Part 4
De vloer is met rieten matten bedekt; wie binnen treedt moet de schoenen uittrekken en gezicht, handen en armen wasschen. Witte en groene tulbanden en roode fezzen met zwarte kwasten ziet men door elkaar. Alle vromen keeren het gelaat naar Mekka. Op eens heffen zij de handen tot de hoogte van hun gezicht, de handpalmen naar voren gekeerd, en de duimen tegen den oorlel. Dan buigen zij het bovenlijf voorover en steunen de handen op de knieën. Ten laatste vallen zij op de knieën en raken den vloer met het voorhoofd aan.
„Het gebed is de sleutel tot het Paradijs,” zegt de koran, en elk deel van het gebed eischt een aparte houding van het lichaam.
Op den kansel staat een priester. Zijn heldere, zingende stem verbreekt de plechtige stilte. Het laatste woord sterft weg op zijn lippen, maar het weergalmt nog lang in het schemerachtige gewelf van den koepel, en zweeft als een onrustige geest tusschen de beelden der cherubijnen.
De Turken voelen zich echter niet meer op hun gemak in dit, hun heiligdom. Het uur der afrekening zal ook eens komen voor de veroveraars van de Aya Sofia en steeds meer inwoners van Stamboel laten zich begraven op de begraafplaatsen voor den stadsmuur en brengen hun dooden naar Skoetari, om hen in de schaduw der Aziatische cypressen te laten rusten. En de Grieken gelooven nog steeds, dat op den dag, waarop de Aya Sofia weer in handen der christenen terugkeert, de muur, boven op de galerij, zich zal openen, en de bisschop met den kelk in de hand weer tevoorschijn zal komen. Kalm en waardig daalt hij de trap af, doorloopt de kerk, gaat voor het hoogaltaar staan, en leest de mis verder, precies op de plaats, waar hij vier honderd en vijftig jaar te voren door de Turken werd onderbroken!
10. VROUWE FATIME OP DEN BAZAAR.
Fatima Hanun speelde als kind in een der nauwe straten van Stamboel. Toen zij tot jonkvrouw was opgegroeid, verloofden haar ouders haar met Emin Effendi, den zoon van een aanzienlijken pascha. Zij kende hem ternauwernood; maar hij was rijk en ging door voor een goede partij. Zijn huis ligt aan een der groote straten in Skoetari, en bestaat uit twee, streng van elkander gescheiden deelen. In het eene heeft de man zijn vertrekken, in het andere wonen de vrouwen. Want Fatime is niet zijn eenige vrouw, maar de vierde en allen worden streng bewaakt door slavinnen en slaven.
Daarom gevoelde Fatime zich vanaf het eerste oogenblik ongelukkig met haar man, wiens liefde haar niet alleen behoorde, en met de drie andere vrouwen, die dezelfde rechten hadden als zij, was niet in vrede te leven. Daardoor is haar leven zonder inhoud en vervelend geworden en haar dagen gaan voorbij in ledigheid. Urenlang kan zij achter het traliewerk van het hoekvenster boven de straat staan en op het gewoel beneden neerzien. Is zij het kijken moede, dan gaat zij weer terug naar haar niet zeer groote kamer. In het midden ervan klatert een kleine fontein en langs de wanden staan divans. Ontstemd legt zij zich neder en roept een slavin, die een tafel brengt, welke bijna zoo klein is als een voetenbank. Fatime rolt een cigarette, steekt ze aan, en volgt met slaperige oogen de blauwe rookkringetjes op hun weg naar de zoldering der kamer. Weer roept zij een slavin. Er wordt een schaal met zoetigheden gebracht, zij geeuwt, eet een stukje van de confituren en rekt zich uit op het zachte kussen. Daarna drinkt zij een glas limonade en gaat naar een met leer overtrokken kast, waarvan zij het slot opent.
Hier liggen haar sieraden, gouden armbanden, parelen, kettingen, turkooizen, oorringen en bonte zijden doeken. Zij slaat een ketting om haar hals, siert haar vingers met ringen, en bindt een dunnen, zijden sluier om haar hoofd. Daarna gaat zij voor den spiegel staan en bewondert haar eigen schoonheid, want zij is werkelijk schoon! Haar huid is zacht en wit, haar oogen zwart, en het haar valt in donkere golven langs haar schouders neer. Maar met de kleur van haar lippen is zij niet tevreden. De slavin brengt een kleine porceleinen doos en met een penseel verft Fatime zich de lippen rooder dan koralen, die de kooplieden uit Indië in den bazaar verkoopen. De wenkbrauwen zijn haar ook niet zwart genoeg, zij bestrijkt ze met Oost-Indischen inkt. De slavin verzekert haar, dat zij betooverend is en schooner dan de drie andere vrouwen, maar daarom vindt Fatime het des te vreemder, dat Emin Effendi haar zoo lang alleen laat.
Als zij het bekijken harer eigen trekken in den spiegel moede is, bergt zij de sieraden weer zorgvuldig op. Van haar kamer voert een trap naar den tuin en hier wandelt zij een poos rond tusschen klaterende fonteinen, en verheugt zich over rozen- en jasmijngeur, en over het groote koor der zangvogels, met wie zij blijft staan praten. Daar verschijnt een der andere vrouwen in den tuin van den harem en roept haar toe: „Je bent zoo leelijk als een zeekat, Fatime! Je bent oud en gerimpeld en je oogen hebben roode randen! In geheel Stamboel wil niemand je aanzien!” Fatima antwoordde: „Indien Emin Effendi je niet moede was, oude, wormstekige papegaai, dan zou hij mij niet in zijn harem hebben gebracht!” En daarmede snelt zij terug naar haar kamer, om daar den spiegel te ondervragen of haar oogen misschien toch roode randen hebben.
Om haar ergernis te vergeten, besluit zij naar den grooten bazaar in Stamboel te rijden. De slavin slaat haar een wijd overkleed om, in welks plooien de witte handen met de geel-beschilderde nagels verdwijnen. Zij glipt in de pantoffelvormige schoenen, die van voren in een hoog omgebogen punt uitloopen en doet den sluier om, het gewichtigste kleedingstuk. Het bovenste deel ervan omhuld kruin en voorhoofd tot aan de wenkbrauwen, het onderste kin, mond en een deel van den neus. Een Turksche vrouw mag geen anderen man dan haar echtgenoot het gelaat toonen. Wel overtreden in den laatsten tijd velen dit gebod, maar Fatime doet nog niet mede aan dit misbruik. Zij laat slechts haar oogen zien, doch haar blik is voldoende, om de mannen op straat te laten zien, dat zij schoon is. Maar niemand is zoo vermetel haar gade te slaan, of toe te spreken; slechts als zij Europeanen ontmoet, keert zij zich af.
De slavin is thuis gebleven. Aan de kade liggen de kaiks, de lange roeibooten, en hier blijft Fatime staan. De roeiers omringen haar en schreeuwen door elkaar, ieder prijst met woorden en gebaren de voordeelen van zijn boot. Nadat zij haar keus heeft gedaan, stapt zij in en laat zich neer op de kussens. De kaik is zoo smal en fijn als een kano, wit geverfd, glimmend gevernist, en met een gouden rand langs de verschansing. Twee sterke mannen leggen ieder een roeispaan in, en vlug als een aal schiet de kaik over het blauwe, heldere water van de Bosporus.
Op het midden van het water werpt Fatime een blik op de zee van Marmara. Zij verlangt naar een kort uur van vrijheid en beveelt den roeiers een anderen koers te nemen. De wind is frisch, zij halen de roeispanen in en hijschen de zeilen, en met suizende snelheid glijdt de boot zuidwaarts. Hoe gemakkelijk vergeet men hier buiten op de zee van Marmara den tijd en al zijn zorgen! Men strekt zich gemakkelijk uit, sluit bijna de oogen en verzinkt in een halve sluimering. Maar toch ziet men alles: de hooggewelfde, groene Prinseneilanden, de uitgestrekte watervlakten, de masten, meeuwen en witte zeilen, en hoort het eentonig ruischen tegen de wanden van den kaik.
Maar Fatime is luimig; spoedig heeft zij ook genoeg van den boottocht en geeft bevel naar de naaste kade te sturen. Daar geeft zij ieder der bootslieden een zilverstuk, hetwelk zij aannemen zonder er voor te danken of ten afscheid te groeten. Daarna spoedt zij zich naar den grooten bazaar en gaat uit het warme zonlicht der straten de koele schaduwen en schemering in.
Want de bazaars gelijken op tunnels, overdekte straten en sloppen met gewelfde daken, en door de openingen der gewelfde koepels dringt het daglicht slechts schaarsch door. Maar in den zomer merkt men hier de hitte niet op, en op regendagen gaat men hier droogvoets. Men gewent zich spoedig aan de schemering, maar men vindt moeilijk den weg, als men niet in Stamboel is geboren of dit labyrinth reeds dikwijls is doorgegaan. De gangen zijn tamelijk smal, maar toch breed genoeg om rijtuigen en vrachtwagens door te laten.
De bazaar is op zichzelf een onderaardsche stad, de stad der kooplieden en handwerkslieden. Aan beide zijden der straten is een eindelooze reeks kleine open winkels, waarvan de vloer iets hooger ligt dan de straat en tegelijk voor toonbank en uitstalling der waren dient. Elk handwerk en elke waar heeft zijn eigen straat. In de straat van den schoenmaker is allerlei schoenwerk tentoongesteld, voornamelijk pantoffels van rood en geel leder, geborduurd en met gouddraad bezet, voor mannen, vrouwen en kinderen, voor rijken en armen. Men kan lang loopen, zonder iets anders te zien dan pantoffels en schoenwerk, zoodat men blij is als het rijk der pantoffels eindelijk een einde neemt, en de straat der rijke kooplieden zich opent, die brocaatstoffen in goud, zilver en zijde verkoopen. Hier is het beter niet veel geld bij zich te hebben, want hier liggen Perzische tapijten, geborduurde zijden doeken uit Indië, kaschmir-sjaals en het prachtigste wat Zuid-Azië en Noord-Afrika kan aanbieden. Arme Fatime! Haar man is zeker rijk, maar hij heeft geen lust haar zijn geld in den bazaar te laten verspillen. Met weemoedigen blik beziet zij turkooizen uit Nischapoer, robijnen uit Badachshan en parelen van de kusten van Bahrein. Zij heeft toch reeds een bloedkoralen collier uit de zeeën van Indië—waarom kan zij niet nalaten nog eenige sieraden te koopen.
Spoedig heeft zij de zilverstukken, die zij bij zich droeg, uitgegeven en zoekt nu snel een uitgang, die echter nog zeer ver is. Zij komt door de straat der metaalarbeiders en verdwaalt in de steeg der wapensmeden. Hier heerscht een oorverdoovend geraas van hamers en kloppers, want de winkels zijn tegelijkertijd werkplaatsen. Weer slaat Fatime een hoek om. Maar zij moet verdwaald zijn, hier kan zij niet verder. In deze gang worden waterpijpen en allerhande rookgerij verkocht, en nu richt zij zich naar een anderen kant. Reeds van verre zegt haar een doordringende geur, dat zij de straat der specerijen kooplieden nadert. Bijna bij elke schrede moet zij naar den weg vragen. Zij is ook nog te jong, over eenige jaren zal zij hier wel beter den weg kennen.
Niet alleen in Konstantinopel en geheel Turkije, maar overal in de Mohammedaansche landen koopt en verkoopt men in zulke half donkere tunnelgangen, de bazaars, in Noord-Afrika en Arabië, in Klein-Azië en Perzië, in Indië en Turkestan. Overal waar zich minaretten boven de woningen van menschen verheffen en de gebedroeper zijn: „Er is geen God buiten God”, met zingende stem verkondigt, daar geschiedt de ruil tusschen handelswaren en klinkende munt in donkere bazaars. De groote bazaar van Stamboel is een der rijkste, maar ook waar de bazaars klein en onbeduidend zijn, heerscht hetzelfde leven en dezelfde bedrijvigheid.
Een gedrang van menschen uit alle naties woelt in het halfduister. De meesten zijn natuurlijk Turken, maar in geheele reeksen van winkels verkoopen slechts Perzen. Hier komen Hindoes uit Indië, Egyptenaren uit Kaïro, Arabieren van de kusten der Roode Zee, Tscherkessen en Tartaren uit den Kaukasus en de Krim, Saren uit Samarkand en Buchara, Armeniërs, Joden en Grieken samen, ja, het gebeurt niet zelden dat men een neger van Zanzibar of een Chinees uit het verre Oosten tegenkomt. Het is een bonte mengeling van verkoopers en koopers, makelaars en—dieven uit geheel het Oosten, en een gewoel en geraas, dat niet ophoudt, zoolang de dag duurt; een haast, een ijver en een jacht om zijn waar kwijt te raken en geld te verdienen, een stemmengebruis, nu en dan onderbroken door de bellen van de kameelen der karavanen, die nieuwe voorraden brengen aan de kooplieden. Wanneer zij in de schemering verdwenen zijn, dan volgt hun spoor een reeks muilezels. Met zeer luide stem biedt een man druiven en meloenen aan, die hij in een mand draagt; een tweede torst ze in een lederen waterzak. En boven al dit bont gewarrel het onbestemde licht; slechts nu en dan valt door een der lichtopeningen een bundel zonnestralen in deze onderaardsche stad; in de breede lichtstreepen warrelt dicht stof, met den rook der pijpen omhoog en binnen dezen licht- en luchtovervloed pakt zich de dampkring tot een dichten nevel samen. De uitwaseming van menschen en dieren, de lucht van bestoven waren, tabak, afval, sterke specerijen, frisch, sappig fruit—alles te zamen vormt een niet te beschrijven lucht, die eigen is aan alle bazaars van het Oosten. En vooral de zoogenaamde „luizenbazaar”, waar afgedragen kleeren, gebruikte uniformen zonder tressen en knoopen, gescheurde matrassen en bedden, bedorven huisraad en meubelen, verpande en gestolen zaken te koop worden geboden, draagt zijn naam met recht.
Aan den Noordelijken kant van den bazaar in Stamboel ligt bovendien een rij karavansera’s, geweldige steenen gebouwen met meerdere verdiepingen, galerijen, gangen en vertrekken, waarvan het midden steeds door een groote binnenplaats wordt gevormd. Hier hebben de groothandelaars hun pakkamers, en ten slotte vindt men in de onderaardsche straten koffie- en eethuizen, badhuizen en kleine moskeeën. Hier is voor alles gezorgd, en wie dus een dag in den bazaar wil doorbrengen, behoeft, voordat de nacht invalt, niet naar huis te gaan.
11. DE KERKHOVEN VAN STAMBOEL.
In het gewoel van den bazaar hebben wij vrouwe Fatime geheel uit het oog verloren. Nadat zij eindelijk weer buiten gekomen is, snelt zij naar huis, naar haar vervelende kamer in den harem, en om in de schemeruren zich niet te vervelen, laat zij danseressen komen, die met castagnetten en kleine trommels in de handen, blootsvoets op de tapijten moeten dansen. Dag aan dag gaat zoo haar leven even ledig en vreugdeloos voorbij. Misschien is zij het, van wie een Duitsch dichter vertelt, dat zij elken avond naar een fontein afdaalde, om den jongen slaaf te zien, die daar om dien tijd placht te komen. Zij zag, hoe hij er dagelijks bleeker en meer vervallen uit zag, en op zekeren avond vatte zij moed, ging naar hem toe en fluisterde snel:
„Uw naam wil ik weten, Uw geboorteland, uw maagschap”—
En de slaaf sprak: „Ik heet Mohammed, ik kom uit Jemen, En mijn stam is die der Asra Die sterven als zij liefhebben.”—
Als nu eindelijk het stervensuur van Fatime zelf komt, worden priesters in het huis geroepen, om de gebeden op te zeggen, welke de poorten van het paradijs openen. In haar kamer geurt de wierook, en als het leven is gevloden, worden haar oogen dichtgedrukt. Het doode lichaam wordt met lauw water gewasschen en met kamfer ingewreven. Daarna wordt zij in een wit laken gehuld, er wordt een doek om haar hoofd gewonden, en het haar in twee bosjes achter de ooren bevestigd en in twee vlechten over schouder en borst gelegd.
In den harem heerscht groote beroering. De andere vrouwen zijn blijde de medeminnares kwijt te zijn, en zij moet denzelfden dag nog worden begraven; want men heeft er hier een grooten afschuw van, lijken, ook maar een minuut langer in huis te houden, dan beslist noodig is. Nu ligt zij op de baar, de gebeden voor de dooden worden opgezegd, tegen zonsondergang zet de lijkstoet zich in beweging en de klaagtonen der daarvoor gehuurde klaagvrouwen weergalmen door de nauwe straten. Een lijkdienst in een godshuis kent men hier niet; de moskeeën zijn voor de levenden, niet voor de dooden. Haastig gaat de stoet naar de schaduw der cypressen, waar de witte grafsteenen zoo dicht op elkaar staan als rijpe korenaren op den akker. Het graf is niet diep, maar heeft een kleine zijcrypta, waarin het lijk zoo wordt geschoven, dat het gelaat naar Mekka is toegekeerd; voor de crypta worden eenige planken bevestigd en dan vult men het buitenste graf weer met aarde. Op den grafsteen zijn eenige herinneringswoorden of een spreuk uit den koran te lezen.
Onbeschrijfelijke stilte en groote vrede heerschen op de kerkhoven van Konstantinopel. Slechts hier en daar dringt het zonlicht door de donkere cypressen. Een geschilderde fez of een in steen gemetselde tulband versiert de graven der mannen, bladeren en bloemen die der vrouwen. Drie steenen bloesemknoppen op een grafsteen, zeggen ons, dat de doode drie kinderen heeft achtergelaten. Veel kinderen te hebben gehad is de hoogste eer der vrouw.
Zulk een grafzerk bestaat gewoonlijk uit een liggenden en twee rechtop staande steenen. Aan de hoeken van den liggenden steen bevinden zich schelpvormige holten, hierin verzamelen zich regendroppels en dauw, en de zangvogels komen er om te drinken en door hun gezang den slaap der dooden aangenamer te maken. Den dag der opstanding zullen de gestorvenen zich te voet en te paard uit den schoot der graven spoeden, om tot de vreugde van het paradijs te worden verzameld.
12. DE ZWARTE ZEE.
Het was op een zonnigen, blijden, frisschen Octobermorgen van het jaar 1905, dat ik de laatste maal, vergezeld door den Turkschen portier van het Zweedsche gezantschap, den ouden Ali, naar de kade van Stamboel reed. Mijn uit acht kisten bestaande bagage liet ik in een kaik laden, die vier roeiers had, en tusschen voor anker liggende zeilschepen, stoombooten en jachten door, naar den Bosporus stevende. Gekomen aan de valreep van de groote Russische stoomboot, wachtte ik, totdat al mijn goed veilig aan boord was en volgde toen. Het anker werd gelicht, de schroef begon te werken, en de stoomboot richtte zich Noordwaarts naar den Bosporus.
Ik ging met den verrekijker op den achtersteven op een bank zitten, en nam afscheid van de hoofdstad der Turken. Wat is dit schouwspel toch wonderschoon en onvergetelijk! Uit de zee van huizen verheffen zich de witte, slanke minaretten ten hemel, en ook de cypressen, hoog, stil en rechtop als koningen, wijzen aan de kinderen der aarde den lichten weg naar het Paradijs. Rondom verheffen zich de huizen tegen de hellingen der heuvels als rijen banken in een theater, een reuzencircus, met plaatsen voor toeschouwers, voor meer dan een millioen Turken en de arena is de blauwe watervlakte van de Bosporus.
Onbarmhartig voert de stoomboot ons van het betooverend schouwspel weg. De nevelsluier, waarin langzamerhand het schouwspel gehuld wordt, maakt alle lijnen minder scherp en als een droom verdwijnt ten slotte de witte stad. Nu verander ik van plaats en kijk vooruit. Misschien is het daarheen nog schooner. De zeeëngte gelijkt op een rivier, tusschen steile, rotsige oevers, maar in de dalen en waar maar een kuststreep zich vertoont, verheffen zich witte villa’s en burchten, dorpen, muren en ruïnen, tuinen en bosschages. De Bosporus is nauwelijks 30 kilometer lang en op enkele plaatsen twee, op andere een halven kilometer breed. Oude platanen welven hun kruinen over frissche weiden; laurierboomen, kastanjes, walnoten en eiken spreiden hun zware schaduwen. Witte meeuwen zweven boven ons en een schaar dolfijnen vergezelt ons kielwater, wachtend op den afval uit de keuken. Zij zijn donker, zacht en glanzend, hun rug schittert als metaal en men ziet ze reeds, als ze nog verscheiden meters onder water zijn. Door een ruk van de staartvinnen werpen zij zich omhoog, schieten als pijlen der zeegoden in bevallige bochten over de golven en den spitsen snuit naar beneden gericht, duiken zij weer in de diepte.
Zij zouden ons kunnen inhalen als zij wilden, maar zij stellen er zich mede tevreden ons schip urenlang te volgen.
Links hebben wij den Europeeschen oever, rechts den Aziatischen. De afstand tusschen beiden is overal zoo gering, dat de Europeanen het blaffen van de Aziatische honden kunnen hooren. Ginds ligt Toerapia, met de zomervilla’s der christenen; de paleizen der gezanten en de balkons der Turksche koffiehuizen hangen boven het water. Verder omlaag strekt zich een groot dorp uit, met een oerouden plataan, (waarvan de zeven stammen „de zeven broeders” heeten.) In zijn schaduw legerde, volgens de sage, Gottfried van Bouillon met zijn kruisvaarders, toen hij uittrok om het heilige graf te veroveren met den titel van „Koning van Jeruzalem”.
Nu verbreedt de zeeëngte zich en de kusten der beide werelddeelen verwijderen zich van elkaar. De open horizon van de Zwarte Zee opent zich voor ons en het schip begint te stampen. Rechts en links verheffen zich vuurtorens en de mond van de zeeëngte wordt door hooggelegen batterijen bestreken. Maar reeds na een half uur, zien wij ternauwernood meer iets van den inham der kust, waar de Bosporus eindigt. Op de schommelende golven der zee stevenen wij rechtstreeks naar Sebastopol, dicht bij het zuidelijkste voorgebergte van het schiereiland de Krim. Hier is het station der Russische vloot, maar de Russen hebben er weinig pleizier van, want de Turken beslissen over de doorvaart naar de Middellandsche zee, en zonder toestemming der andere groote mogendheden mogen de Russische oorlogschepen de Zwarte Zee niet verlaten. Maar voor het vredig scheepverkeer van alle volken staat ze onbeperkt open.
De Zwarte Zee, de Kaspische Zee en de Oostzee zijn bijna even groot. De grootste diepte van de laatste is maar 460 meter, de Kaspische Zee heeft reeds 1100 Meter diepte, in de Zwarte Zee heeft men echter 2250 meter gepeild. De Oostzee is alleen door Europeesche kusten omgeven, de Zwarte en de Kaspische Zee behooren tot Europa en tot Azië. Door verschillende zeeëngten—tusschen de Deensche eilanden—staat de Oostzee met den Atlantischen Oceaan in verbinding; de Zwarte Zee heeft slechts één uitgang, den Bosporus, en de Kaspische geen enkele. Het merkwaardige van deze echte binnenzee is, dat haar spiegel 26 meter onder dien van de Zwarte Zee ligt! Alle drie zeeën zijn zoutachtig, de Oostzee het minst. Door vier groote rivieren, de Donau, de Dnjestr, de Dnjepr en de Don, ontvangt de Zwarte Zee veel zoetwater, maar op den bodem van den Bosporus loopt een zoute onderstroom in de Zwarte Zee, terwijl deze een minder zouthoudenden en daardoor lichteren bovenstroom naar de Middellandsche Zee zendt. Overigens is de Zwarte Zee niet zwarter dan alle andere, evenmin als de Witte Zee, wit, de Gele, geel, of de Roode rood is en indien iemand u het verhaal mocht doen van den kapitein die van de Middellandsche zee naar de Roode zee wilde zeilen, inplaats daarvan echter in de Zwarte Zee kwam, omdat hij kleurenblind was, dan kunt gij hem gerust uitlachen!
Wij kijken de haven van Sebastopol in, ankeren voor Kaukasische steden, buiten op de open reede, binden onze touwen aan de kaderingen van Batoem en laten dan, slechts weinig van de kusten van Klein-Azië verwijderd, voor het laatst het anker vallen. Trotsch en helder, met begroeide bergen als achtergrond, baadt Trebisonde zich in het licht der middagzon. Kleine roeibooten komen snel van het land aan om menschen en waren aan de kade te brengen. De Turksche roeiers brullen als bezetenen door elkaar, maar niemand luistert naar hen. Ieder is blij, eindelijk met pak en zak aan land te zijn.
13. VAN TREBISONDE NAAR TEHERAN.
Van Trebisonde dat reeds 700 jaar voor Christus geboorte een Grieksche kolonie was, leidt een 1300 kilometer lange weg over Trebris naar Teheran en sedert onheugelijke tijden is de handel van Perzië over dezen heirweg naar de Zwarte Zee gegaan. Veel van deze oude handelswegen leiden nu echter nog slechts een kommervol bestaan; moderne verkeersmiddelen hebben de karavanen verdrongen, en het Suezkanaal en de Kaukasische spoorwegen hebben ook veel afbreuk gedaan aan deze handelswegen. Toch trekken nog groote karavanen van Trebisonde naar Tebris en verder naar Teheran, want de weg is goed, hoewel het gebeuren kan, dat de herfstregens hem doorweekt hebben, of hij op het hoog-plateau in Turksch-Armenië steenhard bevroren is. Langs dezen weg gaat het ook niet zeer snel, want men moet 250 Kilometer ver, met dezelfde paarden doen.