vooruit, de paarden raken bijna met den buik den grond, zoo strekken zij de pooten uit, en bij de bochten in den weg is het zaak, zich vast te houden om niet van zijn plaats in den afgrond te worden geslingerd. Welk een genot voor mij! Ik was voor het eerst van mijn leven in den vreemde!

Onophoudelijk ontmoeten ons landlieden met ezels, of herders met kudden schapen en geiten. Ginds komen Kaukasische ruiters in zwarte schapenvellen, tot aan de tanden gewapend; hier weer een postkoets, volgepropt met reizigers; daar weer een hooiwagen, getrokken door ossen of grijze buffels.

Hoe hooger wij komen, des te schooner en woester wordt net landschap. Dikwijls is de weg in den loodrechten rotswand uitgehouwen; dan hangen zware rotsmassa’s als een gewelfd dak boven ons. Op gevaarlijke, steile hellingen, waar in het voorjaar lawinen den weg bedreigen, loopt hij door een gemetselden tunnel, waarover de lawine heenspringt, als zij met duizelingwekkende snelheid van den berg stort.

Nu is het hoogste punt van den weg bereikt en hals over kop gaat het weer omlaag, Na een rit van acht en twintig uur zijn wij in Tiflis, de grootste stad van Kaukasië en een der merkwaardigste steden, welke ik ooit heb gezien. Als aan elkaar geplakte zwaluwnesten hangen de huizen tegen den steilen oever van de Kurarivier, en op de nauwe, vuile straten wemelt een bonte mengeling der vijftig verschillende volksstammen, die Kaukasië bewonen.

Was de weg over het gebergte van zeldzame schoonheid, men kan zich ternauwernood een kaler land denken, dan de vlakte, die wij nu weer met den spoortrein tusschen Tiflis en Bakoe doortrekken: eindelooze, uitgestrekte steppen en woestenijen, verlaten en grauw-geel; heel zelden vertoont zich slechts een langzaam voortgaande troep kameelen. Toen wij de zee naderden, verhief zich een hevige storm. Het stof dwarrelde in wolken omhoog en drong door alle reten in den coupé, de lucht was dik, zwaar en stikkend heet, buiten zag men niets dan een grijzen ondoordringbaren nevel. En het ergste van alles: de storm kwam van terzijde en eindelijk was de locomotief niet meer in staat de wagens vooruit te krijgen. Tweemaal moesten wij ophouden en bij een stijging der baan rolde de trein zelfs een eind terug. Ondanks alles bereikten wij eindelijk de kust van de Kaspische Zee, wier heldergroene golven zich huizenhoog verhieven en tegen het strand donderden, en het was avond toen wij in Bakoe aankwamen. Vijftien kilometer verder ligt Balakhani, dat gedurende zeven maanden mijn vrijwillig verbanningsoord zou zijn.

Want hier zou ik een jongen onderricht geven, die dezelfde school had bezocht, als waar ik eenige weken geleden mijn eindexamen had afgelegd. Ik kreeg vrij kost en inwoning en zeshonderd kronen salaris! Wij studeerden dapper, vochten veel, luierden echter nog meer. Wat kon men ook van een leerling verlangen, als de onderwijzer liever te paard de dorpen der Tartaren in het rond bezocht dan de lessen van den leerling te overhooren? Kortom, het was een proeftijd voor ons beiden en wij beschouwden elkaar ook als metgezellen in het ongeluk. Mijn gedachten waren heel ergens anders dan bij de Zweedsche geschiedenis, Fransche werkwoorden enz., en toch—bij zijn terugkeer in Stockholm legde mijn leerling met glans zijn examen af! Het hoofd der school moet een zeer toegevend heer zijn geweest!

Ik herinner mij dien tijd nog zoo precies, alsof het gisteren was. Hopeloos martelde ik mij met de Russische grammatica, maar ik maakte groote vorderingen in het Perzisch en leerde zonder eenige moeite Tartaarsch spreken. Ondertusschen peinsde ik over een groote reis naar Perzië. Waar het geld vandaan moest komen, was wel is waar een raadsel voor mij, want ik bezat slechts weinig vermogen. Maar ik moest door Perzië trekken, al moest ik mij als daglooner verhuren en de ezels van anderen over de landwegen drijven; dat wist ik.

Het klimaat in Bakoe en Balakhani is niet van het beste, de zomer is gloeiend heet, de winter bitter koud. De Noordenwinden strijken van de zee over de kusten en rheumatische ziekten komen vaak voor. Ik kreeg ook een flinken aanval van gewrichtsrheumatiek, welke mij een maand aan het bed kluisterde. Ik was zoo ziek, dat mijn moeder mij reeds wilde nareizen. Mijn knieën zwollen op en deden ontzettend pijn. Dag en nacht waakte een dokter aan mijn bed en deed alles, wat mijn pijnen maar kon verzachten. Deze dokter was een oude Poolsche Jood. In mijn koortsige droomen zag ik hem in de kamer rondgaan, stil en zwijgend, armoedig gekleed, een beeld van trouw en gehechtheid. En toen zijn taak vervuld was, weigerde hij een schadeloosstelling voor de moeite aan te nemen! Ik moest het geld liever aan de armen geven, zeide hij. Nu nog staat de oude duidelijk voor mij met zijn gerimpeld gelaat, zijn grooten, krommen neus, en de lange, als kurketrekkers neerhangende lokken bij de ooren; ik zie zijn lange jas nog, die eens zwart was geweest, maar nu aan de naden groen was en vol gaten van motten. Ik geloof, dat hij nu gestorven is, mijn oude Jood, maar hij behoort tot hen, die ik nooit zal vergeten!

15. HET NOBELWERK IN BALAKHANI.

Wie heeft niet reeds van de Nobelprijzen gehoord, die jaarlijks aan uitnemende vertegenwoordigers van wetenschap, kunst en litteratuur worden uitgereikt? Zij dragen hun naam naar den uitvinder van het dynamiet, Alfred Nobel, die geheel zijn groot vermogen aan de wetenschap schonk en door deze edele daad voor zich en zijn Zweedsch vaderland een eervol gedenkteeken heeft opgericht. Alfred Nobel had twee broeders Lodewijk en Robert. Robert bezocht op een reis door Bakoe de merkwaardige plaats bij Balakhani, waar de naphta, waaruit de petroleum gemaakt wordt, in groote natuurlijke bassins in het inwendige der aarde wordt gevonden, en waar destijds Russen, Armeniërs en Tartaren de kostbare olie met ontoereikende hulpmiddelen zochten te bergen. In het jaar 1874 kochten de broeders groote uitgestrektheden land bij Balakhani en begonnen nu op moderne wijze met het boren naar naphta.

De inboorlingen bemerkten spoedig met welke gevaarlijke mededingers zij te doen hadden. De lange pijpleidingen, door welke de naphta naar de „zwarte stad” werd gepompt, werden opengebroken, en diefstallen, brandstichtingen en moord moesten de vreemdelingen uit het land verjagen! Maar de dappere Zweden lieten zich niet afschrikken, zij verdubbelden slechts hun werk- en waakzaamheid. Door middel van speciaal daarvoor aangelegde spoorbanen, stoombooten en karavanen van kameelen werd de gezuiverde olie over de geheele wereld verzonden, en de naphtabronnen der gebroeders Nobel verspreidden nieuw licht over West-Azië en Europa.

Om de diep gelegen bassins te bereiken, waarin de naphta tusschen de aardlagen gevonden wordt, bouwt men een 15–20 Meter hoogen houten toren. Daarin hangt een reusachtige beitel, die door een stoommachine onophoudelijk op en neer wordt bewogen, daardoor werkt de beitel zich steeds dieper in den grond. Daarna wordt in het ontstane brongat een ijzeren pijp van nauwelijks een meter doorsnede geperst; kan deze niet verder dringen, dan wordt het boren met een kleineren beitel voortgezet en een nauwere buis door de eerste naar beneden gedrukt. Zoo gaat het steeds dieper, totdat de naphta-laag bereikt is.

Dikwijls wordt de naphta ook door den druk der gassen in het binnenste der aarde, vanzelf door de bronpijpen omhoog geperst en op onze wandelingen in Balakhani plachten wij menigmaal deze merkwaardige „waterkunsten” gade te slaan. Met geweldig geraas dringt een dikke, groenachtig-bruine straal uit de aarde door den boortoren de lucht in; men ziet de wel 60 meter hooge fontein reeds van verre. De afvloeiende olie wordt in vijvers, die in het rond zijn gegraven, opgevangen. Bij sterken wind verstuift de straal en een fijne, donkere motregen daalt als een sluier op de aarde. In Balakhani kan men nauwelijks buiten een deur komen, zonder de kleeren met olie te bemorsen en reeds op twee mijlen afstand ruikt het naar petroleum. Er groeit geen grashalm in deze streek, niets dan een woud van boortorens.

In het jaar 1910 bedroeg het aantal 4094, van welke er 2600 in werking waren. Zij leverden in het vorige jaar 8 milliarden kilogram ruwe naphta en een zevende deel daarvan kwam uit de Nobel-boorgaten, van welke eenige in 24 uur meer dan 300000 kilogram naar boven pompen of 20 millioen kilogram leveren, als de olie van zelf uit de aarde springt. Het diepste van de Nobelboorgaten gaat 860 meter in de aarde. De waarde der naphta bedraagt op de plaats zelf op dit oogenblik ongeveer 1½ cent per kilogram. In Bakoe bestaan 176 maatschappijen op aandeelen; de Nobel-maatschappij is de grootste en bepaalt de prijzen.

Een beambte der Nobelmaatschappij liet zich eens in zulk een boorgat zakken, voordat de pijpen er in neergelaten waren; hij wilde de doorboorde aardlagen van nabij bekijken en bevestigde daartoe een veiligheidslamp ter hoogte van zijn borst. De ruimte was zoo eng, dat hij de armen loodrecht boven het hoofd moest houden, en aan het touw, waaraan hij naar beneden gelaten werd, moest laten vastbinden. Toen hij het signaal tot ophijschen gaf en weer aan de oppervlakte kwam, was hij bijna bewusteloos door de ingeademde gassen. Zulk een uitstapje in het binnenste der aarde vereischt moed; hoe licht had het gat door afglijdende aardmassa’s verstopt kunnen worden!

Het was in Februari 1886, dat wij op een avond voor ons huis het akelig geroep „brand, brand!” hoorden. De enkele gedachte aan brand veroorzaakt in deze met petroleum doortrokken streek, reeds schrik. Wij snelden naar buiten. Een tooverachtig wit licht verhelderde de gansche omgeving en de boortorens stonden als zwarte spoken op den achtergrond. Hoe meer wij naderden, des te warmer werd het; verblindend witte vlammen kronkelden zich onregelmatig in de lucht, en zwarte rookwolken welfden zich boven ons. Een boortoren stond in brand, en daarnaast brandde een klein meer van naphta. Een Tartaar, die een instrument had willen halen, had zijn lantaarn laten vallen, en was er ternauwernood levend afgekomen, want de met olie gedrenkte toren vatte dadelijk vuur.

Elke poging, om zulk een brand te blusschen is hopeloos. Wel was de brandweer van Nobel gekomen, en werkten alle spuiten; maar de waterstralen veranderden reeds in damp, voordat zij den brandenden spiegel van het naphta-meer bereikten. De voornaamste taak is, het vuur tot een bepaalden omvang te beperken, en dan laat men het branden en zieden, totdat er op de brandende plaats geen droppel naphta meer over is.

16. DWARS DOOR PERZIË.

Uit Bakoe begon ik werkelijk, na het eindigen van mijn taak als huisonderwijzer, den 6den April 1886, mijn eerste reis door Perzië. Ik had een reisgenoot, den jongen Tartaar Baki Khanoff, ongeveer 700 mark reisgeld, twee stel ondergoed en twee costuums om te verwisselen, een warm buis en een wollen deken. Wat ik niet aanhad was in een Tartaarsche reistasch gepakt, en in een kleine lederen tasch, die ik omhing, had ik een revolver, een schetsboek, een notitieboek en twee Perzische landkaarten. Baki Khanoff was uitgerust met een grooten mantel, een met zilver beslagen geweer en een dolk. Ons geld hadden wij, ieder de helft in onzen gordel genaaid, dien wij om het middel droegen. Voor een reis, die heen en terug door Perzië 3000 kilometer bedroeg, was onze uitrusting dus zeer slecht; maar ik dacht: het zal wel gaan!

Een hevige storm dwong ons twee nachten en een dag aan boord op de Kaspische Zee te wachten, voordat het schip ons naar de Perzische kust kon brengen. Zoodra wij aan land kwamen, omringde ons een zwerm Perzen, die allen luid en levendig de voortreffelijkheid van hun paarden aanprezen. Na een vluchtig onderzoek vestigden wij onze keus op twee kleine, goed gevoede paarden, bonden onze bagage achter aan het zadel vast, en reden weldra, vergezeld door den eigenaar der paarden, door donkere bosschen en geurige olijvenboschjes, omlaag naar het Elboersgebergte.

Op zekeren nacht sliepen wij op de hoogte in een dorpje, Karoan genaamd. Toen wij den volgenden morgen opbraken, sneeuwde het zoo hevig en had het den geheelen nacht zoo gesneeuwd, dat land en wegen onder hooge hoopen opgewaaide sneeuw verborgen lagen. Zoover onze omstandigheden het toelieten, kleedden wij ons warm aan en reden verder. Geruischloos viel de sneeuw in groote zwevende vlokken, beneden in het dal smolt ze op onze kleeren; naar boven, op de winderige hoogten, bevroor ze weer, en spoedig waren wij aan de windzijde met dik ijs gepantserd. Eindelijk zaten wij op den zadel bepaald vastgevroren, de handen werden gevoelloos, de teugels bleven op den hals van het paard liggen en de oogen deden pijn van de sneeuwjacht. Toen ik zoo stijf werd dat het gevoel uit mijn armen en beenen was geweken, gleed ik uit het zadel en draafde te voet verder, de staart van het paard mocht ik echter niet loslaten, uit vrees in de verblindende sneeuwjacht te verdwalen. Lang ging dit zoo niet, wij besloten daarom in het eerste dorp, dat wij zouden ontmoeten, onzen intrek te nemen. Weldra doken eenige armelijke hutten voor ons op. Voor een er van bonden wij onze paarden vast, klopten de sneeuw van ons af en traden een donker, laag vertrek met leemen vloer binnen. Gelijk met ons waren nog eenige reizigers aangekomen en nu vormden wij rondom een groot vuur een dichten kring. Het was hier wanhopend nauw en vochtig en het wemelde van ongedierte, maar het was toch heerlijk, zich weer bij een vuur te kunnen drogen en warmen en toen Baki Khanoff thee en eieren had gekookt, en brood en zout machtig was geworden, werd het werkelijk gezellig. Wij waren met ons zevenen: vier Tartaren, twee Perzen en een Zweed, en deze mannen moesten zich gedurende den nacht in de nauwe ruimte, zoo goed het ging, bergen. Toen het vuur was uitgegaan, maakte de verstikkende hitte voor een vochtige koude plaats. Maar als men een en twintig jaar is, trekt men zich van zoo iets niets aan.

Gezond en opgewekt kwamen wij eindelijk in Teheran, de hoofdstad van Perzië. Hier was het reeds warm als in het voorjaar. Ik woonde eenige dagen als gast bij een landgenoot, een zekeren dr. Hybennet. Toen ik echter verder naar het Zuiden wilde, moest ik alleen reizen, want Baki Khanoff had koorts gekregen en keerde naar Bakoe terug.